InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Machtsovername van Askia Mohammed
Islam in West-AfrikaThe Songhai Empire

De Machtsovername van Askia Mohammed

De Machtsovername van Askia Muhammad

In hetzelfde jaar dat Granada viel en Columbus koers zette, werd aan de Niger een koning afgezet die in naam van Islam niet genoeg had durven zijn.

Het Jaar Waarin de Wereld Kantelde

  1. Er zijn weinig jaartallen waarvan de echo zo luid klinkt door de wereldgeschiedenis. In januari valt Granada, de laatste moslim-zetel in Spanje, na bijna acht eeuwen Islamitische aanwezigheid op het Iberisch schiereiland, en in maart tekenen Isabella en Ferdinand het Alhambra-decreet, dat de Joden uit Spanje verdrijft. In augustus vertrekken de schepen van Columbus uit Palos, op weg naar wat Europa onterecht “een nieuwe wereld” zou noemen, terwijl in diezelfde maanden aan de Niger Sunni Ali Ber sterft in het water van een rivier, en er in Songhay een machtsstrijd uitbreekt die de loop van West-Afrika voor een eeuw zou bepalen.

Geschiedenis gebeurt niet in geïsoleerde kaders, want wat in Spanje afliep zou via de Portugese en Spaanse zeeroutes binnen een halve eeuw neerdalen op de West-Afrikaanse kust, en de concurrentie om de goud- en zoutroutes die Songhay op dit moment domineerde zou vanaf die kusten een nieuwe pressie krijgen. Het is een aangrijpend moment, omdat de moslim-oemma aan de ene kant van de wereld bezig is met verlies, en aan de andere kant met een nieuwe consolidatie onder de man die onze hoofdrolspeler is.

Zijn naam is Muhammad ibn Abi Bakr, maar de geschiedenis zou hem kennen onder een titel: Askia.

Wie was Sunni Baro?

Na de dood van Sunni Ali, in november 1492, erfde zijn zoon Sunni Baro de troon. Baro was, voor zover wij weten, een militair competent man, die onder zijn vader had gediend en zowel het leger als de Songhay-kernregio kende. Maar hij maakte één strategische keuze die hem zijn troon zou kosten, want hij koos openlijk de kant van de religieuze positie van zijn vader: hij bevestigde zijn trouw aan de syncretistische koningsreligie, de bori-praktijken en de voorouderriten.

Hij zei, in essentie, tegen de Ulema van Timbuktu:

Sunni Baro: “Niets verandert. Onder mij blijft het zoals onder mijn vader.”

Dit was politiek niet onbegrijpelijk, want het was een bevestiging van continuïteit, een belofte aan de stammen en krijgers die onder Ali rijk waren geworden. Maar het was ook een uitnodiging tot rebellie, omdat de moslim-aristocratie nu precies wist dat er onder Baro geen hervorming, geen zuivering en geen verzoening met de geleerden zou komen. En binnen het leger van Ali had Baro een rivaal die hier nauwkeurig naar luisterde.

Muhammad ibn Abi Bakr: Een Generaal met een Geloof

Muhammad ibn Abi Bakr Ture was in 1492 al een volwassen man, waarschijnlijk rond de vijftig jaar oud, mogelijk ouder. Zijn afkomst was Soninke-Ture, een familie met Mande-wortels die van zuidelijke Songhay-gebieden afkomstig was, en hij had onder Sunni Ali gediend als een van diens meest bekwame generaals, waarin hij meerdere belangrijke campagnes had geleid. Maar anders dan Ali was hij een overtuigd, praktiserend moslim, die de vijf gebeden bad, Ramadan vastte en zich aan de Maliki-rechtsschool hield.

Onder het regime van Ali had hij zijn religieuze overtuigingen grotendeels privé gehouden, en had Ali hem in dienst gehouden omdat hij militair onvervangbaar was. Maar achter de schermen, over jaren, had hij banden onderhouden met de Ulema, met geleerden die onder Ali’s bewind in de marge leefden, en met de moslim-kooplieden die de economische ruggengraat van de Niger-bocht vormden. Hij was de man om wie de moslim-partij zich kon verzamelen.

