InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Askia Muhammad de Grote
Islam in West-AfrikaThe Songhai Empire

Askia Muhammad de Grote

Askia Muhammad de Grote: Het Volle Islamitische Staatsmodel

Waar Mansa Musa de fundamenten legde, voltooide Askia Muhammad het gebouw. Vijfendertig jaar lang, tot zijn eigen zonen hem blind zouden maken en verbannen.

De Man op de Troon

Gao lag in 1493 aan de oostelijke bocht van de Niger, aan de rand waar het groen van de rivier overging in de gele Sahara, en vanaf het paleis dat iets ten noorden van de Grote Moskee stond vertrokken de karavaanroutes in alle richtingen: noordwaarts naar Tafilalt, oostwaarts naar Agadez en de Hausa-staten, zuidwaarts langs de rivier naar Djenné en verder. In dat paleis zat nu een nieuwe koning, vijftig jaar oud, misschien ouder, streng van gezicht, een praktijkmoslim die de shariah kende, een krijger die zestien campagnes had doorstaan, en tegelijk een politicus die wist dat zijn regering vanaf dag één op legitimiteit moest berusten en niet alleen op het zwaard.

Vijfendertig jaar zou Askia Muhammad regeren, van 1493 tot 1528, en in die periode zou hij iets opbouwen wat West-Afrika nooit eerder had gezien: een volledig geïntegreerd Islamitisch staatssysteem, met wetgeving, rechtspraak, bestuur, belasting, leger en buitenlandse politiek, allemaal volgens Islamitische principes georganiseerd en tegelijk aangepast aan de realiteit van een multi-etnisch Sahel-rijk.

Dit was niet Timbuktu als intellectuele enclave binnen een syncretistische staat, zoals onder Ali; dit was een staat waarvan Islam het bestuurlijk fundament was.

De Hajj van 1496: De Grote Reis

Drie jaar na zijn machtsovername, in het jaar 1496, deed Askia wat Mansa Musa anderhalve eeuw eerder had gedaan en ging op Hajj. Maar waar Musa’s reis een demonstratie van rijkdom was geweest, met honderden kamelen goud en een karavaan die Caïro in rep en roer bracht, was Askia’s reis van een andere aard: het was een politieke en religieuze daad, zorgvuldig gecalculeerd.

De Tarikh al-Sudan geeft ons de cijfers, want Askia reisde met ongeveer 1.500 man, waarvan 500 ruiters en 1.000 voetknechten, en hij droeg 300.000 mithqal goud mee, een mithqal ongeveer vier en een halve gram, wat in moderne termen neerkomt op ongeveer 1.350 kilogram puur goud. Dit was een enorm bedrag, maar bewust minder dan Musa’s legendarische karavaan, want Askia was niet op effect uit maar op erkenning.

De route ging via Tuat, een oase in het huidige zuidelijke Algerije, waar Askia de grote geleerde Muhammad al-Maghili ﵀ ontmoette, een ontmoeting waarop wij nog terugkomen omdat die alles zou veranderen, en vervolgens via Ghadames, Tripoli, Caïro en dan door Sinaï naar Mekka en Medina. De reis duurde met alles in totaal bijna twee jaar.

In Caïro ontmoette Askia Sultan Qaitbay van de Mamelukken, maar belangrijker was zijn ontmoeting met de Abbasidische schijn-caliph al-Mutawakkil II. Sinds de val van Bagdad in 1258 hadden de Abbasidische caliphs in Caïro geen reële macht meer, maar zij bleven fungeren als symbolisch onderdak voor Islamitische legitimiteit, en de Mamelukse sultans lieten hen in leven om zichzelf als “beschermers van de caliph” te presenteren. Het spel was vooral ceremonieel, maar voor een moslim-vorst op zoek naar erkenning was het instituut van onschatbare waarde.

