InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Moslims Onder De Tot Slaaf Gemaakten
Islam in West-AfrikaDe Atlantische Onderbreking

De Moslims Onder De Tot Slaaf Gemaakten

De Moslims Onder De Tot Slaaf Gemaakten

Niemand heeft hen geteld, en niemand kan dat nog, maar tussen de tien miljoen Afrikanen die de Atlantische zee overleefden liepen honderdduizenden moslims. De meesten van hen verdwenen zonder spoor, maar van drie mannen, Omar ibn Said ﵀, Bilali Muhammad ﵀ en Ayuba Suleiman Diallo ﵀, bezitten wij documenten in hun eigen hand, in het Arabisch, geschreven op Amerikaanse bodem. Het zijn hun namen die wij hier willen noemen.

De Qur’an In Het Scheepsruim

Onder de Afrikanen die in een WIC-scheepsruim, of in een Britse slaver, of in een Franse négrier werden geladen, waren er velen die de Qur’an kenden, in de ruimen die uit Senegambia vertrokken tientallen tegelijk, al was dat niet bij allen van buiten en niet bij allen geleerd. Toch had ieder van hen, op enig moment voordat hij geketend aan boord kwam, al-Fatiha opgezegd en bismillah gezegd voor hij at, had zijn hoofd gewassen voor gebed en had gehoord dat er Eén was, alleen Eén, en dat Mohammed ﷺ Zijn gezant was.

Sylviane Diouf geeft in Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas bewust geen percentage en spreekt van honderdduizenden moslims in de Amerika’s; Michael Gomez telt hen alleen al voor Noord-Amerika in de duizenden, zo niet tienduizenden, en wijst erop dat ruim de helft van de daar aangevoerde Afrikanen uit streken kwam waar de islam ten minste een minderheidsgodsdienst was; de schatting van tien tot vijftien procent van Allan Austin wordt het vaakst aangehaald, maar is, zoals Gomez opmerkt, niet onderbouwd.

Wie naar de regio’s kijkt, ziet die scheefheid meteen. Een schip uit Albreda of Bance Island aan de Gambia-monding voerde in 1780 met grote waarschijnlijkheid veertig of meer Fulbe- en Mandinka-moslims per lading, soms tâlibs, soms malams, maar vaak gewone dorpelingen met een elementaire Islamitische opleiding, kinderen van een wereld die al negen eeuwen Islamitisch was. Een schip uit Ouidah aan de Slavenkust voerde in dezelfde periode een gemengde lading, met Yoruba en Ewe van traditioneel geloof, maar ook met Hausa-moslims die door Oyo-cavaleristen waren gevangen bij invallen in het noorden; die Hausa-component was vaak geletterd en kon Arabisch lezen en schrijven, en het is dan ook geen toeval dat de meest georganiseerde slavenopstand van Brazilië, de Malê-opstand in Bahia in 1835, door juist deze groep werd geleid. Een schip uit Cabinda of Luanda in Centraal-Afrika voerde daarentegen nagenoeg geen moslims, want die regio’s waren christelijk of traditioneel.

Wanneer men deze aantallen tegen de miljoenen afzet, wordt de omvang zichtbaar, en dan blijkt het geen voetnoot te zijn maar een hele dwarsstroom van de Atlantische slavernij die een Islamitisch karakter droeg, en die op Amerikaanse bodem binnen één of twee generaties door het systeem werd vermoord, al gebeurde dat niet zonder sporen. Die sporen dragen namen, en drie ervan volgen hieronder.

Omar ibn Said ﵀: Uit Futa Toro Weggevoerd, In Fayetteville Gevangen

Hij werd omstreeks 1770 geboren in Futa Toro, aan de Senegal-rivier in het huidige Senegal, een Fulani-hervormingsstaat die in 1776 door Sulayman Bal en Abdul Kader Kan was gesticht: een kleine theocratie van almamy’s, Fulbe-geleerden, Maliki-fiqh en Qadiriyya-tariqa, een wereld waarin hooggeleerde Islam en dagelijks herdersleven in één ritme samenvielen.

Hij studeerde vijfentwintig jaar lang, een studieperiode die een Nederlandse universitaire carrière in lengte overtreft, en hij noemde later in zijn eigen manuscript de namen van zijn leermeesters. Hij leerde Arabisch als tweede taal na Fulfulde, memoriseerde de Qur’an en studeerde tafsir, Maliki-fiqh, tawhid en sirah, zodat hij tegen zijn vijfendertigste een gevormd geleerde was.

Omstreeks 1807, op zevenendertigjarige leeftijd, viel een oorlog over zijn gebied heen. De details zijn in zijn eigen verslag karig, want hij wilde niet over de schaamte uitweiden, of de schaamte bestond erin dat hij werd weggevoerd door dezelfde staat die in 1776 was gesticht, terwijl de interne Fulani-conflicten in deze periode scherp waren. Hij werd meegevoerd, op een schip gezet en zes weken over zee vervoerd, en hij zette voet aan wal in Charleston, South Carolina, de grootste importhaven voor tot slaaf gemaakten in de Verenigde Staten, die hij in zijn manuscript eenvoudig beschrijft als een groot huis in het Christen-land.

