Tondibi en de Genadeklap: Het Einde van het Eerste West-Afrikaanse Tijdperk
Op een middag in maart 1591 stond een Songhay-leger van veertigduizend man tegenover vierduizend Marokkanen met vuurwapens. Binnen enkele uren was West-Afrika veranderd voor tweehonderd jaar.
Een Datum om Vast te Leggen
De Slag bij Tondibi, de beslissende confrontatie die het lot van Songhay bezegelde, vond plaats op ongeveer 13 maart 1591. De Marokkaanse expeditie vertrok uit Marrakesh in oktober 1590, stak de Sahara over in de winter van 1590-1591, en bereikte Tondibi in maart 1591. Het jaartal 1592 dat vaak aan deze gebeurtenis wordt gekoppeld, verwijst naar de volle bezetting van Gao, Timbuktu en Djenné, die in de loop van 1591 en 1592 werd geconsolideerd.
Ahmad al-Mansur: De Gouden Sultan
Om Tondibi te begrijpen moeten wij eerst de man kennen die het bevel gaf. Ahmad al-Mansur regeerde als Saadi-sultan van Marokko van 1578 tot 1603. Hij kwam aan de macht op een gouden moment: zijn neef Abd al-Malik had net een grote overwinning behaald in de Slag bij de Drie Koningen (1578), waarin de Portugese koning Sebastiaan sneuvelde samen met twee andere koningen, waaronder Abd al-Malik zelf, die tijdens of direct na de slag stierf. Ahmad besteeg de troon uit deze verwarring, kreeg de bijnaam al-Mansur (de Overwinnaar) en later ook al-Dhahabi (de Gouden), vanwege zijn onmetelijke rijkdom.
Maar die rijkdom was niet onbeperkt. Al-Mansur erfde een staat die net een zware oorlog had gevoerd, een luxueus hof dat elke dag geld kostte, een leger van Turkse janitsaren en Andalusische Morisken dat betaald moest worden, en ambities die al zijn inkomsten te boven gingen. Hij wilde een modern Islamitisch imperium stichten dat zou concurreren met de Ottomanen. Hij liet de El-Badi-paleis in Marrakesh bouwen, een imperiale verblijfplaats die alleen al aan importmarmer uit Italië astronomische bedragen kostte. Hij onderhield een vloot, een staand leger, een internationale diplomatieke presence tot in Engeland aan toe (zijn ambassadeurs ontmoetten koningin Elizabeth I).
Voor dit alles had hij goud nodig, en hij wist precies waar dat goud vandaan kwam.
De Logica van de Invasie
Al-Mansur’s raadgevers waarschuwden hem tegen de expeditie naar Songhay. De Sahara oversteken met een leger was nog nooit op schaal geprobeerd, de afstand was driedubbel die van welke Arabische veldtocht ook in de vroege Islamitische geschiedenis, het water was onvoorspelbaar en ziekten waren zeker. Zelfs als het leger aan de andere kant aankwam, zou het in een vijandelijke zone van enorme grootte moeten opereren, zonder aanvoerlijnen.
Al-Mansur luisterde en ging desondanks door. Zijn berekening was koud: zelfs als de helft van zijn leger zou sterven in de woestijn, zou de andere helft met vuurwapens een Songhay-leger kunnen verslaan, en één succesvolle bezetting zou genoeg zijn om de goudroute om te leiden van de zuidelijke karavaanstations naar Marrakesh zelf. De investering was klein, en de mogelijke opbrengst was een permanente controle over West-Afrikaanse goudproductie.
En er was meer. Al-Mansur zag zichzelf als islamitisch hervormer van de Sahel. Hij wist van de langzame desintegratie van Songhay, en hij zag de interne opvolgingsoorlogen, de klachten van Marokkaanse handelaren over willekeurige belastingen in de karavaanstations, de religieuze beschuldigingen tegen de Askia’s als ongeschikte moslim-heersers. In zijn ogen was dit een jihad: een rechtmatige onderwerping van een verslapt rijk onder de autoriteit van een echte Islamitische vorst.
