InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Trans-Atlantische Slavenhandel
Islam in West-AfrikaDe Atlantische Onderbreking

De Trans-Atlantische Slavenhandel

De Trans-Atlantische Slavenhandel

Tussen 1501 en 1867 werden twaalfeneenhalf miljoen Afrikanen aan de kusten van West- en Centraal-Afrika ingescheept, en twee miljoen van hen haalden de overkant niet. Van de tien miljoen die wel aankwamen, liep een op vijf rond met een Islamitisch geheugen dat niemand in de Nieuwe Wereld meer kon lezen. Dit hoofdstuk telt en noemt, niet om te huilen, maar om vast te leggen wat te vaak in algemene termen wordt afgedaan.

Fort Zeelandia, Paramaribo, Een Namiddag In 1720

De Surinamerivier ligt bruin-groen, dik en traag, en aan de westelijke oever staat Fort Zeelandia, in 1667 door de Zeeuwen op de puinhopen van een Engels fort opgetrokken, nu het zenuwcentrum van de West-Indische Compagnie in deze kolonie. De baksteen kwam uit Hollandse scheepsballast, en de palmbomen hebben de stenen balk voor balk zien aankomen. De hitte is niet de hitte van de kust van Senegambia, want zij is vochtiger en zwaarder, met een geur van modder en schimmel die de Fulani-gevangenen, negen weken eerder bij Albreda in de Gambia-monding ingescheept, nog nooit hebben ingeademd.

Er is een schip aangekomen, dat De Vigilantie of iets dergelijks heet, met honderdvijfentachtig overlevenden uit een inlading van tweehonderdveertig, terwijl vijfenvijftig lichamen onderweg overboord zijn gegooid. Van een van hen weten wij de naam niet, want hij is nooit in een register ingeschreven, terwijl wij van een ander weten dat hij kon reciteren uit soerat al-Mulk tot op de laatste âyah, omdat zijn zoon dat later, op een plantage aan de Commewijne, aan zijn kleinkinderen zou fluisteren voordat zij sliepen.

Dat is de scène: één schip, één kade, één namiddag. Vermenigvuldigd met drieënzestighonderd, het geschatte aantal Atlantische slavenreizen dat de Trans-Atlantic Slave Trade Database (Eltis & Richardson, 2010) heeft gereconstrueerd, wordt zij drie eeuwen, vier continenten en twaalfeneenhalf miljoen mensen. Hier beginnen wij.

De Schaal

De getallen zijn niet abstract, want elk cijfer is een mens, en elke mens een keten van namen die ergens in de wereld brak.

De Trans-Atlantic Slave Trade Database, het grootste historische datasetproject over de slavenhandel, samengesteld door David Eltis en David Richardson op basis van scheepsladingsregisters uit Portugese, Nederlandse, Britse, Franse, Spaanse, Deense en Amerikaanse archieven, telt 12,5 miljoen Afrikanen die tussen 1501 en 1867 werden ingescheept. Daarvan bereikten 10,7 miljoen de Amerika’s levend, terwijl 1,8 tot 2 miljoen onderweg stierven, tijdens wat in de Engelstalige historiografie de Middle Passage heet. Die sterfte trof kinderen en vrouwen disproportioneel, en de gemiddelde reis duurde zes tot twaalf weken, met als doodsoorzaken dysenterie, pokken, scheurbuik, zelfmoord (vaak door weigeren te eten of door overboord springen), moord door bemanning bij opstand, en verdrinking wanneer schepen zonken.

Paul Lovejoy, in zijn standaardwerk Transformations in Slavery: A History of Slavery in Africa (3e editie, 2011), plaatst deze cijfers in bredere Afrikaanse context. Hij laat zien dat de Atlantische handel niet de eerste slavernij in de regio was, want trans-Saharaanse en Oost-Afrikaanse handelen bestonden al eeuwen, maar dat zij in schaal, intensiteit en economische logica iets volstrekt nieuws was. Tussen 1650 en 1850 werd de West-Afrikaanse demografie aantoonbaar beïnvloed, zodat hele streken ontvolkt raakten, sexratio’s scheefgetrokken werden (veel meer mannen dan vrouwen weggevoerd), en de gender-structuur van achtergelaten dorpen in feite gereorganiseerd werd rond afwezige mannen.