Hij werd gekocht door een man die hij Johnson noemt en die hem mishandelde, waarna hij vluchtte en tweehonderd kilometer noordwaarts liep. Bij dat gegeven mogen wij stilstaan, want een man van bijna veertig die nooit in een bosrijk landschap had geleefd, die nooit over de Appalachen had gehoord en die niets van het klimaat of de wegenstructuur van North Carolina kende, liep in zijn eentje tweehonderd kilometer over onbekende grond, tot hij in Fayetteville, North Carolina werd gepakt en in een gevangeniskerker geworpen.

En daar begint het verhaal dat wij hier komen vertellen.

In die cel begon hij met houtskool op de muren te schrijven, in het Arabisch, zonder dat zijn bewakers het begrepen, want zij dachten aanvankelijk dat het magische tekens waren, duivelse inscripties, en zelfs een lokale geestelijke die kwam kijken begreep niet meer dan zij dat dit een taal was en geen magie. Zo verspreidde het nieuws zich dat dit geen gewone gevluchte slaaf was, maar een man met letters.

Hij werd gekocht door James Owen, een planter in Bladen County, North Carolina, wiens broer John later gouverneur van de staat zou worden, en daar bracht Omar ibn Said ﵀ de rest van zijn leven door, zevenenvijftig jaar, tot aan zijn dood in 1864, één jaar vóór het Dertiende Amendement. Hij zag de Emancipation niet, maar hij schreef.

In 1831, op ongeveer eenenzestigjarige leeftijd, schreef hij zijn autobiografie, vijftien bladzijden Arabisch met een kalligrafie die zijn Futa Toro-scholing toont, en het is het enige bewaard gebleven Arabische slavennarratief uit de antebellum Verenigde Staten. Het bestaat en het ligt vandaag in de Library of Congress in Washington DC, gedigitaliseerd en leesbaar.

De tekst begint niet met zijn naam en niet met zijn geboortedatum, maar met soerat al-Mulk, Het Koninkrijk, hoofdstuk 67 van de Qur’an, dat moslims van oudsher op de doden lezen en dat in de Nubische en West-Afrikaanse traditie wordt gereciteerd over wie zijn weg heeft verloren.

تَبَارَكَ ٱلَّذِى بِيَدِهِ ٱلْمُلْكُ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ

Gezegend is Hij in Wiens hand het Koninkrijk is, en Hij is over alles bekwaam.

Soera Al-Mulk: 1

Dat is de opening, geen christelijke bekering en geen aanspraak op zijn meester, maar een Qur’an-recitatie over zijn eigen begraven leven, over zijn eigen verloren koninkrijk.

Ala Alryyes heeft in de uitgave A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said (2011, Yale University Press), de gezaghebbende Engelse vertaling met Arabische reproductie, en na hem Diouf en Ghada Osman, laten zien dat de tekst op twee niveaus werkt, want aan de buitenkant schrijft hij over Jezus, over christelijk gebed en over zijn bekering, terwijl hij aan de binnenkant soera na soera citeert, Al-Fatiha, Al-Nasr en Al-Mulk, en zijn vijfentwintig jaar studie in Futa Toro met een trots vermeldt die geen echte bekeerling over zijn heidense verleden zou tonen. De interpretatie die nu wetenschappelijke consensus is, luidt dat Omar een takiyya-strategie voerde, naar buiten conformiteit en naar binnen continuïteit.

Hij schreef tijdens zijn slavernij in totaal zo’n veertien Arabische manuscripten, waarvan sommige gedeeltelijke Qur’an-afschriften zijn en andere korte persoonlijke teksten, en één keer schreef hij voor een bezoeker het christelijke Onze Vader op in het Arabisch, al merken paleografen op dat de kadans die van een qasida is. Zijn geloof was zijn geheime land.

Ronald Judy plaatst Omar in (Dis)Forming the American Canon: African-Arabic Slave Narratives and the Vernacular (1993) in de Amerikaanse literaire canon als de eerste Arabisch schrijvende slaaf-auteur, en dit is geen postume opwaardering, want Omar was zijn leven lang een man met letters die zijn meesters niet konden lezen, wat in de context van het diepe Zuiden van 1830 een vorm van innerlijke soevereiniteit is die weinig weerga heeft.

Hij stierf in 1864, zijn graf staat in Bladen County en zijn manuscript ligt in Washington, en zijn naam noemen wij hier.

Omar ibn Said ﵀.

Bilali Muhammad ﵀: Uit Futa Jallon Weggevoerd, Op Sapelo Gebleven

De tweede naam komt uit Futa Jallon, het bergachtige Fulani-sultanaat in het huidige Guinee, dat net als Futa Toro een hervormingsstaat was, in 1725 gesticht door Karamoko Alfa en Ibrahim Musa, een generatie vóór Sulayman Bal en twee generaties vóór Usman dan Fodio ﵀, en dat een intellectueel centrum was waar fiqh-onderwijs op volwassen niveau werd gegeven.

Bilali Muhammad ﵀ werd omstreeks 1770 in Futa Jallon geboren en werd als jong volwassene, waarschijnlijk rond 1800, gevangen genomen. Hij werd eerst verscheept naar de Bahamas, meest waarschijnlijk Middle Caicos, waar hij op een Britse koloniale plantage enige jaren werkte en zijn Engels leerde, en omstreeks 1802-1803 kocht de Amerikaanse planter Thomas Spalding hem aan en bracht hem naar Sapelo Island, een van de Zee-eilanden voor de kust van Georgia.

