Slag van de Ketens (Dhāt al-Salāsil)
Khalid ibn al-Walid ﵁ trekt in Safar van het twaalfde jaar de zuidoostgrens over en ontmoet de eerste Perzische veldheer die hem in stelling wacht: Hormuz, die zijn voetvolk met ijzeren ketens aan elkaar heeft gebonden om de vlucht onmogelijk te maken. Wat Suyuti ﵀ samenvat in één werkwoord, “hij overviel”, is in de bredere kroniek een reeks ontmoetingen waarvan deze de eerste is.
Kaart laden...
De aanloop
In de laatste maanden van het elfde jaar na de Hijra waren de stammen van Najd, Bahrein, Oman, Hadramawt en Yemen teruggebracht in de gemeenschap. De Ridda was, op een handvol overlevende haarden na, voorbij. Khalid ﵁ stond op de noordrand van het schiereiland, na de zware dagen van al-Yamamah, met een leger dat door de winter van Centraal-Arabië was getrokken en dat nu, in de eerste weken van 12 AH, nieuwe instructies wachtte uit Medina.
Wat Khalid ﵁ tussen Banu Hanifa en Banu Bakr ibn Waʾil had gezien, liet zich niet meer wegdenken. Aan de andere kant van de duinen, voorbij de stammen die nog onder Perzisch protectoraat stonden, lag een wereld die zich tot dan toe vrijwel niets had aangetrokken van wat in Medina gebeurde. De Sasanieden hadden de Arabische stammen aan hun zuidwestelijke grens lang behandeld als grensvolk: nuttig voor schatting, betrouwbaar voor de bewaking van de karavaanwegen, maar niet als spelers in de politiek van het rijk. Khosrau Parviz had nog geen twintig jaar eerder de brief van de Boodschapper ﷺ verscheurd en de berichten uit Medina sindsdien afgedaan als zaken van een onbeduidend volk uit de woestijn.
De Perzische frontier-stammen, vooral de Banu Bakr ibn Waʾil en de Banu ʿIjl, hadden in die twintig jaar onder de schaduw van Ctesiphon geleefd. Zij betaalden tribuut, leverden hulptroepen aan de garnizoenen langs de Eufraat, en spraken een mengsel van Arabisch en Perzisch dat de kooplieden van de Hijaz nauwelijks konden volgen. Toen de berichten van de Ridda hen bereikten, kozen sommigen van hen kant: een aantal van Bakr ibn Waʾil, onder leiding van al-Muthanna ibn Haritha ash-Shaybani ﵁, had zich reeds tot de Islam gekeerd en voerde op eigen initiatief schermutselingen tegen de Perzische posten in zuidelijk Iraq.
Het was al-Muthanna ﵁ die het pleit voor Medina opende. Hij reisde, volgens de bredere kroniek, naar Abu Bakr ﵁ met het bericht dat de Perzische greep op de zuidelijke Eufraat zwakker was dan zij van buitenaf leek, dat de garnizoenen verspreid stonden, en dat een resoluut commandant met een goed leger het hele land tussen Hira en de Golf kon openen. Abu Bakr ﵁ luisterde en stuurde hem terug met een belofte: er zou hulp komen.
De brief van Abu Bakr ﵁
Khalid ﵁ ontving de brief in zijn kamp in Centraal-Arabië. De pen van Suyuti ﵀ verzwijgt de precieze bewoordingen, maar de algemene strekking is bewaard in de bredere kroniek: Khalid ﵁ moest met zijn leger noordwaarts trekken, contact maken met al-Muthanna ﵁ aan de Eufraat, en het land van Basra openen. “Na het beëindigen van het bestrijden van wie afvallig was geworden,” schrijft Suyuti ﵀ in zijn ene zin over de hele veldtocht, “zond as-Siddiq ﵁ Khalid ibn al-Walid ﵁ naar het land van Basra en hij overviel Ubullah.”