Vier eeuwen, twaalfeneenhalf miljoen ingescheept, tien miljoen aangekomen, twee miljoen overboord, en bij elk cijfer hoort het feit dat de meerderheid geen geschreven spoor achterliet.

De Dubbele Medeplichtigheid

Hier staan wij voor een eerlijkheid die niemand verdient te sparen, want de Atlantische slavenhandel was geen Europese misdaad alleen, en zij was evenmin een Afrikaanse misdaad alleen; zij was de samenwerking van Europese kapitaalstructuren met Afrikaanse politieke structuren, in een systeem dat beide zijden onderhielden, verfijnden en op schaal brachten.

Aan Europese zijde opende Portugal het veld met de feitorias aan de Guineakust vanaf 1441, en de Nederlandse West-Indische Compagnie, opgericht in 1621, zou tussen 1630 en 1803 ongeveer 550.000 tot 600.000 Afrikanen over de Atlantische zee brengen, naar Nederlands-Brazilië, naar Suriname, naar Curaçao als doorvoerhaven en naar Sint Eustatius als smokkelpunt. Groot-Brittannië werd na 1713 de grootste slavenhandelaar ter wereld, met het Asiento-contract dat de Britten het monopolie gaf op Spaans-Amerikaanse leveringen, terwijl Frankrijk vanuit Nantes, La Rochelle en Bordeaux dreef, Denemarken forten op de Goudkust hield, en Portugal dominant bleef in de Zuid-Atlantische corridor naar Brazilië.

Aan Afrikaanse zijde klopt het beeld van een onwetend continent dat overvallen werd niet, want er waren gespecialiseerde politieke structuren die het aanbod organiseerden. Het koninkrijk Dahomey (huidig Benin) voerde onder koningen als Agaja (r. 1718-1740) en Tegbesu (r. 1740-1774) jaarlijkse campagnes tegen zijn buren om gevangenen voor de Europese factorijen te produceren, zodat Ouidah een van de drukste exporthavens van de Golf van Benin werd. Het Oyo-rijk (Yorubaland) leverde grote aantallen gevangenen naar het zuiden, vooral Hausa- en Nupe-moslims uit gefaalde cavalerie-invallen, terwijl het koninkrijk Kongo, dat zelf in 1491 christelijk was geworden, door zijn noordelijke buren (Jaga, Imbangala) en later door Portugese pombeiros systematisch geleegd werd via Luanda, en het Ashanti-rijk in het Goudkust-binnenland zich in de achttiende eeuw deels op de opbrengst van slavenoorlogen naar het noorden consolideerde.

En dan is er nog het Aro-handelsnetwerk in het Biafra-binnenland (huidig zuidoost-Nigeria), een rivieren- en marsroutestelsel dat, onder religieus-politieke aansturing van het Arochukwu-orakel, gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw honderdduizenden Igbo-gevangenen via Bonny en Calabar exporteerde. Dit was infrastructuur, en dit was niet ad hoc.

Er is geen onschuldig Afrika in dit verhaal, en er is geen onschuldig Europa, terwijl er ook geen sluitende moreel-rekenkundige verdeling van de schuld is, een van de vruchteloze debatten die dit onderwerp vaak opslokken. Wat er wel is, is een handel die in zijn volwassen vorm Europese schepen, Europees kapitaal, Europese verzekeraars en Europese eindvraag koppelde aan Afrikaanse oorlog, Afrikaanse staatkundige roofconstructies en Afrikaanse binnenlandkaravanen. Beide zijden dus, niet één, en in het midden, zonder stem, de gevangenen zelf.

De Nederlandse Zuiglijn

Voor wie hier leest is dit niet een abstract hoofdstuk in een wereldgeschiedenis, maar iets specifieks, want de voorouders van een groot deel van de Nederlandstalige diaspora, of die van hun partners, ouders en grootouders, zijn met grote waarschijnlijkheid via de Nederlandse koloniale infrastructuur de Atlantische zee overgestoken, en die lijn moet concreet worden gemaakt.

