Sunni Ali Ber: De Krijger, de Ketter, de Stichter
Hij bouwde een rijk dat anderhalve eeuw zou duren, en hij deed het op een manier die de geleerden van Timbuktu nooit zouden vergeven.
De man die twee verhalen draagt
Er zijn figuren in de geschiedenis die zich niet laten vatten in één narratief, en Sunni Ali Ber is er zo een.
Wie de Tarikh al-Sudan leest, geschreven in 1655 door de Timbuktu-geleerde Abderrahman as-Sa’di ﵀, krijgt het portret van een tiran: een bloedige vervolger van de Ulema, een man die de stad van kennis onder zijn hoef vertrapte. As-Sa’di ﵀ schrijft over hem met onverbloemde afschuw, want Ali was volgens hem een onderdrukker, een groot tiran, een wrede vervolger van de geleerden, een man die hen liet doden en verbannen.
Maar wie in de Songhay-traditie zelf duikt, in de mondelinge epiek die van generatie op generatie is doorgegeven, krijgt een heel andere man: een held, de Ber, de Grote, de bevrijder die Mali van zijn laatste aanspraken verdreef en een koninkrijk bouwde dat de trots was van elk Sorko-dorp langs de Niger.
Welke van de twee is waar?
Beide, en dat is precies wat deze man zo fascinerend maakt, want wij zullen hem niet sanitiseren maar de twee verhalen naast elkaar leggen.
Een regering van achtentwintig jaar
Sunni Ali besteeg de troon in 1464 en zou regeren tot zijn dood in 1492, achtentwintig jaar in totaal.
In de West-Afrikaanse middeleeuwen is dat een bijzonder lange regering, zeker voor een vorst die vrijwel constant in het veld stond. De Tarikh al-Fattash geeft een lijst van zijn campagnes die duizelingwekkend is, met meer dan dertig gedocumenteerde militaire expedities; hij zat nauwelijks in zijn paleis en was, in de woorden van één moderne historicus, een koning te paard.
Zijn militair genie had twee pijlers: snelheid en gecombineerde wapens. De Songhay-cavalerie, zwaar bewapend, kon sneller doorstoten dan welke vijand ook, terwijl de Songhay-vloot, onder de Sorko-schippers, troepen langs de Niger kon verplaatsen op een manier die landmachten niet konden bijbenen. Ali leerde deze twee te combineren, zodat een landleger via de rivier flankeerde en een vloot troepen aan wal zette achter vijandelijke linies, een tactisch patroon dat door geen enkele West-Afrikaanse tijdgenoot werd geëvenaard.
Zijn eerste grote doel was het afmaken van wat de voorgaande generatie was begonnen, het definitief liquideren van de Malinese aanspraken op de Middelste Niger. Hij veroverde Djenné in 1473, na een legendarisch lange belegering die volgens sommige bronnen zeven jaar en zeven maanden duurde, hoewel dat getal vermoedelijk symbolisch is; Djenné, de oude handelsstad, de parel van het Malinese zuiden, viel in Songhay-handen en zou er tot 1591 blijven.
Veldslag laden...
Timbuktu, 1468
De episode die Ali’s reputatie onder de Islamitische geleerden voor eeuwen zou bezegelen, is wat in 1468 in Timbuktu gebeurde.
Timbuktu was op dat moment al bijna twee eeuwen een spirituele en intellectuele hoofdstad, want de Sankore-moskee trok studenten uit Fez, Caïro, zelfs Bagdad, en de geleerdenfamilies, de Aqit, de Baghayogho, de An-da-Ag-Muhammad, vormden een aristocratie van boeken. Kopieën van de Muwatta van Malik ibn Anas ﵀, van de Sahih van Bukhari ﵀, van de werken van al-Ghazali ﵀, circuleerden in handgeschreven manuscripten, terwijl de stad vanaf 1433 werd beheerst door de Tuareg-stam Maghsharan, onder Akil Aghmubula Ibn Masib.