In die ene zin ligt de wending van het twaalfde jaar. De khalifah ﵁ die nog maanden eerder Usama ﵁ slechts tot al-Jurf te voet had vergezeld, zond nu zijn beste commandant niet naar een volgende Arabische stam maar naar een keizerrijk. De keuze was bewust. Khalid ﵁ had bij de Banu Asad geleerd hoe hij een cavalerie-aanval kon uitvoeren tegen een verzamelde formatie, hij had bij Yamamah geleerd hoe hij een fanatieke verdediging kon doorbreken, en hij had in de woestijn van Bahrein en Hadramawt indirect ervaring opgedaan met logistiek over lange afstanden. Geen ander beschikbaar bevelhebber bezat die drie eigenschappen tegelijk.
Abu Bakr ﵁: Trek naar het land van Basra, Khalid ﵁. Verenig u met al-Muthanna ﵁ aan de Eufraat. Wat zich tegen u verzet, breek het; wat zich tot u richt met verdrag, neem het aan.
Khalid ﵁ brak op met een kern van zijn leger. De bredere kroniek geeft cijfers die uiteenlopen van tien tot achttienduizend man, maar in de formulering van Suyuti ﵀ ontbreken die cijfers, en wij volgen zijn pen. Wat zeker is, is dat de mars vanaf Centraal-Arabië naar de zuidoostgrens van Iraq weken duurde, dat de route door dor land liep waar putten schaars waren, en dat Khalid ﵁ onderweg al-Muthanna ﵁ ontmoette en zijn leger versmolt met de plaatselijke moslims van Bakr ibn Waʾil.
Hormuz en zijn ketens
Tegenover Khalid ﵁ stond Hormuz, de Perzische gouverneur van het frontdistrict dat de Tigris-monding bewaakte. Hormuz was geen onbeduidend man. Hij voerde een marzban-titel, een grensvorst, en hij had het stelsel van garnizoenen langs de zuidelijke Eufraat onder zijn directe gezag. In de bredere kroniek wordt hij beschreven als hooghartig en onverbiddelijk, gevreesd door zowel de Perzen onder hem als de Arabische stammen die hem moesten dienen. Zijn naam werd onder de Arabieren een spreekwoord: “Trouweloos als Hormuz, hooghartig als Hormuz.” Wie aan hem werd uitgeleverd, wist dat hij weinig genade kon verwachten.
Hormuz had zijn voetvolk klaargezet op een vlakte ten noorden van Kazimah, aan de monding van de Khawr-baai die in de Golf uitloopt. De plek, dichtbij wat vandaag de Koeweitse kust heet, was gekozen voor zijn open terrein: een commandant met cavalerie kon hier zijn formaties uitspreiden. Maar Hormuz nam een maatregel die zelfs zijn eigen officieren had moeten verbazen. Hij liet zijn voorste linies, naar de bredere kroniek, met ijzeren ketens aan elkaar binden, soldaat aan soldaat, in groepen van drie tot tien. De ketens waren geen symbolisch ornament; zij waren een fysieke onmogelijkheid van vlucht.
Het doel was eenvoudig en wreed. Hormuz wist dat zijn voetvolk, samengesteld uit hulptroepen en gemengde lokale rekruten, niet de discipline had van de keizerlijke savaran-cavalerie. Wanneer de eerste linies zouden breken, zouden de tweede en derde lijnen mee terugvloeien, en de hele formatie zou ineenstorten. Door de mannen aan elkaar te ketenen, dwong hij hen om als één blok stand te houden of als één blok te vallen. Het bracht het slagveld zijn naam: Dhāt al-Salāsil, “die van de Ketens”.
In de spirituele lezing van de overlevering is deze keten een teken. Een leger dat zijn eigen mannen moet ketenen om hen te laten blijven, heeft zijn innerlijke moed reeds verloren. De Boodschapper ﷺ had gezegd dat de moslim zijn rug naar de vijand niet keert en dat de overwinning komt door geduld en gebed, niet door ijzer en dwang. Wat Hormuz met ijzer probeerde te bereiken, droeg in zich de kiem van zijn ondergang.
