InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Nasleep van de slag bij Badr
Siera van de Profeet ﷺDe Medina Periode

De Nasleep van de slag bij Badr

De Slag bij Badr was een keerpunt in de geschiedenis van de Islam. Met slechts 313 man tegenover bijna 1000 Quraishi strijders hadden de moslims, met de hulp van Allah ﷻ en Zijn engelen, een overweldigende overwinning behaald. Maar de nasleep van de slag bracht nieuwe uitdagingen met zich mee: wat te doen met 70 krijgsgevangenen, hoe de oorlogsbuit te verdelen, en hoe om te gaan met de politieke gevolgen van deze onverwachte overwinning. In totaal doodden zij 70 veelgodenaanbidders en namen er 70 gevangen.

Het meest merkwaardige van de overwinning was, dat het juist, de leiders en prominenten ware, die waren gesneuveld of gevangen werden genomen. Van de moslims werden 14 shaheed, 6 van de Muhajiroen en 8 van de Ansaar. De Profeet ﷺ gaf opdracht aan Abdullah ibn Rawaahah en Zaid ibn Haarithah om terug te keren naar Medina met het goede nieuws. De Profeet ﷺ zou zelf nog 3 dagen in Badr verblijven en zoals overgeleverd door Anas ibn Maalik ﵁ was dit niet specifiek voor Badr:

Waarlijk, wanneer de Profeet ﷺ een volk had overwonnen bleef hij voor 3 nachten op het slagveld.

Dit had diverse redenen:

1. Hij ﷺ wilde er zeker van zijn dat de strijd ook echt gestreden was. Door nog op het slagveld te blijven kon worden verzekerd dat er geen vluchtende vijandige vechters meer aanwezig waren en dat indien zij er waren, dat zij inderdaad op weg naar huis waren. Het was ook bedoeld om de gevangen te verzamelen.

2. Het begraven van de doden De Martelaren moesten begraven worden, dit gebeurde ter plekke op het slagveld. Ook in het geval van Badr werden geen van de Martelaren buiten Badr begraven.

3. De oorlogsbuit Het verzamelen en organiseren van de oorlogsbuit had ook tijd nodig. Er moest iemand aangewezen worden om deze taak op zich te nemen. Die persoon zorgde ervoor dat de oorlogsbuit op een correcte manier werd verdeeld onder de strijders. In het geval van Badr kreeg Abdullah ibn Ka’b Al-Ansaari ﵁ deze taak toebedeeld.

4. Rust Na het winnen van de strijd wilde de Profeet ﷺ zijn manschappen de tijd geven voor een welverdiende rust en om bij te praten over de strijd en de overwinning. Ook konden de gewonden behandeld worden.

5. Identificeren van gesneuvelde vijanden Tenslotte was er ook tijd nodig om de lichamen van de gesneuvelden te verzamelen en hen te identificeren om vervolgens van de lichamen te ontdoen. Ook kwam het weleens voor dat er alsnog gewonden werden aangetroffen.

In het geval van Badr instrueerde de Profeet ﷺ om de lichamen van de veelgodenaanbidders in één van de waterputten van Badr te gooien. De Profeet ﷺ stond over de waterput en zei:

Profeet ﷺ: O 'Utbah ibn Rabi’a, O Shaybah ibn Rabi’a, O Ummayah bin Khalaf, O Abu Jahl ibn Hishaam, O zo en zo, hebben jullie gevonden hetgeen waarvan jullie Heer jullie beloofde waarheid was, want voorzeker, ik heb gevonden hetgeen mijn Heer beloofd waarheid was.

Oemar ibn Al-Khattab ﵁: O Boodschapper van Allah, waarom spreekt u mensen aan die zijn begonnen te ontbinden?

Profeet ﷺ: Bij Degene in wiens Hand de ziel van Muhammad is, jij hoort niet duidelijker wat ik tegen hen zeg dan jij; het enige verschil is, is dat zij niet in staat zijn mij te antwoorden.