Spalding was geen gewone planter, maar een intellectueel, een experimenteel landbouwer en, ongewoon voor zijn tijd, een man die pragmatisch vertrouwen in Afrikaanse bekwaamheid kon opbrengen, zodat hij Bilali ﵀ binnen een paar jaar aanstelde als driver, de positie van tot slaaf gemaakte opzichter. Binnen tien jaar was Bilali ﵀ in de praktijk de estate-manager van de hele plantage, waar hij de arbeid van ongeveer vierhonderd tot slaaf gemaakten over rijst- en zee-eilandkatoenvelden coördineerde en met buitenstaande kooplieden onderhandelde.

In 1815, tijdens de Britse invasie van de zee-eilandkust, toen de War of 1812 nog tot dat jaar doorliep, vertrouwde Spalding hem tachtig musketten toe om de plantage te verdedigen, zodat een tot slaaf gemaakte Afrikaan met vuurwapens zijn meester tegen een andere Europese macht moest verdedigen, een episode die op zichzelf een heel apart boek rechtvaardigt. Bilali ﵀ leidde de afweer en de Britten werden afgeslagen, terwijl geen enkel van de tachtig musketten tegen de blanke bewoners van het eiland werd gekeerd.

Wat Bilali ﵀ maakte tot wie hij was, is dat hij zijn deen niet had verloren, want op Sapelo, en dat is de reden dat zijn verhaal er voor ons toe doet, organiseerde hij een kleine Islamitische gemeenschap waarin tot slaaf gemaakten uit Futa Jallon, en later ook anderen die hij uit nieuwe ladingen rekruteerde, de vijf salawat verrichtten en Ramadan vastten. Negentiende-eeuwse bezoekers aan Sapelo noteerden hoe een groep tot slaaf gemaakten in zekere maanden tussen zonsopgang en zonsondergang niet at, en hoe Spalding dit als een productiviteits-neutrale bijzonderheid accepteerde, terwijl Bilali ﵀ zijn kinderen Arabische namen gaf: Yarruh, Fatima, Medina, Bentoo, Charno, Hestor en Yaruba.

En ergens tussen 1820 en 1850, want de precieze datering is paleografisch niet te vangen, schreef hij een Arabisch manuscript van dertien pagina’s.

Het document lag tot 1931 in private handen en werd toen geschonken aan de University of Georgia Libraries in Athens, Georgia, waar het vandaag ligt onder catalogusnummer MS 2826, beschikbaar voor onderzoekers. Bezoekers dachten tot in de jaren tachtig dat het brabbeltaal was, gewichtig-uitziend nep-Arabisch, en pas laat-twintigste-eeuwse arabisten als Muhammad al-Ahari en Ronald Judy, en eerder Joseph Greenberg, identificeerden wat het werkelijk was.

Het is een onvolledig Maliki-fiqh-compendium, grotendeels bestaand uit fragmenten van de Risala van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀ (922-996, Kairouan, Tunesië), het standaard-leerboek voor beginnende Maliki-studenten waarmee tot op vandaag in elk madrasa-curriculum van Futa Jallon tot Mauritanië wordt begonnen. Het Bilali Document bevat fragmenten over wudu, over de voorwaarden van salah en over adhan en iqama, maar het is onvolledig, de passages lopen door elkaar en sommige delen zijn niet meer in de Qayrawani-traditie te plaatsen.

Hierin ligt het belang ervan, want Bilali ﵀ schreef uit het hoofd, zonder een boek om over te schrijven: er was geen Risala op Sapelo Island en er was geen andere Arabische tekst binnen duizend kilometer. Als oude man, in de jaren 1850 volgens Diouf, zat hij op een Georgisch eiland en schreef uit zijn geheugen de regels op die hij als jongen in Futa Jallon had geleerd, soms van bladzijde naar bladzijde springend en soms halve zinnen verwarrend met andere, en zo herbouwde hij de structuur van zijn geleerdheid uit de innerlijke ruimte waar niemand hem kon ontwapenen.

En na zijn dood, ergens rond 1857, werd hij volgens de overlevering met zijn gezicht naar het oosten begraven op Sapelo, naar Mekka, en zijn graf is er nog, onbemarkt volgens sommige bronnen, in een klein familiekerkhof in de buurt van Hog Hammock, de zwarte gemeenschap op het eiland waar zijn afstammelingen tot op vandaag wonen.

Cornelia Walker Bailey (1945-2017) was een directe afstammelinge, een Geechee-historica, verteller en auteur van God, Dr. Buzzard, and the Bolito Man (2000), die tot in de jaren tien van deze eeuw over de mondelinge overlevering vertelde: over de saraka-rijstballen die haar oma nog maakte, een vervorming van sadaqa, aalmoes, die als een rijstoffer aan overleden voorouders werd gegeven, over het ameen dat amen werd, over de gewoonte om voor gebed op een doek te knielen, en over de naam Bilali, de mu’adhdhin van de Profeet ﷺ, die door de familielijn heen werd doorgegeven. Zij stierf in 2017, en delen van de Geechee-gemeenschap op Sapelo, geconfronteerd met ontwikkelaars die het eiland bedreigen, vechten nog voor het behoud van deze erfgoedlijn.