De Investituur als Caliph van Takrur

Wat er in Caïro gebeurde zou de hele latere legitimatie van Askia’s regering bepalen. Al-Mutawakkil II verleende Askia formeel de titel Khalifat fi bilad al-Takrur, “Caliph in de landen van Takrur”, waarbij Takrur de Arabische aanduiding was voor West-Afrika in zijn geheel. Askia kreeg een taqlid, een officiële volmacht die hem autoriseerde om in naam van de caliph Islamitische heerschappij uit te oefenen over zijn rijk: hij mocht rechters aanstellen, hij mocht jihad verklaren, hij mocht belastingen heffen volgens Islamitische wet, en hij mocht munten slaan met zijn eigen naam en de caliph-naam naast elkaar.

Dit was, in Islamitisch-juridische termen, precies de legitimatie die Mansa Musa nooit formeel had gekregen, want Musa was door Caïro ontvangen als een rijke pelgrim-koning terwijl Askia door Caïro werd ontvangen als een broeder-soeverein en een delegatie-drager van het Caliphale gezag.

Vanaf dat moment kon Askia in zijn khutba, de vrijdagpreek in de grote moskee, zijn naam laten noemen naast die van de caliph, en voor een Islamitische gemeenschap is de khutba het hart van de politieke legitimiteit, want wie daar genoemd wordt is de vorst die volgens het volk regeert. Askia liet zijn naam daar nu staan met het gezag van Caïro achter zich.

In Mekka en Medina voltrok hij de Hajj-rituelen zelf, bezocht het graf van de Profeet ﷺ, bad in de Masjid al-Haram en droeg bij aan de armen van de heilige steden. In 1498 keerde hij terug naar Gao, met een andere man dan hij was weggegaan: niet rijker, maar oneindig meer gelegitimeerd.

Al-Maghili’s Antwoorden

De ontmoeting met Muhammad al-Maghili ﵀ in Tuat, onderweg naar Caïro, verdient een eigen paragraaf omdat die tot één van de belangrijkste documenten van de Islamitische staatskunst in West-Afrika heeft geleid.

Al-Maghili was een Tlemcen-geleerde, een hardliner binnen de Maliki-traditie, berucht om zijn rigoureuze opvattingen over het zuiveren van Islamitische samenlevingen van syncretische praktijken en van wat hij zag als Joodse invloeden in de Sahara. Hij was omstreden, ook in zijn eigen tijd, maar hij was tegelijk een van de scherpste juridische denkers van zijn generatie, en Askia erkende dat.

Askia bracht een lijst mee van praktische bestuursvragen, want hij wilde weten hoe hij mensen moest behandelen die zich moslim noemden maar magie beoefenden, hoe hij buit uit een jihad-campagne moest verdelen, welke belastingen Islamitisch legaal waren, hoe hij zich moest verhouden tot onderworpen niet-moslim-stammen, en wat zijn plichten waren als heerser wanneer hij een rijk had dat pas deels Islamitisch was.

Al-Maghili beantwoordde deze vragen in een document dat bekend werd als de Ajwibat al-Maghili, de Antwoorden van al-Maghili, en dit was in feite een bestuurlijk handboek voor Askia’s regering, dat voor de volgende eeuw een referentietekst zou blijven, niet alleen in Songhay maar ook in de latere Sokoto-kalifaat van Usman dan Fodio ﵀ in de negentiende eeuw. De Ajwibat is een van de belangrijkste juridische documenten uit de West-Afrikaanse Islamitische traditie.

Een voorbeeld.

Askia Muhammad: “als een stam zich formeel moslim heeft verklaard maar nog steeds heidense praktijken voortzet, mag ik dan oorlog tegen hen voeren?”

Al-Maghili ﵀: “ja, je mag, want die praktijken zijn ridda (afvalligheid), en een heerser heeft de plicht om afvalligheid te bestrijden.”