Toen Ali verdronk en Baro zich uitsprak voor de syncretistische weg, zag Muhammad ibn Abi Bakr zijn moment: hij weigerde het nieuwe regime loyaliteit te zweren, verzamelde zijn eigen troepen, en begon openlijk te spreken in de taal van religieuze hervorming. Songhay moest een islamitisch rijk zijn, niet alleen in vorm maar in essentie; de shariah moest gelden, niet de oude gewoonten; de Ulema moest hersteld worden in haar autoriteit; en de troon moest bezet worden door een man die de titel van amir al-mu’minin, de leider van de gelovigen, werkelijk waardig was.

Voor de Aqit-familie, voor de Baghayogho, voor alle geleerdenhuizen die onder Ali in diaspora leefden, was dit het signaal waar zij op hadden gewacht.

De Strijd: Anfao, april 1493

De militaire confrontatie vond plaats in april 1493, bij een plaats genaamd Anfao, op een dag die precies samenvalt met het eind van de regentijd. De Tarikh al-Sudan beschrijft de slag met een zekere retorische opbouw: aan de ene kant Baro, met een leger dat nog de Sunni-vlaggen droeg maar wiens loyaliteit al uitgedund was door overlopers; aan de andere kant Muhammad ibn Abi Bakr, met een kleinere maar meer gedisciplineerde kracht, en met het moreel voordeel van een religieus gerechtvaardigde zaak.

As-Sa’di ﵀ vertelt dat voor de slag de geleerden van Timbuktu formeel een fatwa uitvaardigden die Muhammad’s opstand legitimeerde, waarin zij Baro declareerden als een heerser wiens regeringsgedrag hem diskwalificeerde, en die dus legaal kon worden afgezet. Dit is een cruciaal detail, want de machtsovername werd niet als muiterij gebracht, maar als een religieuze plicht, een jihad in de oorspronkelijke zin van het woord tegen een onrechtvaardige heerser die zich een moslim noemde.

Bij Anfao verloor Baro; zijn leger werd verstrooid, en hijzelf vluchtte naar het noorden, richting de Dendi-regio, waar zijn familie nog steunpunten had. Muhammad ibn Abi Bakr trok als overwinnaar Gao binnen.

De Titel “Askia”

Toen Muhammad de troon besteeg, nam hij een nieuwe dynastie-titel aan: Askia. Over de oorsprong van dit woord bestaat discussie, en de Tarikh al-Sudan vertelt er een smakelijk verhaal bij: de dochters van Sunni Ali zouden, toen zij hoorden dat de troon was overgenomen, hebben geroepen “A si kiya”, wat in Songhay ongeveer “hij is niet de erfgenaam” betekende, een spottende kreet over de usurpator. Muhammad zou die kreet als zijn titel hebben opgeëist, als een soort ironische omhelzing: ja, ik ben niet de erfgenaam van Ali’s lijn, ik ben iets nieuws.

Of dit verhaal historisch is, valt te betwijfelen, en waarschijnlijker is dat “Askia” een al bestaande titel was in de Songhay-hofhouding, misschien verwant aan een militaire rang. Maar het verhaal in de Tarikh al-Sudan heeft zijn eigen waarde, omdat het laat zien dat de Askia-dynastie zichzelf expliciet positioneerde als breuk en niet als voortzetting: een nieuwe tijd, nieuwe regels.

De Coalitie Achter Askia

Het is belangrijk om te begrijpen dat Askia Muhammad geen solo-project was, want zijn machtsovername werd gesteund door drie duidelijke partijen.

Ten eerste de Ulema van Timbuktu, voorop de Aqit en Baghayogho families, die een wraak van twee generaties oud konden voltrekken en tegelijk een Islamitisch-juridische orde konden herstellen.

Ten tweede de moslim-handelsklasse, de Wangara en de Dyula en de Saharaanse kooplieden, voor wie een sharia-gebaseerde rechtsorde praktisch voordeliger was dan de willekeurige rechtspraak onder Ali, omdat onder Islamitisch recht handel beschermd was, contracten afdwingbaar en eigendomsrechten geregeld, terwijl Ali die rechtszekerheid niet had geboden.

Ten derde een deel van het leger zelf, met name de Soninke-regimenten en de noordelijke Tuareg-eenheden die ontevreden waren met Baro en die Muhammad’s militaire reputatie meebracht.

Drie groepen, drie motieven, één samengesmolten ondernemingsgeest, en die coalitie verklaart waarom Askia’s overname in wezen binnen weken voldongen feit was.

