InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Eerste Expedities van Medina
Siera van de Profeet ﷺDe Medina Periode

De Eerste Expedities van Medina

We hebben eerder besproken hoe de Quraish koste wat het kost probeerden om het vertrek van de Profeet ﷺ naar Medina tegen te houden. Nadat dit niet lukte probeerde zij om in het geheim contact te hebben met Abdullah bin Ubai ibn Salul, een leider van de Khazraj en werd tevens genomineerd om koning te worden na de bu’ath oorlog. De Mekkaanse veelgodenaanbidders stuurden Ibn Salul een ultimatum waarin ze eisten dat hij óf de Profeet ﷺ zou bevechten óf uit Medina zou verdrijven. Gebeurde dit niet? Dan zouden zij een grootschalige militaire campagne voerten tegen Medina waarbij zij zijn mensen zouden doden en hun vrouwen gevangen zouden nemen.

Vanwege zijn jaloezie en zijn “verloren” koningschap reageerde Ibn Salul positief op het bericht van de veelgodenaanbidders. Abdurahman bin Ka’b vertelde in een overlevering dat:

Toen dit Abdullah ibn Ubai bereikte en degene met hem die afgodsbeelden aanbaden, verzamelden zij om Allah’s Boodschapper ﷺ te bevechten.

Profeet ﷺ: De dreiging van de Qoeraisj tegen jullie heeft haar einde bereikt. Zij zijn niet in staat een plan tegen jullie te smeden dat groter is dan wat jullie zelf van plan waren om elkaar schade toe te brengen. Zijn jullie bereid te vechten tegen jullie eigen zonen en broeders?

Toen zij dit van de Profeet ﷺ hoorden, gingen zij uiteen.

Hun leider, Abdullah ibn Ubai leek ogenschijnlijk te gehoorzamen, maar in zijn hart bleef hij een verraderlijke collaborateur met de Quraish en de afgunstigen van onder de joden. Schermutselingen en provocaties zouden er uiteindelijk voor zorgen dat er een grootschalige confrontatie zou ontstaan tussen moslims en veelgodenaanbidders.

Het Voorval tussen Sa’d ibn Mu’adh ﵁ en Abu Jahl

Sa’d ibn Mu’adh ﵁ was al vóór Islam bevriend met Umayyah bin Khalaf; één van de leiders van Mekka. Wanneer Umayyah, Medina bezocht verbleef hij als gast bij Sa’d ﵁ en vice-versa. Hun vriendschap was tot in de vroege dagen van Islam intact, want toen de Profeet ﷺ arriveerde in Medina, maakte hij de intentie om 'Umrah te doen in Mekka. Toen hij eenmaal arriveerde in Mekka verbleef hij bij Umayyah en hij vroeg hem:

Zoek voor mij een tijd waarin het Huis leeg is zodat ik haar kan rondgaan.

Umayyah nam hem daarom gedurende de middag naar de Ka’bah en onderweg kwamen zij Abu Jahl tegen.

Abu Jahl: O Abu Safwaan, wie is dit?

Umayyah: Dit is Sa’d.

Abu Jahl: Hoe kan het dat jij veilig in Mekka rondloopt, terwijl jij toevlucht hebt geboden aan zij die hun religie veranderden? Jullie beweren hen te steunen en te helpen. Wee! Bij Allah, ware het niet dat jij met Abu Safwaan was dan was jij niet veilig teruggekeerd naar jouw familie.

Sa’d ﵁: Bij Allah, als jij mij weerhoudt (van het uitvoeren van de 'Umrah), dan zal ik jou weerhouden van iets ernstiger. Jouw weg langs Medina (i.h.k.v. handelskaravanen op weg naar Al-Shaam.)

De vijandschap tussen Mekka en Medina werd dus al in een vroeg stadium uitgesproken. Het was van essentieel belang op hierop voor te bereiden!

Militaire expedities

Het gebod om dan eindelijk na jarenlange vervolging de strijd aan te gaan werd gegeven:

أُذِنَ لِلَّذِينَ يُقَـٰتَلُونَ بِأَنَّهُمْ ظُلِمُوا۟ ۚ وَإِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ نَصْرِهِمْ لَقَدِيرٌ۝ ٱلَّذِينَ أُخْرِجُوا۟ مِن دِيَـٰرِهِم بِغَيْرِ حَقٍّ إِلَّآ أَن يَقُولُوا۟ رَبُّنَا ٱللَّهُ ۗ

Toestemming om te vechten is gegeven aan degenen die bevochten worden, omdat zij onrechtmatig behandeld worden. En voorzeker, Allah is in staat om hen (tegen het onrecht) te helpen. Degenen die onrechtmatig uit hun huizen zijn gedreven, alleen maar omdat zij zeiden “Onze Heer is Allah.”