Onenigheid over de buit en de gevangenen

'Oebaada ibn Al-Saamit ﵁ zei:

We trokken uit met de Profeet ﷺ en ik deel in Badr. De twee groepen trokken ten strijden en Allah ﷻ bepaalde een nederlaag voor de vijand. Sommigen van ons zetten de achtervolging in om de vluchtende vijanden de doden. Anderen hielden zich op in de kampen van de vijand en verzamelden hun spullen. Anderen hielden de wacht bij de Profeet ﷺ om te voorkomen dat de vijand onverwachts zou kunnen toeslaan. Alle drie de groepen hielden zich bezig met hun respectievelijke taken tot de avond viel en iedereen werd verzameld. Degene die de buit hadden verzameld zeiden: ‘Wij waren degene die het verzamelden, dus niemand anders kan aanspraak maken’. Degene die de vijand achterna gingen zeiden ‘Jullie verdienen het niet meer dan wij. Wij verdreven de vijand en dwongen hen ertoe hun spullen achter te laten.’ En degene die wacht stonden bij de Profeet ﷺ zeiden, ‘Jullie verdienen de buit niet meer dan wij. Wij hielden de wachten bij de Boodschapper ﷺ van Allah in de vrees dat de vijand hem onverwachts zouden aanvallen. Wij waren daarmee bezig.’

De volgende ayah werd geopenbaard:

يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡأَنفَالِۖ قُلِ ٱلۡأَنفَالُ لِلَّهِ وَٱلرَّسُولِۖ فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَصۡلِحُواْ ذَاتَ بَيۡنِكُمۡۖ وَأَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ

Zij vragen jou (O Mohammed) over de oorlogsbuit. Zeg: “De oorlogsbuit is voor Allah en Zijn Boodschapper.” Vrees Allah dus en beslecht alle geschillen tussen jullie en gehoorzaam Allah en Zijn Boodschapper, als jullie gelovigen zijn.

Soera Al-Anfaal: 1

In een andere overlevering werd Ubaada ﵁ gevraagd over deze soera en hij ﵁ vertelde daarin dat:

Het geopenbaard werd voor ons, de mensen van Badr. We hadden een geschil over de buit en toonden daarin slechte manieren. Hierop nam Allah de buit van ons en gaf hij het aan de Boodschapper van Allah ﷺ die de buit vervolgens eerlijk onder ons verdeelden.

Op het begin van de ayaat van Soera Al-Anfaal maakt Allah ﷻ duidelijk dat de buit nu niet langer gecontroleerd werd door individuele strijders, maar dat Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ dit nu bepaalden. De gelovigen moesten zich hieraan onderwerpen en content zijn met de verdeling. Allah ﷻ openbaarde later in de soera het vers:

وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّمَا غَنِمۡتُم مِّن شَيۡءٖ فَأَنَّ لِلَّهِ خُمُسَهُۥ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِ إِن كُنتُمۡ ءَامَنتُم بِٱللَّهِ وَمَآ أَنزَلۡنَا عَلَىٰ عَبۡدِنَا يَوۡمَ ٱلۡفُرۡقَانِ يَوۡمَ ٱلۡتَقَى ٱلۡجَمۡعَانِۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ

En weet dat wat jullie ook aan oorlogsbuit hebben verkregen; waarlijk één vijfde deel ervan is voor Allah, en voor de Boodschapper, en de naaste verwanten en de wezen, en de armen die bedelen en de reiziger; als jullie in Allah geloven en in wat Wij neer hebben gezonden naar Onze dienaar op de dag van het onderscheid, de dag dat de twee legers elkaar troffen – en Allah is tot alle dingen in staat.

