De wond die niet droogde
Medina in de eerste weken na de Slag bij al-Yamamah was een stad in twee tempo’s. Buiten de moskee, in de straten en op de markten, ging het leven door zoals het in elke stad doorgaat na een grote slag: de gewonden werden verzorgd, de weduwen werden onderhouden, de gevangenen werden geteld. Binnen de moskee bewoog iets trager. Daar werden in de stille uren de namen herinnerd. Zayd ibn al-Khattab ﵁ van wie ʿUmar ﵁ in zijn hart een lege plek droeg die hij niet wilde laten vullen. Abu Hudhayfah ibn ʿUtbah ﵁ en zijn vrijgemaakte Salim ﵁ die in de aarde van Yamamah hand aan hand waren neergelegd. Thabit ibn Qais ibn Shamas ﵁ wiens stem van de minbar van de Profeet ﷺ niet meer terug zou komen. Abu Dujanah ﵁ wiens zwaard tegen Musaylimah had geslagen en die zelf onder de muur was gevallen.
Zeventig namen. Suyuti ﵀ heeft ze opgenomen in zijn relaas; de Oemma heeft ze in haar liturgie bewaard. Maar onder die zeventig was iets anders begraven dan alleen mannen. Onder hen waren huffaz, dragers van de Quran in hun borst, mannen die hele soera’s met de Profeet ﷺ hadden doorgenomen en die in de moskee voor de andere sahabah hadden voorgezegd. Hun mond was nu in de aarde. Hun keel was stil. En wat zij hadden gedragen, bestond nog wel, maar bestond ergens anders, in andere borsten en op andere fragmenten, zonder dat één centrale instantie het had verzameld.
Voor de meeste sahabah was dat geen probleem. Zij wisten wat zij wisten. Zij baden Fajr en Dhuhr en ʿAsr en Maghrib en ʿIsha met de soera’s die zij van de Profeet ﷺ hadden geleerd. Hun gebed was hun bewaring. Maar voor één man, een man met een vooruitziend hart en een natuur die in elke zaak het uiterste tot zijn logische einde dacht, was de stilte van Yamamah luider dan voor enig ander. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ kon niet slapen.
De voetstap naar as-Sunh
Op een avond, vermoedelijk in de eerste maanden van 12 AH, liep ʿUmar ﵁ van zijn eigen huis door de smalle straten van Medina naar de buitenwijk as-Sunh, waar Abu Bakr ﵁ zijn karige verblijf had. De khalifa woonde daar in een gewoon huis, zonder hofhouding, zonder schildwachten, met een bait al-mal die in een onbewaakte kist achter zijn deur lag. Wie hem wilde spreken klopte aan zoals een buur aanklopt.
ʿUmar ﵁ klopte. Het was de tweede man van de Oemma die de eerste man kwam zien, niet voor een militaire vraag, niet voor een fiscale kwestie, maar voor een zaak die nog geen woord had. Abu Bakr ﵁ opende. Zij gingen zitten op het strooien matje in de halfduistere kamer. Het lampje brandde laag. Op het matje tussen hen lag niets, maar in de stilte tussen hen lag de Slag bij Yamamah.
ʿUmar ﵁ kwam met een zin die hij in zijn hoofd had gepolijst zoals een steen wordt gepolijst tussen twee handen.
ʿUmar ﵁: De slachting van de mensen op de Dag van al-Yamamah was zeer uitgebreid, en ik vrees dat de doding zich zal uitstrekken tot de reciteurs in deze gevechten, zodat veel van de Quran zal verdwijnen tenzij zij hem verzamelen. Ik geloof dat de Quran moet worden verzameld.
Hij sprak het uit, en het bleef hangen in de lucht zoals een zware mantel die niet meteen valt. Abu Bakr ﵁ keek hem aan. Het was geen verzoek om een mening; het was een voorstel dat de hele tot dan toe bekende werkwijze van de Oemma op zijn kop zou zetten. De Profeet ﷺ had de Quran niet als één gebonden boek nagelaten. Hij had hem mondeling doorgegeven en in stukken laten optekenen, soera per soera, vers per vers, op wat materiaal voorhanden was, en hij had de volgorde binnen elke soera onder begeleiding van Jibril ﵇ vastgesteld. Maar één codex, één gebonden eenheid, één centrale archieftekst van alle soera’s tussen twee borden, dat had hij niet nagelaten. Het was nooit zijn opdracht geweest. En nu vroeg ʿUmar ﵁ aan Abu Bakr ﵁ om iets te doen wat de Boodschapper ﷺ zelf niet had gedaan.