Dit was retoriek, maar niet alleen retoriek. Al-Mansur heeft juridische argumenten laten uitwerken door zijn hofulema om de expeditie als een religieuze plicht te framen. Dat is belangrijk om op te merken, omdat de latere Ahmed Baba ﵀ juist deze jihad-rechtvaardiging zou aanvechten in zijn geschriften, vanuit zijn Marokkaanse ballingschap, in een daad van intellectuele moed die hem onsterfelijk heeft gemaakt.
Judar Pasha en Zijn Mannen
Het bevel over de expeditie gaf al-Mansur aan Judar Pasha, een man wiens biografie zelf een microkosmos is van de mediterraan-Islamitische wereld van die tijd. Judar was geboren als Diego de Guevara, een Spanjaard uit Las Cuevas in Almería, gevangengenomen als jonge jongen tijdens een zeeraid, in Marokko tot de Islam bekeerd, gecastreerd om als eunuch-dienaar aan het hof te werken, en omhoog geklommen tot de rang van pasha. Bij zijn vertrek naar de Sahara was hij nog geen vijfendertig jaar oud.
Zijn troepen waren een veelkleurige verzameling: Turkse janitsaren met musketten, Andalusische Morisken-arquebusiers die uit Spanje waren verdreven na 1492 (veel van hen spraken nog Spaans onder elkaar), Marokkaanse cavalerie met sabels en lansen, een kleine Engelse renegaten-eenheid als artilleristen. In totaal ongeveer vierduizend gevechtstroepen, plus duizenden dienaren, kamelendrijvers, gidsen, smeden. Tezamen waarschijnlijk tegen de achtduizend zielen die de Atlas-bergen over gingen.
Zij droegen volgens de bronnen: zes stukken artillerie (lichte kanonnen), ongeveer tweeduizend arquebussen en musketten, kruit en munitie voor meerdere veldslagen, vier maanden voorraad voedsel en water.
De reis begon in oktober 1590 vanuit Marrakesh. De route ging via Tafilalt, dan zuidwaarts door de westelijke Sahara, via Taghaza en Taodenni (zoutmijnen), dan via Araouane zuidwaarts naar Timbuktu. De totale afstand was ongeveer 2500 kilometer en de reis duurde vijf maanden, en volgens de meeste bronnen verloor de expeditie tussen een derde en de helft van haar troepen onderweg aan dorst, uitputting en Tuareg-raids. Toen zij eind februari 1591 bij de Niger aankwamen, waren er nog ongeveer vierduizend effectieve strijders over.
Dat vierduizend zou genoeg blijken.
Askia Ishaq II: Een Koning in de Val
Askia Ishaq II was in 1591 nog geen jaar op de troon. Hij had in 1588 in de burgeroorlog de troon gewonnen na de dood van Askia Muhammad Bani, maar zijn positie was omstreden: verschillende van zijn neven bleven pretenderen, de farma’s van de kustprovincies betaalden niet alle tributen, en de Tuareg in het noorden waren ongerust.
Toen in februari 1591 verkenners Ishaq II meldden dat een Marokkaans leger de Niger naderde, onderschatte hij de dreiging. Hoe kunnen vierduizend mannen, vermoeid van een woestijnreis, een rijk van vijfenhalf miljoen inwoners bedreigen? Hij mobiliseerde zijn leger, volgens de gangbare bronnen ongeveer veertigduizend man, voornamelijk cavalerie met lansen en bogen en een massa voetvolk met zwaarden en speren. Hij trok naar het noordwesten om Judar’s leger op te vangen.
De confrontatie vond plaats bij Tondibi, bijna vijftig kilometer ten noorden van Gao, op een open vlakte langs de Niger. Het was waarschijnlijk 13 maart 1591.
