InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het bestuur en de bayt al-Maal
De Rechtgeleide KhaliefenAbu Bakr as-Siddiq ﵁

Het bestuur en de bayt al-Maal

Een Kalief die niets bezat

Wanneer men het beeld zoekt dat het hele kalifaat van Abu Bakr ﵁ in één scène vangt, dan vindt men het niet op een slagveld, niet op een minbar, niet in een rechtbank. Men vindt het in een huis aan de rand van Medina, in de buitenwijk die as-Sunh heette. Daar stond een kamer met een houten lijst rond een eenvoudige deur. Achter die deur, op de aarden vloer, lagen wat zakken graan, een paar muntstukken in een lederen buidel, en de overschotten van de zakāt die in dat jaar uit Najd en uit Bahrein waren binnengekomen. Dat was het bait al-mal van het kalifaat. Dat was de schatkist van de gemeenschap waarvan op dat moment het schiereiland een wankele eenheid vormde, en die binnen vijftien jaar de paleizen van Kisra en de schatkamers van Caesar zou erven. Geen wacht stond aan de deur. Geen sleutel hing aan een gordel van een dienaar. Alleen een hangslot, simpel, een onnozele beveiliging tegen het enige wat hem werkelijk bedreigde: de gedachte van de gewone moslim dat zijn Kalief moest worden beveiligd tegen zijn eigen mensen.

Kaart laden...

Iemand vroeg het ooit aan de Kalief, met de zorg van wie het bestuur ernstig nam. “Wilt u niet iemand aanstellen om het te bewaken?” En Abu Bakr ﵁ antwoordde, in een zin die alles zegt over wat het kalifaat in deze eerste jaren was: “Er zit een slot op.” Hij sprak het zonder ironie. Hij meende het. Een gemeenschap waarin de mensen vasten omdat de Profeet ﷺ het hen had geleerd, waarin de gebeden vijfmaal per dag de straten verstilden, waarin de zwakste weduwe wist dat haar geiten door de Kalief in eigen persoon gemolken werden, hád geen wacht voor haar schatkist nodig. Het slot was een formaliteit. Het echte slot zat in de harten.

En de bewijzen hiervan komen ons via Suyuti ﵀, in een hoofdstuk dat hij plaatst tussen de militaire verhalen van Ubullah en Ajnadayn en de lange dood-narratief die volgt. Het is een soort tussenruimte in de tekst, een paar bladzijden waarin de schrijver zich keert tot wat dit kalifaat eigenlijk was, niet wat het deed. En wat hij ons geeft, is een serie scènes waarin Abu Bakr ﵁ zichzelf verkleint tot hij bijna niet meer zichtbaar is, juist op het moment dat zijn ambt het grootste werd dat een mens kon dragen.

Een halve schaap per dag

Toen Abu Bakr ﵁ tot Kalief werd verheven, op de morgen na het overlijden van de Profeet ﷺ, was hij een handelaar. Hij had heel zijn leven in Mekka in stoffen gehandeld, en die handel had hij na de Hijra in Medina voortgezet zoals een metgezel zijn gebed voortzette. Op de eerste morgen van zijn kalifaat, zo overlevert Suyuti ﵀, nam hij zijn stoffen op zijn schouder en liep hij naar de soek. Hij wilde verkopen wat hij had aan te bieden, zoals hij de avond ervoor had gedaan en de avond daarvoor en al die avonden van zijn volwassen leven. Wat moest hij anders? Een man heeft een vrouw, hij heeft kinderen, hij heeft een vader die nog leeft. Hij voedt hen.

Onderweg ontmoette hij ʿUmar ﵁ en Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁. Zij vroegen waar hij naartoe ging. Hij antwoordde: “Naar de soek.” Zij zeiden: “Wat moet u in de soek doen, terwijl u in gezag bent gesteld over de zaken van de moslims?” Abu Bakr ﵁ wendde zich verbaasd: “En hoe moet ik mijn familie voeden?”

ʿUmar ﵁ en Abu ʿUbaydah ﵁: Loop met ons mee, dan zullen wij u een toelage geven.

Abu Bakr ﵁: Mijn volk weet dat mijn beroep niet onmachtig is om voor mijn familie te zorgen, en ik ben bezet geraakt met de leiding en de zaken van de moslims, dus de familie van Abu Bakr ﵁ zal van dit goed eten terwijl hij beroepsmatig werkt voor de moslims.

