InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Khalid ﵁ en de expeditie naar Banu Asad & Ghatafan
De Rechtgeleide KhaliefenAbu Bakr as-Siddiq ﵁

Khalid ﵁ en de expeditie naar Banu Asad & Ghatafan

Het besluit om uit te rukken

Medina in de eerste maanden van het kalifaat van Abu Bakr ﵁ was een stad die haar adem inhield. De expeditie van Usama ibn Zayd ﵁ was uitgezonden, weken door de woestijn getrokken en met de vlag heel teruggekeerd; de zakat-weigeraars binnen een dagrit van de stad waren door dezelfde Abu Bakr ﵁ in eigen persoon teruggedrongen. Maar dat alles waren nog voorbereidende slagen. De werkelijke storm zat verder weg, in de hoogvlakte van Najd, in de tenten van Banu Asad en Ghatafan, waar een man zich profeet had genoemd en hele stammen hadden geluisterd. Daar moest het kalifaat zijn antwoord nu hard en helder geven, of het zou nooit een antwoord meer kunnen geven.

Het was Jumada al-Akhirah van het jaar 11 AH. Abu Bakr ﵁ riep Khalid ibn al-Walid ﵁ in zijn huis te as-Sunh en legde hem het bevel voor de hand. Wie deze man kende, wist dat de keuze de juiste was. Khalid ﵁ was het zwaard dat de Profeet ﷺ zelf Sayfullah, het Zwaard van Allah, had genoemd. Hij had bij Mu’tah, toen drie commandanten achter elkaar waren gevallen, de vaan opgenomen en het leger heelhuids teruggebracht. Wat de Profeet ﷺ in zijn handen had gelegd was nu in de handen van zijn khalifa, en die handen aarzelden niet.

Het Suyuti ﵀ overlevert is kort, maar de strekking is helder: Khalid ﵁ trok uit met een leger uit Medina richting Najd, met de opdracht om eerst Banu Asad te ontmoeten, en daarna verder waar de tegenstand zich zou ophopen. Onderweg, voor de gevechten zelfs maar begonnen, droeg hij in zijn herinnering de woorden mee die Abu Bakr ﵁ in een eerdere zitting tegen zijn commandanten had uitgesproken. Het zijn de vijf zaken die voor altijd de scheidslijn vormen tussen islam en afval.

De vijf zaken waarom gevochten werd

Handhalah ibn ʿAli al-Laythi ﵁ heeft die woorden voor de Oemma bewaard, en Suyuti ﵀ neemt ze op in zijn relaas. Abu Bakr ﵁ stuurde Khalid ﵁ niet uit als rover, niet als wreker, niet als handhaver van Quraysh tegen de woestijnstammen. Hij stuurde hem uit om vijf zaken te bevechten, vijf pilaren die de islam tot islam maken.

Abu Bakr ﵁: Ik heb Khalid ﵁ gestuurd en hem bevolen de mensen te bestrijden over vijf zaken: de shahadah dat er geen god is dan Allah ﷻ en dat Muhammad ﷺ Zijn dienaar en boodschapper is, het volbrengen van het gebed, het opbrengen van de zakat, het vasten van Ramadan en de pelgrimstocht naar het Huis.

Vijf zaken. Geen meer, geen minder. Geen stam-belang, geen Qurayshitische voorkeur, geen wereldlijke ambitie. Wie ze opbracht, was broeder; wie ze afwierp, koos voor de zijde van Musaylimah en van Tulayha en van iedereen die de schaduw van een valse profeet zocht om de last van het Boek van Allah ﷻ af te schudden. Khalid ﵁ trok dus uit met een wapenstilstand in zijn handen die hij eerst aan elke stam zou aanbieden voordat hij zijn zwaard trok: zeg de shahadah, sta het gebed op, betaal wat aan Allah ﷻ toebehoort, vast en bedevaart, en geen druppel van uw bloed zal vloeien. Weiger dat, en wij komen niet als de overlevenden van een burgeroorlog maar als de gezanten van een Boodschap die voor het laatst onder de mensen is neergedaald.