Anfao in Detail: De Slag Zelf

Het is de moeite waard om één moment bij de veldslag zelf stil te staan, want die heeft haar eigen dramatiek. De Tarikh al-Sudan vertelt dat de twee legers, voordat de slag begon, gedurende meerdere dagen tegenover elkaar stonden en dat er onderhandelingen werden gevoerd: Muhammad ibn Abi Bakr stuurde boodschappers naar Baro met het voorstel om af te treden ten gunste van een regentschap dat het rijk zou stabiliseren, maar Baro weigerde, en zijn moeder, volgens de kroniek, was een van de stemmen die hem tot strijd dwong, uit angst dat een vreedzame overdracht haar zoon en haar eigen positie zou vernietigen.

De slag zelf was korter en minder bloedig dan latere Songhay-slagen zouden zijn, want er vielen enkele honderden doden. Baro’s cavalerie brak onder de druk van Muhammad’s disciplinaire infanterie, deels omdat zij niet loyaal was, deels omdat zij tactisch inferieur was opgesteld, en tegen het einde van de dag vluchtten Baro’s generaals, terwijl hij zelf met een kleine groep entourage zuidwaarts moest ontkomen.

Wat deze slag bijzonder maakte, was niet het aantal slachtoffers maar de legitimiteit die Muhammad eraan overhield, want hij had niet zomaar gewonnen: hij had gewonnen met de steun van de fatwa van de Ulema, met de steun van handelaren, met de steun van een coalitie die nu aanspraak kon maken op politiek kapitaal.

Veldslag laden...

De Eerste Daden

Onmiddellijk na zijn intocht in Gao begon Askia aan een programma van religieuze consolidatie. Hij sloot vrede met de Ulema door de Aqit in ere te herstellen en hun geconfisqueerd bezit terug te geven, formaliseerde de Maliki-rechtsschool als de rechtsschool van het rijk, en stelde qadi’s, rechters, aan in elke belangrijke stad, met een duidelijke hiërarchie en een verantwoording aan het centrale hof. Hij decreteerde dat Islamitische feestdagen staatsfeestdagen waren, en verbood openlijke bori-praktijken op publiek domein, al liet hij ze op privé-niveau ongemoeid, een pragmatische keuze die zijn vader voor zijn stijl had gewaardeerd.

Tegelijk begon hij aan de militaire consolidatie, want Sunni Baro was nog vrij, in ballingschap in het zuiden. Askia stuurde expedities achter hem aan, versloeg hem opnieuw in 1493, en verdreef de Sunni-lijn definitief uit elke machtspositie, zodat Baro nog jaren zou rondzwerven, mogelijk tot zijn dood rond 1500, maar zonder ooit opnieuw een serieuze dreiging te vormen.

Wat Dit Betekende

Wat er in 1492-1493 gebeurde, was meer dan een dynastiewissel, want het was een fundamentele heroriëntatie van de staat.

Onder Sunni Ali had Songhay zichzelf gezien als een Songhay-rijk met een moslim-aristocratie, terwijl Songhay onder Askia een islamitisch rijk met een Songhay-grondslag werd. Het verschil lijkt subtiel, maar het is immens, omdat de staat-ideologie, de officiële zelfrepresentatie en het centrum van legitimiteit verschoven van de oude koningstraditie naar het Islamitische recht en de Islamitische geleerdheid. De amir al-mu’minin-titel, die Mansa Musa anderhalve eeuw eerder in Caïro voor het eerst voor een West-Afrikaanse vorst had benaderd, werd nu in Songhay praktisch werkelijkheid.

Dit is waarom Askia Muhammad door latere historici, zowel moslim als niet-moslim, vaak als “de grootste” van de West-Afrikaanse vorsten wordt aangemerkt, niet omdat hij het grootste rijk had, want Mali onder Musa was territorialer, en niet omdat hij de rijkste was, maar omdat hij de meest consequente Islamitische staat in de regio creëerde, een staat die in zijn structuur, zijn wetgeving en zijn cultuur werkelijk islamitisch was.

Een Kritische Opmerking

Wij moeten ook eerlijk blijven, want de machtsovername van Askia was niet een onschuldige religieuze hervorming: het was een coup. Hij vermoordde of dwong in ballingschap mannen van het vorige regime, hij verdeelde landbezit op een manier die zijn eigen coalitie beloonde, en hij gebruikte de taal van Islamitische legitimiteit ook om zijn eigen politieke positie te verankeren, zodat je niet altijd kunt zeggen waar het geloof eindigt en de politiek begint.