De Slag
Aan de ene kant stond een Songhay-leger in parade-opstelling. De dendi-fari commandeert het rechts; de balama het links; Askia Ishaq II zelf in het midden, op een witte kameel met een vergulde zadeltuig. Voor de cavalerie wordt een reeks kuddes runderen geplaatst, meer dan duizend stuks. Het plan is: drijf het vee in de linies van de Marokkanen, zodat hun formatie uiteenvalt, en volg met de cavalerie-charge.
Aan de andere kant stonden Judar Pasha’s troepen in een compacte vierkantsformatie, drie rijen arquebusiers diep, met kanonnen op de hoeken. De Morisken vooraan, de Turken achter hen, en Judar zelf in het centrum met de reserve.
De slag begon met de runderen-charge, maar vee is niet getraind voor lawaai. Toen de arquebussen hun eerste volley losten, met honderden schoten tegelijk en wolken zwart kruitrook en het doffe beuken van het kanon, keerden de runderen om, en zij stormden niet in de Marokkaanse linies maar terug in de Songhay-linies, in paniek, en sloegen de eigen cavalerie-opstelling uit elkaar.
Voordat Ishaq II kon hergroeperen, rolden Judar’s kanonnen naar voren en werd een tweede volley arquebussen afgevuurd. De Songhay-cavalerie, die zich nooit had voorbereid op vuurwapens in deze dichtheid, viel uiteen: individuele ruiters vluchtten, terwijl anderen probeerden door te charge-en op de vierkantsformatie maar in tientallen vielen onder de geconcentreerde salvo’s. De Tarikh al-Sudan meldt dat het slachtveld binnen uren bezaaid lag met doden, voornamelijk aan Songhay-zijde, terwijl de Marokkanen volgens eigen opgaaf minder dan honderd man verloren.
Askia Ishaq II vluchtte met zijn resterende troepen zuidwaarts, richting Dendi, waar hij in de moerassen een toevlucht kon vinden. Hij was niet gevangengenomen, maar zijn leger was uitgeschakeld als centrale strijdmacht, en de weg naar Gao lag open.
De Inname van de Steden
Judar Pasha marcheerde naar Gao en nam de hoofdstad zonder noemenswaardig verzet in. Hij was geschokt door wat hij aantrof: een stad, zeker, met paleizen en moskeeën, maar minder rijk dan Marrakesh, minder imposant dan hij verwacht had. De goudvoorraden van de Askia waren kleiner dan zijn rapporten hadden gesuggereerd. Hij schreef een teleurgestelde brief naar al-Mansur:
Judar Pasha: “Het huis van een ezeldrijver in Marrakesh is beter dan het paleis van de Askia.”
Al-Mansur was niet geamuseerd. Hij verving Judar al snel door Mahmud ibn Zarqun, een hardere man, en instrueerde hem om de bezetting door te voeren. Djenné werd ingenomen, Timbuktu werd ingenomen, en de Marokkaanse garnizoenen legerden zich in de drie hoofdsteden van het oude Songhay.
Het bezettingsgezag zou de volgende decennia bekend staan als het Pashalik van Timbuktu, een Marokkaans-Andalusische militaire kolonie die nominaal aan Marrakesh gehoorzaamde maar binnen dertig jaar in essentie zelfstandig werd. De nakomelingen van de Morisken-soldaten bleven in de steden en gaven geleidelijk een nieuwe bevolkingsgroep, de Arma (naar het Arabische al-rumi of Spaanse arma voor wapen), die tot in de negentiende eeuw een herkenbare bevolkingsgroep in Timbuktu zou blijven.
De Deportatie van de Geleerden
Dit is de gebeurtenis die, meer dan enige andere, de herinnering aan 1591 in de islamitische geschiedenis heeft gebrand.