Soera Al-Hajj: 39-40

Gezien de provocaties en de dreigingen vanuit Mekka was het van groot belang om de handelsroutes die naar Mekka leiden onder controle te brengen. Dit deed de Profeet ﷺ als volgt:

  1. Hij sloot verdragen met stammen die langs de handelsroutes of tussen de handelsroutes en Medina leefden. Dit was als het ware een verlengstuk op het Handvest Medina waarin afspraken werden gemaakt tussen de moslims en de joden.
  2. Het uitsturen van militaire expedities om de militaire aanwezigheid van de moslims langs de handelsroutes kenbaar te maken.

De volgende missies werden uitgevoerd:

Saiful Bahr

In Ramadan, in het eerste jaar van de Hijra en onder leiding van Hamza bin Abdulmuttalib ﵁; kregen 30 moehajiroen de taak om een karavaan van de Quraish te onderscheppen. Het ging om een karavaan van 300 mensen inclusief Abu Jahl. De twee partijen troffen elkaar en maakten zich klaar voor de strijd. Majdi bin 'Amr, die goede contacten had met beide partijen was toevallig aanwezig en zorgde ervoor dat een direct confrontatie werd voorkomen.

Rabigh

In Shawwaal, in het eerste jaar van de Hijra werd Ubaida bin Al-Harith bin Almuttalib ﵁ erop uit gestuurd om aan het hoofd van 60 ruiters naar Batn Rabigh te gaan. Hier troffen zij een karavaan van 200 man aan onder leiding van Abu Sufyaan. Er werden pijlen afgeschoten, maar tot een echt gevecht kwam het niet. Wat wél gebeurde is dat Al-Miqdaad bin 'Amr Al-Bahrani ﵁ en 'Utbah bin Ghazwan Al-Mazini ﵁ overliepen naar de kant van Ubaida ﵁.

Kharrar

In Dhul Qa’dah, in het eerste jaar van de Hijra werd Sa’d ibn Abi Waqqas ﵁ aan het hoofd van 20 ruiters naar Al-Kharrar gestuurd. Toen zij na 5 dagen arriveerden troffen zij kamelen aan die door de Quraish werden achtergelaten.

De invasie van al-Abwa’

Het was de maand Safar in het tweede jaar van de Hijra toen de Boodschapper van Allah ﷺ er zelf op uit ging met 70 man (voornamelijk van de moehajiroen) om een karavaan van de Quraish te onderscheppen. Sa’d ibn ‘Ubadah ﵁ werd aangesteld om de aangelegenheden in Medina te overzien. Zij bereikten Al-Abwa’ en sloten een verdrag met 'Amr bin Makhshi Ad-Damri. Het verdrag was als volgt:

“Dit document is van Mohammed, de Boodschapper van Allah, betreffende de Banū Ḍamrah, waarin Mohammed voor hen veiligheid en bescherming vaststelt voor hun bezittingen en hun levens. Zij mogen steun verwachten van de moslims, zolang zij zich niet keren tegen de religie van Allah. Van hen wordt eveneens verwacht dat zij positief reageren wanneer de Profeet om hun hulp verzoekt.”

De invasie van Buwat

Deze vond plaats in de maand Rabi’ oel-Awwal in het tweede jaar van de Hijra. De Profeet ﷺ, aan het hoofd van 200 Metgezellen rukte uit naar Buwat om een karavaan van de Quraish te onderscheppen. Umayya bin Khalaf en 2500 kamelen maakten onderdeel uit van de karavaan. Toen hij ﷺ in Buwat aankwam was de karavaan reeds vertrokken. Wederom werd Sa’d ibn Mu’adh opgedragen om de leiding in Medina op zich te nemen in de afwezigheid van de Profeet ﷺ.

De invasie van Safwan

In dezelfde maand roofden een kleine groep veelgodenaanbidders onder leiding van Kurz bin Jabir Al-Fihri de graaslanden van Medina en nam hierbij wat dieren mee. 70 man onder leiding van de Profeet ﷺ rukten erop uit om de tegenaanval in te zetten. Zij volgden hen tot Safwaan, in de buurt van Badr, maar konden hen niet inhalen. Deze missie wordt de “voorloper van Badr” genoemd. Gedurende de afwezigheid van de Profeet ﷺ werd Zayd bin Haritha ﵁ aangesteld om het leiderschap in Medina op zich te nemen.

De invasie van Dhil 'Oeshairah

In Jumada Al-Oela in het tweede jaar van de Hijra gaf de Profeet ﷺ leiding aan 150-200 ansaar in een missie om een karavaan van de Quraish te onderscheppen. Hij ﷺ arriveerde in Dhil-Oeshairah maar de karavaan was reeds vertrokken, dit was dezelfde karavaan die de moslims eerder gedurende de Buwaat expeditie probeerden te onderscheppen. Ondertussen stelde de Profeet ﷺ een verdrag op met Banu Mudlij. De Profeet ﷺ gaf Abu Salama bin 'Abdul-Asad Al-Makhzumi ﵁ de opdracht om Medina te besturen gedurende zijn afwezigheid.