Deze fatwa, mededelen wij hier zonder goedkeuring, zou in de volgende decennia de juridische basis vormen voor Askia’s campagnes tegen de Mossi, de Dogon en andere stammen die hij jihad-gewijs onder zijn gezag bracht.

Of dit een oprechte jihad was of een gerationaliseerde uitbreidingsoorlog, is een vraag die historici al generaties verdeeld houdt, en het antwoord is waarschijnlijk beide, want er is geen moslim-heerser in de geschiedenis, van Umar ﵁ tot Suleiman de Prachtige, bij wie geloof en politiek geheel te scheiden zijn.

Het Bestuur: Qadi’s en Regio’s

Na zijn terugkeer richtte Askia zich op de binnenlandse hervorming en verdeelde het rijk in provincies, elk onder een gouverneur met de titel farma of fari. Boven de farma’s stond een hiërarchie van centrale ministers, met de balama voor militaire zaken, de kanfari voor de westelijke provincies, de dyina-koi voor het hof, enzovoorts, ongeveer een dozijn centrale titels met elk een scherp omschreven taakgebied.

In elke stad van belang stelde hij een qadi aan, een Islamitische rechter, en deze qadi was niet ondergeschikt aan de lokale farma maar aan de opperste qadi van Timbuktu, wat een onafhankelijke rechtspraak mogelijk maakte, een ongelooflijk moderne staatsvormende stap voor die tijd. Een gouverneur kon zijn eigen onderdanen niet rechtstreeks veroordelen, want daarvoor ging hij of zij naar de qadi, die volgens Maliki-rechtspraak oordeelde.

Askia standardiseerde de zakat, de Islamitische armenbelasting, over het hele rijk, en hij bepaalde de tarieven voor landbouwproducten, voor vee en voor handelswinst. Hij introduceerde de kharaj-belasting op niet-moslim land en de jizya op niet-moslim-onderdanen, volgens de klassieke Maliki-formules, en dit schiep een stelsel dat zowel voorspelbaar was als Islamitisch juridisch te rechtvaardigen.

Hij hervormde ook het leger, want onder Ali was het leger in essentie een stammen-levie geweest, waarbij elke provincie troepen leverde naar gewoonte, terwijl Askia een staand beroepsleger creëerde van sofa’s, vaste soldaten beloond met land en vee en direct aan de kroon verplicht. Dit verminderde de afhankelijkheid van stamhoofden en vergrootte de doorzettingsmacht van het centrum.

Timbuktu als Kennisinstituut

De Aqit-familie en andere geleerdenfamilies waren teruggekeerd, en Askia gaf hen ruimte, subsidie en statuur, zodat Timbuktu onder zijn bewind tot zijn ultieme peak uitbloeide.

De Sankore-moskee werd wat je een universiteit zou kunnen noemen, al was de structuur meer een losse federatie van studiecirkels onder individuele geleerden, en leerlingen uit de hele moslim-wereld, van Fez tot Caïro tot zelfs Hadramawt, kwamen naar Timbuktu om te studeren. De boekhandel in de stad werd één van de levendigste van de islamitische wereld, en Leo Africanus, oftewel Hassan al-Wazzan ﵀, zou rond 1510-1513 in Timbuktu arriveren en in zijn Descrittione dell’Africa uit 1526 noteren dat in Timbuktu meer winst werd gemaakt met de verkoop van boeken dan met enig ander handelsartikel. Die opmerking is vaak geciteerd en verdient het, want in een stad die ook goud en zout verhandelde, werden boeken het winstgevendste product.

De Aqit-familie zou in deze generatie uitmonden in de geboorte, in 1556, van Ahmed Baba al-Timbukti ﵀, die auteur zou worden van meer dan vijftig werken, waaronder het beroemde Nayl al-ibtihaj, een biografisch woordenboek van Maliki-geleerden dat tot in Marokko en Egypte bekend werd. Dit Timbuktu van Ahmed Baba ﵀ staat rechtstreeks in de lijn van Askia’s patronage.

