InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Arabische Slavenhandel: Misverstanden en Waarheden
Islam in West-AfrikaDe Atlantische Onderbreking

De Arabische Slavenhandel: Misverstanden en Waarheden

De Oosterse Slavenhandel: Misverstanden en Waarheden

Lang voordat het eerste Europese schip een Afrikaanse gevangene over de Atlantische Oceaan voerde, liepen er al karavanen met slaven door de Sahara en voeren er dhows met slaven over de Indische Oceaan. Die oudere handel, vaak de Arabische of de oosterse slavenhandel genoemd, vraagt om eerlijkheid in twee richtingen tegelijk, want zowel de apologie als de aanklacht hebben de waarheid vertekend.

Een Oudere en een Langere Handel

De handel die wij in dit hoofdstuk behandelen, is niet de Atlantische maar de oostelijke, en hij liep langs drie aders. De eerste was de trans-Saharaanse route, waarover sinds de vroege middeleeuwen mensen uit West- en Centraal-Afrika naar Noord-Afrika werden gevoerd. De tweede was de Rode Zee, die de Hoorn van Afrika met Arabië verbond. De derde was de Indische Oceaan, waarover de Swahili-kust, Zanzibar en het binnenland van Oost-Afrika gevangenen leverden aan Arabië, Perzië en India.

Het eerste wat opvalt is de duur. Waar de Atlantische handel zich concentreerde in ongeveer vier eeuwen, strekte de oostelijke handel zich uit over meer dan dertien; hij begon vóór de islam, ging door tot diep in de twintigste eeuw, en raakte daarmee een veel langere periode van de menselijke geschiedenis. De schattingen van het totale aantal lopen sterk uiteen, en geen enkele is precies, maar de orde van grootte ligt in de miljoenen, mogelijk in dezelfde orde als de Atlantische handel, alleen uitgesmeerd over een veel langere tijd. Wie met een exact getal schermt, of dat nu om te beschuldigen of om te verkleinen is, gaat zijn bronnen te buiten.

De Misverstanden

Rond deze handel zijn vier hardnekkige misverstanden gegroeid, en zij verdienen alle vier een rechtstreeks antwoord.

Het eerste is dat de islam de slavernij zou hebben uitgevonden, of dat de moslims als enige of als ergste slavenhandelaren optraden. Dat is onjuist. Slavernij is een van de oudste instituten van de mensheid, bekend bij de Romeinen, de Byzantijnen, de Perzen, de Chinezen en bij talloze Afrikaanse en Europese samenlevingen lang vóór de zevende eeuw. De islam erfde een bestaand instituut, hij schiep het niet, en de voorstelling van de Arabier als de oerslavenhandelaar zegt meer over latere polemiek dan over de geschiedenis.

Het tweede misverstand is het spiegelbeeld van het eerste: dat de islam de slavernij zou hebben afgeschaft. Ook dat is onjuist. De islam reguleerde de slavernij, bond haar aan regels, en maakte het vrijlaten van een slaaf tot een van de hoogste daden van vroomheid, maar hij verbood het instituut niet. De afschaffing kwam pas meer dan een millennium later, en zij kwam traag, aarzelend en vaak onder externe druk.

Het derde misverstand is dat de oostelijke slavernij mild en huiselijk was, en daarom geen echte slavernij. Dat is een vertroostende leugen, want de handel in eunuchen, waarover hieronder meer, kostte ontelbare levens, en de plantageslavernij van de Zanj in Zuid-Irak was even meedogenloos als enige plantage in de Nieuwe Wereld.

Het vierde misverstand is dat ras geen enkele rol speelde, en hier ligt de waarheid in het midden. De islamitische wet baseerde de slavernij niet op huidskleur, want gevangenen konden Slaven, Turken, Europeanen of Afrikanen zijn, maar in bepaalde periodes en teksten klinken wel degelijk anti-zwarte vooroordelen door, en in de latere eeuwen werden sub-Saharaanse Afrikanen een steeds groter deel van de handel.

De Waarheden die Pijn Doen

Een eerlijke behandeling mag de zwaarste feiten niet wegmoffelen, en twee daarvan staan vast.

Het eerste is de handel in eunuchen. Aan de hoven en in de huishoudens van de islamitische wereld was er vraag naar gecastreerde mannen, en die vraag werd gevoed door een handel waarin jongens werden ontmand voordat zij hun bestemming bereikten. Omdat de verminking zelf in strijd was met de wet, gebeurde de castratie vaak buiten de moslimsteden, en de sterfte was afgrijselijk hoog, met schattingen dat slechts een minderheid de ingreep en de reis overleefde. Achter elke eunuch aan een hof stonden meerdere jongens die het niet hadden gehaald.