Nakhla

In de maand Rajab van het tweede jaar van de Hijra gaf de Profeet ﷺ Abdullah ibn Jahsh Asadi ﵁ de opdracht om aan het hoofd met 12 Moehajiroen uit te rukken naar Naklah. Hij kreeg een brief mee die hij pas na twee dagen mocht lezen. Hij volgde de instructies van de brief en hij las daarin dat hij de opdracht had om naar Naklah te gaan, een specifieke plaats tussen Mekka en Ta’if, om daar een karavaan van de Quraish te verkennen. Bij Naklah zagen zij de karavaan passeren met ladingen rozijnen, etenswaren en andere goederen. er waren ook vooraanstaande veelgoden aanbidders aanwezig zoals; 'Amr bin Al-Hadrami, 'Uthman en Nawfal; de zoons van Abdullah bin Al-Mughirah en anderen. De moslims gingen bij elkaar in beraad om te bepalen of zij de aanval moesten inzetten, vooral aangezien het de heilige maand Rajab was; één van de maanden waarin strijd verboden was (volgens de gewoonten van de Arabieren destijds).

Dit was geen eenvoudige beslissing. De heilige maand Rajab was één van de vier maanden waarin de Arabieren traditioneel alle vijandelijkheden staakten. Het schenden van deze gewoonte zou de moslims blootstellen aan enorme kritiek en politieke schade. Aan de andere kant: als zij de karavaan lieten gaan, zouden zij een unieke kans missen om de Quraish een strategische klap toe te brengen. De Metgezellen ﵃ wogen de risico’s af en kwamen uiteindelijk tot een moeilijk besluit.

Uiteindelijk besloten zij toch de aanval in te zetten. 'Amr bin Al-Hadrami werd dodelijk getroffen door een pijl, 'Uthman en Al-Hakam werden gevangengenomen, Nawlfal wist te ontsnappen. De moslims keerden terug met de oorlogsbuiten en twee gevangenen. Zij legde 1/5 van de buit apart voor de Profeet ﷺ en namen de rest voor zichzelf. De Boodschapper ﷺ keurden dit af vanwege de maand Rajab. De veelgodenaanbidders grepen deze kans aan om de moslims te beschuldigen van het schenden van hetgeen, Goddelijk als ongeschonden was verklaard. Dit zorgde voor veel spanning bij de Metgezellen ﵁ totdat zij eindelijk gerust werden gesteld door de volgende openbaring:

يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلشَّهۡرِ ٱلۡحَرَامِ قِتَالٖ فِيهِۖ قُلۡ قِتَالٞ فِيهِ كَبِيرٞۚ وَصَدٌّ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَكُفۡرُۢ بِهِۦ وَٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ وَإِخۡرَاجُ أَهۡلِهِۦ مِنۡهُ أَكۡبَرُ عِندَ ٱللَّهِۚ وَٱلۡفِتۡنَةُ أَكۡبَرُ مِنَ ٱلۡقَتۡلِۗ

Zij vragen jou over het vechten in de heilige maanden. Zeg: “Vechten "daarin is een grote zonde. Maar een grotere overtreding in het aangezicht van Allah is de mensheid te weerhouden het Pad van Allah te volgen, ongeloof aan Hem, en (het versperren van de toegang tot) de Madjied al-Haram (in Mekka) en het verdrijven van de bewoners er omheen. En Fitnah (hier: afgoderij) is erger dan doden.

Soera Baqara: 217

De Woorden van Allah ﷻ waren duidelijk, de beschuldigingen van de veelgodenaanbidders waren ongegrond. Hun jarenlange vervolging van de moslims waarbij zij werden gedood, bevochten en bestolen van hun welvaart was vele malen erger. Kort hierna werden de twee gevangen vrijgelaten en werden er bloedgeld betaald aan de vader van 'Amr bin Al-Hadrami. De Quraish begonnen de de dreiging van Medina te voelen. Vanuit Medina controleerden de moslims een gebied van ruim 450 kilometer!

Deze vroege expedities, hoewel zij zelden tot daadwerkelijke gevechten leidden, waren van onschatbare strategische waarde. Zij vestigden de militaire aanwezigheid van de moslims langs de belangrijkste handelsroutes, dwongen de Quraish om hun karavanen te beschermen met grotere aantallen, en legden de basis voor de allianties met lokale stammen die later cruciaal zouden blijken. Het was slechts een kwestie van maanden voordat deze groeiende spanning zou leiden tot de eerste grote confrontatie: de Slag bij Badr.