Sunni Ali’s leger nam Timbuktu in 1468 in.
De Tuareg vluchtten, en de qadi Abu Bakr Umar Muhammad Aqit, stamvader van de Aqit-familie waar Ahmed Baba ﵀ later uit voort zou komen, moest met zijn gezin vluchten naar Walata. Veel geleerden die achterbleven werden volgens de Tarikh al-Sudan gedood, gevangen gezet of in hun rijkdommen gestript, en as-Sa’di ﵀ is specifiek, want hij noemt namen, families en aantallen; het is geen vage beschuldiging.
De vraag is waarom.
Het simpele antwoord is dat Ali de Timbuktu-geleerden zag als bondgenoten van de Tuareg die hij net had verdreven, en dus als potentiële vijfde colonne. Maar dat antwoord is te politiek om alles te verklaren, want er zit iets diepers onder, iets wat de kroniekschrijvers hebben aangevoeld en wat Ali’s nagedachtenis blijvend heeft beschadigd: een religieuze kloof.
Syncretie op de troon
Sunni Ali regeerde een land dat in de stedelijke centra al twee eeuwen overwegend moslim was. Timbuktu, Djenné en Gao zelf hadden alle grote moskeeën, een moslim-aristocratie en een Islamitische rechtspraak, maar het platteland, de rivierdorpen, de Sorko-vissers en de Songhay-boeren leefden grotendeels volgens pre-Islamitische tradities, met ritueel vuur, geestenvereringen en magische praktijken rond de Niger zelf als godheid.
Ali verhield zich tot de Islam op een manier die de Ulema radicaal ketters vond. Hij bad, ja, en hij liet soms de sjahada uitspreken, maar hij hield tegelijk vast aan bori- en magische praktijken, aan bezweringen en aan voorouderverering. Volgens de Tarikh al-Sudan vroeg hij aan zijn tovenaars wat hij moest doen voordat hij zijn religieuze plichten vervulde; hij zou de vijf dagelijkse gebeden tot één hebben samengebracht, zou Ramadan niet hebben gevast en zou niet hebben gegeven wat aan Allah ﷻ toekwam.
Of dit allemaal letterlijk klopt, is moeilijk te zeggen. As-Sa’di ﵀ had er alle belang bij om Ali te portretteren als het tegenovergestelde van wat een goede Islamitische vorst moet zijn, omdat as-Sa’di’s wereld die van Askia Muhammad was, de man die Ali’s zoon ten val zou brengen.
Maar het patroon klopt met alles wat wij over Songhay-religie in deze periode weten, namelijk een syncretistische koningsreligie waarin Islamitische vormen werden gemengd met een pre-Islamitische kern.
Voor de geleerden van Timbuktu, die zich juist in deze decennia bezighielden met het zuiveren van de rechtsschool en de tekstuele overlevering, was dit een schandaal op de troon. Ali was formeel moslim, maar in hun ogen was hij erger dan een heiden, want een heiden kent tenminste geen beter, terwijl Ali het beter kende en het tegenovergestelde verkoos.
De Aqit-familie en de lange memorie
De familie die het meest onder Ali leed, verdient hier bijzondere aandacht.
De Aqit, oorspronkelijk van Sanhaja-Berber-afkomst maar volledig verankerd in de Islamitische geleerdenstand van Timbuktu, waren de intellectuele aristocratie van de stad, en toen zij in 1468 moesten vluchten naar Walata, droegen zij hun bibliotheken mee, of verstopten ze, of zagen ze verloren gaan. Het was een trauma dat generaties zou doorwerken.
Tweeënzeventig jaar later, in 1556, werd uit deze familie Ahmed Baba al-Timbukti ﵀ geboren, de grootste West-Afrikaanse geleerde van zijn eeuw, auteur van meer dan vijftig werken, een man wiens naam tot op vandaag in Timbuktu-archieven circuleert.