De WIC opereerde in twee chartersfasen, de Eerste WIC (1621-1674) en de Tweede WIC (1674-1791), met handelsposten die voornamelijk aan de Slavenkust lagen: Elmina, in 1637 op de Portugezen veroverd, Fort Crevecœur bij Accra en Fort Goede Hoop bij Ouidah. Vanaf de Bight of Benin en de Bight of Biafra werden Afrikanen verscheept via de Middle Passage van ongeveer acht tot tien weken naar Willemstad op Curaçao, dat de centrale doorvoerhaven van de Nederlandse Atlantische wereld werd. Van Curaçao gingen schepen verder naar de plantage-eilanden, Aruba, Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en via smokkel naar de Spaans-Amerikaanse kust (Venezuela, Colombia), terwijl een tweede directe route gevangenen rechtstreeks naar Paramaribo bracht voor de Surinaamse plantages.

De Surinaamse cijfers spreken voor zich: tussen 1651 (Engelse stichting) en 1826 (einde officiële Nederlandse slavenhandel) werden ongeveer 295.000 tot 325.000 Afrikanen naar Suriname gebracht (cijfers uit Alex van Stipriaan, Surinaams contrast, 1993, en de Trans-Atlantic database). De plantage-sterfte was zo hoog, vier tot zes procent per jaar, gedreven door malaria, dysenterie, voedselschaarste en mishandeling, dat de populatie alleen in stand kon blijven door constante aanvoer, en een tot slaaf gemaakte op een Surinaamse suikerplantage had een gemiddelde levensverwachting van zeven tot tien jaar na aankomst.

De Curaçao-cijfers wijzen een andere richting: ongeveer 100.000 tot 150.000 gevangenen werden daar tussen 1650 en 1800 aangeland, waarvan slechts een klein deel op het eiland bleef, omdat Curaçao beperkte plantagecapaciteit had, zodat het merendeel werd doorverkocht, vaak aan Spaanse kopers. Dat maakte Willemstad tot de Amsterdam van de Caraïben, een stad gebouwd op tussenhandel, met een synagoge, een katholieke kathedraal en een slavenmarkt binnen tien minuten van elkaar. De Mikvé Israel-Emanuel synagoge, gesticht in 1651, staat er vandaag nog, terwijl het voormalige Kura Hulanda-museum in de oude binnenstad deze handel expliciet documenteert.

Trinidad valt buiten de WIC-lijn maar hoort in het Nederlandstalige Caribische bewustzijn thuis via de latere migraties, want onder Spaans, Frans en Brits bewind (vanaf 1797) werden daar nog eens ongeveer 23.000 Afrikanen aangeland, met een significant aandeel uit Senegambia en de Bight of Benin, en na 1834, de Britse emancipatie, zou Trinidad de aanloopplek worden voor de Indiase contractarbeiders, wat een ander verhaal is.

Dit alles doet ertoe, omdat wanneer wij straks over de moslims onder de tot slaaf gemaakten spreken, wij het niet hebben over generieke Afrikaanse moslims in een generieke Caribische context, maar over de specifieke lading van de WIC uit de Golf van Benin, over de Senegambia-vracht die via Elmina naar Willemstad ging, en over de Hausa-gevangenen die als oorlogsbuit van Oyo-invallen naar de Paramaribo-plantage stroomden. De diaspora die dit leest staat in een lijn die door Willemstad en Paramaribo loopt, en die lijn is geen metafoor.

De Moslims Onder Hen

Nu komen wij bij het punt dat de rest van dit hoofdstuk draagt.

Een meerderheid van de West-Afrikanen die tussen 1650 en 1850 werden weggevoerd, kwam uit streken waar de Islam al eeuwen present was of bezig was zich te vestigen. Sylviane Diouf schat in Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas (1998, herziene editie 2013), het standaardwerk op dit onderwerp, dat vijftien tot twintig procent van alle Afrikanen die de Atlantische zee overstaken moslim was, terwijl andere schattingen (Michael Gomez, Black Crescent, 2005; Paul Lovejoy) tussen tien en vijfentwintig procent liggen, met regionale piekwaarden die veel hoger lagen.