Dat is geen kritiek, maar hoe machtsvorming werkt, ook in de geschiedenis van Islam zelf: Mu’awiya ﵁ had zijn eigen politieke calculus, en de Abbasiden hadden hun eigen. Askia stond in een lange lijn van moslim-heersers die oprechte vroomheid en scherpe politiek combineerden, en wij moeten dat niet sanitiseren, want als we dat doen, maken wij van hem een marmeren beeld in plaats van een man.

De Reactie van de Saharaanse Handel

Iets wat in de standaard-vertellingen vaak wordt overgeslagen maar dat voor ons relevant is, is de vraag hoe de rest van de moslim-wereld reageerde op de machtsovername van Askia.

Het antwoord is dat de reactie overwegend positief en snel was, want binnen een paar maanden na de overwinning bij Anfao begonnen Maghrebijnse kooplieden meer karavanen naar Gao te sturen. De trans-Sahara handel had geleden onder de onzekerheden van Sunni Ali’s laatste jaren, met name onder de spanningen tussen zijn bewind en de Tuareg-stammen die de woestijnroutes beheersten, en een nieuwe vorst die zich expliciet aan Islamitisch recht committeerde was een vorst met wie handelscontracten te maken vielen. Een vorst die zich aan de shariah bond zou, theoretisch althans, de eigendomsrechten van buitenlandse moslim-kooplieden beschermen.

In de Tarikh al-Sudan vinden wij vermeldingen van delegaties uit Fez, uit Tlemcen, uit Tuat die in de eerste jaren na de machtsovername Gao bezochten, en kooplieden kwamen in groter aantal, terwijl geleerden op zoek naar patronage volgden. De intellectuele infrastructuur van Timbuktu, die onder Ali had stilgelegen of zich in diaspora had teruggetrokken, begon weer aan te trekken, zodat boeken opnieuw circuleerden en leraar-leerling ketens werden hersteld.

Dit is een belangrijk punt om vast te leggen, want de machtsovername van Askia was niet alleen een binnenlandse coup; zij was ook een daad van hernieuwde integratie van Songhay in de bredere Islamitische wereld-economie en kennis-economie. De Maghreb had van een syncretistische grensvorst een bondgenoot gemaakt.

De Afwezige Dyala

Wij moeten ook erkennen wat er bij de machtsovername verloren ging. De syncretistische religieuze traditie van de Songhay, de bori, de vererende relatie tot de Niger als levende macht, de voorouderriten, werd onder Askia formeel teruggedrongen, al bleef ze in de praktijk voortbestaan, zodat in dorpen ver van Gao en Timbuktu mensen hun tradities bleven uitoefenen, vaak in mengvormen met Islamitische vormen. De Dyala, de religieuze specialisten van het Songhay-platteland, verloren hofprivileges maar bleven in hun gemeenschappen functioneren.

Voor een moderne moslim kan dit ongemakkelijk aanvoelen, omdat het de aanwezigheid betreft van duidelijk niet-Islamitische praktijken in een land dat zich officieel Islamitisch noemt. Maar dit was de realiteit van vrijwel elk Islamitisch Rijk in de premoderne periode, van de Maghreb tot Java, want staten bekeren zich sneller dan dorpen en wetten veranderen sneller dan gebruiken. De Ulema accepteert dit als een langdurig proces en oordeelt vooral over waar de shariah formeel moet gelden.

Askia begreep dit, want zijn machtsovername was niet een campagne om het platteland religieus te zuiveren, maar een campagne om de staat Islamitisch te verankeren, en die twee dingen zijn niet hetzelfde.

Naar de Regering Zelf

In 1493 zat Askia Muhammad op de troon in Gao, zijn zwaard was schoongemaakt en de Ulema was terug in Timbuktu, terwijl de coalitie die hem had opgetild betaling verwachtte in de vorm van hervormingen, en hij had elke reden om die verwachtingen waar te maken.

Maar een machtsovername, hoe succesvol ook, is nog geen regering. Wat Askia in de komende vijfendertig jaar zou opbouwen, tot zijn eigen zonen hem op tachtigjarige leeftijd afzetten, zou West-Afrika voorgoed veranderen: zijn Hajj, zijn ontmoeting met de Caliph, zijn correspondentie met al-Maghili ﵀, zijn hervorming van het belastingstelsel, het leger en de rechtspraak, en zijn patronage van Timbuktu als intellectueel centrum.