Hier ligt, in deze vijf zaken, het hart van wat de Ridda-oorlogen feitelijk waren. Geen politiek conflict tussen Medina en de woestijn, geen machtsstrijd tussen Quraysh en de Bedoeïenen, geen herstel van een tributair systeem. De Ridda was de eerste, en in zekere zin de hardste, toetssteen van wat islam betekent zodra de Boodschapper ﷺ er niet meer is om hem in eigen persoon te belichamen. De Oemma stond voor de vraag of de Boodschap kon overleven zonder de Boodschapper, of dat zij met hem mee zou worden begraven. Abu Bakr ﵁ koos. En in zijn keuze koos hij voor de vijf zaken, niet voor een veld minder en niet voor een lat lager.

De weg naar Najd

Najd is geen vriendelijk landschap. De vlakte verheft zich ten oosten van het Hijaz-gebergte, een steppe van zwarte basalt en geel zand, met harrat-vulkaanvelden die in de zomer trillen onder de hitte en in de winter de wind onbarmhartig laten doorsteken. Tussen de oases en de rotsbeddingen leefden de stammen, half-sedentair half-nomadisch, met paarden en kamelen en een herinnering aan onafhankelijkheid die ouder was dan de namen van hun vaders.

Banu Asad bevond zich in het hart van die vlakte, met zijn tenten verspreid rond de bronnen van wat later Ḥāʾil zou heten. Ghatafan, een verbond van verwante stammen, dekte de noordelijke aanloop. Beide stammen hadden in de laatste maanden van de Profeet ﷺ delegaties naar Medina gezonden en de islam aangenomen. Beide hadden in de eerste weken na de overlijden van de Profeet ﷺ teruggetrokken wat zij hadden uitgesproken. Beide hadden zich gehecht aan Tulayha, een man uit Banu Asad die zich tot profeet had verklaard.

Suyuti ﵀ noemt Tulayha bij name niet, en houdt het bij Banu Asad en Ghatafan als geheel. Wat hij wel benoemt, is de uitkomst, en die uitkomst veronderstelt het verzet van een georganiseerde tegenstander. Khalid ﵁ ging niet een lege vlakte binnen om verstrooide kuddes te tellen; hij ging een gevecht in dat door beide zijden was voorbereid.

Kaart laden...

De kolonne uit Medina trok in formatie, vermoedelijk in deeltroepen, met Khalid ﵁ aan het hoofd en de prominente sahabah verdeeld over de vleugels. Onder hen reden mannen wier namen al klonken voor wie hen kende. ʿUkkashah ibn Mihsan ﵁ van Banu Asad zelf, die in zijn jeugd onder de allereerste Muhajirun was geweest; hij keerde nu terug naar de stam waarin hij geboren was, niet als een terugkerende zoon maar als een soldaat van de Boodschap. Thabit ibn Aqram ﵁ van de Ansar, een van de strijders die bij Uhud zijn schild boven het hoofd van de Profeet ﷺ had geheven. Twee mannen wier levens elkaar in deze ene veldtocht zouden kruisen op een manier die de Oemma sindsdien is blijven herinneren.

De twee shuhada

Veldslag laden...

Suyuti ﵀ tekent het verloop van het gevecht in één enkele zin op. “Khalid ﵁ en degenen die met hem waren trokken uit in Jumada al-Akhirah, en zij bestreden Banu Asad en Ghatafan. Zij doodden wie zij doodden en namen gevangen wie zij gevangen namen, en de rest keerde terug tot de islam. In deze gebeurtenis werden ʿUkkashah ibn Mihsan ﵁ en Thabit ibn Aqram ﵁ tot shahid gemaakt.”

Eén zin voor een veldtocht die een continent had kunnen verliezen. Maar wie tussen de regels leest, ziet de orde van het werk. Eerst de aankondiging: fataalu, zij bestreden. Daarna de tweespalt van de uitkomst: gedood en gevangen genomen aan de ene zijde, terugkeer tot de islam aan de andere. Dan de twee namen, omdat de doden van Allah niet als een getal voorbijgaan maar bij naam in de annalen worden opgenomen, opdat de Oemma voor hen zou bidden tot de Dag van de Opstanding.