Soera Al-Anfaal: 41

Deze openbaring zuiverde de Metgezellen ﵁ van hebzucht, gierigheid en soortgelijke wereldse verlangen. Zij lieten enkel ruimte over voor oprechtheid jegens Allah ﷻ, Allah ﷻ gaf hen daarom niet alleen de overwinning, maar gaf hen meer dan zij initieel verlangden en hadden verwacht. 'Abdullah ibn 'Amr ﵁ zei:

De Boodschapper van Allah ﷺ vertrok op de dag van Badr vergezeld met 315 mannen van zijn Metgezellen. Toen hij ﷺ Badr bereikte zei de Profeet ﷺ: “O Allah zij hebben honger, maak hen vol. O Allah ze zijn blootsvoets, voorzie hen van rijdieren om op te rijden. O Allah, ze zijn naakt, dus kleedt hen.” Allah ﷻ schonk hen toen de overwinning op de Dag van Badr, dusdanig dat iedereen gekleed was en terugkwam met één of twee kamelen.

De Profeet ﷺ gaf een deel van de buiten ook aan degene die niet actief deelnamen aan Badr omdat de Profeet ﷺ hen een specifieke taak had gegeven. Zij werden daardoor gelijkgesteld qua verdeling van de buit met degene die actief deelnamen.

De economie van Medina herstelde volledig na de slag bij Badr. Gedurende de ongeveer 19 maanden dat de moslims in Medina woonden hadden zij het economisch zwaar. De oorlogsbuit in Medina zorgde ervoor dat zij op de korte termijn op eigen benen konden staan, maar ook om hun economische situatie voor de langere tijd door te ontwikkelen.

Oorlogsgevangenen

Ibn Abbaas ﵁ overleverde:

Boodschapper van Allah ﷺ: Wat zouden wij volgens jou met deze gevangenen moeten doen?

Abu Bakr ﵁: O Profeet van Allah, dit zijn onze neven en mede stammenleden; Thans ben ik van mening dat wij losgeld voor hen moeten vragen en als gevolg daarvan zullen wij macht krijgen over de ongelovigen. En wellicht zal Allah hen leiden tot Islam.

Boodschapper van Allah ﷺ: 'Umar, wat denk jij, o zoon van Al-Khattab?

'Umar ﵁: Nee, O Boodschapper van Allah. Ik ben het niet eens met Abu Bakr. In plaats daarvan denk ik dat je ons autoriteit over hen moet geven zodat wij hun nekken kunnen slaan. Geeft daarom de autoriteit aan 'Ali over 'Aqiel zodat hij zijn nek kan slaan. Op gelijke wijze, geef mij autoriteit over (die en die) zodat ik zijn nek kan slaan. Want voorwaar zij zijn de leiders en vooraanstaanden van ongeloof.

'Umar ﵁ zei later dat de Profeet ﷺ niet neigde naar zijn voorsteld, maar wel naar wat Abu Bakr ﵁ had gezegd. De volgende dag kwam 'Umar bij de Profeet ﷺ en Abu Bakr ﵁ en beide zaten te huilen.

'Umar ﵁: O Boodschapper van Allah, vertel me over hetgeen jullie doet huilen? Als ik in staat ben om te huilen, zal ik ook huilen. En als ik geen tranen heb, zal ik doen alsof ik huil omdat ik jullie zie huilen.

Boodschapper van Allah ﷺ: Ik huil om wat jouw metgezellen mij adviseerden inzake het vragen van losgeld. Allah ﷻ openbaarde toen: “Het past een Profeet niet dat hij krijgsgevangenen heeft, totdat hij (de vijanden) op aarde heeft onderworpen. Jullie wensen de wereldse vergankelijkheden, maar Allah wenst (voor jullie) het Hiernamaals. En Allah is Almachtig, Alwijs.”

Allah ﷻ eist in dit vers dat er geen zachtheid of tekenen van zwakheid getoond kunnen worden in een fase waarin een staat opkomend is, anders zal de vijand haar niet vrezen en snel weer willen aanvallen.

Gezien de misdaden die de leiders van Quraish hadden begaan was de Profeet ﷺ zeer koelant en genadevol inzake zijn behandelen van de gevangenen. Een aantal van hen liet hij vrij nadat zij losgeld betaalden, anderen liet hij vrij uit pure genade zonder losgeld van hen te ontvangen. Weer anderen liet hij vrij nadat zij eerst 10 moslims leerden lezen en schrijven.