Drie generaties na Bilali ﵀ herinnerden zijn kleinkinderen nog wat Ramadan was, en dat is de lijn die wij doortrekken.

Bilali Muhammad ﵀.

Ayuba Suleiman Diallo ﵀: Uit Bundu Weggevoerd, In Maryland Gevangen, Naar Londen Terug

De derde naam is de vroegste, en ook de enige die naar huis kwam.

Ayuba Suleiman Diallo ﵀ werd omstreeks 1701 geboren in Bundu (Boundou), een Fulani-moslim-sultanaat tussen de Senegal- en Gambia-rivieren in het huidige oost-Senegal, en zijn familie behoorde tot de Toronkawa-Fulbe-geleerdenkaste, terwijl zijn vader imam en qadi van een dorp was. Tegen zijn dertigste was Ayuba ﵀ zelf imam, met drie vrouwen en vier kinderen.

In februari 1731 stuurde zijn vader hem met twee bedienden en een kudde naar de Gambia-rivier om handel te drijven, en ironisch genoeg ook om twee slaven namens zijn vader bij de Engelse factorij te verkopen, wat hem meteen tot een ingewikkelde figuur maakt, want hij was geen onschuldig slachtoffer in algemene zin, maar medeplichtig aan het systeem dat hem pakte. Op de terugreis werd hij door een Mandinka-rooftocht gevangen genomen, waarbij de rovers zijn hoofd kaal scheerden als teken dat hij een vrije man was geweest, een openbare vernedering, waarna zij hem verkochten aan het Britse fort bij Joar en hij vandaar op een slavenschip een Atlantische oversteek van acht weken maakte om aan land te gaan in Annapolis, Maryland.

Hij werd gekocht door Alexander Tolsey, een planter op Kent Island in de Chesapeake Bay, en werkte daar op de tabaksvelden, een arbeid die een Fulani-imam van dertig onbekend was en waarop zijn lichaam afbrak, zodat hij vluchtte, in Kent County werd gepakt en in de provincie-gevangenis werd opgesloten.

En daar, in de scène die zijn leven redt, zag een bezoeker hem in het zand Arabische tekens schrijven, en die bezoeker kende een oud-jurist, die op zijn beurt een Oxford-arabist kende die voor de Royal African Company werkte. Ayuba ﵀ schreef een brief in het Arabisch aan zijn vader in Bundu, en die brief reisde via Annapolis over de Atlantische zee naar Londen, naar Oxford waar zij werd vertaald, en vervolgens naar het bureau van Sir Hans Sloane, directeur van de Royal African Company, tevens bekend als president van de Royal Society en als bibliothecaris-grondlegger van wat later het British Museum zou worden.

Sloane las de brief, en de RAC besloot Ayuba ﵀ vrij te kopen, een beslissing die deels door werkelijke verbazing en deels door de propagandawaarde werd gedreven. In 1733 kwam Ayuba ﵀ in Londen aan, waar hij een seizoen lang werd gelionizeerd, bij koning George II en de koninklijke familie werd geïntroduceerd en door de schilder William Hoare werd geportretteerd, en dat schilderij, met Ayuba ﵀ in Fulani-gewaad en met de Qur’an om zijn nek gehangen, bevindt zich vandaag in de Qatar Museums Authority-collectie, in 2009 aangekocht voor 554.000 pond. Hij werd geïnterviewd door Thomas Bluett, een Engelse onderwijzer die in 1734 zijn biografie publiceerde, Some Memoirs of the Life of Job, the Son of Solomon, the High Priest of Boonda in Africa.

Bluetts Some Memoirs werd de eerste Europese bestseller over West-Afrika en werd in het Frans en Duits vertaald, en samen met Francis Moore’s Travels into the Inland Parts of Africa (1738) vormde het het beeld dat het achttiende-eeuwse Europa van West-Afrika ontwikkelde.

Ayuba ﵀ bad zijn vijf gebeden in Londen, openlijk en in hoge gezelschappen, en hij weigerde varkensvlees en alcohol, een sociale moed die in het Londen van 1733 niet onderschat moet worden. Hij reciteerde de Qur’an uit het hoofd voor Oxford-geleerden en schreef meermalen de complete soerat al-Fatiha zonder fout uit, wat de Britse arabisten, die voor deze ene prestatie een jaar Arabische grammatica zouden hebben moeten bestuderen, verbluft achterliet.

In juli 1734 keerde hij terug naar Bundu, waar hij ontdekte dat zijn familie hem voor dood had gehouden, dat zijn vader was overleden en dat één van zijn vrouwen was hertrouwd, waarna hij zijn imam-functie hervatte. Hij stierf in 1773, tweeënzeventig jaar oud.

En hier komt de ongemakkelijke waarheid die het verhaal van Ayuba ﵀ scherp maakt.