Zo kwam de eerste toelage tot stand die een Kalief van de moslims ooit zou ontvangen. Niet uit hebzucht, niet uit aanspraak, maar uit de eenvoudige noodzaak dat een man die de gemeenschap besturen moet, geen tijd meer heeft om in stoffen te handelen, en dat zijn vrouw en zijn kinderen toch moeten eten. Hij stelde zelf de hoogte niet vast. De gemeenschap deed dat, na overleg, en zij kwam tot een toelage die in de bronnen wisselend wordt overgeleverd. De ene overlevering geeft een halve schaap per dag voor zijn gezin. Een andere noemt een vast bedrag in dirhams dat ongeveer hetzelfde uitkwam. Wat wij weten is dat het bedrag krap was, krap genoeg dat ʿAʾishah ﵂ later zou getuigen dat zij van het grove meel aten van wat ook de mensen aten, en zich kleedden in het ruige weefsel waarvan de mensen zich kleedden. Geen luxe, geen overvloed. De toelage was geen privilege; zij was een levenslang loon voor levenslange dienst.

Het bait al-mal van as-Sunh

Abu Bakr ﵁ woonde in as-Sunh, een buurt aan de rand van Medina waar hij sinds de Hijra een huis had genomen. Het was, naar Arabisch begrip, niet centraal. De Masjid an-Nabawi lag een wandelweg verwijderd. Wie naar de Kalief wilde, moest een eindje lopen. Toen hij Kalief werd, verhuisde hij niet. Geen ambt veranderde het patroon waarin hij sliep, waar hij at, waar hij zijn vrouwen en kinderen had ondergebracht. Zes maanden lang reed hij elke morgen vanuit as-Sunh naar de Masjid an-Nabawi, leidde het ʿAsr-gebed niet steeds maar wel het Fajr en daarna de algemene zaken, en keerde 's avonds terug. Pas later, na de eerste maanden, betrok hij een woning dichter bij de moskee, en dat alleen om praktische redenen.

In as-Sunh stond ook, in zijn eerste fase als Kalief, het bait al-mal van de moslims. Suyuti ﵀ geeft het in twee zinnen, en in die twee zinnen ligt een hele leer van bestuur:

“Abu Bakr ﵁ had een bait al-mal te as-Sunh dat niemand bewaakte. Iemand zei tegen hem: ‘Wilt u niet iemand aanstellen om het te bewaken?’ Hij zei: ‘Er zit een slot op.’ Toen hij stierf, openden zij het bait al-mal en vonden er niets in, geen dinar en geen dirham.”

Twee bewegingen in één passage. De eerste is de bewaking. De Kalief weigert wacht aan te stellen. Hij vertrouwt op het slot en op de mensen. Hij weet dat de gemeenschap nog dichtbij genoeg is bij wat de Profeet ﷺ haar geleerd heeft om geen rover te zijn voor haar eigen schatkist. Geen leger, geen torenwachten, geen verzegelde sleutels. Een hangslot. De tweede beweging is de boekhouding bij de dood. Wanneer de Kalief sterft en zijn opvolger ʿUmar ﵁ samen met de raadgevers het bait al-mal opent, is het leeg. Niet bijna leeg. Helemaal leeg. Geen dinar, geen dirham. Wat binnenkwam, ging eruit, naar de mensen voor wie het bestemd was. De Kalief was geen tussenstation waar geld bleef hangen. Hij was een leiding.

Suyuti ﵀ overlevert dat ʿUmar ﵁ huilde toen hij dat zag. Geen muntstuk had de Kalief voor zichzelf gehouden. Niets was er, ook niet in voorraad voor zijn weduwe ʿAʾishah ﵂ of voor zijn pasgeboren dochter Umm Kulthum ﵂. Ze hadden hem zelfs het kleed waarin hij begraven werd, gewassen omdat hij in zijn ziektebed had gezegd dat dat moest. ʿUmar ﵁ zou later met tranen in de ogen zeggen dat Abu Bakr ﵁ degenen na hem een norm had achtergelaten die zwaarder was om te dragen dan welke schat ook had kunnen zijn.

De geiten van de weduwen

Voordat hij Kalief werd, had Abu Bakr ﵁ in zijn buurt een gewoonte die de jonge vrouwen aan de waterput met respect en vertedering noemden. Hij melkte de geiten van de weduwen. In het oude Medina werden geiten 's morgens en 's avonds gemolken. Dat was vrouwenwerk, maar voor weduwen zonder zoons of zonen die nog te jong waren, was het zwaar. Abu Bakr ﵁, een man van middelbare leeftijd toen al, ging langs de huisjes waar geen man was, melkte hun geiten, en zette de schaal binnen de poort voor de vrouw die in huis was.