Regionaal gezien:

  • Senegambia-shipments (via Gorée, Saint-Louis, Albreda, Bance Island) in de tweede helft van de achttiende eeuw: dertig tot veertig procent moslim, met name Fulbe, Mandinka en Wolof. Vaak geletterden, vaak uit hervormingsstaten zoals Futa Toro en Futa Jallon.
  • Bight of Benin-shipments: lager percentage maar significant. Hausa-moslims uit het noordelijke binnenland van Hausaland, gevangen in Oyo-invallen en via Lagos geëxporteerd, vormden een specifieke deelstroom, vooral naar Brazilië (waar zij in Bahia de Malês zouden worden) en naar de Nederlandse Caraïben.
  • Bight of Biafra: klein percentage moslim, voornamelijk gedeïslamiseerde of half-geïslamiseerde Nupe en noordelijke Igbo.
  • Angola/Congo-shipments: vrijwel geen moslims. Deze regio’s waren overwegend christelijk (Kongo) of traditioneel-religieus.

Van de twee miljoen Afrikanen die tussen 1750 en 1850 naar de Britse, Franse en Nederlandse Caraïben werden verscheept, waren naar schatting tweehonderd- tot vierhonderdduizend moslim, zodat er tienduizenden moslims in één enkele generatie op Jamaicaanse, Barbadiaanse, Surinaamse en Curaçaose plantages rondliepen. Onder hen waren huffadh, imams, malams en tâlibs, mensen die de Qur’an uit het hoofd kenden en die hem op plantages waar geen enkele Arabische tekst bestond oraal doorgaven.

Dit is een van de best bewaarde geheimen van de Atlantische geschiedenis, want de eerste generatie West-Afrikaanse moslims in de Amerika’s was een aanzienlijke groep en geen curiositeit; zij probeerde, voor korte generaties en onder brute druk, deen te handhaven, en een deel van dat geheugen zou in gedeformeerde maar herkenbare vorm tot in de twintigste eeuw binnen Afro-Caribische, Brazilaanse en Zuid-Amerikaanse gemeenschappen overleven. Niet een uitzondering, maar een minderheid die groot genoeg was om sporen na te laten.

Eerlijk Genuanceerd

Wij moeten nu iets bespreken dat in discussies over de Atlantische slavernij vaak als retorisch wapen wordt ingezet: maar de Arabieren deden het ook. Dit is een zin die op twee manieren misbruikt kan worden, hetzij als apologie voor de Atlantische handel (zij was niet uniek, dus niet zo erg), hetzij als aanklacht tegen de Islam als religie (zij sanctioneerde slavernij en draagt dus morele schuld), en beide versies zijn onhoudbaar, zodat wij het scherper moeten formuleren.

Ten eerste bestonden de trans-Saharaanse en Indische Oceaan slavenhandelen werkelijk, over een veel langere periode en op een andere schaal. Paul Lovejoy en Ralph Austen hebben geschat dat tussen circa 700 en circa 1900 in totaal ongeveer zeventien miljoen Afrikanen via deze routes werden weggevoerd, naar Marokko, Egypte, het Ottomaanse Rijk, de Hedjaz, Perzië, India, de Swahili-kust en verder, verdeeld over dertien eeuwen. Dit is een aanzienlijk cijfer, en elke afzonderlijke gevangene in deze cijferstroom was een menselijke tragedie die even zwaar weegt als elke afzonderlijke gevangene in de Atlantische stroom.

Ten tweede, en hier zit de nuance die ertoe doet, waren deze handelen niet hetzelfde, want de Atlantische handel had specifieke kenmerken die de Oriëntaalse handelen niet deelden.