Zijn geschiedenis werd tegelijk door twee kampen geïnstrumentaliseerd, want abolitionisten haalden hem vanaf het einde van de achttiende eeuw aan als bewijs dat Afrikanen, wanneer zij de kans kregen, volledig mens waren en dus niet tot slaaf gemaakt mochten worden, terwijl de Royal African Company, die zijn vrijheid had gekocht, zijn geval tegelijkertijd gebruikte om de slavenhandel in het algemeen te verdedigen met de gedachte: wij zijn humaan, kijk hoe wij uitzonderlijke Afrikanen terug naar huis brengen. Dezelfde RAC verscheepte intussen zelf tienduizenden anderen naar Jamaica, en Bluett, zijn biograaf, was zelf in de RAC-netwerken ingevlochten, zodat zijn boek de beschaving van Ayuba ﵀ in één adem noemt met het argument dat de gewone Afrikaan tot slaaf mag blijven.

Deze logica, dat de uitzondering de regel bevestigt, zien wij keer op keer in de geschiedenis van de Atlantische slavernij, want zij was de intellectuele smeerolie die de handel decennialang draaiende hield: er zijn uitzonderlijke Afrikanen, en wij herkennen hen, en juist daarom mogen wij de rest tot slaaf maken. Ayuba Suleiman Diallo ﵀ was niet de oorzaak van deze redenering, maar haar vroegste grondstof.

Toch bracht hij uit Londen iets mee wat de Engelsen niet konden zien, want hij was bevestigd in zijn geleerdheid, zijn Qur’an-handschrift stond op Oxford-niveau en zijn geloof had een Atlantische vertak doorstaan zonder zich te laten ombuigen. Hij keerde terug als imam en niet als Engels monument, niet als bekeerde exotische, maar als dezelfde man die in 1731 de Gambia-rivier was afgezakt, en familie-mondelinge overlevering in Bundu bewaarde zijn verhaal tot in de negentiende eeuw, toen Franse onderzoekers het daar nog registreerden.

Ayuba Suleiman Diallo ﵀.

De Geletterdheid Die Bleef

Drie namen zijn genoeg om een heel punt te maken, maar het punt wordt sterker wanneer wij hen in een breder netwerk plaatsen, want er was een West-Afrikaanse Arabische geletterdheid op Amerikaanse plantages, gedocumenteerd in dagboeken, rechtbankakten en reisverslagen, waarvan een handvol voorbeelden naast onze drie kan staan.

Salih Bilali ﵀ (c. 1765 - c. 1859) was een tot slaaf gemaakte Fulbe-moslim uit Massina in centraal Mali, die als jongen gevangen werd genomen en terechtkwam op St. Simons Island in Georgia onder eigenaar James Hamilton Couper, en die, net als Bilali Muhammad ﵀, driver werd. Hij ondertekende officiële documenten in Arabisch schrift, waaronder bills of sale die in de Couper-familiearchieven bewaard zijn, en Couper correspondeerde over hem met Theodore Dwight, die in 1844 fragmenten uit de autobiografie van Salih ﵀ publiceerde. Salih ﵀ vastte Ramadan en stierf enkele jaren voor de Emancipation.

Yarrow Mamout ﵀ (c. 1736 - 1823) was een tot slaaf gemaakte Fulbe-moslim uit West-Afrika, rond 1752 naar Maryland gebracht, rond 1796 vrijgekocht en daarna een vrij man in Georgetown, Washington DC, die zijn eigen huis kocht en zo een van de eerste zwarte huiseigenaren in de federale hoofdstad werd. Hij handhaafde zijn leven lang een halal-dieet, zonder varkensvlees en zonder alcohol, en bad zijn gebeden openlijk. Hij werd in 1819 geportretteerd door Charles Willson Peale, wiens schilderij vandaag in het Peabody Institute in Baltimore hangt, en in 1822 nog eens door James Alexander Simpson, en hij stierf in 1823 en werd in Georgetown begraven, volgens overlevering met het gezicht naar het oosten, terwijl archeologische opgravingen in 2015 op de vermeende grafplek nog bezig zijn met identificatie.

Job ben Solomon is de Engelstalige bijnaam die Bluetts publiek voor Ayuba ﵀ gebruikte, en zijn Londense lezingen over de Qur’an, informele presentaties in koffiehuizen en bij private avonden, waren de eerste publieke voorlichtingen over Islam aan een Engels publiek sinds de Engelse Reformatie, ontvangen door sommigen als exotica en door anderen met serieuze belangstelling.

En binnen de tot slaaf gemaakte gemeenschappen zelf bestonden Arabische amuletten, Qur’an-passages op papier of perkament, geheimgehouden gebedstijden en geboortenamen met Islamitische herkomst, waarvan Diouf tientallen voorbeelden in Servants of Allah catalogiseert. In Jamaica werden na de slavenopstand van 1760, de zogenaamde Tacky’s War, amuletten met Arabisch schrift gevonden, en sommige historici, onder wie Sultana Afroz, lezen deze opstand expliciet als een moslim-gecoördineerde rebellie, al is dit punt omstreden.

De Malê-Opstand: Bahia, 24 Januari 1835

Eén moment verdient aparte vermelding, omdat het toont waartoe moslim-geletterdheid op plantage-bodem in haar zeldzame collectieve vorm in staat was.