Het tweede is de Zanj. In de negende eeuw werden grote aantallen Oost-Afrikaanse slaven, de Zanj, ingezet om de zoutmoerassen van Zuid-Irak rond Basra te ontginnen, in omstandigheden die dicht bij de latere plantageslavernij van de Cariben kwamen. Hun opstand tussen 869 en 883, een van de grootste slavenrevolten van de geschiedenis, hield het Abbasidische kalifaat veertien jaar lang in een wurggreep en kostte een onmetelijk aantal levens. Wie de oostelijke slavernij huiselijk noemt, heeft de Zanj nooit ontmoet.

De Waarheden die Nuance Geven

Maar dezelfde eerlijkheid die de wreedheid benoemt, moet ook de structurele verschillen benoemen, want zonder hen begrijpen wij het beeld verkeerd.

De oostelijke slavernij was overwegend huishoudelijk, militair en seksueel van aard, en veel minder dan de Atlantische een zaak van massale plantage-arbeid. Een grote groep slaven bestond uit concubines, en de wet bond daar gevolgen aan die in de Nieuwe Wereld ondenkbaar waren, want een slavin die een kind baarde bij haar meester werd umm walad, kon niet meer worden verkocht, en werd bij zijn dood vrij, terwijl haar kind als vrij en wettig werd geboren. Daarmee ontbrak het mechanisme dat de Atlantische slavernij haar gruwelijke duurzaamheid gaf, namelijk een gesloten, erfelijke kaste die generatie na generatie aan de slavernij gebonden bleef.

Een tweede groep slaven bestond uit soldaten en bestuurders, en hun lot kon spectaculair anders uitpakken. De Mamluken, zelf als slaven aangekocht en getraind, werden de heersers van Egypte en Syrië gedurende meer dan twee en een halve eeuw, en de Janitsaren werden de kern van het Ottomaanse leger. Geëmancipeerde slaven en hun kinderen konden opklimmen tot generaal, geleerde of vorst, en zij verdwenen veelal op in de vrije samenleving. Het vrijlaten van een slaaf gold bovendien als boetedoening voor bepaalde overtredingen en als een vrome daad op zichzelf, en het recht op zelfvrijkoping was vastgelegd. De wet duwde, zij het traag en onvolkomen, in de richting van de vrijheid.

Vorsten Tegen de Handel: Pogingen, Onmacht en Onverschilligheid

Het is verleidelijk om te vragen waarom de vorsten van de islamitische wereld de slavernij niet eerder beëindigden, maar de vraag zelf is deels anachronistisch. Eeuwenlang dacht vrijwel niemand, oost noch west, aan afschaffing, want de slavernij gold overal als een vanzelfsprekend en wettig instituut. Wie in die eeuwen iets deed, deed dat door persoonlijke vrijlating en niet door beleid, en het bevrijden van een slaaf bleef een individuele vrome daad in plaats van een staatszaak.

De echte pogingen kwamen pas in de negentiende eeuw, en zij kwamen ongelijk verdeeld. De Ottomaanse sultans namen, deels onder Britse druk en deels uit eigen hervormingsdrang, een reeks maatregelen. De grote slavenmarkt van Istanbul werd in 1846 gesloten, en in 1857 vaardigde de sultan een verbod uit op de handel in Afrikaanse slaven door het hele rijk. In Zanzibar sloot sultan Barghash in 1873 de beroemde slavenmarkt, onder zware druk van een Britse vloot die zijn kust kon blokkeren.

Maar de macht van een vorst had grenzen, en die grenzen zijn leerzaam. Toen Istanbul in 1857 de handel verbood, brak in de Hijaz verzet uit, waar plaatselijke geleerden het verbod uitlegden als een aanval op een door de sharia toegestane praktijk, zodat de Ottomanen gedwongen werden de heilige steden van het verbod uit te zonderen. Een decreet uit de hoofdstad bereikte niet vanzelf de karavaan in de woestijn of de dhow op de Indische Oceaan, want de centrale gezagsdragers regeerden vaak slechts in naam over de uithoeken waar de handel werkelijk plaatsvond, terwijl lokale gouverneurs, kooplieden en stamhoofden hem in stand hielden.

En soms was het simpelweg geen prioriteit. Een heerser die oorlog voerde, schulden torste of een opstand moest bedwingen, had weinig reden om een winstgevend en wettig stelsel te ontmantelen waarvan machtige handelaren en hovelingen afhankelijk waren. Sommige vorsten probeerden iets, anderen keken weg, en de meesten deden ergens daartussenin net genoeg om de buitenlandse druk te verlichten zonder de binnenlandse belangen te schaden. Zo bleef de handel, in steeds kleinere vorm, voortbestaan tot in de twintigste eeuw, en in enkele streken eindigde hij pas binnen de herinnering van nog levende mensen.