Ahmed Baba ﵀ zou zelf, door een ironie van de geschiedenis, in 1593 in Marokkaanse ballingschap worden weggevoerd, maar zijn familie droeg de herinnering aan Sunni Ali mee als een familiewond. Wanneer in een volgend hoofdstuk de machtsovername van Askia Muhammad valt, moet men begrijpen dat Askia’s steun van de Ulema niet toevallig was, want de Aqit en hun bondgenoten hadden een rekening te vereffenen.
De andere lezing: de eenheidsman
Dan de andere kant, want wij sanitiseren niet, maar wij rehabiliteren ook niet.
Voor de Songhay zelf was Ali Ber de man die hun identiteit heeft gestold. Hij verenigde de stammen langs de Niger-bocht onder één heerschappij en drong de Tuareg-dreiging terug die Mali niet had kunnen bedwingen, terwijl hij Djenné, Timbuktu en een groot deel van wat vroeger Mali was veroverde en een leger en een vloot stichtte die Songhay vervolgens anderhalve eeuw zou beschermen.
Zonder Ali geen Songhay-imperium, en zonder Songhay-imperium geen bloeitijd van Ahmed Baba’s Timbuktu onder Askia.
Het is in zekere zin ironisch, want de man die Timbuktu vervolgde, maakte het latere bloeitijdperk van Timbuktu mogelijk; hij sloopte het systeem dat hij niet vertrouwde, maar hij liet een staat na die zijn opvolger zou gebruiken om iets nieuws op te bouwen.
De Songhay-traditie noemt hem Ber, de Grote, niet ironisch, want zij zien hem als een stichter-koning in de lijn van andere stichter-koningen, zoals Sundiata van Mali en Sonni van de eerste generatie. Zulke mannen zijn altijd bloedig, want stichten is nooit een zachte kunst.
Wat de Tarikh niet kan wegcijferen
Zelfs as-Sa’di ﵀, die Ali haatte met de haat van een geleerde voor een vervolger, kan niet ontkennen dat het rijk dat Ali naliet stevig stond. Hij noteert de omvang, de militaire organisatie en de grenzen, en maakt daarmee impliciet duidelijk dat Askia Muhammad, zijn held, niet uit het niets kon bouwen, maar erfde wat Ali had opgelegd.
De Tarikh al-Fattash, iets vriendelijker voor Ali omdat die kroniek meer affiniteit had met de pre-Askia-dynastie, geeft anekdotes over zijn rechtvaardigheid tegenover zijn eigen soldaten, over zijn persoonlijke moed in veldslagen en over zijn vermogen om loyaliteit te inspireren. Een man die achtentwintig jaar een rijk regeert waarin hij constant aan het vechten is, is nooit alleen een tiran; hij moet iets hebben gehad waar mannen voor wilden sterven.
De tactiek en de terreur
Over Ali’s manier van oorlog voeren valt iets concreets te zeggen, omdat het zo anders was dan wat de regio gewend was.
Ali was geen feodale koning die zijn ridders in een veldslag leidde en dan terug naar het paleis ging, maar een campagne-koning die in het veld bleef, seizoen na seizoen, met zijn eigen lijfwacht, met zijn eigen toewijding aan details en met zijn eigen bereidheid om zelf voorop te rijden.
Zijn tactiek combineerde drie elementen. Het eerste was snelheid, want zijn cavalerie-eenheden konden dagmarsen afleggen die tegenstanders niet bijbeenden. Het tweede waren gecombineerde wapens, de combinatie van rivier-vloot en land-cavalerie, zoals al genoemd. En het derde, ongemakkelijk maar onmiskenbaar, was terreur als bewust instrument, want wanneer een stad of dorp weigerde zich te onderwerpen, liet Ali een voorbeeld stellen dat de volgende stad sneller overtuigde; de Tarikh al-Sudan beschrijft hoe sommige gemeenschappen na ongepast verzet volledig werden weggevaagd, hun bewoners gedood, verkocht in slavernij of verbannen.