In de nacht van 24 op 25 januari 1835, een Laylat al-Qadr in Ramadan die volgens sommige lezingen bewust was gekozen, kwamen ongeveer zeshonderd tot slaaf gemaakten en vrijgelaten Afrikanen in Salvador da Bahia in Brazilië in opstand, geleid door Hausa- en Yoruba-moslims die onder de lokale naam Malês bekendstonden, waarschijnlijk afgeleid van imale, het Yoruba-woord voor moslim. Zij vielen kazernes, politieposten en plantage-huizen aan met het plan de stad over te nemen.

Zij droegen Arabische amuletten in hun kleren genaaid, gedeeltes van de Qur’an als bescherming in de Afrikaanse sufi-traditie die veel ouder is dan de slavernij, en sommigen hadden schoolschriften met Arabische teksten bij zich, terwijl de politie in de nasleep onderwijzers, malams, vond die clandestiene Qur’an-scholen hadden gehouden op plantages rondom Bahia.

De opstand werd binnen één dag met groot bloedvergieten neergeslagen, waarbij tussen de zeventig en honderd rebellen in de straten werden gedood en enkele honderden werden opgepakt, en in de daaropvolgende processen, waarin de Braziliaanse autoriteiten tientallen Qur’ans, gebedsmatten en Arabische schrijfsels vonden, werden negen executies uitgevoerd, omdat de Brazilaanse wet nog geen massa-executies toeliet. Duizenden werden teruggedeporteerd naar Afrika, een bizar gevolg, want zij werden teruggestuurd naar een continent dat zij soms decennia eerder hadden verlaten.

João José Reis laat in Slave Rebellion in Brazil: The Muslim Uprising of 1835 in Bahia (1993, Engelse vertaling 1995), het standaardwerk op deze opstand, zien dat de Malê hun opstand baseerden op een netwerk van plantage-madrasas, op een gevoel van jihad-plicht die niet tegen christenen per se was gericht maar tegen de specifieke onrechtvaardigheid van slavernij, en op een politieke visie waarin een vrij moslim-Bahia tenminste een tijdelijke haalbaarheid had.

Dit is belangrijk, niet omdat wij 1835 romantiseren, want de opstand werd verpletterend neergeslagen, maar omdat zij laat zien dat de moslim-component van de Atlantische slavenbevolking in haar collectieve vorm tot politieke organisatie in staat was, en dat deen onder de meest verstikkende druk niet alleen een innerlijk vluchtschip was, maar in zeldzame momenten ook een publieke aanspraak op de stad. De Malê werden verslagen, maar zij werden verslagen als moslims, met Qur’ans in hun hand.

De Kracht Van Ahmad Baba ﵀ In De Amerika’s

Er is één draad die wij niet willen laten glippen, want hij verbindt de getallen met de namen en West-Afrika met Bahia.

De Mi’raj al-Su’ud van Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, de Maliki-fatwa uit 1615 tegen de slavenname van moslim-Afrikanen, was geen tekst die alleen in Timbuktu bleef circuleren, want afschriften daalden via Mauritaanse en Sahelse netwerken af naar Hausaland, en van Hausaland reisden zij, in Arabische manuscriptvorm, meegedragen door gevangenen of gemigreerde ulama, naar Bahia. De Mauritaans-arabist Mohamed Diagayeté heeft in Bahiaanse archieven fragmenten geïdentificeerd die teruggaan naar de Sahelse Maliki-fiqh-traditie waarin Ahmad Baba ﵀ centraal staat, niet één-op-één, maar als juridische grondstof.

Wat dat betekent, is dat een Hausa-moslim die in 1835 in Bahia een musket opnam tegen de Portugese politie, achter zich, niet als bewust citaat maar als doorgegeven traditie, de fatwa had van een geleerde die in 1615 in Marokkaanse ballingschap had geschreven dat zijn eigen volkeren niet geslaafd mochten worden. Dit is geen louter symbolische lijn, maar een juridische erfenis die door twee eeuwen, vier continenten en een Atlantische oversteek overleefde, genoeg om een opstand van morele grond te voorzien.

Wij mogen dat erkennen zonder het uit te vergroten, want de Mi’raj al-Su’ud redde niemand uit de slavernij, maar zij gaf de tot slaaf gemaakte moslim iets wat de tot slaaf gemaakte christelijk-bekeerde vaak miste, namelijk een juridische taal waarin hij kon zeggen dat dit onrecht was volgens zijn eigen traditie en niet volgens een geleende. Die soevereiniteit is niet niks, en zij is in feite de kern van wat wij hier willen eren.

Drie Namen Tegen De Vergetelheid

Wij zijn aan het eind, en het past om precies te zijn over wat wij wel en niet kunnen bewijzen.

Wat wij wel kunnen bewijzen:

  • Tussen de tien miljoen Afrikanen die de Atlantische zee overleefden, liepen honderdduizenden moslims.
  • Van drie mannen bezitten wij documenten in hun eigen hand, in het Arabisch, op Amerikaanse bodem geschreven: Omar ibn Said ﵀, Bilali Muhammad ﵀, Ayuba Suleiman Diallo ﵀.
  • Hun kinderen en kleinkinderen bewaarden in sommige gevallen, waarvan de familie van Bilali ﵀ op Sapelo het best gedocumenteerd is, fragmenten van Islamitische praktijk over drie tot vier generaties.
  • De Malê-opstand van 1835 in Bahia toont dat moslim-organisatie op plantage-schaal mogelijk was, met madrasa-infrastructuur en een juridisch-religieus raamwerk.