De Atlantische handel was:

  • Volledig plantage-kapitalistisch aan de eindzijde. Afrikaanse arbeid werd een grondstof voor een suiker-, tabak-, katoen- en koffie-industrie die integraal deel uitmaakte van de Europese kapitaalaccumulatie.
  • Staats-gefinancierd en -beschermd door nationale compagnieën. Royal African Company, WIC, Compagnie des Indes. Dit creëerde een permanente, voorspelbare, massa-industriële handel.
  • Raciaal afgesloten. De status van slaafheid werd erfelijk gemaakt (partus sequitur ventrem) en aan zwarte huidskleur gekoppeld. Een tot slaaf gemaakt kind bleef tot slaaf. Dit was niet zo in de Islamitische fiqh, waar kinderen van slavinnen door hun vrije vader (in dezelfde huishouding) als vrije kinderen werden geboren en de moeder vrij zou worden bij de dood van haar meester (umm walad).
  • Gedraaid op massale sterfte als economisch aanvaardbare kostenpost. De Britse planters in Barbados hadden al in 1750 een zo hoge sterftecijfer dat alleen constante aanvoer de populatie op peil hield. Dit model werd als rationeel beschouwd.

De Oriëntaalse handelen daarentegen waren:

  • Overwegend huishoudelijk in eindbestemming. Militair (Mamluken, Ottomaanse janitsaren), huishoudelijk personeel, eunuchen, concubines. Niet plantage-arbeid op industriële schaal.
  • Niet genationaliseerd op dezelfde manier. Er was geen Royal Arab Company, geen Ottoman Slave Trade Company met aandelen en gecentraliseerde verzekering. De handel liep via karavaanondernemers, individuele kooplieden en lokale netwerken.
  • Niet raciaal gesloten. Slavische gevangenen uit Oost-Europa, Turkse gevangenen, Circassische slaven waren evenmin ongewoon als Afrikaanse. Afrika was één van meerdere bronnen, niet de exclusieve bron. Status was niet per definitie erfelijk.
  • Onderworpen aan juridische kaders die in theorie en vaak in praktijk de handel binnen perken hielden. Een moslim mocht geen moslim slaafmaken. Bevrijding was religieus aanbevolen. Kindermoeders werden vrij bij de dood van hun meester.

Dit zijn structurele verschillen in schaal, vorm en staatintegratie, en zij maken de Oriëntaalse handelen niet goed, noch fijn voor de mensen die erin gevangen zaten. De vrouw uit Bornu die in 1780 als concubine in Istanbul belandde, leidde een verminderd, gestolen leven, ongeacht welke jurisdictie haar meester regeerde, en haar tragedie is reëel; maar de categorische gelijkstelling van de Atlantische industriële slavernij met de Oriëntaalse patrimoniale slavernij is historisch onhoudbaar.

En, dit is het kritische punt dat vaak wegvalt, binnen de Islamitische traditie was er een inheems anti-slavernij-discours dat niet uit Europese verlichtingsbronnen voortkwam maar uit de fiqh zelf, en laten wij de figuren noemen.

Ahmad Baba al-Timbukti ﵀ (1556-1627) schreef in Marokkaanse ballingschap rond 1614-1615 zijn Mi’raj al-Su’ud ila Nayl Hukm Mujallab al-Sud, De Trap van het Opstijgen naar het Vonnis over de Aanvoer van Zwarten. Op verzoek van juristen uit Touat antwoordde hij met een systematische Maliki-fatwa waarin huidskleur geen rechtsgrond voor slavernij is, want de volkeren van Bornu, Kano, Katsina, Gao, Djenne, Timbuktu en de Fulbe-gebieden zijn moslims, en hen tot slaaf maken is haram. Hij noemde namen en klaagde wie dat wel deed aan, en zijn tekst circuleerde door de Sahel, door Hausaland, later via Mauritaanse en Sudanese afschriften zelfs tot in Bahia, Brazilië. Dit is een eeuw vóór de Europese abolitionistenbeweging, zodat de juridische grond al binnen de Islam zelf aanwezig was, door een geleerde die onder Marokkaanse bezetting zat van een staat die zijn eigen volk had geplunderd.