De Vrouwen van Askia

In de Tarikh al-Sudan en in de Tarikh al-Fattash komen ook de vrouwen van Askia Muhammad voor, niet als figuranten maar als actoren. Zijn eerste vrouw, Sangu Toree, speelde een rol in het binnenlandse hofleven, en zijn zuster, Fatima, werd door de kronieken herinnerd als een vrouw met invloed aan het hof, terwijl Askia’s dochters strategisch trouwden met zowel Songhay-aristocratie als met gasten uit de Maghreb. De Islamitische rechtspraak onder Askia erkende, volgens de Maliki-rechtsschool, vrouwen als rechtspersoon in huwelijkse, erfelijke en handelsmatige kwesties. Dit is relevant om te benoemen omdat een hedendaagse lezer, en zeker een jonge moslim, vaak het beeld heeft dat Islamitische samenlevingen vóór de moderniteit monolithische structuren waren waarin vrouwen onzichtbaar bleven, en dat beeld klopt niet met de West-Afrikaanse bronnen, want Songhay-vrouwen handelden, getuigden, erfden, spraken.

Dit hoort als context mee te wegen in de latere decennia, waarin ook de Caribische diaspora begon te vormen, want onze voorouders kwamen uit een wereld waarin zowel mannen als vrouwen een naam hadden.

De Campagnes

Askia was geen sedentair vorst, want tussen 1498 en 1515 voerde hij een reeks grote campagnes die het rijk naar zijn maximum uitbreidde:

  • Tegen de Mossi in het zuiden (1498-1499), een jihad-campagne die sommige delen van Mossi onder Songhay-gezag bracht, andere delen ongebroken liet.
  • Tegen de Mali-resten in het zuidwesten, die hij definitief tot vazal-status reduceerde.
  • Tegen de Tuareg-stammen in het noorden (Air en Azawad), waarbij de stad Agadez tijdelijk onder Songhay-gezag kwam.
  • Tegen de Hausa-staten in het oosten (Katsina, Zaria, Kano), waarbij hij sommige steden innam en andere tot tribuut dwong.
  • Tegen de Diara en Fuuta Toro in het westen.

Op zijn hoogtepunt strekte Songhay zich uit van de Atlantische kustregio’s van het huidige Senegal tot Agadez in het oosten, en van de zoutmijnen van Taghaza in de Sahara tot de Middelste Volta. Dit was, kort gezegd, het grootste rijk dat West-Afrika ooit zou hebben.

De Ouderdom van een Koning

Tegen 1515 was Askia oud, zijn gezichtsvermogen begon af te nemen, en hij kon nog wel regeren maar niet meer persoonlijk campagnes leiden. Zijn zonen, vele in aantal, want de bronnen noemen twaalf of dertien, namen de militaire taken over, en elk van hen kreeg een provincie, leerde regeren en bouwde, onvermijdelijk, zijn eigen machtsbasis binnen het rijk.

In 1519 verloor Askia vrijwel zijn volledige zicht, en hoewel hij koning bleef, werd hij afhankelijk van zijn zonen voor de dagelijkse uitvoering. In een ouder wordende vader met veel ambitieuze zonen huist altijd hetzelfde risico, want de zonen wachten niet graag lang.

In 1528, op bijna negentigjarige leeftijd, werd Askia Muhammad door zijn zoon Askia Musa afgezet in een paleis-coup. Hij werd blind gemaakt, al zeggen sommige bronnen dat hij al blind was en dat “blinding” hier symbolisch de formele afsnijding van macht betekende, hij werd gevangen gezet op het eiland Kangaba in de Niger, en daar liet hij zijn laatste negen jaar slijten. Hij stierf in 1538, een oude man onder de bescherming van familie die hem niet meer vreesde.

Maar dat is het onderwerp van het volgende artikel.