In oktober 1593 gaf Mahmud ibn Zarqun op bevel van al-Mansur opdracht om de geleerden van Timbuktu in ketenen te slaan en naar Marokko te deporteren. De aanleiding was onrust in de stad, mogelijk een geleerden-coalitie die tegen de bezetting predikte. Ongeveer zeventig vooraanstaande geleerden, waaronder Ahmed Baba ﵀ zelf en zijn familie, werden gearresteerd en op karavaan naar het noorden gezet.
De tocht was brutaal. Volgens Ahmed Baba’s eigen latere getuigenis kwamen velen onderweg om, en de groep arriveerde in Marrakesh in mei 1594, na een tocht die maanden had geduurd en waarin de geleerden gedwongen werden te voet, in ketens, door de Sahara te lopen. Ahmed Baba ﵀ zou later schrijven dat zijn boeken, zijn bibliotheek van 1600 volumes die hij zorgvuldig had opgebouwd, geplunderd waren, en dat hij bij zijn broeders veilig in Marokko toch de arme onder de armen was:
Ahmed Baba ﵀: “want ik kwam zonder mijn boeken aan”.
Voor een geleerde zijn zijn boeken zijn hele wereld, en de wegvoering van Ahmed Baba’s bibliotheek was voor hem even traumatisch als elke fysieke mishandeling. In zijn brieven uit Marokko klinkt een verdriet door dat geen andere tegenslag evenaart.
In Marrakesh werd Ahmed Baba ﵀ aanvankelijk gevangen gehouden. Maar al-Mansur, die zelf op religieuze legitimiteit gesteld was, kon het uiteindelijk niet veroorloven de grootste West-Afrikaanse geleerde in boeien te houden. Ahmed Baba ﵀ werd vrijgelaten, kreeg huisarrest in Marrakesh, en begon daar een heel nieuwe fase van zijn productiviteit: hij gaf colleges, ontving leerlingen uit de hele Maghreb, debatteerde met de Marokkaanse Ulema, en schreef enkele van zijn belangrijkste werken.
Mi’raj al-Su’ud: De Weigerende Pen
Eén van die werken verdient onze speciale aandacht. Het heet Mi’raj al-Su’ud (De Ladder van Opstijging), en het is een juridische verhandeling over slavernij, geschreven rond 1615, in Marrakesh.
De context: de Marokkaanse slavenmarkt had in de zestiende en zeventiende eeuw tienduizenden slaven uit West-Afrika geabsorbeerd, velen van hen verkocht onder de pretense dat zij “ongelovigen” waren die tijdens een jihad gevangengenomen waren. Dit was juridisch twijfelachtig, want veel van deze slaven waren moslims, geboren in moslim-gemeenschappen, verkocht door kooplieden die zich niet bekommerden om hun religieuze status.
Ahmed Baba ﵀, vanuit zijn eigen ervaring van gedwongen deportatie uit zijn Islamitische stad door een islamitische vorst, schreef een scherp juridisch advies. Hij stelde vast dat bekering tot de Islam slavernij opheft, niet automatisch, maar juridisch, dat de kooplieden die moslims als slaven verkochten in strijd handelden met de Maliki-rechtsschool, en dat vele West-Afrikaanse gemeenschappen, met name de Soninke, Songhay, Fulbe en Hausa, al generaties lang moslim waren en hun leden dus niet legaal tot slaaf konden worden gemaakt.
Mi’raj al-Su’ud werd in Noord-Afrika en het Midden-Oosten gelezen en geciteerd tot in de achttiende eeuw. Het is een van de vroegste systematische juridische bezwaren tegen wat een Zwarte geleerde zag als het onrecht in de Islamitische slavenhandel van zijn eigen tijd. Het getuigt van de intellectuele traditie waarin onze voorouders stonden, en Ahmed Baba ﵀ schreef tegen de handel die een deel van diezelfde voorouders zou meesleuren.
Hij stierf in 1627, terug in Timbuktu, waar hij zijn laatste jaren had mogen doorbrengen na al-Mansur’s dood.