Dit is ongemakkelijk om te vertellen, maar het is wat de bronnen zeggen, en wij sanitiseren niet. Men mag ook niet vergeten dat Ali’s tegenstanders precies dezelfde methoden gebruikten waar zij dat konden, want dit was, in de late vijftiende eeuw, de norm van Sahel-oorlogvoering en niet Ali’s uitvinding; zijn bijzondere eigenschap was de effectiviteit waarmee hij deze methoden hanteerde, niet de methoden zelf.
Bouw en bureaucratie
Temidden van al deze krijgshaftigheid gaf Ali ook vorm aan een bestuurlijke infrastructuur. Hij verdeelde zijn rijk in provincies met gouverneurs, vaak familieleden of loyale generaals, terwijl hij garnizoenen langs de Niger bouwde en een koeriersdienst tussen de steden organiseerde, volgens sommige bronnen met snelle boten die boodschappen en troepen efficiënt konden verplaatsen.
Wat zijn opvolger Askia Muhammad zou erven, was geen oorlogsvlakte met een leegte erin, maar een functionerend rijk met bestuurlijke gewoonten, legerdiscipline en een belastingbasis. Askia’s werk zou zijn deze structuur te Islamiseren, maar de structuur zelf was er al.
Dit nuanceert de Tarikh al-Sudan-vertelling die Ali bijna uitsluitend als destructieve kracht portretteert, want de kroniek laat de positieve nalatenschap impliciet, maar zij is er wel.
Hoe stierf hij?
In november 1492, terugkerend van een expeditie tegen de Fulbe in het zuidwesten, verdronk Sunni Ali in de rivier Koni, of de Niger zelf, want de bronnen zijn oneens. Sommige kronieken zeggen dat hij van zijn paard viel tijdens het oversteken, terwijl anderen duister suggereren dat het geen ongeluk was, en de Tarikh al-Sudan is expliciet, want as-Sa’di ﵀ vindt dit een gepast einde voor een man die Allah ﷻ had getart, een einde waarin de elementen zelf hun oordeel velden.
Met zekerheid valt het niet meer te zeggen.
Eén ding is wel zeker, want in datzelfde jaar 1492 viel Granada aan Isabella en Ferdinand, terwijl Portugese en Genuese zeevaarders onder Columbus koers zetten over de Atlantische Oceaan, en Sunni Ali stierf in het water van een rivier. De val van het laatste moslim-koninkrijk in Spanje, het begin van de Europese koloniale expansie en de dood van Sunni Ali: drie gebeurtenissen in één jaar, drie gebeurtenissen die elk op hun eigen manier de Islamitische wereld anders zouden laten uitzien dan tevoren.
De kroniekschrijver zelf
Om Sunni Ali goed te kunnen beoordelen moet men ook de man kennen die over hem schreef.
Abderrahman as-Sa’di ﵀ werd rond 1594 in Timbuktu geboren, een kleine eeuw na Ali’s dood. Hij werd opgeleid aan Sankore, was werkzaam als imam en secretaris in verschillende steden van de Midden-Niger, en schreef zijn Tarikh al-Sudan, Kroniek van de Soedan, tussen 1643 en 1655; hij was een directe afstammeling van de Islamitische geleerdentraditie die onder Ali had geleden, onder Askia weer was opgebloeid en onder de Marokkaanse bezetting na 1591 in crisis was geraakt.
Voor as-Sa’di ﵀ was de vraag “wat voor koning was Sunni Ali?” niet academisch, maar een familieverhaal, een traditieverhaal, een vraag van wie wel en wie niet rechtmatig moslim-vorst kon zijn. Zijn antwoord, dat Ali onrechtmatig was en Askia rechtmatig, is niet toevallig, want het past in het bredere argument van zijn boek, waarin de rechtmatige lijn van West-Afrikaans Islamitisch koningschap via Askia loopt en niet via Ali.