Het antwoord van Abu Bakr ﵁ was niet wat ʿUmar ﵁ had verwacht. Het was niet de instemming van een politicus die elk goed plan omarmt. Het was de aarzeling van een gelovige voor wie elke afwijking van wat de Profeet ﷺ had gedaan een eerste vermoeden van bid’ah is.
Abu Bakr ﵁: Hoe kan ik iets doen dat de Boodschapper van Allah ﷺ niet heeft gedaan?
In die ene vraag ligt de hele zorgvuldigheid van het eerste kalifaat. Abu Bakr ﵁ was de man die zijn leger had uitgestuurd op een expeditie die zelfs ʿUmar ﵁ wilde tegenhouden, met de woorden dat hij geen vlag van de Boodschapper ﷺ zou losmaken zolang hij ademde. Diezelfde man wilde nu geen actie ondernemen die de Boodschapper ﷺ niet had genomen, juist omdat hij de Boodschapper ﷺ niet wilde voor zijn. Het was geen luiheid. Het was taqwa. Het was de wakkere voorzichtigheid van een man die wist dat een khalifa niet de ruimte heeft om creatief te zijn met wat onder zijn voorganger heilig was geweest.
De volharding van ʿUmar ﵁
Maar ʿUmar ﵁ ging niet weg. Hij was niet gekomen om een nee als slotwoord te aanvaarden. Hij begon te argumenteren met dezelfde rust waarmee de Quran zelf in Soera al-Anfal de gelovigen aanspoort om zaken in shura uit te wisselen tot helderheid daalt. Hij sprak van de huffaz die waren gevallen. Hij sprak van de campagnes die nog wachtten, in Iraq, in Syrië, in Bahrein, in Oman, waarin opnieuw huffaz zouden vallen. Hij sprak van de verspreide fragmenten in honderden huishoudens, op stukken perkament en bot en palmsteel, zonder dat een centrale instantie wist welk fragment authentiek was en welk fragment een Metgezel ﵁ in de marge had bijgeschreven als persoonlijke uitleg.
Hij zei niet: u hebt ongelijk. Hij zei: bezie het zo. Hij zei niet: de Profeet ﷺ liet werk onaf. Hij zei: wat hij heeft nagelaten kan in zijn naam worden voltooid omdat hij ons heeft bevolen het Boek te bewaren. De Profeet ﷺ had de Quran door iedere wahy-schrijver laten noteren, hij had geboden hem te memoriseren en te reciteren, hij had bevolen om “wat van mij komt, schrijf op”. Wat ʿUmar ﵁ nu voorstelde, was geen nieuwigheid maar de logische voltooiing van wat de Profeet ﷺ zelf op de drempel van zijn dood had nagelaten.
Het gesprek duurde lang. Wat Suyuti ﵀ ervan opneemt is bondig: zij wisselden van standpunt, ʿUmar ﵁ bracht zijn argument, Abu Bakr ﵁ stelde zijn vraag opnieuw, ʿUmar ﵁ hernam zijn argument. En toen, op een gegeven moment, kantelde iets in Abu Bakr ﵁. Het kantelen kwam niet door overrediging in de gewone zin. Het kwam doordat Allah ﷻ, zo zou Abu Bakr ﵁ later zeggen, zijn borst opende voor de zaak. Hij kreeg innerlijke ruimte waar eerst aarzeling had gestaan. Hij zag wat ʿUmar ﵁ zag.
Abu Bakr ﵁: Het is, bij Allah ﷻ, goed.
