Na de bouw van de moskee en het vestigen van de broederschapsbanden tussen de Muhajiroen en de Ansaar, was de volgende cruciale stap het formaliseren van de verhoudingen tussen alle inwoners van Medina: moslims, joden en veelgodenaanbidders.
Toen de Profeet ﷺ de hijra maakten naar Medina werd zij bewoond door verschillende groepen. De Aws en Khazraj werden samen de Ansaar. De joodse inwoners waren onderverdeeld in 3 groepen en tenslotte hadden we de nieuwe migranten uit Mekka; de Moehajiroen. Dit handvest werd waarschijnlijk opgesteld in het eerste jaar van de Hijra, kort na de aankomst van de Profeet ﷺ in Medina. De Profeet ﷺ besloot een document, een soort grondwet of handvest op te stellen waarin de rechten en de plichten van iedere groep beschreven werden. Oók de joden waren hierin meegenomen omdat de Profeet ﷺ een overeenkomst met hen had, namelijk: zij mochten in vrede en veiligheid leven onder de nieuwe Islamitische staat onder de voorwaarde dat zij de moslims zouden beschermen van extern gevaar. Net zoals de moslims zouden ingrijpen wanneer de joden werden aangevallen door een extern gevaar.
Wat stond er precies in dit handvest? Als in, welke punten stonden er precies? Laten we een aantal zaken uiteenzetten alvorens we bekijken wat de punten waren in het handvest.
Om het handvest te begrijpen, is het belangrijk om stil te staan bij het revolutionaire concept dat het introduceerde: de oemma als politiek verbond dat alle inwoners van Medina omvatte, ongeacht hun religie.
Het Oemma-verbond
Sinds de moderne tijd is de wereld gewend geraakt aan het begrip nationalisme. Een volksidentiteit en volksverbond gebaseerd op een gedeelde taal, cultuur, geschiedenis en religie. Die gedeelde taal, cultuur, geschiedenis en religie, vind men, is bepalend voor de onderlinge relatie tussen elkaar in de samenleving. In Islam en voor de moslims is dit verbond anders vooral omdat nationalisme en nieuw en westers idee is. Hoe zit dat dan met de oemma?
Oemma kent meerdere definities maar om het simpel te houden zullen we twee “overkoepelende” definities hanteren:
- religieuze definitie: de oemma als een groep mensen die hetzelfde credo delen
- politieke definitie: de oemma als een groep of gemeenschap zoals bijvoorbeeld een samenleving
Definitie één spreekt over moslims als een oemma of de joden als een oemma of de christenen als een oemma. Definitie twee is breder, omdat het betrekking kan hebben over een samenleving waarin bijvoorbeeld de moslims en joden van Medina één oemma vormen.
Het verschil met nationalisme is dat het verbond op basis van de oemma niet gebaseerd is op cultuur, etniciteit of taal. Het is een ideologisch verbond gebaseerd op de ordening van Islam. Dit breekt alle barrières tussen de moslims aangaande hun unieke culturele/stammen achtergrond. Diens kleur, etniciteit of taal vormt geenzins de basis van het verbond tussen moslims, iets wat uniek was in die tijd en waardoor het opstellen van het handvest een kroonstuk werd voor het vestigen van de broederband tussen de moslims in Medina. Het verbond op basis van Islam betekent echter niet dat niet-moslims uitgesloten zijn van het verbond, zoals later te zien is maken de “joden van Yathrib” ook onderdeel uit van de oemma, weliswaar in politieke zin. Niet-moslims zijn dus niet uitgesloten van burgerschap in de Islamitische samenleving.
De grenzen werden vastgesteld
Naast het vaststellen van de oemma, werden de grenzen vastgesteld. Wat betekent dat het verboden was om in Medina zomaar bomen te kappen, vogels te doden laat staan dat er getoornd werd met de welvaart en de levens van de mensen. Medina was het territorium van de nieuwe staat. De Profeet ﷺ stuurde zijn Metgezellen ﵁ erop uit om de grenzen van Medina in alle richtingen aan te geven met behulp van markeringen en vlaggen. Vanaf het westen en het oosten reikte Medina tot, maar niet inclusief het rotsachtige terrein in beide richtingen. De noordelijke grens lag bij de Thawr berg en ten zuiden de 'Aiyr berg.
Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ hebben het laatste woord
Inzake geschillen in alle kwesties moet verwezen worden naar Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ. Dit benadrukt het feit dat Medina geregeerd zou worden conform de sharia’ en dat de Boodschapper van Allah ﷺ de leider was van de nieuwe staat. Dit betekende dus ook dat de joden van Medina hier ook aan gebonden waren. De nuance is natuurlijk dat het niet om alle kwesties gaat, maar om kwesties tussen hen en de moslims, mocht er een geschil zijn tussen aan de ene kant de joden en aan de andere kant de moslims dan was iedereen akkoord dat de Profeet ﷺ hierover zou oordelen. Als het ging om kwesties tussen henzelf dan mochten zij oordelen aan de hand van de Torah en hun rabbijnen zouden dan oordelen tussen de twee partijen. Indien zij het wilden, hadden zij de optie om de Profeet ﷺ te vragen naar zijn mening. De Profeet ﷺ zou dan, afhankelijk van de kwestie tussen hen oordelen of hen verwijzen naar hun rabbijnen.
Het Handvest van Medina
In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Dit is een document van Mohammed, de Profeet ﷺ, dat de onderlinge verhoudingen regelt tussen de gelovigen en de moslims van de Qoeraish en Yathrib, en hen die hen zijn gevolgd en zich met hen hebben ingespannen. Zij vormen één gemeenschap (oemma), met uitsluiting van de overige mensen. De Muhājirūn van de Qoeraish zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie (zoals die was ten tijde van de komst van de islam), onderling het bloedgeld betalen en hun gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū ʿAwf zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat vóór de islam reeds deden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū Sāʿidah zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat voorheen betaalden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū al-Ḥārith zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat eerder deden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū Jusham zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat voorheen betaalden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū an-Najjār zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat eerder betaalden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū ʿAmr ibn ʿAwf zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat voorheen betaalden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. De Banū an-Nabīt en de Banū al-Aws zullen, overeenkomstig hun bestaande situatie, het bloedgeld betalen zoals zij dat voorheen betaalden, en iedere deelgroep onder hen zal haar gevangenen vrijkopen, op een redelijke en rechtvaardige wijze onder de gelovigen. Voorwaar, de gelovigen zullen geen behoeftig persoon onder hen aan zijn lot overlaten, zonder dat zijn losgeld of bloedgeld op een redelijke wijze wordt gedragen. Een gelovige mag geen verbond aangaan met de bondgenoot van een andere gelovige tegen die gelovige. Wie zich schuldig maakt aan opstandigheid, of onrecht, zonde, agressie of verderf onder de gelovigen wil verspreiden, tegen hem zal de hand van iedere godsbewuste gelovige zijn, zelfs al is hij zijn eigen kind. Een gelovige mag een andere gelovige niet doden ten gunste van een niet-gelovige, noch een niet-gelovige steunen tegen een gelovige. De bescherming van Allah is één en geldt evenzeer voor de geringste onder de gelovigen. De gelovigen zijn elkaars beschermers, met uitsluiting van andere mensen. Wie van de Joden zich bij ons aansluit, heeft recht op hulp en bijstand. Zij zullen niet worden onderdrukt, noch zal iemand tegen hen worden geholpen. De vrede van de gelovigen is één en ondeelbaar. Er mag geen afzonderlijke vrede worden gesloten met uitsluiting