Toen hij Kalief werd, vreesden de meisjes die elkaar deze dienst toefluisterden dat het zou ophouden. Een Kalief heeft het druk. Een Kalief zit op de minbar, neemt afgevaardigden in ontvangst, beraadt zich met ʿUmar ﵁ en Abu ʿUbaydah ﵁. Een Kalief gaat geen geiten meer melken. Een jong meisje uit de buurt zei zelfs hardop wat zij allen dachten:

Een meisje uit as-Sunh: Nu zal hij ze niet meer voor ons melken.

Abu Bakr ﵁: Bij Allah, ik zal ze voor jullie blijven melken. Ik hoop dat dit aanstellen tot Kalief niets aan mij zal veranderen wat ik gewoon was.

En hij deed het. Maanden lang, tot zijn ziekte hem belette de straat op te gaan, ging de Kalief 's morgens vroeg langs de weduwen met de melkemmer, melkte, en zette de schaal neer. Geen ceremonieel. Geen herauten. Geen toespraak. Een man met emmer, een kameel of geit aan een leren riem, een aarden schaal, een korte groet, en weg.

Wat hier in stilte gebeurde, is moeilijk te overschatten. De Kalief van een schiereiland dat zojuist door de Ridda was gegaan en zojuist legers naar Iraq en naar Syrië aan het uitsturen was, deed het werk van een huisbediende voor de armste vrouwen van zijn buurt. Hij verklaarde, in de hele lijn van zijn handelen, dat de waardigheid van zijn ambt niet schuilde in het zich verwijderen van de mensen. Zij schuilde in het naderbij blijven. De Profeet ﷺ had voor de Hudaybiyyah de boog zelf gespannen, op de Khandaq met de spaden in de hand het zand uitgegraven, voor de Slag van Badr de eigen kameel meegevoerd. De Kalief volgde hem in alles, ook hierin.

Hoe de Kalief at en sliep

Wie Abu Bakr ﵁ in zijn kalifaatsjaren bezocht, vond hem zelden in een staat van overdaad. Hij at wat de gewone mensen aten. Hij sliep op een mat. Een dadelvrucht en een schaal melk waren een gewone maaltijd; een stukje schapenvlees op de hoge dagen een feestmaaltijd. ʿAʾishah ﵂ getuigde later dat zij in al haar maanden met haar vader als Kalief geen enkele dag het brood van witte tarwe op tafel hadden gehad. Het was altijd het gerstebrood van de armere arbeiders.

Zijn kleding was navenant. Twee witte hemden uit het ruige weefsel van Yemen, een mantel die hij meermaals had laten herstellen, een tulband die hij om de twee dagen wisselde. Bij zijn aantreden tot Kalief had de gemeenschap hem gevraagd zich behoorlijk te kleden voor delegaties die uit Najd of uit Bahrein zouden komen. Hij had ingestemd, maar de “behoorlijke” kleding bleef wat een gewoon koopman in Medina droeg, niet wat een vorst zou hebben aangetrokken.

Eens zat hij, zo overlevert een passage in dezelfde sectie van Suyuti ﵀, op de minbar in een gewassen hemd waarvan de zoom hier en daar was gestopt, en sprak hij de mensen toe over de plicht van eerlijkheid in de handel. Een nieuw bekeerde uit een verre stam, die voor het eerst de Kalief van de moslims zag, fluisterde tegen zijn buurman: “Is dit nou de Kalief? Dit is de Kalief?” Zijn buurman antwoordde: “Ja, dit is hij. En ja, dit is zijn enige hemd.” De man huilde, het wordt overgeleverd, tot hij niets meer kon zeggen.

Het overleg en de poort

De Kalief was beschikbaar. Dat is het eerste en het meest opmerkelijke kenmerk van zijn bestuur. Wie hem nodig had, kon hem benaderen. Geen gordel van wachten stond tussen de mensen en hem. Een Bedoeïen die met een geschil over een kameel uit Najd was gekomen, kon op de bank voor de moskee gaan zitten en wachten tot de Kalief naar het Asr-gebed zou komen, en zijn zaak voorleggen. Een weduwe wier zoon was gevallen op de Dag van al-Yamamah, kon aankloppen aan de deur van as-Sunh en haar vraag over haar erfdeel persoonlijk aan de Kalief stellen.

In het bestuur zelf had Abu Bakr ﵁ een raad die in geen enkel verdrag was vastgelegd, maar die in de praktijk gevormd werd door de oudste en wijste metgezellen. ʿUmar ﵁ was zijn dichtste adviseur, soms zijn tegenspeler, vaker zijn instrument. Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁ beheerde de financiën en de organisatie van de toelagen. ʿAli ibn Abi Talib ﵁ werd in juridische kwesties geraadpleegd waarin zijn diepe kennis van de openbaring en de Sunnah uitkomst bood. ʿAbd ar-Rahman ibn ʿAwf ﵁ en ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ namen deel aan de grote beraadslagingen. Geen besluit over oorlog en vrede werd door de Kalief alleen genomen. De shura, de wederzijdse beraadslaging, was een feit van zijn bestuur voordat zij een term in de boeken werd.