Vier woorden. Wallahi, innahu khayr. In hen ligt het hele besluit. Het is niet alleen toegestaan; het is khayr, een goed. Niet een neutrale daad maar een verdienstelijke. Niet een afwijking van de soenna van de Profeet ﷺ maar een verdedigende vesting eromheen. Abu Bakr ﵁ ging slapen die nacht met de zekerheid van een man die een grote beslissing heeft genomen die hij niet eerst voor mogelijk had gehouden. ʿUmar ﵁ ging slapen met de zekerheid van een man die wist dat hij niet voor niets had volhard.
De keuze van Zayd ﵁
De volgende ochtend, in dezelfde moskee die de namen van de zeventig nog in haar pijlers droeg, lieten Abu Bakr ﵁ en ʿUmar ﵁ Zayd ibn Thabit ﵁ ontbieden. Hij was een jongeman in zijn vroege twintigerjaren, een Ansari uit Banu an-Najjar, een leerling die als kind in Medina door de Profeet ﷺ persoonlijk was opgeleid in lezen en schrijven en die later, in de jaren van de openbaring, was uitgegroeid tot een van de hoofd-wahy-schrijvers. Hij had verzen onder dictee genoteerd op het moment dat zij neerdaalden. Hij had ze teruggelezen aan de Profeet ﷺ ter controle. Hij was bij de tweevoudige ʿarda van het laatste jaar aanwezig geweest, de jaarlijkse herziening waarbij Jibril ﵇ en de Profeet ﷺ de gehele Quran van begin tot eind samen reciteerden, en die in dat laatste jaar tweemaal werd uitgevoerd. Hij was, kort gezegd, de meest gekwalificeerde levende mens voor wat nu te doen stond.
Abu Bakr ﵁ sprak hem aan in een formulering die in haar nuchterheid alle latere lof voor Zayd ﵁ overbodig maakt.
Abu Bakr ﵁: Jij bent een intelligente jonge man en wij hebben geen twijfels over jou. Jij placht voor de Boodschapper van Allah ﷺ de openbaring te schrijven. Zoek de Quran op en verzamel hem.
Vijf kwalificaties verpakt in twee zinnen. Hij is jong, dus hij kan de fysieke inspanning aan. Hij is intelligent, dus hij kan over het oordeel beschikken dat het werk vereist. Hij staat boven verdenking, want niemand in de Oemma had iets onaangenaams over hem te zeggen. Hij heeft de openbaring zelf onder de Profeet ﷺ opgeschreven, dus de tekst is in zijn handen niet nieuw. En in de impliciete vijfde kwalificatie ligt zijn aanwezigheid bij de definitieve ʿarda, want wie de tekst tweemaal met de Profeet ﷺ in het laatste jaar heeft doorgenomen, kent de eindversie.
Wat in Zayd ﵁ gebeurde op het moment dat hij de opdracht hoorde, heeft hij later zelf onder woorden gebracht. Het is een van de meest aangrijpende getuigenissen in de hele islamitische tekstgeschiedenis, en Suyuti ﵀ bewaart het bijna woordelijk.
Zayd ﵁: Bij Allah ﷻ, als hij mij de verantwoordelijkheid had opgelegd om een van de bergen te verzetten, het zou voor mij niet zwaarder zijn geweest dan wat zij mij bevolen te doen, namelijk het verzamelen van de Quran.
Een berg verzetten. Niet een berg in een gelijkenis, maar een van de werkelijke bergen die rond Medina liggen, Uhud of Sal’ of die anonieme zwarte verheffingen ten zuiden van de stad. Zayd ﵁ vergeleek het werk waarvoor hij was gevraagd niet met een grote intellectuele inspanning maar met een fysiek onmogelijkheid. En toch zei hij ja. Hij weigerde niet, hij stelde niet uit, hij vroeg niet om een collega. Hij boog zijn nek en aanvaardde, zoals de Profeet ﷺ hem had geleerd elk bevel in de Boodschap aan te vaarden: met het hart eerst, het verstand daarna.
De methode
Wat Zayd ﵁ daarna deed, is wat de Oemma haar geconsolideerde tekst heeft gegeven. De methode die hij voor zichzelf vastlegde, is in haar gestrengheid niet door enige latere tekstkritische school overtroffen. Hij stelde één regel: geen vers wordt opgenomen tenzij er twee getuigen voor zijn. En achter die regel bracht hij een protocol aan dat in zijn discipline scherper was dan de moderne filologie zou durven eisen.