Waarom Eerlijkheid Hier Telt

Het onderwerp van de oostelijke slavenhandel wordt zelden eerlijk besproken, omdat het door twee partijen wordt misbruikt. De ene partij gebruikt het als wapen, om met de Arabische of islamitische slavernij de Europese schuld aan de Atlantische handel te verkleinen of weg te poetsen. De andere partij ontkent of vergoelijkt het, uit een begrijpelijke maar onhoudbare wens om de geschiedenis van de eigen geloofsgemeenschap schoon te houden. Beide vertekenen.

De volwassen positie erkent drie dingen tegelijk. Slavernij was een vrijwel universeel instituut van de voormoderne wereld, niet de uitvinding van één volk of één geloof. De islamitische wereld beoefende haar op grote schaal en zeer lang, met echte wreedheid, vooral voor de eunuchen en de Zanj. En tegelijk verschilde zij structureel van de geracialiseerde, erfelijke plantageslavernij die de Atlantische handel zo uniek verwoestend maakte, terwijl de ethische stuwing van de islam naar vrijlating ongemakkelijk naast eeuwen van praktijk bleef bestaan.

Met dat besef keren wij terug naar de Atlantische handel die het hart van dit deel vormt, want juist tegen de achtergrond van deze oudere handel wordt zichtbaar wat de Atlantische slavernij zo bijzonder maakte, namelijk haar industriële schaal, haar onverbiddelijke koppeling aan huidskleur, en haar erfelijke, levenslange, generatie na generatie doorlopende karakter.

Bronnen

  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 27, 30–33.
    • pp. 27, 30: de islam die de slavernij overnam en haar veroordeelde noch verbood, met slavernij alleen voor slavenkinderen en ongelovige krijgsgevangenen; de vrijlating die de Koran als vroomheid, liefdadigheid of boetedoening aanbeveelt, de wegen van losgeld, zelfvrijkoop, ruil en vrijlating, en het vrijlatingscijfer dat in de islamitische wereld hoger lag dan waar ook.
    • pp. 31–33: de umm walad: haar kinderen vrij geboren, zijzelf onverkoopbaar en vrij na de dood van de eigenaar; de islam die slavernij nooit aan een kleur bond, het debat vanaf het einde van de zevende eeuw tussen schrijvers met anti-zwarte vooroordelen en hun tegenstanders, en Europeanen die eeuwenlang door moslims werden gekocht; de vrijgelatene die volwaardig lid van de samenleving kon worden, tot vorsten die zonen van slavinnen of zelf voormalige slaven waren.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 3, 43, 47–48, 50, 52.
    • pp. 3, 43: de voormalige slaven, de Mamluken, die in de dertiende eeuw Egypte van de Ayyubiden overnamen; de trans-Saharaanse slavenhandel die al in de negende eeuw vaststaat, Kanem dat zich in zwarte eunuchen specialiseerde en de vorst van Bornu die de Mamluken vroeg de Egyptische en Syrische slavenhandelaren in toom te houden.
    • pp. 47–48, 50, 52: gevangenen uit Europa en Azië die tot in de achttiende eeuw talrijker waren dan Afrikanen bezuiden de Sahara, met Slaven en Kaukasiërs als voornaamste slavengroepen in het Ottomaanse Rijk, terwijl de trans-Saharaanse handel de Sudan steeds meer met slavernij verbond; de vloek van Cham die vanaf de negende eeuw in moslimteksten rondging; Ibn Khaldun ﵀ die de zwarte huid uit die vloek losmaakte; Ahmad Baba ﵀ voor wie er geen verschil tussen rassen is en alleen ongeloof telt.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), p. xlvii: de eunuchenruiterij in het leger van de askiya’s en het paleis in Gao met vrouwen, bijvrouwen, slaven en eunuchen volgens Leo Africanus ﵀.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 75, 97.
    • pp. 75, 97: de umm walad in de Maliki-wet, met recht op vrijlating bij de dood van haar meester en onverkoopbaar tijdens zijn leven; het Abbasidische kalifaat dat na 1258 in Caïro onder voogdij van de Mamlukse emirs werd voortgezet.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, p. 92: castratie als in de islam onwettig en in Sokoto niet toegepast, maar buiten het kalifaat voortgezet, met de fatwa van Abdullahi dan Fodio ﵀ uit 1829 tegen castratie.