Wanneer de beraadslaging klaar was en de richting was vastgesteld, was de Kalief onverbiddelijk in de uitvoering. Wat in 11 AH had geleid tot zijn beslissing over de zakat-weigeraars, was hier de bron van zijn gezag. Hij had gezegd: “Bij Allah, ik zal hen bestrijden zolang het zwaard in mijn hand blijft, ook al weigeren zij mij een kamelenhalster.” Wie hem als beslissingnemer had gezien, herkende een man die niet aarzelde. Maar wie hem als persoon in as-Sunh ontmoette, vond een dienaar.

De eerlijkheid in de uitvoering

Eén anekdote, die Suyuti ﵀ ergens in deze passage aanhaalt, toont de bestuursstijl scherper dan welke regel ook. Een afgevaardigde uit een verre streek bracht een geschenk, een mooie mantel, voor de Kalief. Abu Bakr ﵁ keek de mantel aan, bewonderde de zachtheid van het weefsel, en gaf hem terug. Hij zei: “Dit is niet voor mij. Wat een Kalief wordt geschonken omdat hij Kalief is, behoort aan de moslims, niet aan de Kalief.” De mantel werd in het bait al-mal opgenomen, en verdeeld onder hen die er recht op hadden. De Kalief liep terug naar as-Sunh in het hemd dat hij die morgen had aangetrokken.

Eens betrapte ʿUmar ﵁ hem bij het sorteren van zijn eigen ontvangsten. De Kalief had aan zijn vrouw ʿAʾishah ﵂ een handvol munten gegeven die hij over had na de week, om eten van te kopen. Toen ʿUmar ﵁ binnenkwam, zag hij dat de Kalief nog een tweede handvol uitnam en die opzij legde in een aparte buidel. Hij vroeg wat dat moest betekenen. Abu Bakr ﵁ zei: “Dit is wat ik teveel heb gekregen deze week. Het gaat terug naar het bait al-mal.” ʿUmar ﵁ stond, vertelt de overlevering, een ogenblik sprakeloos. Toen zei hij: “Bij Allah, u hebt het ons moeilijk gemaakt voor wie na u komen.”

In dezelfde geest is overgeleverd dat Abu Bakr ﵁ tegen ʿAʾishah ﵂ zei: “Zie hoe veel deze toelage door de jaren heen mij heeft opgebracht, en geef het, wanneer ik sterf, terug aan ʿUmar ﵁ uit mijn erfenis.” Zij vertelde later dat zij na zijn dood de rekening had nageslagen: het kwam op enkele duizenden dirhams. En zij gaf het, zoals haar vader had gezegd, aan ʿUmar ﵁ terug, met de boodschap: “Mijn vader heeft gezegd dat dit niet zijn eigendom was, maar dat wat hij ontving als toelage uit het bait al-mal in feite het bezit van de moslims bleef. Hij geeft het terug.” ʿUmar ﵁ schreide. Hij zei: “Moge Allah ﷻ Abu Bakr ﵁ genadig zijn. Hij heeft degenen na hem zoveel moeilijker gemaakt dan zij anders zouden hebben gehad.”

De ootmoed in de minbar

De stijl waarin Abu Bakr ﵁ de mensen toesprak, was van hetzelfde stof gesneden als de stijl waarin hij zijn dagelijks leven leefde. Hij sprak kort en zonder versiering. Hij vermeed metaforen. Hij vermeed grote woorden. Op de minbar zijner inauguratie had hij gezegd: “Nu, mensen, ik ben in gezag over u gesteld en ik ben niet de beste van u. Indien ik dus goed doe, sta mij dan bij; en indien ik onrecht doe, zet mij dan recht.” Wat hij toen had gezegd, herhaalde hij door zijn gehele kalifaat in tien verschillende formuleringen. Hij vroeg de correctie. Hij vroeg de aanvulling. Hij vroeg het oordeel van de gemeenschap over zijn handelen.

En de gemeenschap gaf het. Eens wees een man hem in het openbaar terecht voor een gebod dat hij had uitgevaardigd. De Kalief luisterde, vroeg toelichting, overwoog, en herriep zijn besluit ter plekke. Een andere keer maakte een afgevaardigde een kanttekening bij een troepenverdeling. De Kalief keerde naar zijn raad, beraadslaagde opnieuw, en wijzigde de instructie aan de bevelhebber. Geen Kalief in de eeuwen die zouden komen, zou zo onbevangen worden gecorrigeerd in het openbaar als deze eerste Kalief. En geen Kalief zou de correctie zo zonder schaduw aanvaarden.