Wat betekende “twee getuigen”. Niet twee hafiz-en die hetzelfde vers van buiten kenden, want dat had Zayd ﵁ zelf al voldoende kunnen verifiëren met zijn eigen geheugen en dat van zijn collega’s. Het betekende: een geschreven fragment dat in de directe aanwezigheid van de Profeet ﷺ was genoteerd, gestaafd door de mondelinge bevestiging van iemand die het samen met hem of in dezelfde sessie had gehoord. Geen kopie van een kopie. Geen wat iemand zich herinnerde van wat hij ergens had gehoord. Eerste-hands schriftelijk bewijs, gestaafd door eerste-hands mondelinge bevestiging.
Zayd ﵁ kende de hele Quran van buiten. Hij had hem twee keer met de Profeet ﷺ doorgenomen tijdens de ʿarda. Hij had hem onder dictee genoteerd in zijn eigen handschrift. Hij had de volledige tekst in zijn hoofd en in zijn persoonlijke geschriften kunnen opschrijven en het werk in een paar weken kunnen afronden. Hij weigerde dat te doen. Hij weigerde te vertrouwen op zijn eigen geheugen alleen. Hij weigerde te vertrouwen op zijn eigen geschriften alleen. Hij eiste van zichzelf dezelfde dubbele bewijslast die hij van iedere andere Metgezel ﵁ eiste. Zijn naam, zijn nabijheid, zijn rol als wahy-schrijver, zijn aanwezigheid bij de ʿarda, niets daarvan gaf hem een vrijstelling. Voor de Quran gold één standaard, en die standaard gold ook voor hemzelf.
Dit is geen kleinheid. Dit is de hoogste vorm van wetenschappelijke discipline. Het is de erkenning dat een tekst die voor altijd het Woord van Allah ﷻ zal blijven, niet kan rusten op de autoriteit van één man, hoe vroom of geleerd ook. Hij moet rusten op een netwerk van onafhankelijk gecontroleerde getuigenissen die elkaar in alle richtingen bevestigen.
De materialen
Abu Bakr ﵁ vaardigde een algemene oproep uit in Medina. Wie ook maar één vers van het Boek van Allah ﷻ in geschreven vorm bezat, gestaafd door twee getuigen, kwam aan de poort van de moskee om het in te leveren. Zayd ﵁ stelde een werkruimte op binnen de moskee zelf, het centrale punt van de gemeenschap, opdat het werk publiek en zichtbaar zou zijn. Geen verborgen redactie achter gesloten deuren, geen heimelijke selectie. De Oemma kon dag aan dag de stromen materiaal zien binnenkomen.
En het materiaal stroomde binnen in een diversiteit die de moderne lezer haar adem ontneemt. Zayd ﵁ heeft het zelf later beschreven, en zijn woorden zijn door de overlevering bewaard. Hij verzamelde de Quran, zo zei hij, min al-riqāʿ wa al-likhāf wa al-ʿusub wa min sudūr ar-rijāl.
Riqāʿ, perkamenten, gemaakt van bewerkte huiden. Het meest hoogwaardige materiaal, kostbaar, en daarom in gelimiteerde hoeveelheden voorhanden in een woestijnstad. Likhāf, platte witte stenen, dun genoeg om beschreven te worden. ʿUsub an-nakhl, palmbladstelen, het droge basisstuk van de palmtak, waarop in inkt de openbaringen waren genoteerd. Aktāf, schouderbladen van schapen en kamelen, vlak en breed genoeg voor enkele regels. Adlāʿ, ribben van dieren. Qitaʿ al-adīm, stukken bewerkt leer. Alwāh, houten planken.
En sudūr ar-rijāl, de borsten van mannen. Het geheugen van de hoeffaz. Niet als hoofdbron, maar als verifiërende pijler naast de schriftelijke pijler. Wat de gemeenschap aan fragmenten binnenbracht, werd op de tafel van Zayd ﵁ neergelegd; wat zij in haar gezamenlijke geheugen droeg, werd ernaast gelegd. De twee pilaren moesten elkaar dragen.