van andere gelovigen, wanneer zij strijden op de weg van Allah, behalve op rechtvaardige en billijke voorwaarden. Bij iedere expeditie dienen de ruiters elkaar ordelijk te volgen. De gelovigen dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor vergelding van vergoten bloed, overeenkomstig de weg van Allah. De godsbewuste gelovigen volgen de beste en meest rechtschapen leiding. Geen polytheïst mag eigendom of personen van de Qoeraisj beschermen, noch een gelovige verhinderen hen te bereiken. Wie wordt beschuldigd van het doden van een gelovige zonder rechtmatige grond, zal worden onderworpen aan vergelding, tenzij de bloedverwant instemt met het ontvangen van bloedgeld; en alle gelovigen zullen zich tegen hem keren. Het is een gelovige die vasthoudt aan dit document en gelooft in Allah en de Laatste Dag niet toegestaan een misdadiger te steunen of hem bescherming te bieden. Wie dat wel doet, rust de vloek en toorn van Allah op de Dag der Opstanding, en geen genoegdoening of compensatie zal van hem worden aanvaard. Wanneer jullie van mening verschillen over een zaak, dient deze te worden voorgelegd aan Allah en aan Zijn Boodschapper, Mohammed ﷺ. De Joden dragen bij in de kosten (van de oorlog) zolang zij samen met de gelovigen strijden. De Joden van Banū ʿAwf vormen één gemeenschap met de gelovigen. Iedere groep behoudt haar eigen godsdienst, evenals haar bondgenoten en personen, behalve wie onrecht en misdaad pleegt; die schaden slechts zichzelf en hun families. Alles wat is vastgesteld voor de Joden van Banū ʿAwf, geldt eveneens voor: – de Joden van Banū an-Najjār, – de Joden van Banū al-Ḥārith, – de Joden van Banū Sāʿidah, – de Joden van Banū Jusham, – de Joden van Banū al-Aws, – en de Joden van Banū Thaʿlabah, Behalve voor wie onrecht en misdaad pleegt, en daarmee slechts zichzelf en zijn familie schaadt. Ook de Safnah, een clan van Banū Thaʿlabah, vallen onder dezelfde bepalingen, en wat is vastgesteld voor de Joden van Banū ʿAwf geldt eveneens voor Banū Ash-Shuṭaybah. Rechtschapenheid dient zonde te verhinderen. De bondgenoten van Banū Thaʿlabah worden gelijkgesteld aan henzelf en de entourage van de Joden wordt eveneens als henzelf beschouwd. Niemand van hen trekt ten strijde zonder toestemming van Mohammed ﷺ, maar hij mag niet worden belemmerd in het verkrijgen van vergelding voor een verwonding. Wie een mens doodt, doodt als het ware zichzelf en zijn huishouden, behalve wanneer hij handelt als degene aan wie onrecht is aangedaan, want Allah aanvaardt dat. De Joden en de moslims dragen ieder hun eigen kosten. Beiden zijn verplicht elkaar te ondersteunen tegen ieder die strijd voert tegen de mensen van dit document. Zij dienen onderling raad en overleg te plegen, en rechtschapenheid moet zonde tegengaan. Een man is niet aansprakelijk voor het wangedrag van zijn bondgenoot. De verdrukte moet worden geholpen. Yathrib is een heilig oord voor de mensen van dit document. Wie zijn deur sluit, is veilig; en wie de moskee binnengaat, is veilig. Dit document biedt geen bescherming aan wie onrecht pleegt of misdadig handelt. Wie zich vrij verplaatst, is veilig; en wie blijft, is veilig, behalve degene die onrecht of misdaad begaat. Allah is de Beschermer van de rechtschapenen en de godsvrezenden, en Mohammed is de Boodschapper van Allah ﷺ.
Met dit handvest had de Profeet ﷺ de juridische en politieke basis gelegd voor de nieuwe staat. De rechten en plichten van iedere groep waren vastgelegd, de grenzen waren bepaald en het leiderschap was erkend. Nu de interne verhoudingen geregeld waren, kon de Profeet ﷺ zich richten op de externe dreigingen. De Quraish in Mekka zouden de moslims niet met rust laten, en de eerste militaire expedities waren slechts een kwestie van tijd.