Wat 1591 Heeft Gebroken
Tondibi en de nasleep ervan veranderden West-Afrika van een continent met imperiale islamitische staatsvorming in een continent van lokale, fragmentaire staten, een toestand die zou voortduren tot de negentiende-eeuwse hervormingsbewegingen van Usman dan Fodio ﵀ en het Sokoto-kalifaat, van Hamdullahi onder Seku Ahmadu, en van de Mande-jihad van al-Hajj Umar Tall ﵀.
De grote trans-Saharaanse handelsas brak nooit helemaal weg, want de zoutroutes bleven bestaan en de islamitische geleerdentraditie in Timbuktu, Djenné en elders leefde door, zij het nooit meer op het niveau van de Askia’s. Maar het grote model, met zijn centrale bestuur, zijn staande leger, zijn gestandaardiseerde rechtspraak, zijn systematische belastingheffing en zijn diplomatieke positie in de internationale islamitische orde, kwam pas twee eeuwen later opnieuw tot leven, in het Sokoto-kalifaat vanaf 1804. Tussen 1591 en 1804 lag een tijd van Pashalik-fragmentatie, van opkomende lokale en niet-islamitische staten als Ségou en Kaarta, van een zich intensiverende Atlantische slavenhandel, en van een langzame verschuiving van het economische zwaartepunt van de Sahel naar de kust.
Van Scherven naar Ketenen: Hoe de Val de Slavenhandel Voedde
Het wrede mechanisme dat de val van Songhay in gang zette, verbindt deze periode rechtstreeks met wat erna komt. Zolang er een Askia in Gao zat, was er een centraal gezag dat de grote routes bewaakte en dat het geweld tussen de provincies binnen de perken hield. Toen dat gezag bij Tondibi wegviel, viel niet alleen een leger uiteen maar een hele ordening, en wat overbleef was een lappendeken van rivaliserende opvolgerstaten: de Arma en het Pashalik in de oude steden, de niet-islamitische Bambara-koninkrijken Ségou en Kaarta in het binnenland, en talloze kleinere vorsten daartussen.
Deze staten hadden één ding gemeen. Geen van hen erfde de belastingbasis, de mijnen of de handelsmonopolies waarmee Songhay zichzelf had bekostigd, en dus financierden zij zich op de enige manier die overbleef, door oorlog. Elk droog seizoen trokken hun legers eropuit, niet alleen om grond te winnen maar om mensen te nemen, krijgsgevangenen werden niet langer als losgeld maar als koopwaar behandeld, en de roofstaat die zijn krijgers betaalde uit de opbrengst van de razzia werd het dominante economische model van de Sahel.
En dit gebeurde precies op het moment dat aan de andere kant van de oceaan de vraag explodeerde. De Europese plantages in de Caraïben en Brazilië hadden een onverzadigbare honger naar arbeid, en de forten aan de West-Afrikaanse kust, van Saint-Louis tot Elmina, betaalden goud voor elke gevangene die de binnenlandse oorlogen opleverden. Het Afrikaanse aanbod, opgejaagd door de versplintering die Tondibi had ontketend, ontmoette de Atlantische vraag, en uit die ontmoeting kwam de grootste gedwongen volksverhuizing van de menselijke geschiedenis voort.
Wat Hierna Komt
De eeuwen na 1591 vormen het verhaal van een West-Afrika dat politiek versplinterde terwijl de Europese vraag naar Afrikaanse arbeid exponentieel groeide. In die periode maakten talloze West-Afrikanen, onder wie Akan, Wolof, Fulbe, Mande, Igbo en Yoruba, gedwongen de Atlantische oversteek naar Suriname, Curaçao, Aruba, Trinidad, Jamaica en Brazilië, en de islamitische identiteit die sommigen van hen met zich meedroegen kwam onder extreme druk te staan, verdween vaak en overleefde soms in verborgen vormen.