Dit betekent niet dat as-Sa’di ﵀ feiten verzonnen heeft, want zijn beschrijvingen van Ali’s militaire campagnes komen grotendeels overeen met wat uit andere bronnen te reconstrueren valt. Maar zijn morele framing, Ali als tiran en Askia als bevrijder, is een frame en geen neutrale observatie, en een moderne historicus leest as-Sa’di ﵀ dan ook niet als gerechtelijk vonnis, maar als waardevol getuigenis met een duidelijke eigen belangenpositie.
De Tarikh al-Fattash, die parallel aan as-Sa’di ﵀ geschreven werd en aanvankelijk werd toegeschreven aan de Timbuktu-geleerde Mahmud Kati ﵀, hoewel moderne onderzoekers het auteurschap ingewikkelder zien, is iets milder voor Ali en biedt details die as-Sa’di ﵀ weglaat, zodat tussen de twee kronieken een complementair beeld ontstaat waaruit Ali als een ambivalentere, menselijkere figuur opduikt dan in as-Sa’di ﵀ alleen.
Een zoon zonder vader
Sunni Ali liet een zoon achter, Sunni Baro, of Sunni Baru, want de spellingen variëren. Baro zou proberen de troon voor de dynastie te behouden, en hij bleef, zoals zijn vader, verzoend met de pre-Islamitische koningsreligie, of koos er tenminste niet openlijk afstand van te nemen.
Die keuze zou hem zijn troon kosten binnen enkele maanden, want in het leger van zijn vader diende een generaal, een Soninke van Tuareg-verwant bloed, die zelf diepgelovig moslim was en die een heel andere visie had op wat een Songhay-koning zou moeten zijn. Zijn naam was Muhammad ibn Abi Bakr.
Hij zou geschiedenis schrijven als Askia Muhammad de Grote.
Maar dat is het volgende hoofdstuk.
Een figuur voor de luisteraar
Wat wij over deze man moeten meenemen, is niet de simpele versie, niet “Ali de tiran” en ook niet “Ali de held”, maar iets ingewikkelders.
Sunni Ali was een stichter-koning die zijn rijk bouwde met methoden die de latere Islamitische traditie van zijn eigen land zou veroordelen, en hij liet een staat na die sterk genoeg was om een eeuw te bestaan, terwijl hij tegelijk een kloof maakte tussen de stedelijke Islamitische elite en de plattelandstraditie die Songhay nooit volledig heeft kunnen dichten, en die uiteindelijk in 1591 zou bijdragen aan de ineenstorting.
Hij is een waarschuwing en een monument tegelijk: een waarschuwing voor wat gebeurt als macht losraakt van legitimiteit, van de Ulema, van de gemeenschap die onderwijst, en een monument voor wat militaire genialiteit kan doen wanneer een man zijn hele leven aan één doel wijdt, het opbouwen van een staat.
In 1492 stierf hij, en precies op dat moment begon het verhaal dat volgens de meeste Islamitische kronieken het echte verhaal van Songhay is.
Kaart laden...
De gedeelde verantwoordelijkheid
Eén vraag blijft hangen.
Als Ali’s methoden het fundament legden voor wat Askia Muhammad later bouwde, zijn wij dan verplicht die methoden goed te keuren, en als Timbuktu onder Askia herbloeide dankzij een staat die Ali had geschapen, is Ali’s geweld dan achteraf gerechtvaardigd?
Het antwoord is nee.
Wij mogen niet redeneren met terugwerkende kracht over recht en onrecht, want wat Ali deed met de Aqit-familie, met de geleerden die onder zijn bewind gedood werden en met de Tuareg die hij verdreef, blijft wat het was, ongeacht wat erna kwam. Een goede uitkomst rechtvaardigt geen onjuiste middelen, en dat is een Islamitisch rechtsbeginsel dat al-Maghili ﵀ zou hebben herkend, en dat Ahmed Baba ﵀ later expliciet zou maken in zijn geschriften.