Wat wij niet kunnen bewijzen:

  • Hoeveel moslims op Curaçao, op Bonaire, in Suriname hun geloof vasthielden. De Nederlandse Caribische archieven zijn er, maar zij zijn nog niet allemaal op deze vraag gelezen, en dit is werk dat nog gedaan kan worden.
  • Hoe de vraag-naar-de-qibla-scène precies is verlopen voor de meeste gevangenen. Wij hebben indirecte aanwijzingen, maar geen directe verslagen.
  • Hoeveel families vandaag in Nederland, in Paramaribo, in Willemstad hun lijn kunnen terugtrekken naar één van deze moslim-voorouders. Sommigen weten het, velen weten het niet.

Maar wij weten in ieder geval deze drie mannen, wij weten hun namen, en wij weten dat Omar ﵀ met houtskool op een Fayetteville-muur Arabisch schreef, dat Bilali ﵀ op zijn tachtigste uit zijn geheugen de Risala opschreef op Sapelo, en dat Ayuba ﵀ in een Maryland-gevangenis een brief schreef die hem vrijkocht en weer thuisbracht in Bundu.

Elke naam is een weigering om vergeten te worden, elke naam is een lijn die werd doorgetrokken door een oceaan die was ontworpen om haar te verbranden, en elke naam is een uitnodiging aan ons, aan hen van ons die hun lijn kennen en aan hen die hun lijn nog moeten vinden, om verder te doen wat deze drie mannen deden: ons geloof dragen door plekken waar het niet gelezen kan worden, en wachten op de zaal waarin het weer hardop uit mag.

Dit waren drie namen, en er waren er miljoenen, maar wij weten in ieder geval deze drie, en dat is voor nu genoeg om verder te kunnen.

Moge Allah ﷻ tevreden zijn met Omar ibn Said ﵀, met Bilali Muhammad ﵀, met Ayuba Suleiman Diallo ﵀, met Salih Bilali ﵀ en Yarrow Mamout ﵀, en met allen wiens namen de archieven niet hebben opgevangen. Hij ﷻ kent hen, en Hij ﷻ vergeet niet.