ʿUkkashah ibn Mihsan ﵁ behoorde tot de zeventig die de Profeet ﷺ in een beroemde hadith had genoemd als de groep die zonder afrekening het Paradijs zou binnengaan. Toen de Profeet ﷺ daarvan sprak in de moskee, stond ʿUkkashah ﵁ op en vroeg: bid tot Allah ﷻ dat Hij mij van hen maakt. De Profeet ﷺ antwoordde dat hij van hen was. Een ander stond op met hetzelfde verzoek en kreeg te horen: ʿUkkashah is je voor. Die woorden waren door de Oemma gedragen als een belofte. Nu, in de zwarte stenen van Najd, werd de belofte ingelost. Hij viel onder de zwaarden van mannen die met hem hadden gespeeld toen hij een kind was in dezelfde stam; hij viel in de naam van de shahadah die in zijn jeugd nog niet was uitgesproken; hij viel naast Thabit ﵁ van de Ansar, opdat Muhajir en Ansar in de strijd voor het zwaard zouden vallen zoals zij naast elkaar in de moskee hadden gestaan voor het gebed.

Thabit ibn Aqram ﵁ was bij Badr geweest, bij Uhud, bij Khandaq, bij elke campagne van de Profeet ﷺ die hem niet aan de poort van Medina had gehouden. Hij was niet een man van het hoofdleger maar van de kleine, onmisbare groep die de vlag droeg wanneer de hoofdvlaggendrager viel. Bij Mu’tah, vier jaar eerder, had hij in dezelfde rol gestaan: hij was het die na de val van Zayd ibn Harithah ﵁ en Jaʿfar ﵁ en ʿAbdullah ibn Rawahah ﵁ de vlag aan Khalid ibn al-Walid ﵁ had aangeboden, met de woorden dat een man als hijzelf, een Ansari zonder Qurayshitische bloedband, niet de juiste was om het zwaard van het Mu’tah-leger te dragen tegenover Quraysh. Khalid ﵁ had de vlag aanvaard, en in haar schaduw was de legende van Khalid ﵁ geboren. Nu, in Najd, viel diezelfde Thabit ﵁ in dezelfde campagne als zijn commandant. De keten was rond. Het Zwaard van Allah ﷻ stond op zijn paard te kijken naar de man die hem ooit zijn eigen vaan had toegereikt en zag dat zijn ziel boven het slagveld omhoogtrok.

De terugkeer en de overgave

Het gevecht eindigde zoals Khalid ﵁ zijn gevechten eindigde: snel, beslissend, zonder achterlatingen. De overlevenden van Banu Asad en Ghatafan kwamen in groepen voor zijn tent, sommige in tranen, andere stil. Zij spraken de shahadah opnieuw uit. Zij vestigden hun gebed. Zij stemden toe in de zakat die zij eerder hadden geweigerd. Khalid ﵁ aanvaardde hun terugkeer in de naam van Abu Bakr ﵁, want hij was hun niet uitgezonden om hen te tellen onder de doden maar om hen terug te brengen tot het levende lichaam van de Oemma.

Suyuti ﵀ vat het in vier woorden samen: wa rajaʿa ʾl-baqūn ilā ʾl-islām, en de rest keerde terug tot de islam. In die vier woorden ligt de hele filosofie van de Ridda. Geen volkerenmoord, geen vernietigingsoorlog, geen permanente verbanning. Een correctief, hard waar het hard moest zijn, mild waar de hand zich uitstak. De vijf zaken van Abu Bakr ﵁ waren de poort. Wie er doorging, was thuis. Wie zich ervoor sloot, vond de paarden van Khalid ﵁ voor zijn tent.

De gevangenen werden naar Medina gezonden. De gesneuvelden van de moslimzijde werden ter plekke begraven volgens het gebruik dat de Profeet ﷺ na Uhud had vastgesteld: de shahid wordt begraven in het kleed waarin hij valt, ongewassen, zijn bloed is zijn parfum, zijn zwaard is zijn herinnering. Khalid ﵁ richtte vervolgens zijn paarden naar het oosten en bereidde zich voor op de volgende fase. Banu Asad en Ghatafan waren teruggebracht, maar in al-Yamamah wachtte Musaylimah met een leger van tienduizenden, en het zwaard van Khalid ﵁ had nog niet gerust toen Medina al een tweede brief van Abu Bakr ﵁ klaar had om hem ten zuidoosten te sturen.