Ottomaanse Sultan Abdülmecid I vaardigde in 1847 een firman uit die de Afrikaanse slavenhandel in belangrijke Ottomaanse havens beperkte, inclusief een verbod op de markt van Istanbul, en zijn opvolger Abdülaziz breidde dit in 1858 uit met een formeler verbod op de handel in Hedjaz-havens (met aarzelende uitzonderingen). Dit is deels onder Britse druk tot stand gekomen, en wij mogen ons niet wijsmaken dat het louter endogeen was, maar er was tegelijk een Ottomaanse ulama-steun voor deze stappen, gebaseerd op klassieke argumenten tegen onrechtmatige gevangenname.

Tunesische Bey Ahmed Bey schafte slavernij af in 1846, acht jaar nadat de Britse kroonkolonies in het Caraïbisch gebied (1834-1838 met apprenticeship-overgang) hun proces volledig hadden afgerond, maar twee jaar voor Frankrijk (1848) en negentien jaar voor de Verenigde Staten (1865). Dit was geen marginaal gebaar, maar een juridische en bestuurlijke hervorming die Tunesië als eerste Arabische staat abolitionistisch maakte, en de mujaddid-framing (vernieuwer van de deen) werd voor Ahmed Bey door sommige Tunesische ulama expliciet ingezet.

Marokkaanse Sultan Mawlay Hassan I (r. 1873-1894) probeerde in de jaren tachtig van de negentiende eeuw de slavenhandel naar en vanuit Marokko te beperken, met wisselend succes, want interne oppositie van lokale notabelen en stammen frustreerde zijn pogingen, al bleef de staatsrichting abolitionistisch.

Deze namen zijn geen apologie, want slavernij was tragedie, in Agadir net zoveel als in Charleston, maar wij mogen de intra-Islamitische juridische en politieke traditie die tegen haar argumenteerde niet wegpoetsen om een westers-seculier abolitionisme als het enige morele erfgoed naar voren te schuiven. De Mi’raj al-Su’ud bestond en de firmans bestonden, en al maakten zij niet alles goed, zij lieten zien dat binnen de Islamitische traditie het argument tegen slavernij beschikbaar was, in juridische taal, in 1615 en in 1847, en dat wij vandaag, als afstammelingen en als moslims, de continuïteit van dat argument mogen erkennen.

De Vraag Naar De Qibla

Er is één scène waarvan wij niet mogen wegkijken, al was het maar omdat zij de rest van dit hoofdstuk emotioneel inzet.

In de Surinaamse plantage-archieven, grotendeels bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag, met delen in het Surinaams Nationaal Archief in Paramaribo, zijn diverse negentiende-eeuwse vermeldingen van tot slaaf gemaakten die om de richting van het Oosten vroegen, die zich in bepaalde maanden onthielden van voedsel tussen zonsopgang en zonsondergang, die weigerden varkensvlees te eten, en die vijf keer per dag hun hoofd op een bepaalde wijze bogen.

Gert Oostindie documenteerde in Dutch Atlantic Connections, 1680-1800 (2012, co-redactie met Jessica Roitman) en in eerdere publicaties verschillende dergelijke voorvallen. Eén vermelding, uit een plantage in het Commewijne-district omstreeks 1770, beschrijft hoe een groep recent aangevoerde Fulbe-mannen de bomba (zwarte opzichter) vroeg waar Mekka lag, en toen de bomba het niet wist, lachte de meester erom en liet hen geselen voor Mohammedaansche praktijken, waarna een van hen, volgens het verslag een oude man die naar zijn eigen opgave in Futa Toro imam was geweest, binnen het jaar stierf. Zijn naam is niet genoteerd.

Vermenigvuldig dit met drie eeuwen, met de Nederlandse Caribische archieven die wij nog niet allemaal hebben gelezen, en met de Franse, Britse, Portugese en Spaanse die er nog bij komen: ergens tussen die archieven loopt een onzichtbaar gebedsspoor door de Atlantische wereld. De meeste stemmen zijn verloren, sommige zijn bewaard, en een handvol heeft namen achtergelaten.

Kaart laden...