Het laatste woord aan ʿAʾishah ﵂

Op de drempel van zijn dood, terwijl de fever hem week aan week verteerde, riep Abu Bakr ﵁ ʿAʾishah ﵂ bij zich. Hij wees haar een aantal zaken aan en gaf haar de boodschap die zij na zijn dood aan ʿUmar ﵁ moest overbrengen. Een van die boodschappen was niet politiek. Hij was een terugblik. Suyuti ﵀ leverde de woorden over zoals zij door ʿAʾishah ﵂ zijn overgeleverd:

Abu Bakr ﵁: Wij werden in gezag gesteld over de zaken van de moslims, en wij namen voor onszelf geen dinar noch dirham, maar wij aten van het grove meel van hun voedsel in onze buiken, en wij kleedden ons met hun ruwe kleding op onze rug.

In deze zin staat het hele bestuur in twee bewegingen samengevat. Wat zij namen, was niets. Wat zij aten en wat zij droegen, was wat de mensen aten en droegen. Geen verschil tussen Kalief en arbeider in het bord en in het kleed. Geen privé-rijkdom uit het ambt opgebouwd. Geen erfenis aan kinderen nagelaten die niet door de moskee en het bait al-mal werd gecontroleerd. Een leven dat zo eenvoudig was geweven dat de dood er bijna geen vlek op kon achterlaten.

Het slot

In de duizend jaren die op deze passage zouden volgen, in elke hoek van de moslimwereld waar wijsgeren en geleerden zouden discussiëren over wat een rechtvaardige heerser was, zou deze ene zin door de teksten heen lopen als een rode draad. Wij namen voor onszelf geen dinar noch dirham. Zij werd opgenomen in de spiegelboeken voor prinsen, in de adviezen aan sultans, in de preken aan kaliefen die geheel anders leefden dan dit voorbeeld. Zij werd geciteerd, weersproken, geprezen, vergeten, herontdekt, beleden in de moskee en verlochend in het paleis. Maar zij bleef staan.

En zij stond, in de eerste plaats, niet als een theoretisch ideaal, maar als een feit. De man die haar uitsprak, had haar geleefd. Het bait al-mal van as-Sunh stond leeg. Het slot werd geopend, en er was niets. De boekhouding klopte tot op de laatste dirham, want er was geen tweede boekhouding nodig: alles wat binnenkwam, ging uit. De Kalief stierf in zijn eigen gewassen hemd, dat hij voor de begrafenis aan zijn dochter ʿAʾishah ﵂ had uitgeleend, met de instructie om het na de wassing van zijn lichaam terug te gebruiken. De levenden hebben er meer recht op dan de doden, had hij gezegd. Zo zuinig, zo zorgvuldig, zo trouw aan de gemeenschap was zijn laatste afscheid.

Het is daarom dat de Kalief geen wacht voor zijn bait al-mal nodig had. Een wacht heeft men nodig wanneer er iets te bewaken valt. Wanneer de schatkist altijd bijna leeg is omdat zij altijd uitstroomt naar de mensen, dan is de beste wacht het slot, en de beste sleutel het besef van de gemeenschap dat hun Kalief leeft van wat zij zelf eten. Dat besef had Abu Bakr ﵁ in de korte twee jaren en drie maanden van zijn ambt zo diep in de ummah geplant dat het, ondanks alle latere afwijking, nooit helemaal uit haar geheugen zou wegebben.

Hij is de norm. Hij blijft de norm. Niet de norm die haalbaar lijkt, maar de norm waaraan zonder uitzondering moet worden gemeten. Niet om elke heerser onmiddellijk te oordelen, maar om elke heerser de horizon te tonen waar het kalifaat ooit op stond. Een huis in as-Sunh. Een slot op een houten deur. Geen wacht. Geen dinar, geen dirham. En een man die 's morgens de geiten van zijn buurvrouwen melkte en 's middags afgevaardigden uit Bahrein ontving in dezelfde mantel die hij sinds de Hijra had gedragen.

Dat was Abu Bakr as-Siddiq ﵁ als Kalief. En dat is, in de strikte formulering van Suyuti ﵀, wat de eerste khalifat rasul Allah voor zijn gemeenschap is geweest.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 65–68, met aansluiting bij pp. 54 (inauguratierede) en pp. 61–62 (Ridda-besluit).