De kamer aan de moskee

Terwijl Khalid ﵁ in Najd zijn paard wendde, was in Medina iets anders aan het gebeuren dat in de aanvoer der gebeurtenissen op zijn eigen manier even zwaar woog. In de kamer naast de moskee, in het bescheiden huis waar Fatimah bint Muhammad ﵂ woonde met haar man ʿAli ibn Abi Talib ﵁ en hun zonen al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁, was de dochter van de Profeet ﷺ stervende.

Suyuti ﵀ noemt het feit kort: zij stierf in Ramadan van het jaar 11 AH, op de leeftijd van vierentwintig. Zes maanden na haar vader ﷺ, precies zoals hij haar in zijn laatste levensdagen in vertrouwen had gezegd: jij zult de eerste van mijn huisgezin zijn die mij volgt. Hij had het haar in haar oor gefluisterd toen zij naast zijn bed zat, en toen zij eerst huilde en toen lachte vroegen haar tantes haar later wat de Profeet ﷺ haar had gezegd. Eerst zei hij dat hij zou heengaan, antwoordde zij, en toen huilde ik; en toen zei hij dat ik de eerste van zijn huisgezin zou zijn die hem zou volgen, en toen lachte ik. Want wat is er liever voor een dochter dan haar vader nabij te zijn aan de andere kant van de drempel.

Ramadan was die maand schraal. Medina droeg de wond van de overlijden van de Profeet ﷺ nog vers; het kalifaat was nieuw; het leger was uit; en in het hart van de stad lag Fatimah ﵂ op een tapijt dat met een doek was bedekt. Zij was de jongste van de dochters van de Profeet ﷺ, en zij was de laatste die nog leefde. Zaynab ﵂ was gegaan, Ruqayyah ﵂ was gegaan, Umm Kulthum ﵂ was gegaan. Fatimah ﵂ was de dochter die het langst had geleefd om te zien hoe haar vader stierf, en nu volgde zij hem.

De bescheidenheid van het einde

Wat Suyuti ﵀ over deze laatste dagen vermeldt is sober, zoals het is. Geen pomp, geen lange weeklacht, geen toegevoegde details. Fatimah ﵂ had bij haar leven de geldelijke aanspraken die zij na de overlijden van haar vader meende te hebben aan Abu Bakr ﵁ voorgelegd. Hij had haar de hadith van de Profeet ﷺ in herinnering gebracht: wij, het gezelschap van de profeten, laten niets na als erfenis; wat wij achterlaten is liefdadigheid. Zij had niet verkregen wat zij had gevraagd, en in de spanning van die maanden was er een afstand tussen haar huis en het huis van Abu Bakr ﵁ ontstaan die haar dood eerst zou dichten.

In haar laatste dagen vroeg zij aan Asmaʾ bint ʿUmays ﵂, vrouw van Jaʿfar ibn Abi Talib ﵁ en later van Abu Bakr ﵁ zelf, om voor haar lichaam een soort baar te bouwen die haar gestalte na haar dood niet zou onthullen. Asmaʾ ﵂ vlocht een houten frame en bekleedde het met doek, zoals zij dat in Abessinië bij de Habash had gezien, en Fatimah ﵂ glimlachte toen zij het zag. Dit is mooi, zei zij. Hierin zal geen aanblik van mij ontbloot worden. Zij gaf instructies dat zij na haar dood door ʿAli ﵁ en Asmaʾ ﵂ zou worden gewassen, en door verder niemand zou worden gezien.

ʿAli ﵁ zat aan haar zijde. Al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁, nog jongens, speelden buiten haar deur en kwamen af en toe binnen om hun moeder een hand vast te houden. Zij sprak weinig in die laatste dagen. Zij die de meest welbespraakte dochter van Mekka was geweest, die op de minbar van haar vader had gesproken, droeg haar laatste woorden op tot Allah ﷻ alleen. De koortsen kwamen en gingen. Op een avond, het was tegen het einde van Ramadan, sloot zij haar ogen.