Er waren ook Quraishieten waar de Profeet ﷺ op hardhandige manier mee moest afrekenen. Het gaat om 'Uqbah ibn Abi Mu’ait en Al-Nadr ibn Al-Haarith, twee van de grootste vijanden van Islam. Indien zij in leven zouden worden gelaten zouden zij ongetwijfeld door gaan met het voeren van oorlog tegen Islam met behulp van alle middelen die zij tot hun beschikking hadden. Het was in deze fase van de da’wah niet wijs om hen vrij te laten, als gevolg daarvan werd het bevel gegeven door de Profeet ﷺ om hen te executeren. Toen Uqba hoorde dat hij op het punt stond geëxecuteerd te worden zei hij:

Uqba: Wee mij! O mensen van Quraish, waarom word ik gekozen om gedood te worden uit alle gevangen hier!

Profeet ﷺ: Vanwege jou vijandigheid tegen Allah en zijn Boodschapper.

Uqba: O Muhammad, het is beter voor jou om mij vriendelijk te tonen. Behandel mij zoals iedere andere man van mijn mensen. Als je hen doodt, doodt mij dan ook. Als je losgeld vraagt voor hen dan zal ik net als hen zijn. O Muhammad, wie zal naar mijn kinderen omkijken?

Breng hem naar voren, O 'Aasim. En 'Aasim bracht hem naar voren en bracht hem een nekslag toe.

Voor wat betreft Al-Nadr ibn Al-Haarith, ook hij was een van de meest verachtelijke en duivelse Quraishieten. Hij kwam oorspronkelijk uit Heerah waar hij bekend raakten met de verhalen die werden verteld in de hoven van koningen. Wanneer de Profeet ﷺ een zitting bijwoonde om de mensen te waarschuwen over de bestraffing aan voorgaande naties was de Profeet ﷺ amper vertrokken of Al-Nadr zat op zijn plek en zei:

Bij Allah, O mensen van Quraish, ik heb betere dingen te vertellen dan hij. Kom rond mij zitten en ik zal jullie hetgeen vertellen dat beter is.

Hij vertelde dan verhalen over de koningen van Perzië, Rustum en Esfandiyar en hij zei dan:

Wat maakt Muhammads spraak beter dan die van mij?

Dit in combinatie met het vervolgen van moslims vereiste een passende aanpak en om die reden werd ook hij geëxecuteerd op bevel van de Profeet ﷺ. Het was 'Ali die de executie uitvoerde.

De behandeling van de krijgsgevangenen van Badr was ongekend in de Arabische wereld. In een tijd waarin gevangenen routinematig werden gemarteld, als slaven verkocht of simpelweg gedood, stelde de Profeet ﷺ een standaard die eeuwen later nog zou worden aangehaald als voorbeeld van barmhartigheid in oorlogstijd. Hij ﷺ gaf het bevel: ‘Behandel de gevangenen goed.’ De Metgezellen ﵃ namen dit bevel zo serieus dat zij hun eigen eten opgaven ten gunste van hun gevangenen.

Over het algemeen werden de gevangen zeer goed behandeld. Allah ﷻ zegt:

وَيُطۡعِمُونَ ٱلطَّعَامَ عَلَىٰ حُبِّهِۦ مِسۡكِينٗا وَيَتِيمٗا وَأَسِيرًا

En zij geven voedsel ondanks dat zij het liefhebben aan de armen, de wees en de gevangenen.

Soera Al-Insaan: 8

De broer van Mus’ab ibn Umair ﵁, toen nog geen moslim, en een van de gevangen van Badr zei:

Ik was een van de gevangenen van Badr en de Profeet ﷺ zei behandel gevangen goed. Ik was in bewaring bij een groep mannen van de Ansaar. Wanneer zij hun lunch of avondeten erbij namen, namen zij dadels en gaven ze mij tarwe (dit werd gezien als beter dan dadels). Dit omdat de Profeet ﷺ en hiertoe aanspoorde.