Maar erkenning is wel verplicht, want Ali leefde niet voor het oordeel van een latere eeuw; hij leefde voor zijn eigen tijd, met zijn eigen eisen, onder zijn eigen omstandigheden. Het oordeel van de geschiedenis is belangrijk, maar het is niet het enige wat telt, want Allah ﷻ is de uiteindelijke rechter, en wat Ali voor zijn Heer moet beantwoorden, is tussen hem en zijn Heer.
Wij, nu, kunnen alleen zijn leven beschrijven, zijn consequenties wegen en onze eigen lessen trekken.
Bronnen
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstuk 12 over de regering van Sunni Ali: de tiran en slachter die de geleerden doodde en vernederde, zijn intocht in Timbuktu in Rajab 873 (januari 1469), de vlucht van de geleerden naar Walata, zijn spot met het gebed en zijn dood in een stortvloed bij Kuna op 6 november 1492, in de vertaling van Hunwick, pp. 91–97, 99–100 (TS hfst. 12); het beleg van Djenné van zeven jaar, zeven maanden en zeven dagen, pp. 20–22 (TS hfst. 5); en de Maghsharan-Tuareg over Timbuktu vanaf 837/1433–34, p. 31 (TS hfst. 7).
- Tarikh al-Fattash (Mahmud Kaʿti ﵀ en zijn kleinzoon Ibn al-Mukhtar ﵀), de kroniek die vierendertig expedities van Sunni Ali in achtentwintig jaar opsomt en zijn veroveringen eerder als glorie dan als misdaad beschrijft, zoals besproken in Gomez, pp. 183–185.
- Muhammad ibn ʿAbd al-Karim al-Maghili ﵀, Ajwiba (de Antwoorden aan Askia Muhammad), tweede vraag: Askia’s beschrijving van Sunni Ali’s moederfamilie uit Far, zijn waarzeggers en magiërs, zijn uitgestelde gebeden en zijn geweld tegen geleerden, met al-Maghili’s oordeel dat dit gedrag een teken van ongeloof is, in de vertaling van Hunwick, Shariʿa in Songhay, pp. 69–71, 73.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxxviii–xl, xliii, lxii–lxiii, 8, 20–22, 31, 91–97, 99–100, 102.
- pp. xxxviii–xl: Sunni Ali (1464–92) als man van rusteloze energie en meedogenloos karakter; zijn cavalerieleger en zijn doel, de Midden-Niger en de goudhandel te beheersen; geen nauwgezet belijder van het geloof, met troepen uit Dendi die nauwelijks door de Islam waren beïnvloed; Sunni Baru binnen vijf maanden verslagen door de Tondi-farma; de afkomst van Askia Muhammad uit de Soninke-clans Silla of Ture.
- p. xliii: de ambten die al onder Sunni Ali bestonden, waaronder de Hi-koi als bevelhebber van de boten, en de mondyo’s van Djenné, Masina en Timbuktu.
- pp. lxii–lxiii: de Tarikh al-Fattash van Mahmud Kaʿti ﵀, rond 1593, voortgezet door zijn kleinzoon; as-Saʿdi ﵀ geboren op 28 mei 1594, in 1626–27 imam van de Sankore-moskee van Djenné, in 1646 hoofdsecretaris in Timbuktu, met een kroniek die tot 1655 loopt.
- p. 8, pp. 20–22, 31 (TS hfst. 2, 5, 7): Sunni Ali als al-khariji, een aanduiding van zijn wreedheid en niet van een sekte; het beleg van Djenné, de hongersnood, de overgave en het huwelijk met de moeder van de jonge sultan; de Tuareg over Timbuktu vanaf 837/1433–34 en Sunni Ali’s heerschappij over de stad vanaf 873/1468–69.