Het beeld dat hier oprijst, is van een gemeenschap die haar eigen tekstarchief letterlijk uit haar huizen optilde. Een man kwam binnen met een schouderblad waarop hij in de aanwezigheid van de Profeet ﷺ drie verzen van Soera al-Furqan had geschreven. Een ander kwam met een palmstele waarop hij verzen van Soera al-Hadid had genoteerd. Een vrouw stuurde haar zoon met een stuk perkament dat haar overleden echtgenoot had bewaard. Voor elk fragment werden twee getuigen gezocht. Voor elk vers werd de mondelinge versie naast de geschreven versie gelegd. De Oemma was getuige van haar eigen tekstbewaring.
De twee verzen van Soera at-Tawbah
In elke compilatie komt het moment waarop de procedure aan haar eigen grens raakt. Voor Zayd ibn Thabit ﵁ was dat moment de laatste twee verzen van Soera at-Tawbah, ook bekend als Soera Bara’a. Hij kende ze. Hij kende ze van buiten. Hij had ze ongetwijfeld vele malen gereciteerd en gehoord in de moskee. Andere hoeffaz onder zijn collega’s konden ze eveneens uit hun geheugen opzeggen. Maar Zayd ﵁ vond ze niet op een geschreven fragment dat aan zijn protocol voldeed. En zonder geschreven document dat in de directe aanwezigheid van de Profeet ﷺ was genoteerd, weigerde hij ze op te nemen.
Hier zou een man met minder discipline de uitzondering hebben gemaakt. Iedereen kent deze verzen. Ik ken ze zelf. Zet ze op. Maar Zayd ﵁ had voor zichzelf een wet vastgesteld die boven zijn eigen geheugen uitsteeg, en hij weigerde voor zichzelf een uitzondering te maken op een wet die hij van anderen eiste.
Het is op dit moment dat Abu Khuzaymah al-Ansari ﵁ in de moskee verscheen. Hij was een Ansari, een metgezel van de Profeet ﷺ. Hij moet niet worden verward met Khuzaymah ibn Thabit ﵁, de man wiens getuigenis de Profeet ﷺ eens, in een geschil over een paard, liet gelden als die van twee mannen, en die daarom Dhū ash-Shahādatayn werd genoemd, de drager van twee getuigenissen.
En Abu Khuzaymah ﵁ had het document. Hij had de slotverzen van Soera at-Tawbah op een fragment staan dat in de aanwezigheid van de Profeet ﷺ was geschreven. Hij bracht het naar de moskee. Zayd ﵁ vergeleek het met zijn eigen geheugen en met dat van de aanwezige hoeffaz. De tekst stemde overeen. De verzen werden opgenomen.
لَقَدْ جَآءَكُمْ رَسُولٌ مِّنْ أَنفُسِكُمْ عَزِيزٌ عَلَيْهِ مَا عَنِتُّمْ حَرِيصٌ عَلَيْكُم بِالْمُؤْمِنِينَ رَءُوفٌ رَّحِيمٌ فَإِن تَوَلَّوْا فَقُلْ حَسْبِىَ ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ ۖ وَهُوَ رَبُّ ٱلْعَرْشِ ٱلْعَظِيمِ
"Er is waarlijk een Boodschapper uit jullie eigen midden tot jullie gekomen. Zwaar weegt het hem dat jullie lijden; vol zorg is hij voor jullie, voor de gelovigen vol mededogen, genadig. Maar indien zij zich afwenden, zeg dan: Allah ﷻ is mij genoeg. Er is geen god dan Hij. Op Hem stel ik mijn vertrouwen, en Hij is de Heer van de Geweldige Troon."
Soera at-Tawbah 9:128–129
Dit zijn niet zomaar twee verzen. Het zijn de slotverzen van at-Tawbah, en zij sluiten die soera af met de gestalte van de Profeet ﷺ zelf, met zijn mededogen voor de Oemma en met zijn Heer als zijn rust. En het feit dat Zayd ﵁ en de hoeffaz ze uit het hoofd kenden, terwijl zij op schrift alleen bij één Ansari werden gevonden, geeft dit moment iets ontroerends.