Dat alles komt in het volgende artikel. Voor nu volstaat het om vast te stellen dat op een dag in 1493, ergens nabij Anfao, West-Afrika van gezicht veranderde, niet op de landkaart maar in de structuur, en die verandering zou doorwerken tot het moment, een eeuw later, waarop Marokkaanse arquebusiers uit de woestijn zouden komen en alles in brand zouden steken.

Maar dat is dan weer voor een ander moment.

Een Kort Woord over 1492 als Wereldjaar

Het is de moeite waard om nog één keer stil te staan bij wat het betekent dat dit allemaal gebeurde in hetzelfde jaar waarin in Europa een wereldkantelmoment plaatsvond. In januari 1492 viel Granada, en in maart werd het edict uitgevaardigd dat Joden uit Spanje verdreef, waarna binnen een halfjaar ook een druk volgde op Moriscos, de islamitische minderheid die gedwongen werd zich te bekeren. Duizenden van die verdreven Spaanse moslims zouden hun weg vinden naar Marokko, en enkele generaties later zouden hun nakomelingen, met Andalusische tradities, met Spaanse militaire kennis en met ressentiment tegen de christelijke heersers, in dienst komen van een andere Marokkaanse sultan die een ambitieuze expeditie zou plannen: Ahmad al-Mansur.

Die expeditie, zoals wij in latere artikelen nog zullen zien, zou in 1591 de genadeslag aan Songhay toebrengen, en het waren Andalusische Morisken-arquebusiers, in meerderheid, die onder Judar Pasha door de Sahara trokken om het rijk van Askia te breken.

De cirkel die in 1492 door Isabella en Ferdinand werd geopend, zou een eeuw later in het hart van Songhay worden gesloten. Dat is niet een poëtische overdrijving, maar een historische lijn die wij als serieuze vertellers niet kunnen negeren.

Terwijl Muhammad ibn Abi Bakr de troon besteeg, werden in Spanje Joodse en moslim-boeken op stapels verbrand, werd Columbus bevracht met schepen en werd een wereld omgegooid. Deze gebeurtenissen staan in verband met elkaar, en wij, als moslims van vandaag, mogen dat verband zien.