Bronnen

  • Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. xi, 3–4, 6, 26, 32, 61, 63, 77, 103, 126.
    • pp. xi, 3–4, 6, 61, 63, 77: de Life van 1831, het enige bewaarde Arabische slavennarratief uit de Verenigde Staten, drieëntwintig kwartobladen die met soerat al-Mulk openen, in Omars eigen woorden: geboren in Futa Toro (1770), vijfentwintig jaar studie bij drie sjeiks die hij bij naam noemt, in 1807 op zevenendertigjarige leeftijd weggevoerd door een groot leger, anderhalve maand op zee tot Charleston, verkocht aan de kwade Johnson, na een maand gevlucht, zestien dagen in de gevangenis en sindsdien bij Jim Owen in Bladen County, wiens broer kolonel John Owen was; overleden in 1864 bij de Owens.
    • pp. 26, 32: Alryyes over Omar ﵀ die zijn geloof behield en het Onze Vader en Psalm 23 schreef als stukken die de islam niet weerspreken; het verslag van 1854 over de muren van zijn cel, vol Arabische smeekbeden geschreven met kolen uit de as.
    • pp. 103, 126: het essay van Michael A. Gomez: moslims in Noord-Amerika in de duizenden, zo niet tienduizenden; ruim de helft van de aangevoerde Afrikanen uit streken waar de islam minstens een minderheidsgodsdienst was; de schatting van tien tot vijftien procent van Allan Austin, die Gomez niet onderbouwd noemt.
  • Thomas Bluett, Some Memoirs of the Life of Job, the Son of Solomon, the High Priest of Boonda in Africa (Londen 1734), zoals besproken in Austin, pp. 54–58, en aangehaald in Diouf, p. 192.
  • Francis Moore, Travels into the Inland Parts of Africa (Londen 1738), de voornaamste bron over Ayuba ﵀ na zijn terugkeer, zoals besproken in Austin, pp. 59–60, en aangehaald in Diouf, p. 233.
  • Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀, al-Risala, het Maliki-leerboek uit het tiende-eeuwse Kairouan waaruit het handschrift van Bilali ﵀ fragmenten bevat, zoals vastgesteld in Diouf, pp. 182–183, en Austin, p. 90.
  • Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, Miʿraj al-suʿud (1615), de fatwa waarin ongeloof de enige rechtsgrond voor slavernij is, zoals aangehaald in Diouf, p. 32.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 29, 32, 44, 47, 69–70, 87, 94, 114, 116–118, 126, 169, 181–183, 186, 192, 233, 246.
    • pp. 44, 47, 69–70: de theocratie van Futa Jallon, in 1725 door Karamoko Alfa gesticht, met Ibrahima Sori als opvolger, en Futa Toro, in 1776 gesticht door Suleyman Bal en Abdel Kader Kane; Diouf die bewust geen percentage geeft en van honderdduizenden moslims in de Amerika’s spreekt.
    • pp. 87, 94, 114, 116–118, 126, 169, 181–183: Bilali ﵀ in de boedelinventaris van 1801 op de Caicos-eilanden als driver met zijn vrouw Phoebe en vier kinderen; de zeven dochters op Sapelo, Margaret, Hester, Yarrabuh, Bintu, Medina, Charlotte en Fatima, die hun christelijke namen behielden maar als moslims werden opgevoed; Cornelia Bailey als nazaat; het vasten van Bilali ﵀ en zijn gezin, van Salih Bilali ﵀ en Diallo ﵀; Salih Bilali ﵀ als driver van Hopeton, in de papieren Tom genoemd; Yarrow Mamout ﵀ die in het openbaar bad, met Peales getuigenis van 1819; Bilali ﵀ begraven met zijn Koran; het dertien bladzijden tellende handschrift, in 1931 aan de Georgia State Library geschonken en nu in de University of Georgia, door Greenberg herkend als fragmenten uit de Risala; zijn overlijden vóór oktober 1857.
    • pp. 29, 192, 233: Ayuba Suleyman Diallo ﵀ uit Bundu, in 1731 aan de Gambia verkocht; zijn Arabische brief aan zijn vader die via Oxford bij Oglethorpe van de Royal African Company kwam en in juni 1732 zijn vrijkoop voor vijfenveertig pond bewerkte; in Londen vertaler voor Sir Hans Sloane en ontvangen door de koninklijke familie; de landing op 8 augustus 1734 bij Fort James, zijn overleden vader en zijn hertrouwde vrouw.
    • pp. 32, 186, 246: Ahmad Baba ﵀ over ongeloof als enige rechtsgrond, een opvatting die de West-Afrikaanse moslims deelden; de amuletten die de politie van Bahia na 1835 vond; de tweehonderd verdachten die in november 1835 naar Ouidah werden gedeporteerd.
  • Allan D. Austin, African Muslims in Antebellum America: Transatlantic Stories and Spiritual Struggles, Routledge, New York/Londen 1997, pp. 22, 31–32, 54–61, 86–87, 89–90, 94, 96, 106, 129, 134, 136.
    • pp. 129, 134, 136: veertien bewaarde Arabische handschriften van Omar ﵀, waaronder de enige Arabische autobiografie van een Amerikaanse slaaf; vijfentwintig jaar geleerde, rond 1807 weggevoerd en rond 1811 bij James Owen; het Onze Vader dat hij vaak in het Arabisch schreef.
    • pp. 54–61: Ayuba ﵀ door zijn vader naar de Gambia gestuurd om twee slaven te verkopen, gevangen en kaalgeschoren als krijgsgevangene, verkocht aan kapitein Pike en in Annapolis aan Tolsey van Kent Island; de tabak, de vlucht en de gevangenis; de brief aan zijn vader en Oglethorpe; de overtocht met Bluett in maart 1733; de koninklijke familie, drie uit het hoofd geschreven Korans, vertaalwerk voor Sloane en het portret; Bluett die hem boven de andere Afrikanen van de Royal African Company plaatste; de landing in de Gambia op 8 augustus 1734, Bundu in juni 1735 en zijn dood in 1773.
    • pp. 22, 31–32, 86–87, 89–90, 94, 96, 106: Coupers brief van 1838 aan William Brown Hodgson, in 1844 gepubliceerd; de tachtig musketten die Spalding aan Bilali ﵀ toevertrouwde; Spaldings vierhonderd tot duizend slaven en de namen van Bilali’s dochters; het dertien bladzijden tellende handschrift, gedeeltelijk vertaald door Ronald Judy in (Dis)Forming the American Canon (1993) en onderzocht door Muhammad al-Ahari, door Greenberg als Risala geïdentificeerd en bewaard in de University of Georgia; Salih Bilali ﵀, geboren rond 1765 in Kianah in Massina, rond 1800 uit de Bahamas gekocht, vanaf 1816 hoofddriver over ongeveer 450 mensen, die Ramadan hield en Arabisch kon lezen maar niet schrijven; Yarrow Mamout ﵀, in 1819 door Peale geschilderd, na de bouw van het huis van de Bells in Georgetown vrijgelaten, eigenaar van een eigen huis, biddend op straat en zonder varkensvlees of whisky; Austins eigen schatting van vijf tot tien procent.
  • João José Reis, Slave Rebellion in Brazil: The Muslim Uprising of 1835 in Bahia, vert. Arthur Brakel, Johns Hopkins University Press, Baltimore 1993, pp. xiii, 91, 93, 96, 106, 118–119, 127, 206, 217.
    • pp. xiii, 91, 93: de nacht van 24 januari 1835 in Salvador, met honderden deelnemers, ongeveer zeshonderd volgens Reis, bijna zeventig doden en meer dan vijfhonderd veroordeelden; de rebellen in moslimkleding en de amuletten en Koranpapieren op de lichamen van de gevallenen.
    • pp. 96, 106, 118–119, 127, 206, 217: de naam Malê uit het Yoruba imale; de Arabische lessen en het overschrijven van Koranpassages in Bahia; 25 januari 1835 als 25 Ramadan 1250 en de mogelijke viering van Laylat al-Qadr; geen klassieke jihad van het zwaard en niet tegen christenen als zodanig gericht; vier doodvonnissen, negen slaven als leiders veroordeeld en vierendertig deportaties; de vier Afrikanen die op 14 mei 1835 werden terechtgesteld.