Maar lezen wij dit verhaal verkeerd als wij Abu Khuzaymah ﵁ zien als een uitzondering op de regel van de twee getuigen. De verzen werden niet aanvaard op grond van zijn getuigenis alleen. Zijn perkament was de schriftelijke pijler. De mondelinge pijler kwam van de gezamenlijke memorisatie van Zayd ﵁ zelf en van een groep andere hoeffaz die in de moskee aanwezig waren. Dat is precies waarom de geleerden in dit verhaal het sluitstuk bewijs zien dat het mondelinge tegen het geschrevene werd geverifieerd, en niet omgekeerd. De tawātur, het overweldigende parallelle bewijs van vele onafhankelijke kanalen, was sterk genoeg om deze laatste twee verzen met zekerheid op te nemen.
De volharding in de werkruimte
Het werk duurde maanden. Sommige overleveringen plaatsen de voltooiing in 12 AH, andere in vroeg 13 AH, voordat het kalifaat van Abu Bakr ﵁ eindigde. Het was geen kort sprintje. Het was een geduldig, dag aan dag rangeren van fragmenten op een tafel in de moskee, met Zayd ﵁ als de centrale figuur en met komende en gaande sahabah als de leveranciers en de getuigen. Abu Bakr ﵁ kwam regelmatig kijken; ʿUmar ﵁ zat in zekere overleveringen aan de poort van de moskee om het materiaal te ontvangen voordat het Zayd ﵁ bereikte; Bilal ibn Rabah ﵁ liep door de straten met een omroeping aan diegenen die nog fragmenten in hun bezit hadden.
Drie pilaren stutten het proces. Eén, een algemene oproep, opdat niemand later zou kunnen klagen dat zijn fragment was overgeslagen. Twee, een centrale locatie binnen de moskee, opdat het werk publiek en zichtbaar was. Drie, de wet van de twee getuigen, opdat geen enkel vers het archief binnenkwam zonder dubbele bevestiging.
En zo werkte Zayd ﵁ de berg af. Niet door hem te verzetten, want dat had hij in zijn eerste reactie als onmogelijk genoemd, maar door hem steen voor steen aan zijn voeten af te breken. Elke ochtend lagen er nieuwe fragmenten op zijn tafel. Elke avond waren er enkele verzen geverifieerd, gecontroleerd, opgenomen. Hij at karig, hij sliep weinig, hij sprak alleen wanneer het werk het vroeg. De Oemma keek toe, en met de Oemma hield ook iets in de geschiedenis zelf zijn adem in.
Het resultaat: de suhuf
Toen de laatste verzen waren ingevoegd, lag voor Zayd ﵁ niet wat wij vandaag een boek zouden noemen. Hij had geen gebonden codex, geen uniforme bladen, geen titelpagina. Hij had wat de bronnen suhuf noemen, een meervoud van sahifah, een blad. Losse perkamenten van ongelijke grootte, in een vaste volgorde geplaatst per soera, met de soera’s onderling in een ordening die nog niet definitief was vastgelegd. Pas later, onder ʿUthman ﵁, zouden de inkomsten uit veroveringen perkament van uniforme afmetingen mogelijk maken; pas dan ontstond het woord mushaf, een gebonden codex.
Deze suhuf, dit pak van geverifieerde perkamenten, werd aan Abu Bakr ﵁ overhandigd. Zayd ﵁ droeg het hem in eigen persoon over in zijn huis te as-Sunh. Abu Bakr ﵁ plaatste het in het officiële kalifale archief van zijn bait al-mal. De Quran lag voor het eerst in de geschiedenis geconsolideerd op één plaats, in één pak, met dubbele bevestiging voor elk vers.
Wat de suhuf wel waren, moet helder zijn. Een complete geschreven Quran. Elk vers dat de Profeet ﷺ had nagelaten, was opgenomen, met dubbele getuigenis voor elk fragment. De verzen binnen elke soera stonden in hun definitieve, door de Profeet ﷺ zelf onder begeleiding van Jibril ﵇ vastgestelde volgorde. Geen enkele soera had verzen in de verkeerde positie. Geen enkel vers was per ongeluk uit zijn soera gerukt.