Bronnen

  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstuk 13 over de regering van Askia al-Hajj Muhammad: Abu Bakr Dao, Baru, die zijn vader opvolgt; Muhammad ibn Abi Bakr al-Turi, een van Sunni Ali’s hoogste bevelhebbers, die hem op 18 februari 1493 bij Danagha en op 2 april 1493 bij Anku’u (in de Tarikh al-Fattash Anfa’u) nabij Gao verslaat in een slag waarin beide legers elkaar bijna vernietigen; de kreet a si kiya van Sunni Ali’s dochters en de titel Askia; de nieuwe vorst als amir al-mu’minin die de geleerden bevriendt en burgers van soldaten scheidt, in de vertaling van Hunwick, pp. 102–103 (TS hfst. 13); en de dood van Sunni Ali op 6 november 1492, p. 100 (TS hfst. 12).
  • Tarikh al-Fattash (Mahmud Kaʿti ﵀ en Ibn al-Mukhtar ﵀), in handschrift C: de drie gezantschappen die Sunni Baru vóór de slag tot de Islam opriepen en zijn weigering, waarmee de kroniek de machtsgreep als een wettig voorgeschreven jihad voorstelt; en de vaststelling dat alleen de Bara-koi Mansa Kura aan Muhammad’s zijde stond, zoals aangehaald in Gomez, pp. 222, 229–230.
  • Muhammad ibn ʿAbd al-Karim al-Maghili ﵀, Ajwiba (de Antwoorden aan Askia Muhammad), tweede en derde vraag: Askia’s jihad tegen Sunni Ali’s aanhang en zijn machtsgreep als een van de waardigste jihads, en het oordeel over wie de shahada uitspreekt maar zijn heiligdommen blijft dienen, in de vertaling van Hunwick, Shariʿa in Songhay, pp. 72–73, 77–78.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxxix–xl, 96, 100, 102–103, 335–336.
    • pp. xxxix–xl: Sunni Baru na november 1492 onmiddellijk uitgedaagd door de Tondi-farma, de gouverneur van de Bandiagara-hoogten, die hem met steun van de Bara-koi vijf maanden later versloeg; de afkomst van Askia Muhammad uit de Soninke-clans Silla of Ture; zijn beeld in het westen als moslimkrijger die de smet van half-heidens bestuur wegnam; het gezag van de Abbasidische kalief van Caïro na de Hajj van 1497–98.
    • pp. 96, 100 (TS hfst. 12): Sunni Ali die zijn officier Askiya Muhammad meermaals ter dood veroordeelde en dat herriep; zijn moeder Kasay die bij Nana Tinti in Timbuktu om gebed vroeg, een belofte die de Askia later inloste; de dood van Sunni Ali op 15 Muharram 898, 6 november 1492.
    • pp. 102–103 (TS hfst. 13): Danagha, Anku’u en de vlucht van Sunni Abu Bakr naar Ayar, waar hij tot zijn dood bleef; a si kiya; het herstel van de Timbuktu-koi; de verovering van Diakha door Umar Komadiakha in 899; het vertrek op Hajj in Safar 902/1496.
    • pp. 335–336: de verklaring van de titel askiya als volksetymologie, en de Tarikh al-Fattash die opmerkt dat Askia Muhammad niet de eerste drager van de titel was; zijn regering van 2 april 1493 tot 15 augustus 1529.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 190, 206–207, 219–226, 229–230, 236, 252, 310.
    • pp. 190, 206–207: Muhammad Ture als Tondi-farma in Sunni Ali’s hoogste bevelslijn; Kasay die de Aqit om bescherming vroeg; de mondelinge tradities die de Tondi-farma van de moord op Sunni Ali beschuldigen.
    • pp. 219–220: de Askia-dynastie als terugkeer van het kosmopolitisme en een nieuw tijdperk van diplomatie; een regering van zesendertig jaar, 1493–1529.
    • pp. 221–223: Baru op 20 januari 1493 tot sunni uitgeroepen; de slagen bij Danagha en Anku’u, zo hevig dat beide legers elkaar bijna vernietigden; Baru gevlucht naar Ayar of Dia; de Songhay-tradities die de slag als overwinning van de Islam voorstellen omdat Baru de voorouderreligie niet afzwoer; de Dendi-fari Afumba en vrijwel alle gouverneurs aan Baru’s kant, alleen de Bara-koi aan die van Muhammad; de drie maanden die op een vooraf gesmede samenzwering wijzen.
    • pp. 224–226: het herstel van de verbannen geleerden van Timbuktu als een van Askia’s eerste daden; Djenné dat zich onderwierp; Umar’s tocht tegen Dia in 1494 en de schepping van het ambt van kanfari in Tendirma; de dochters van Sunni Ali en de titel Askia, al in gebruik sinds 1234.
    • pp. 229–230: de jihad-voorstelling van handschrift C met de drie gezantschappen; de latere goedkeuring van de machtsgreep als jihad door al-Maghili ﵀, gegeven bij een bezoek aan Gao na 1493.
    • pp. 236, 252, 310: Mahmud ibn Umar Aqit ﵀ in 904/1498–99 tot qadi van Timbuktu benoemd; het onderscheid tussen burgers en soldaten; de Askia bij zijn afzetting in 1529 achtentachtig jaar oud, dus rond de vijftig in 1493.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 41, 72–73, 77–78, 98–99.
    • p. 41: Sunni Ali stierf eind 1492 en binnen zes maanden was zijn zoon Abu Bakr ten val gebracht; de nieuwe politiek om de moslims tevreden te stellen; de investituur door de Abbasidische kalief van Caïro over de landen van Takrur.
    • pp. 72–73, 77–78: de machtsgreep als een van de waardigste jihads; de drie gronden voor ongeloof; de jihad tegen wie de shahada uitspreekt maar zijn afgoden dient.
    • pp. 98–99: de machtsovername als staatsgreep die Ali’s zoon Abu Bakr (Baru) verdreef; de precaire beginjaren en de steun van de islamitische westelijke provincies; van wereldlijk usurpator tot legitiem moslim-amir namens de kalief; de raad van al-Suyuti ﵀ in Caïro, al-Maghili ﵀ in Gao en qadi Mahmud ﵀ in Timbuktu.