Dat de islam in West-Afrika daarmee niet was uitgestorven, zou de negentiende eeuw bewijzen met de grote hervormingsbewegingen: het Sokoto-kalifaat van Usman dan Fodio ﵀, de staat van al-Hajj Umar Tall ﵀, het verzet van Samory Touré tegen de Franse kolonisatie en de Mahdi in de Soedan. Het eerste grote West-Afrikaanse islamitische tijdperk, van de vroege Sorko aan de Niger tot de Askia op zijn troon, was geen primitief verleden maar een beschaving in de volle zin van het woord, en wat erop volgde was niet het einde van dat verhaal maar de overgang naar een nieuwe en gebroken wereld. Het hoofdstuk dat daar het dichtst bij staat, en dat nu volgt, is dat van de trans-Atlantische slavenhandel.
Bronnen
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstukken 21 en 24 over de komst van Pasha Jawdar, de slag bij Tondibi en de arrestatie van de geleerden van Timboektoe, in de vertaling van Hunwick, pp. 186–193, 219–221, 223–225.
- Mulay Ahmad al-Mansur, de brief aan Askia Ishaq II van Safar 998/december 1589 over de kharaj op het zout van Taghaza, de veldtochten en de jihad, in de vertaling van Hunwick, pp. 294–295.
- Muhammad as-Saghir al-Ifrani ﵀, Nuzhat al-hadi (kort voor 1724), het Marokkaanse verslag van de verovering, de fatwa van de geleerden over de mijnen en de audiëntie van Ahmad Baba ﵀ bij al-Mansur, in de vertaling van Hunwick, pp. 310, 312, 314–316.
- De anonieme Spanjaard (Marokko, 1591), het verslag van Jawdars leger, de tocht door de Sahara, de slag en de inname van Gao, in de vertaling van Hunwick, pp. 319–320, 323–324.
- Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, het eigen getuigenis over de zestienhonderd delen van zijn bibliotheek en het verwijt aan al-Mansur over zijn geplunderde bezit en de reis in ketenen, zoals aangehaald in Hunwick, pp. 315–316.
- Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, Miʿraj al-suʿud (1024/1615), de verhandeling dat ongeloof de enige grond voor slavernij is en dat de mensen van Kano, Katsina, Bornu en Songhay als moslims niet tot slaaf gemaakt mogen worden, zoals aangehaald in Gomez, pp. 304–306, en in Hunwick, p. lxi.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. lxi, lxiii, 155, 166, 186–193, 219–221, 223–225, 294–295, 310, 312, 314–316, 319–320, 323–324, 337.
- pp. 155, 166: ʿAbd al-Malik die in augustus 1578 stierf op het moment van zijn overwinning op de Portugezen bij al-Qasr al-Kabir; de bijnamen al-Mansur en al-Dhahabi; het Arabische al-rumah, schutters, dat als arma de naam werd van de Marokkaanse elite van Timboektoe.
- pp. 186–189 (TS hfst. 21): Jawdar als eunuch uit Cuevas del Almanzora in Almería; de spion die drie jaar in Gao zat; de brief van december 1589 en het antwoord van Ishaq met een speer en twee ijzeren schoenen; de drieduizend musketiers met tweemaal zoveel hulptroepen, volgens de Spanjaard 4.070 strijders, vertrokken in oktober of november 1590; de aankomst bij de Niger op 28 februari 1591, oostelijk langs Arawan; de Askia bij Tondibi, achtenveertig kilometer ten noorden van Gao, met twaalfduizend vijfhonderd ruiters en dertigduizend man voetvolk.
- pp. 190–193: de slag op 13 maart 1591 waarin het Songhay-leger in een oogwenk brak en de soldaten op hun schilden werden gedood; de vlucht van Ishaq over de rivier en de ontruiming van Gao; het paleis dat Jawdar tegenviel, het vredesaanbod van honderdduizend mithqal en duizend slaven en de brief over het huis van het hoofd der ezeldrijvers; de intocht in Timboektoe op 30 mei 1591; de roof van bezit en vrije mensen na 1591 en de heidense Bambara die het land van Djenné verwoestten.