Abu Al-'Aas ibn Rabi’a ﵁ ook een gevange op Badr zei:

Ik was onder bewaring bij een groep mannen van de Ansaar. Wanneer het tijd was voor lunch of avondeten gaven ze mij brood terwijl zij dadels aten, zelfs al hadden zij weinig brood bij zich en aten zij al iedere dag dadels. Zij zorgden zo goed voor mij tot het punt dat wanneer zij brood ter handen kregen zij dit aan mij doorgaven om te eten.

Al-Waleed zei vergelijkbare woorden maar voegde hieraan toe dat:

Zij ons lieten rijden terwijl zie liepen.

Deze behandeling leidde ertoe dat sommige edelen van de Quraish Islam omarmden of op zijn minst waardering kregen voor de leerstellingen van Islam inzake barmhartigheid.

De Hypocrieten

Na de Slag bij Badr werden de moslims sterker, vooral vanuit het perspectief van de vijand. Indien mensen Medina wilde aanvallen, of zij nu Quraish waren of een andere stam, zouden zij twee keer nadenken voordat ze dit zouden doen. Medina veranderde ook enorm, waar sommige inheemse bewoners van Medina voorheen hun ongeloof en hun vijandschap jegens Islam openlijk durfden te uiten, had Badr dit veranderd. Mensen die hun ongeloof in het hart droegen begonnen hun Islam openlijk te verkondingen in de aanwezigheid van de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃. Uiteraard bleven zij ongelovigen en deze mensen werden bekend als de hypocrieten. Allah ﷻ zegt:

مُّذَبۡذَبِينَ بَيۡنَ ذَٰلِكَ لَآ إِلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ وَلَآ إِلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِۚ وَمَن يُضۡلِلِ ٱللَّهُ فَلَن تَجِدَ لَهُۥ سَبِيلٗا

(Zij) zweven hiertussen en zij behoren noch tot dezen noch tot genen. En degene die Allah laat dwalen, daar vinden jullie nooit een weg voor.

Soera Al-Nisa 143

Vanwege de dreiging die de hypocrieten vormden vanuit Medina worden zij uitvoerig besproken in de Koran waarin Allah ﷻ hen waarschuwt over de bestraffing die hen te wachten staat in het Hiernamaals:

إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا

Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Vuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden.

Soera Al-Nisa 145

Eén van de uitkomsten van Badr was dat de imaan van de moslims die al imaan hadden sterker werd. De gebeurtenissen op Badr hadden er zelfs voor gezorgd dat veel ongelovige Quraishieten de waarheid zagen en Islam omarmden. Dat bepaalde Mekkaanse leiders Islam omarmden en daarmee hun voorgaande fouten erkenden was een enorme boost in het moraal van zwakke moslims in Mekka die waren achtergebleven omdat zij niet in staat waren om naar Medina te emigreren. Na al hun lijden zagen zij eindelijk een sprankeltje hoop in zowel de overwinning bij Badr, maar ook vanwege de bekering van bepaalde vooraanstaanden in Mekka.

Moraal

De verliezen die de Qoeraish lijdden in Badr waren enorm. Een aantal van hun leiders zoals Abu Jahl ibn Hishaam, Umayyah ibn Khalaf, Oetbah ibn Rabi’a en anderen waren gesneuveld. Dit waren niet alleen hun leiders, maar ook hun dappere en heldhaftige strijders. Vóór Badr werden de Quraish natuurlijk al geconfronteerd met de dreiging van de moslims op hun karavaanroutes wat in wezen een dreiging was op hun macht, invloed en leiderschap binnen het Arabisch Schiereiland.

Het nieuws van het verlies van de Quraish kwam in Mekka aan als donderslag bij heldere hemel. Zij waren geschokt en konden het nieuws niet geloven dat zij zo’n nederlaag hadden geleden tegen de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃. Al-Haisumaan bin 'Abdullah Al-Khuza’i was de eerste die het nieuws kwam brengen:

Mekkanen: Welk nieuws kom je brengen?