De Correspondentie met Caïro en de Maghreb

Onder de grote regering van Askia Muhammad werd Gao voor het eerst in de geschiedenis een plek waar officiële correspondentie uit Caïro, Fez, Marrakesh en Tlemcen regelmatig arriveerde en werd beantwoord. Dit is een punt dat zelden aan bod komt in de gebruikelijke vertellingen, maar het is van essentieel belang voor het begrijpen van Songhay als Islamitisch rijk in plaats van geïsoleerd Afrikaans koninkrijk.

Askia’s hof ontving regelmatig brieven van de Abbasidische schijn-kaliefen in Caïro, van de Mamelukse sultans en van de grote qadi’s van Fez, en zijn eigen antwoorden, deels bewaard in Marokkaanse archieven en deels in Timbuktu-manuscripten, laten een geletterde diplomatieke stijl zien die zich niet onderscheidt van die van een Marokkaanse of Egyptische vorst. Hij onderhandelde over karavaanbescherming, over uitlevering van voortvluchtige kooplieden, over religieuze hervormingen en over juridische adviezen.

Leo Africanus, oftewel Hassan al-Wazzan ﵀, beschrijft in zijn Descrittione dell’Africa hoe hij in Timbuktu brieven zag die door Askia’s kanselarij waren opgesteld in perfect klassiek Arabisch, verzegeld met een koninklijk zegel en klaar voor verzending over de karavanenroutes. Dit was geen exotisch koninkrijk dat op Arabische geleerden leunde voor basiscommunicatie, maar een staat die zijn eigen tweetalige bureaucratie had opgebouwd, met Arabisch voor externe en juridische zaken en Songhay voor interne gewone administratie.

Voor de bredere Islamitische oemma van zijn tijd betekende dit dat Songhay een volwaardig lid was, geen periferie maar een partner, met eigen theologische bijdragen, eigen juridische vraagstukken en eigen geleerden wiens werken in Caïro en Fez gelezen werden.

Het Belastingstelsel in Detail

Een ander aspect dat de moderne lezer misschien verrast, is de verfijndheid van het Askia-belastingstelsel, want op basis van al-Maghili’s antwoorden en op de aanpassingen die de Askia-qadi’s eraan toevoegden, ontstond een systeem dat iets op het volgende neerkwam.

Voor moslim-agrariërs gold zakat al-zuru op graan en katoen, doorgaans rond tien procent van de oogst (al-'ushr), geïnd in natura en opgeslagen in staatsgranaries. Voor moslim-veehouders gold zakat al-an’am op vee, doorgaans één dier per veertig voor schapen en geiten of één per dertig voor runderen. Voor moslim-kooplieden gold zakat al-tijara op handelswinst, meestal 2,5 procent, geïnd in contanten in goud of koperen munten.

Voor niet-moslim landbouwende gemeenschappen onder Songhay-heerschappij gold kharaj op land, met tarieven die varieerden naar vruchtbaarheid, en jizya per volwassen mannelijke hoofd, in essentie een hoofdelijke belasting die ook bescherming van het leger inhield.

Voor onderworpen stammen die geen vaste landbouw hadden, met name nomadische groepen, gold een jaarlijks tribuut in vee, zout, goud of slaven, onderhandeld per groep.

Dit was een systeem dat alle klassieke Maliki-categorieën onderbracht, maar dat rekening hield met de concrete Sahel-realiteit, en het werkte, op zijn beste momenten, met een voorspelbaarheid die verder dan Mali had gereikt. Een handelaar in Djenné kon weten welke tol hij in welk karavaanstation zou moeten betalen, een boer in Soninke-land kon weten welk deel van zijn oogst de staat opeiste, en een qadi in Timbuktu kon weten welke juridische procedure zou worden gevolgd. Dit is geen klein ding; dit is de geboorte van een vroege rechtsstaat in West-Afrika.