Khalid ﵁ kreeg, voordat de slag begon, een uitnodiging van Hormuz tot een tweegevecht. De praktijk van de mubaraza, het tweegevecht tussen commandanten, was zowel onder de Arabieren als onder de Perzen oud, en Hormuz vertrouwde op zijn eigen kracht en op een hinderlaag die hij van plan was te zetten op het moment dat Khalid ﵁ naar voren zou komen. De bredere kroniek geeft de scène met enige uitvoerigheid; wij volgen haar in hoofdlijn omdat zij wezenlijk is voor het begrip van wat volgde.
Khalid ﵁ aanvaardde. Hij steeg af van zijn paard, liep naar het midden van de vlakte, en wachtte. Hormuz kwam te paard tegenover hem. Toen de twee bevelhebbers elkaar naderden, gaf Hormuz een teken aan zijn lijfwacht om uit een nabijgelegen geul tevoorschijn te springen. Maar Khalid ﵁ had de beweging opgemerkt; hij wierp zich op Hormuz, greep hem vast, en doodde hem met zijn eigen zwaard op het moment dat de Perzische lijfwacht naderde. Een tweede moslim-commandant, al-Qaʿqaʿ ibn ʿAmr at-Tamimi ﵁, kwam Khalid ﵁ te hulp en sloeg de lijfwacht uiteen.
De val van Hormuz was niet het einde van de slag, maar zij was het einde van de Perzische standvastigheid. De voetlinies, gebonden aan hun ketens, hadden geen commandant meer; zij hadden geen plan, geen signaal, geen retraitepunt. Toen de cavalerie van Khalid ﵁ de flanken aanviel en de moslimboogschutters de eerste linies onder vuur namen, kon het Perzische blok zich noch herschikken noch terugtrekken. De ketens die hen aan het slagveld moesten binden, maakten hen tot een vast doelwit.
De slag
De aanval van Khalid ﵁ verliep, zoals het zijn gewoonte was, in drie golven. De cavalerie van de rechtervleugel, onder ʿAdi ibn Hatim at-Taʾi ﵁, viel de linker-Perzische flank aan en dreef haar in op het centrum. De cavalerie van de linkervleugel, onder ʿAsim ibn ʿAmr ﵁, deed hetzelfde aan de andere kant. Het centrum, onder Khalid ﵁ zelf, hield de Perzische voorhoede vast door een frontale aanval die niet bedoeld was om door te breken, maar om de gevangen voetsoldaten geen gelegenheid te geven hun ketens te ontbinden.
De moslims spaarden, naar de bredere kroniek, geen pijl en geen lans. De Perzische gevangenen die op het slagveld werden achtergelaten met hun ijzeren banden, werden bevrijd door de moslims zelf, die de ketens losslaagden en de overlevenden naar achteren brachten. De buit was buitengewoon: behalve de gewone wapenrustingen en paarden bracht het Perzische kamp een schat aan goud, zilver en kostbare gewaden mee, want Hormuz had de gewoonte zijn rijkdom als marzban ter plaatse bij zich te dragen.
Onder de buit bevond zich één voorwerp dat de Arabische verbeelding eeuwen heeft beziggehouden. Hormuz droeg een kostbare hoofdtooi, een soort tulband met goud doorweven en bezet met edelstenen, die in de Perzische hofgewoonte alleen aan marzbans van zijn rang werd toegestaan. De bredere kroniek meldt dat de tooi alleen al een waarde had van honderdduizend dirham. Khalid ﵁ liet de hoofdtooi apart leggen en zou haar, met het overige eenvijfde deel van de buit, naar Medina laten zenden.
De geografie van Kazimah
Voordat de pen verdergaat naar de boodschap die de ruiter uit het kamp van Khalid ﵁ naar Medina droeg, moet de geografie van de plek zelf worden vastgehouden. Kazimah, op de noordkust van wat vandaag de Koeweitse baai heet, was in de zevende eeuw geen onbeduidende plek. Zij lag op de overgang tussen de Arabische woestijn en de Mesopotamische delta, op het punt waar de karavaanroutes uit Centraal-Arabië de zoutmoerassen van de Khawr-baai bereikten en zich oostwaarts vertakten naar de Perzische havens of noordwaarts naar de Eufraat. Een leger dat Kazimah controleerde, hield de sleutel in handen van de zuidelijke benadering van Iraq.