Al-Haisumaan: Oetba ibn Rabi’a, Shaibah ibn Rabi’a, Abdul-Hakam ibn Hishaam, Umayyah bin Khalaf, Zam’a bin Al-Aswad, Nubiah en Munabba, de twee zonen van Al-Hajjaaj en Abul-Bukhtari ibn Hishaam; zij zijn allen gedood.

Safwaan ibn Umayya: Bij Allah, als hij bij zijn verstand is, vraag hem dan om mij (misschien zegt hij dat ik ook gedood ben)

Mekkanen: Wat gebeurde er met Safwaan ibn Umayyah?

Al-Haisumaan: Hij is hier. Bij Allah ik zag hoe zijn vader en broeder werden gedood.

In een andere overlevering verteld Abu Raafai’ ﵁ over welke impact de nederlaag bij Badr had op de Mekkanen:

Abu Lahab: O zoon van mijn broer, vertel me wat er mensen onze mensen is gebeurd.

Abu Sufyaan: Bij Allah wat er gebeurde is dat wij hen troffen op het slagved en onze schouders aan hen aanboden zodat zij ons konden doden hoe zij wilden en ons gevangen konden nemen hoe zij wilden. En bij Allah ongeacht wat er is gebeurd. Ik neem het onze mensen niet kwalijk. Wij troffen witte mannen op gevlekte paarden die reden tussen de hemelen en de aarde. Bij Allah zij lieten niks van ons over en we konden niks doen om hen te weerstaan.

Safwaan ibn Umayya: Bij Allah, als hij bij zijn verstand is, vraag hem dan om mij (misschien zegt hij dat ik ook gedood ben)

Abu Raafai’ ﵁ [Die in een aparte kamer zat, aan de andere kant van een gordijn]: Bij Allah dat waren de Engelen.

Abu Lahab: [Sloeg Abu Raafai’ ﵁ in het gezicht en er ontstond een worsteling.]

Umm Fadl ﵂ [Die ook in de aparte kamer zat]: [pakte een pilaar en sloeg Abu Lahab op het hoofd]. Jij beschouwd hem alszijnde zwak omdat zij meester (Al-Abbaas) niet aanwezig is? Abu Lahab: Liep uit schaamte weg.

Abu Lahab zou een week later sterven als gevolg van een infectie als gevolg van de wond op zijn hoofd.

De Slag bij Badr had dus diepe psychologische wonden achtergelaten bij de Quraish. Vele doden en gevangen, Abu Lahab die kort erna was overleden, Abu Sufyaan die een zoon had verloren en waarvan een andere gevangen was genomen. Er was nauwelijks een huishouden in Mekka of zij waren direct of indirect geraakt door de Slag bij Badr. Zij waren daarom vastbesloten om wraak te nemen. Sommigen van hen zwoeren zich niet meer te wassen voordat zij vergelding hadden voor deze nederlaag. Ze wachtten op het juiste moment om de moslims in Medina aan te vallen en dat moment kwam later op de Dag van Uhud.

De overwinning bij Badr was een nachtmerrie voor de joden. Het gaf de moslims eer en prestige in Medina wat betekende dat de invloed van de joden politiek gezien, met de dag begon af te nemen. Ook zij waren vastbesloten om alles op alles te zetten om dit te veranderen door het leiderschap van de Profeet ﷺ te ondermijnen en door frictie te veroorzaken tussen de bewoners van Medina. De Profeet ﷺ was op de hoogte van hun intenties en was uiterst waakzaam en alert in zijn omgang met hen. Zouden de joden trouw blijven aan de overeenkomst die zij met de Profeet ﷺ hadden gesloten dan zouden zij een vredig en voorspoedig leven kunnen leiden in Medina onder de vlag van de nieuwe Islamitische staat. Helaas kozen zij een pad dat zou leiden tot hun eigen ondergang.