De Vijfendertig Jaar Samengevat

Wie deze regering probeert samen te vatten, komt tot een reeks kernpunten die samen de schaal ervan laten zien: vijfendertig jaar regering, grote militaire expansie tot het grootste rijk dat West-Afrika ooit zag, een van de drie grootste Hajj-bedevaarten die een West-Afrikaanse vorst ooit heeft ondernomen (na Mansa Musa’s van 1324 en naast die van Askia Ishaq I later), formele Caliphale investituur, standaardisering van Maliki-rechtspraak met onafhankelijke qadi’s, hervorming van het belastingstelsel naar Islamitisch model, professionalisering van het leger, patronage van Timbuktu tot intellectueel centrum, correspondentie met de grootste geleerden van de tijd met Muhammad al-Maghili ﵀ voorop, en onderhoud van diplomatieke relaties met heel de Maghreb en de Mashriq.

Zulke lijsten doen een regering nooit recht, maar zij laten de schaal zien, want Askia Muhammad was niet één onder vele Sahel-vorsten maar een staatsman van wereldkalibers, in zijn eigen tijd door zijn tijdgenoten als zodanig erkend.

Zijn Nalatenschap

Voor wij verder gaan, verdient het een blik wat Askia achterliet.

Op het moment van zijn afzetting in 1528 was Songhay het meest complete Islamitische staatssysteem dat West-Afrika ooit had gekend, want de rechtspraak was gestandaardiseerd, de belasting was Islamitisch-juridisch gereguleerd, het leger was professioneel, Timbuktu was de intellectuele hoofdstad van de moslim-Sahel, en de correspondentie tussen Songhay en de Maghreb en tussen Songhay en Caïro was levend. Het rijk was diplomatisch en religieus erkend door de gehele moslim-oemma.

Dit was geen primitieve opzet, maar een doordachte beschaving, Islamitisch in haar structuur en Afrikaans in haar context, de synthese waar Mansa Musa over gedroomd had maar nooit compleet tot uitvoering had gebracht.

En toch. En toch.

Het systeem dat Askia bouwde rustte op één fragiel element, de opvolging, want een koning die vijfendertig jaar regeert bouwt een staat, maar bouwt ook een hofhouding van veel te veel aspiranten, en twaalf zonen met twaalf provincies is een recept voor een post-mortem burgeroorlog. Askia, met zijn politieke wijsheid, moet dit geweten hebben, en toch heeft hij niet ingegrepen. Waarom niet?

Misschien vertrouwde hij dat zijn oudste, zijn meest bekwame zoon, de overgang soepel zou voltrekken, misschien onderschatte hij hoe snel zijn eigen kracht zou afnemen, misschien koos hij, zoals veel oude mannen, voor rust in plaats van confrontatie. Wij weten het niet.

Wat wij wel weten is dat zijn staatsbouwwerk, schitterend als het was, na hem niet opnieuw zo’n vakman zou vinden, en dat Songhay de volgende zes decennia langzaam uit elkaar zou vallen, niet in één klap maar in een reeks van burgeroorlogen, hoferuptaties en dynastie-twisten.

Voor nu, op dit punt in ons verhaal, in het jaar 1528, is het genoeg om te zeggen dat Muhammad ibn Abi Bakr, Askia de Grote, op het eiland Kangaba ligt, blind en onttroond, terwijl zijn zoon Askia Musa op de troon zit en het meest complete Islamitische staatssysteem van West-Afrika, op het moment van zijn grootste succes, aan zijn ontmanteling begint.