Asmaʾ ﵂ keek naar haar gezicht en wist het direct. Zij liep naar buiten en zei tot al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁ alleen dat hun moeder geslapen had. Zij waste het lichaam met ʿAli ﵁, samen, in de aanvang van de avond, en de baar van Asmaʾ ﵂ ontving haar zoals Fatimah ﵂ het had gewenst.

De begrafenis in de nacht

ʿAli ﵁ koos om haar te begraven in de nacht. Wie haar wast, kent haar plaats; wie haar baar draagt, mag zwijgen over de richting. Het was haar wens geweest, het bleef zijn beslissing. Bij het opdragen van het lichaam riep hij niemand van buiten zijn eigen kring. Abu Bakr ﵁ ontving het bericht laat in de avond, in zijn huis te as-Sunh. Hij was khalifa; hij was schoonvader, want zijn eigen dochter ʿAʾishah ﵂ was de weduwe van de Profeet ﷺ. Hij was van haar vader het meest geliefde gezelschap geweest. Hij kwam, zo overlevert Suyuti ﵀ bondig, en hij bad voor haar, zonder dat het noemenswaardig is wie nog meer in de kleine gemeenschap rond de baar verzameld stond.

Daarna werd zij ter aarde besteld in al-Baqi’, het kerkhof van Medina, dichtbij de plaats waar later haar grafhuis een eenvoudige steen zou dragen die de eeuwen heeft doorstaan. Geen processie. Geen lange klaagzang. ʿAli ﵁ liep terug naar het huis met al-Hasan ﵁ aan zijn ene hand en al-Husayn ﵁ aan zijn andere. De kamer naast de moskee was leeg. Boven Medina trilde de hitte van de dag al weg in de nachtlucht.

In hetzelfde uur, op verschillende afstanden, ritselden twee gebeurtenissen elkaar in de geschiedenis. In Najd had Khalid ﵁ zojuist zijn paarden teruggetrokken van de plaats waar ʿUkkashah ﵁ en Thabit ﵁ waren gevallen. In Medina had ʿAli ﵁ zojuist de aarde over Fatimah ﵂ dichtgedaan. De khalifa stond in zijn kamer en hoorde, in dezelfde week of misschien in dezelfde dag, de verslagen binnenkomen: het bevel was uitgevoerd, twee gezegenden van de Oemma waren naar Allah ﷻ gegaan, een derde gezegende, de dochter van de Profeet ﷺ zelf, was diezelfde week onder hem heengegaan. Hij wist dat in elk van deze gebeurtenissen iets onomkeerbaars zat. De Boodschap was niet uitgewist; zij had haar prijs gevraagd, en de prijs was de kostbaarste namen die de Oemma kende.

Wat Najd betekent

Wat zegt deze veldtocht over het kalifaat dat haar bestelde. Iets eenvoudigs en iets diep. Het zegt dat Abu Bakr ﵁ geen koning was die zijn troon verdedigde. Hij was een oude koopman uit Banu Taym die had aanvaard dat hij de eerste opvolger van een Profeet ﷺ was, en die op de minbar had gezegd: ik ben in gezag gesteld en ik ben niet de beste van u. Toen het werkelijke probleem zich aandiende, was zijn antwoord niet het antwoord van een veldheer maar van een gelovige. Hij stuurde Khalid ﵁ uit om vijf zaken te bevechten, niet om een gebied te onderwerpen. Hij ontvouwde de vlag van la ilaha illa Allah, niet de vlag van Quraysh.

En dat is waarom de Oemma hem tot vandaag as-Siddiq, de waarachtige getuige, blijft noemen. Een man die in een week van uitgaande legers en stervende dochters, van gevallen sahabah en van begrafenissen in de nacht, niet inzakte. Hij ontving het slechte nieuws zoals hij het goede ontving: met de woorden innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn. Wij behoren aan Allah ﷻ, en tot Hem keren wij terug. Hij las de namen van ʿUkkashah ﵁ en Thabit ﵁ aan zijn raad voor en hij sprak een du’a over hen. Hij liep naar al-Baqi’ om het graf van Fatimah ﵂ na haar begrafenis te bezoeken, niet om aanwezigheid op te eisen die hij niet had gehad, maar om bij haar steen te knielen en te zwijgen, zoals een schoonvader zwijgt bij het graf van de dochter van zijn beste vriend.