Wat De Oceaan Niet Kon

Wij hebben vier eeuwen aangeraakt, twaalfeneenhalf miljoen cijfers, twee miljoen doden, de WIC en haar schepen, Curaçao en Paramaribo, Fulani, Mandinka, Hausa en Wolof, en de intra-Islamitische anti-slavernij-traditie van Ahmad Baba ﵀ tot Ahmed Bey. Wat wij hier niet doen, is dit hoofdstuk sluiten met een ondanks alles-zin die de pijn verzoent.

De pijn is niet verzoend, want generaties zijn afgebroken, namen zijn verloren, en talen als Fulfulde, Hausa, Mandinka, Wolof en Kanuri zijn op Caribische plantages binnen één of twee generaties gestorven. De meerderheid van de moslims in de Middle Passage heeft geen geschreven spoor achtergelaten; zij bleven hun gebed doen in stilte, hun basmala fluisteren tegen hun pasgeborenen en hun herinnering aan Mekka als een oriëntatie in de geest behouden, om dan te zwijgen, onbekend, in plantage-graven zonder qibla.

Maar van sommigen weten wij meer. Omar ibn Said ﵀ schreef in het Arabisch op een veld in North Carolina, terwijl Bilali Muhammad ﵀ zijn Risala-fragmenten uit het geheugen dicteerde op Sapelo Island. Ayuba Suleiman Diallo ﵀ schreef een brief in een gevangenis in Maryland, en die brief kocht hem vrij; Salih Bilali ﵀ tekende zijn naam in Arabisch schrift op plantage-documenten, en Yarrow Mamout ﵀ hield halal in Georgetown, Washington DC. De Malê-gevangenen van Bahia kwamen in 1835 in opstand met Arabische amuletten in hun kleren genaaid, en de Jamaicaanse Obeah-leiders van 1760 droegen, volgens sommige lezingen, een moslim-geheim.

Wij weten dus niet alles, maar wij weten meer dan alleen de leegte. Laten wij beginnen met degenen die al-Fatiha nog kenden toen het schip de haven verliet: wij weten hun namen, en laten wij die noemen.