- pp. 219–221, 223–225 (TS hfst. 24): de arrestatie van de juristen in de Sankore-moskee op 19 oktober 1593, de veertien ter plekke gedoden, de plundering en de zes maanden in het fort; al-Mansurs eerdere bevel hen geboeid op te sturen; het vertrek op 18 maart 1594 en de aankomst in Marrakesh op 21 mei 1594; de vrijlating op 19 mei 1596 en de terugkeer van Ahmad Baba ﵀ in 1608.
- pp. 294–295, 310, 312: de brief van december 1589 over de belasting op het zout voor veldtochten en jihad; de geleerden van Marrakesh die oordeelden dat de zeggenschap over mijnen alleen de Imam toekomt; het eensluidende besluit van de staatsraad en het vertrek uit Marrakesh op 25 oktober 1590; de 104.000 strijders die al-Fishtali aan Ishaq toeschrijft.
- pp. 314–316: Jawdar die via Pasha Mahmud het bevel verloor; al-Mansur de Gouden om de goudstroom; de twaalfhonderd slaven en veertig ladingen goudstof; de zestienhonderd delen; de audiëntie waarin Ahmad Baba ﵀ al-Mansur zijn geplunderde bezit, vernietigde bibliotheek en reis in ketenen verweet; de vrijlating op voorwaarde in Marrakesh te blijven, het onderwijs en de terugkeer onder Zaydan.
- pp. 319–320, 323–324: Jawdar als jonge renegaat uit Las Cuevas, in het paleis opgevoed; duizend renegaten- en duizend Andalusische musketiers, vijfhonderd spahi’s, vijftienhonderd lansiers en zeventig christelijke gevangenen met donderbussen; vier kleine kanonnen en tien mortieren; de oversteek van veertig dagen; de runderen die de Songhay voor zich uit dreven en die Jawdar door zijn geopende gelederen liet gaan; het Gao waar geen goud werd gevonden.
- pp. lxi, lxiii, 337: de Miʿraj al-suʿud geschreven in 1615; de dood van Ahmad Baba ﵀ in 1627; Ishaq II op 13 maart 1591 verslagen en daarna door zijn broer Muhammad Gao afgezet; Nuh die het verzet in Dendi leidde.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 65, 304–306, 315, 332, 338, 364–365.
- pp. 364–365: het invasieleger dat voor een aanzienlijk deel Europees, vooral Spaans was; vertrek in november 1590, de Niger op 28 februari en de slag op 13 maart 1591 bij Tankondibogho; de uiteenlopende schattingen van het Songhay-leger; Mahmud ibn Zarqun die op 17 augustus 1591 Jawdar afloste; de slag bij Zanzan op 14 oktober en de vlucht van Ishaq naar Dendi; de bezetting die onafhankelijk werd van de sultan en marionet-askia’s aanstelde.
- pp. 304–306: de Miʿraj al-suʿud van 1024/1615, geschreven na de ballingschap van 1593 tot 1608; ongeloof als enige grond voor slavernij; Bornu, Kano, Songhay, Katsina, Gobir, Mali en de meeste Fulbe als moslims; de 107 moslimstammen en de eenendertig groepen van ongelovigen, onder wie de Bambara.
- pp. 65, 315, 332, 338: de Bambara van Segu die de Malinese heersers terugdrongen en de ongelovige Bambara in de kronieken; de toename van de slavenhandel tijdens het verval en de opkomende Europese vraag aan de kust; de tweehonderdvijftigduizend Afrikanen die tegen het midden van de zestiende eeuw via de Atlantische Oceaan waren uitgevoerd.
- Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, p. 78.
- p. 78: de Marokkanen die de Songhay bij Tondibi in 1591 met vuurwapens versloegen.