- pp. 91–94 (TS hfst. 12): de veroordeling door as-Saʿdi ﵀ en al-Suyuti ﵀; aan de macht in 869/1464–65, zevenentwintig of achtentwintig jaar; de veroveringen van Djenné tot Kebbi; de intocht in Timbuktu op 4 of 5 Rajab 873, 18 of 19 januari 1469; Akil die de geleerden op duizend kamelen naar Walata bracht, onder wie de faqih Umar ibn Muhammad Aqit ﵀ met zijn vijfjarige zoon Mahmud ﵀; de moord op geleerden om hun vermeende vriendschap met de Tuareg; de dertig maagden.
- pp. 95–97: de vervolging van Alfa-Gungu; de uitgestelde gebeden; de doodvonnissen tegen de latere Askia Muhammad, telkens herroepen; zijn moeder Kasay die om gebed vroeg; de secretaris uit Fez en de voorgelezen Risala.
- pp. 99–100: het kanaal bij Ra’s al-ma; de Mossi verslagen in 888/1483–84; het gebed te Arafat om zijn straf; zijn dood op 15 Muharram 898, 6 november 1492, in een stortvloed bij Kuna, door toedoen van de Machtige, en de mondelinge traditie die van moord spreekt.
- p. 102 (TS hfst. 13): zijn zoon Abu Bakr Dao, Baru, als opvolger; Muhammad ibn Abi Bakr al-Turi, of al-Sillanki, een van Sunni Ali’s hoogste bevelhebbers.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 171, 175, 183–189, 194–197, 201, 206–207, 209, 218, 221.
- pp. 171, 175: as-Saʿdi ﵀ geboren in 1594, in dienst van het Arma-bestuur; de Aqit in 1593–94 gearresteerd en naar Marrakesh verbannen, onder wie Ahmad Baba ﵀, wiens Nayl al-ibtihaj in 1596 in ballingschap werd voltooid; de parallel met Sunni Ali’s vervolging van dezelfde familie.
- pp. 183–185: de scheldnamen van de kronieken tegenover Ali Ber, de Grote, in de Tarikh al-Fattash; vierendertig expedities tegenover elf in de Tarikh al-Sudan; de strategie van de Midden-Niger.
- pp. 186–189: de Tuareg over Timbuktu vanaf 1433–34 en de uitnodiging van de Timbuktu-koi; het beleg van Djenné in de drie lezingen (zeven jaar, vier jaar, zes maanden) en Sunni Ali’s vertrek uit de stad omstreeks 878/1473–74; van 1469 tot 1477 voortdurend in oorlog; de Fulbe-vrouwen als geschenk aan de elite van Timbuktu.
- pp. 194–197: de vlucht op duizend kamelen; ten minste vijf golven van vervolging; Sita gevangen en haar broers gedood; Ta’jiti en Alfa-Gungu; de terugkeer van Mahmud Aqit ﵀ in 885/1480 als teken van een schikking.
- p. 201: de onduidelijkheid over het vasten, nu de Antwoorden van al-Maghili ﵀ stellen dat Sunni Ali Ramadan vastte terwijl zijn gevolg niet durfde te bidden of te vasten.
- pp. 206–207: Muhammad Ture als Tondi-farma in de hoogste bevelslijn; de dood bij Kuna en de mondelinge tradities die de Tondi-farma van moord beschuldigen.
- pp. 209, 218, 221: iedereen soldaat; de Tarikh al-Fattash die Ali letterlijk op zijn paard plaatst; achtentwintig jaar aan de macht als regionalist; Baru door het leger uitgeroepen en binnen een maand aangevallen.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 41, 69–71, 73.
- p. 41: Sunni Ali stierf eind 1492 en binnen zes maanden was zijn zoon Abu Bakr door Askia Muhammad ten val gebracht.
- pp. 69–71, 73: de tweede vraag van Askia en het antwoord van al-Maghili ﵀ over Sunni Ali’s syncretisme, zijn gebeden, zijn vasten en zijn geweld.