De ketting van de Boodschap

In Najd was iets gebeurd dat in geen tekstboek zou worden opgenomen als een hoofdstuk. Slechts één zin bij Suyuti ﵀, een handvol namen, een terugkeer van afvalligen tot de islam. Maar wie de keten van de Boodschap begrijpt, ziet wat er feitelijk werd vastgesteld. Voor het eerst sinds de Boodschapper ﷺ uit Mekka was gevlucht en in Medina een staat had gegrondvest, was er een militaire actie ondernomen niet door hemzelf, niet onder zijn rechtstreeks bevel, maar door zijn opvolger in zijn naam. De Boodschap had haar tweede ademhaling. Wat de Profeet ﷺ had gevestigd, kon worden voortgezet door een ander zonder dat de essentie verschoof.

Khalid ﵁ wist dit toen hij van Najd terugkeerde voor proviand en nieuwe orders. Hij wist dat zijn zwaard nu niet meer in dienst was van de man die hem het zwaard had gegeven, maar van de Boodschap die door die man was overgeleverd. Het was hetzelfde zwaard, dezelfde hand, dezelfde shahadah. Maar de bevelhebber was niet meer de Boodschapper zelf, en het feit dat het zwaard niets van zijn scherpte had verloren bewees dat de Boodschap onafhankelijk was van het lichaam dat haar had gedragen.

Voor de dood van Fatimah ﵂ gold iets vergelijkbaars in een andere toon. Met haar verdween de laatste levende dochter van de Boodschapper ﷺ. De Profeet ﷺ liet vier dochters na; binnen zes maanden waren alle vier ofwel reeds bij hem ofwel hem in de aarde van Medina gevolgd. Slechts ʿAʾishah ﵂ en Hafsa ﵂ en de andere Moeders van de Gelovigen overleefden hem. De directe bloedlijn van de Boodschapper ﷺ door zijn dochters was nu in handen van twee jongens, al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁, die op hun zes en vijf jaren oud rondliepen in de kamer naast de moskee waar zij geboren waren.

De Oemma stond op een drempel. Aan de ene kant lag de tijd van de Profeet ﷺ, waarin de Boodschap door zijn persoon werd geleverd; aan de andere kant strekte de tijd uit waarin de Boodschap door zijn opvolgers, zijn metgezellen, zijn boek en zijn nakomelingen moest worden gedragen. Najd en al-Baqi’ tekenen samen die drempel. Het zwaard buiten en het graf binnen. Allebei in dezelfde maand, in dezelfde kalifaat, onder dezelfde as-Siddiq.

Het oog op het zuiden

Toen Khalid ﵁ na een korte rust in Medina werd ontboden, droeg Abu Bakr ﵁ hem de tweede opdracht over. Najd was gepacificeerd, de stammen waren teruggebracht, maar al-Yamamah was geen Najd. Daar lag Musaylimah, een man die zich profeet noemde, die zich liet Rahman al-Yamamah aanduiden, die zijn eigen qur’an dicteerde, die volgens latere overleveringen al meer dan honderd jaar oud was en wiens leger op tienduizenden werd geschat. Daar wachtte een gevecht waarover Suyuti ﵀ in alle zuinigheid een hele alinea geeft, en waarover de Oemma haar diepste verhaal van bekering en verlossing zou bewaren. Khalid ﵁ wendde zijn paard naar het zuidoosten, en de tweede maand van zijn campagne begon.

In Medina bleef de stilte van een nieuwe leegte achter. Fatimah ﵂ was begraven; Abu Bakr ﵁ was geboog over de berichten die uit Najd kwamen; ʿAli ﵁ was teruggetrokken in zijn kamer met de twee jongens; en op een nacht laat in Ramadan, of vroeg in Shawwal, las iemand bij een lamp Soera Yasin voor en het was alsof Medina opnieuw leerde wat de Profeet ﷺ had gezegd: dat elke ziel die op aarde komt, terug zal keren naar Hem, en dat de rust niet ligt in de muren van een huis maar in de woorden die over de muren omhoogtrekken.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 62–63.