Bronnen

  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstuk 13 over de regering van Askia al-Hajj Muhammad: het vertrek op Hajj in Safar 902/1496 met 1.500 soldaten, 500 te paard en 1.000 te voet, en 300.000 mithqal goud; de 100.000 mithqal aan aalmoezen en de tuinen in Medina als waqf voor de mensen van Takrur; de Abbasidische sharif die hem tot zijn khalifa maakte; de ontmoeting met al-Suyuti ﵀; de terugkeer in Gao in 1498; de veldtochten van de Mossi (1498–99) tot Kebbi (1517–18); zijn blindheid en zijn afzetting door Musa op 15 augustus 1529 na zesendertig jaar en zes maanden, in de vertaling van Hunwick, pp. 103–111, 113–114, 116–117 (TS hfst. 13); zijn gevangenschap op het eiland Kangaga en zijn dood in 1538, pp. 126, 135–136 (TS hfst. 14–15).
  • Muhammad ibn ʿAbd al-Karim al-Maghili ﵀, Ajwiba (de Antwoorden aan Askia Muhammad), derde vraag over wie de shahada uitspreekt maar zijn afgoden en heiligdommen blijft dienen, met het antwoord dat jihad tegen hen geboden is, en vijfde vraag over kharaj op het land en de inning van de zakat op akkers en vee, in de vertaling van Hunwick, Shariʿa in Songhay, pp. 77–78, 83–85.
  • Leo Africanus, al-Hasan ibn Muhammad al-Wazzan ﵀, Descrittione dell’Africa, over Timbuktu: rechters, geleerden en geestelijken die door de koning worden betaald, en de handschriften uit Barbarije waarvan de verkoop winstgevender is dan enig ander goed, in Hunwick, p. 281, en Gomez, p. 279.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xl–xli, xliii–xliv, xlvi–xlvii, lviii, 103–111, 113–114, 116–117, 126, 135–136, 281.
    • pp. xl–xli: de Hajj van 1497–98 en het gezag van de Abbasidische kalief van Caïro om in zijn naam te regeren; Agades tribuutplichtig, Kebbi in 1517 onafhankelijk, Borgu mislukt; de jihad tegen de Mossi van Yatenga; tegen 1520 een rijk van de Senegal tot Air en van Borgu tot Taghaza, met tribuutplichtige vorsten naast Songhay-ambtenaren.
    • pp. xliii–xliv, xlvi–xlvii: de Baghana-fari en de Kurmina-fari in Tindirma als nieuwe ambten van Askia; de Fari-mondyo voor de landbelasting, de Hugu-koray-koi, de Kabara-farma en de Taghaza-mondyo; de Kurmina-fari als hoogste in rang; het onderscheid tussen gewone onderdanen en het leger; de eunuchen-cavalerie; Leo’s schatting van 3.000 ruiters en het paleis in Gao met secretarissen en raadslieden.
    • p. lviii: de Aqit als qadi’s van Timbuktu; Muhammad Baghayogho ﵀ (gest. 1593) als leraar van Ahmad Baba ﵀; Sankore als onderwijscentrum zonder instelling in Europese zin, het onderwijs geïndividualiseerd.
    • pp. 103–106 (TS hfst. 13): de Hajj met 1.500 man en 300.000 mithqal (volgens Hunwick circa 1.275 kg); de aalmoezen en de waqf in Medina; de investituur als khalifa na drie dagen afstand van de macht; al-Suyuti ﵀; de terugkeer in Dhu 'l-Hijja 903/1498; het rijk van het land van de Kanta tot de zoutzee en van Bendugu tot Taghaza.
    • pp. 106–111, 113–114: de jihad tegen Nasiri van de Mossi in 904/1498–99, de enige jihad in deze regio; Mahmud Aqit ﵀ tot qadi van Timbuktu benoemd; Air en Tilza in 906/1500–1; Dialan tegen een gouverneur van Mali in 907/1501–2; Borgu in 911/1505–6; Kilanbut in 913; Teniella gedood in Diara in 918/1512–13; Katsina in 919/1514; Agades in 921–922; Kebbi in 923/1517–18 zonder succes; de dood van Umar Komadiakha in 1520.