Bronnen

  • Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, Miʿraj al-suʿud ila nayl hukm mujallab al-sud (1024/1615), de Maliki-fatwa waarin ongeloof de enige rechtsgrond voor slavernij is en de volkeren van Bornu, Kano, Katsina, Songhay en Mali als moslims niet tot slaaf gemaakt mogen worden, zoals aangehaald in Diouf, pp. 32–33, en besproken in Gomez, pp. 51, 304–305.
  • David Eltis en David Richardson, Trans-Atlantic Slave Trade Database (Voyages), de schatting van 12,5 miljoen ingescheepte Afrikanen op basis van bijna vijfendertigduizend gedocumenteerde reizen, zoals aangehaald in Diouf, p. 69.
  • Paul E. Lovejoy, Transformations in Slavery: A History of Slavery in Africa (Cambridge University Press, 1e druk 1983; het artikel volgt de derde editie), over de demografische gevolgen van de Atlantische handel voor West-Afrika.
  • Alex van Stipriaan, Surinaams contrast (1993), over de aanvoer naar Suriname en de plantagesterfte.
  • Gert Oostindie en Jessica V. Roitman (red.), Dutch Atlantic Connections, 1680–1800, over de Nederlandse Atlantische wereld.
  • Michael A. Gomez, Black Crescent: The Experience and Legacy of African Muslims in the Americas (Cambridge University Press, 2005), naast Lovejoy genoemd voor de schattingen van het aandeel moslims.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 27–28, 30–33, 46, 54–55, 67–70, 87, 114, 182–183, 186, 192.
    • pp. 69–70: de 12,5 miljoen gedeporteerde Afrikanen van de Trans-Atlantic Slave Trade Database; Diouf die bewust geen percentage moslims geeft en van honderdduizenden moslims in de Amerika’s spreekt; 755.513 Senegambiërs en 1.999.060 mensen uit de Bocht van Benin; bijna 24 procent van de in de Verenigde Staten aangevoerde Afrikanen uit Senegambia.
    • pp. 67–68: de Middle Passage: de gevangenen die op elk schip naakt het ruim in werden gedreven, maandenlang opgesloten, met gebrek aan voedsel en water en dagelijkse doden; Omar ibn Said ﵀ die in Charleston aan land kwam.
    • pp. 46, 54–55: Futa Jallon en Futa Toro die door oorlogen gevangenen leverden; de Hausa die door hun zuiderburen, de Oyo, na invallen in het noorden werden verkocht; Bahia dat tussen 1800 en 1830 jaarlijks ongeveer achtduizend Afrikanen opnam, merendeels Hausa en Yoruba.
    • pp. 27–28, 30: slavernij in de islamitische wet alleen voor slavenkinderen en ongelovige krijgsgevangenen; de vrijgeboren moslim die nooit slaaf kon worden en de regel dat moslims hun geloofsgenoten niet verkopen; de vrijlating die de Koran aanbeveelt en het hogere vrijlatingscijfer in de islamitische wereld.
    • pp. 31–33: de kinderen van bijvrouwen die vrij werden geboren en de moeder die niet verkocht mocht worden en na de dood van de eigenaar vrijkwam; in de Nieuwe Wereld de kinderen die de status van hun moeder erfden en de koppeling van huidskleur aan slavernij; slavernij in de moslimwereld die nooit een louter zwarte zaak was; Ahmad Baba ﵀ over ongeloof als enige rechtsgrond en over de vloek van Cham.
    • pp. 87, 114, 182–183, 186, 192: Yarrow Mamout ﵀ die in het openbaar bad; Salih Bilali ﵀ als driver op Saint Simons Island in de plantagepapieren; het handschrift van Bilali ﵀, herkend als fragmenten uit de Risala van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀; de Arabische amuletten die de politie van Bahia na de opstand van 1835 vond; de Arabische brief van Ayuba Suleiman Diallo ﵀ aan zijn vader.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 47, 51, 304–305.
    • pp. 47, 51: gevangenen uit Europa en Azië die tot in de achttiende eeuw talrijker waren dan Afrikanen bezuiden de Sahara, met Slaven en Kaukasiërs als voornaamste slavengroepen in het Ottomaanse Rijk; de Miʿraj al-suʿud die ongeloof als enige voorwaarde voor slavernij stelt.
    • pp. 304–305: de Miʿraj al-suʿud, geschreven in 1024/1615 als antwoord op vragen van al-Jirari uit Touat, na de ballingschap in Marokko van 1593 tot 1608; de volkeren van Kano, Katsina, Bornu en Songhay die uit vrije wil moslim werden en niet tot slaaf gemaakt mogen worden.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. lxi, lxiii.
    • pp. lxi, lxiii: de arrestatie van Ahmad Baba ﵀ in 1593 en de inbeslagname van zijn bibliotheek van 1.600 banden; de Miʿraj al-suʿud geschreven in 1615; zijn terugkeer naar Timbuktu in 1608 en zijn overlijden in 1627.
  • Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. 102–103, 126.
    • pp. 102–103, 126: het essay van Michael A. Gomez: de Bocht van Benin met een aanzienlijk aandeel moslims, bevestigd door de Hausa in Bahia; vrijwel geen moslims uit Angola en weinig uit de Bocht van Biafra; ruim de helft van de naar Noord-Amerika gevoerde Afrikanen uit streken waar de islam minstens een minderheidsgodsdienst was; moslims in de duizenden, zo niet tienduizenden; de schatting van tien tot vijftien procent van Allan Austin, die Gomez niet onderbouwd noemt.
  • Allan D. Austin, African Muslims in Antebellum America: Transatlantic Stories and Spiritual Struggles, Routledge, New York/Londen 1997, p. 22: Austins eigen schatting van vijf tot tien procent moslims onder de gevangenen uit de havens tussen Senegal en de Bocht van Benin, ongeveer veertigduizend moslims in de Verenigde Staten vóór 1860.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, p. 75: de umm walad in de Maliki-wet, met recht op vrijlating bij de dood van haar meester en onverkoopbaar tijdens zijn leven.