De Perzen wisten dit en hadden eeuwenlang een grenswachtsysteem in stand gehouden dat de marzban van het district verantwoordelijk maakte voor de verdediging van deze drempel. Hormuz had zijn voorgangers gevolgd in het opwerpen van vaste posten langs de baai, met klein-garnizoenen in Hufayr, in Ubullah en in een reeks tussenliggende oases waar water beschikbaar was. Het hele systeem werkte zolang de Arabische stammen aan de overkant van de duinen verdeeld bleven. Wanneer één commandant de stammen wist te verenigen onder één vlag, brak het systeem af.
Dit was wat Khalid ﵁ deed in de weken voorafgaand aan Dhāt al-Salāsil. Hij verenigde de moslims van Bakr ibn Waʾil onder al-Muthanna ibn Haritha ﵁ met zijn eigen leger uit Centraal-Arabië, en hij voegde aan beide de plaatselijke kennis van de oases toe die hijzelf miste. Geen Perzisch marzban had verwacht dat een leger uit de Hijaz in staat zou zijn de watervoorzieningen langs de zuidkust te beheersen; geen Perzisch marzban had verwacht dat de Banu Bakr, die eeuwenlang als tribuutbetalers waren behandeld, hun trouw zo snel zouden verleggen naar een nieuwe centrale gezagsdrager in Medina.
De wending bij Kazimah is daarmee niet alleen een militaire wending. Zij is een sociale wending in de geografie van het schiereiland. Stammen die vroeger naar Ctesiphon keken voor hun verticale binding, keken nu naar Medina. De keten die Hormuz om zijn voetvolk liet smeden, was een uiterlijk teken van een innerlijke onbinding die hij niet meer kon herstellen: zijn leger werd vastgehouden door ijzer, omdat de hand van loyaliteit die hen vroeger had gebonden, was losgelaten.
De buit en de boodschap
Hier ligt het ogenblik dat Dhāt al-Salāsil onsterfelijk heeft gemaakt in het collectieve geheugen van de oemma, en het verdient een afzonderlijke vermelding. Khalid ﵁ verzamelde zijn officieren, scheidde de khums, het eenvijfde deel dat naar de schatkist in Medina toeviel, en gaf het over aan een ruiter met opdracht het in spoed naar Abu Bakr ﵁ te brengen. De vier vijfde delen verdeelde hij onder de strijders volgens de Sunnah die de Profeet ﷺ had vastgesteld bij Khaybar en bij Hunayn: de ruiter ontving twee delen, de voetsoldaat één deel, en de bevelhebber niets meer dan zijn rang van strijder hem toekende.
Toen de ruiter de hoofdtooi van Hormuz in Medina overhandigde, gebeurde wat de bredere kroniek met een mengsel van bewondering en zachte humor heeft bewaard. Abu Bakr ﵁ bekeek het kostbare voorwerp, woog het in zijn hand, en gaf het, zonder een ogenblik aarzeling, terug aan Khalid ﵁ met de boodschap dat het persoonlijk aan hem werd toegekend als erkenning van zijn dapperheid op het slagveld. “Dit is voor Khalid ﵁,” zou Abu Bakr ﵁ hebben gezegd; “hij heeft het verdiend met zijn zwaard.”
De daad van Abu Bakr ﵁ was niet alleen een geste van waardering. Zij was een principekeuze. In een tijd waarin een nieuwe veldtocht andere bevelhebbers had kunnen verleiden tot zelfverrijking, zette de khalifah ﵁ een precedent: de buit hoort aan de gemeenschap, de eer aan de strijder. Geen heerser in Medina raakte het persoonlijk eigendom van een commandant aan; geen commandant in het veld trok meer dan zijn deel aan zich. De keten van vertrouwen tussen Medina en het Iraakse front, die in de komende jaren over duizenden kilometers heen zou moeten houden, werd in deze ene daad gesmeed.
ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, die in Medina aanwezig was bij de aankomst van de ruiter, had naar de overlevering enige bedenking. Was het juist, vroeg hij zich af, dat de khalifah ﵁ een voorwerp van zulke waarde uit de buit nam en aan één man teruggaf? Abu Bakr ﵁ antwoordde, naar de bredere kroniek, met een formulering die ʿUmar ﵁ overtuigde: “Khalid ﵁ heeft het verdiend, en wij geven hem wat hem toekomt. Wij hebben voor onszelf geen dinar noch dirham genomen.” De zin sluit aan op het zelfportret dat Abu Bakr ﵁ in zijn hele khilafah herhaalde, en die in het twaalfde hoofdstuk van dit deel uitvoerig is besproken.
Wat erop volgde
De val van Hormuz en de inname van zijn kamp opende de weg naar Ubullah. Het leger van Khalid ﵁ trok vanaf het slagveld van Dhāt al-Salāsil noordwestwaarts langs de zuidelijke oever van de Khawr-baai, en bereikte binnen weken het Sasanidische havenstadje aan de monding van de Shatt al-ʿArab. Daar voltrok zich wat in het negende hoofdstuk van dit deel is verteld: de overval op Ubullah, de inname van de haven, en de doorbraak naar het binnenland van Iraq.
Suyuti ﵀ vat dit alles, vanaf de eerste opening tot de inname van Madāʾin, samen in één zin. Zijn pen verzwijgt Hormuz, verzwijgt de ketens, verzwijgt de hoofdtooi. Maar zijn werkwoord, “hij overviel”, is precies en zorgvuldig gekozen: het is geen werkwoord van langzame belegering, niet van geduldige onderhandeling, maar van een snelle en doortastende aanval die de tegenstander geen tijd geeft om zich te herstellen. Dhāt al-Salāsil is, in dit opzicht, het concrete voorbeeld waarvan het algemene werkwoord van Suyuti ﵀ een samenvatting is.
Het leger van Khalid ﵁ telde na Dhāt al-Salāsil zijn gevallenen. De cijfers in de bredere kroniek lopen uiteen, maar de eensgezindheid is dat de moslims weinig verliezen leden in verhouding tot de Perzische slachting. De ketens die Hormuz had bevolen, hadden zijn eigen mannen tot een vast en uitgeput doelwit gemaakt, terwijl de ruiters van Khalid ﵁ licht en snel bleven. De rust na de slag werd kort gehouden. Khalid ﵁ deelde de buit uit, zond de khums met de ruiter naar Medina, en gaf bevel tot de mars op Ubullah.
In de spirituele lezing van wat tussen Safar en Rabīʿ al-Akhirah van het twaalfde jaar gebeurde, ligt een patroon dat zich in de hele Iraakse veldtocht zou herhalen. Een hooghartige Perzische bevelhebber, vertrouwend op zijn eigen kracht en op het materieel van zijn rijk, ontmoet een moslim-commandant die niets meer bij zich heeft dan zijn manschappen, zijn zwaard en het gebed van de gemeenschap die hem heeft gezonden. De Perzische bevelhebber valt, niet omdat de moslim sterker is in mannen of in uitrusting, maar omdat de keten die hij om zich heen gesmeed heeft, hem heeft beroofd van het enige wat een leger in nood overeind houdt: het hart van de strijder die uit eigen beweging blijft staan.
Abu Bakr ﵁ in Medina ontving het bericht en, naar de bredere kroniek, prees Allah ﷻ en stuurde Khalid ﵁ verdere instructies. De khilafah ﵁ die in haar eerste jaar nog bezig was geweest met inwendige genezing, opende nu, in haar tweede jaar, een nieuwe ruimte voor de gemeenschap. Tussen de val van Hormuz en de inname van Madāʾin, in het bestek van enkele maanden, kantelde de geografische horizon van de moslims van een schiereiland naar een wereld.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 64.
- De naam Dhāt al-Salāsil, de figuur van Hormuz, de hoofdtooi, het tweegevecht en de uitspraak van Abu Bakr ﵁ over het aandeel van Khalid ﵁ komen niet uit Suyuti zelf maar uit de bredere kroniek van at-Tabari (Tarikh ar-Rusul wa’l-Muluk, jaar 12) en Ibn Kathir (al-Bidaya wa’n-Nihaya, deel 6). Wij hebben deze waar nodig aangegeven met “de bredere kroniek”.