    • pp. 116–117: de askiya die tegen het einde van zijn regering blind werd, wat Ali Fulan verborgen hield; de afzetting door Musa op 10 Dhu 'l-Hijja 935, 15 augustus 1529, vlak voor het feestgebed; de oude askiya die in het paleis bleef wonen; een regering van zesendertig jaar en zes maanden.
    • pp. 126, 135–136 (TS hfst. 14–15): Muhammad Bonkana die zijn oom naar het eiland Kangaga bij Gao zond; Isma’il die hem in juni 1537 bevrijdde; zijn dood aan de vooravond van 'Id al-Fitr 944, de nacht van 31 januari op 1 februari 1538.
    • p. 281: Leo Africanus over de geleerden van Timbuktu en de boekhandel.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 220, 231–232, 234–237, 239, 243–246, 249, 251–255, 279, 310.
    • pp. 220, 231–232, 234–235: een regering van zesendertig jaar en een rijk van meer dan 1,4 miljoen vierkante kilometer; 1.000 voetsoldaten en 500 ruiters, 300.000 mithqal (ongeveer een ton) uit Sunni Ali’s fondsen; Caïro binnen tien maanden bereikt; 200.000 mithqal aan liefdadigheid tegenover Musa’s 27.000; al-Suyuti ﵀ in Caïro, en de Tarikh al-Fattash die al-Maghili ﵀ daar plaatst; de khalifa-aanstelling die op de Abbasidische kalief van Caïro wijst; de terugkeer in juli–augustus 1498.
    • pp. 236–237, 239, 243–244: de benoeming van Mahmud Aqit ﵀ in 904/1498–99; de jihad tegen Yatenga; Agades in 1501–2 en 1516–17; Katsina in 1513–14 en 1516; Kebbi zonder succes; Leo’s bericht over Kano, Katsina, Zamfara en Zaria als vermoedelijk onjuiste informatie; de vierde vraag aan al-Maghili ﵀ als rechtvaardiging voor oorlog tegen moslimvorsten; de Atlantische grens eerder streven dan feit.
    • pp. 245–246, 249, 251–252: Askia als khalifa en amir al-mu’minin; het bestuur rond de dubbele kern Gao en Tindirma; Ali Fulan als vertrouweling; Leo’s beschrijving van Gao en het paleis; de strijdkrachten van 3.000 ruiters en het onderscheid tussen burgers en soldaten als professionalisering.
    • pp. 252–255: de zes bronnen van staatsinkomsten; de schatkist (bayt al-mal) en de erfenissen; de vijfde vraag over kharaj en het antwoord van al-Maghili ﵀ over zakat op land en kudden; Leo over de zware belasting van de boeren; het tribuut van Air van 150.000 dukaten.
    • pp. 279, 310: Leo over de boekhandel van Timbuktu; de achtentachtigjarige askia die zich op 15 augustus 1529 liet afzetten en in het paleis bleef wonen.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 30, 41–42, 46, 48, 77–78, 83–85, 98–99.
    • pp. 30, 41–42: al-Maghili ﵀ geboren in Tlemcen, van Berberse afkomst; zijn bezoek aan Gao waarschijnlijk kort na Askia’s terugkeer in juli of augustus 1498, komend van Kano, en de Antwoorden daar geschreven; de Joden van Tamantit en zijn dood in 1503–4 of 1505–6.
    • pp. 46, 48: de nalatenschap van de Antwoorden bij Usman dan Fodio ﵀ en de Sokoto-hervormers, drie eeuwen later.
    • pp. 77–78, 83–85: de derde vraag en het jihad-antwoord; de 300.000 mithqal (circa 1.275 kg) na Sunni Ali’s dood; de vijfde vraag over kharaj en zakat en het antwoord over agenten, de acht categorieën en belasting zonder hardheid.
    • pp. 98–99: het investituurdiploma (taqlid) van de kalief; van wereldlijk heerser tot legitiem moslim-amir namens de kalief; volgens al-Imam al-Takruri de aanstelling als khalifa over Takrur door de Abbasidische kalief in Caïro.