Wat de suhuf niet waren, moet eveneens helder zijn. Zij waren niet gebonden. Zij waren niet op uniform perkament geschreven. En zij waren naar alle waarschijnlijkheid nog niet voorzien van één enkele, vaststaande soera-volgorde voor het hele boek. De Oemma reciteerde de soera’s in een ordening die uit haar liturgische praktijk groeide; de definitieve Mushaf-ordening die wij vandaag kennen kwam onder ʿUthman ﵁.
Het getuigenis van ʿAli ﵁
Wat in Suyuti ﵀ als de meest sprekende getuigenis over de rol van Abu Bakr ﵁ in dit alles staat, komt niet uit zijn eigen mond noch uit die van Zayd ﵁, maar uit de mond van ʿAli ibn Abi Talib ﵁. Hij was de neef van de Profeet ﷺ, de schoonzoon, de vader van al-Hasan ﵁ en al-Husayn ﵁, de man die zelf in de eerste jaren een wahy-schrijver was geweest. Hij had de werken van zijn drie voorgangers in het kalifaat aan zich voorbij zien trekken, en hij was niet een man die snel grote woorden gebruikte. Maar over deze ene zaak sprak hij met een helderheid die in haar bondigheid de hele Oemma aan een uitspraak verbond.
ʿAli ﵁: Degene met de grootste beloning voor de geschreven kopieën van de Quran is Abu Bakr ﵁. Abu Bakr ﵁ was de eerste die de Quran tussen twee borden verzamelde.
Bayna al-lawhayn, tussen twee borden. De uitdrukking is die van een fysieke codex, ook al was wat Zayd ﵁ feitelijk aan Abu Bakr ﵁ overdroeg een suhuf zonder uniforme binding. Wat ʿAli ﵁ in deze uitspraak vastlegt, is niet de materiële vorm, maar de daad. Voor het eerst lag de Quran geconsolideerd in één centrale bewaarplaats, onder één gezag, met één bevestigde tekst. Wie ooit een vers wil reciteren, en wie ooit een vers wil verifiëren, kan terug naar deze ene bron. Dat is wat Abu Bakr ﵁ heeft voortgebracht. En dat is waarom hem, in de ogen van ʿAli ﵁, de grootste beloning toekomt onder allen die zich ooit voor het geschreven Boek hebben ingespannen.
Die uitspraak is voor de Oemma een soort verzegeling. Wanneer ʿAli ﵁ Abu Bakr ﵁ in deze zaak het hoogste eerbetoon geeft, dan kan geen latere groep van moslims, hoeveel zij ook met de politieke nasleep van het kalifaat heeft worstelen, de bijdrage van Abu Bakr ﵁ aan de bewaring van het Boek bagatelliseren. Het feit is door ʿAli ﵁ zelf vastgelegd. De khalifa die in haast was gekozen op de Saqifah, die op de minbar had gezegd dat hij niet de beste van hen was, droeg in de tekstgeschiedenis van de Quran de grootste verdienste van allen.
De overdracht aan ʿUmar ﵁ en aan Hafsa ﵂
Met de overdracht aan Abu Bakr ﵁ was het werk niet beëindigd; het was begonnen aan zijn ketting van bewaring. De suhuf lag in zijn huis te as-Sunh tot zijn overlijden in Jumada al-Akhirah van het jaar 13 AH. Op zijn sterfbed wees hij ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ als zijn opvolger aan, en met die aanwijzing droeg hij ook het pak van perkamenten over. ʿUmar ﵁ ontving het in het besef wat in zijn handen lag. Het was zijn eigen voorstel geweest dat dit werk had aangestoken; nu lag de vrucht van dat voorstel onder zijn gezag.
Tien jaar lang bleef de suhuf in de hoede van ʿUmar ﵁ terwijl onder zijn kalifaat de Quran zich uitbreidde naar Basra, Kufa, Damascus, Hims, Palestina en de Egyptische frontier. In elke nieuwe stad werden moslims geboren die alleen de Quran kenden zoals hun lokale reciteurs hem hen leerden. De suhuf in Medina was de referentie voor wie hem nodig had, maar voor de dagelijkse praktijk van de Oemma was hij geen actief manuscript. Hij was, in moderne termen, het meester-exemplaar. Hij wachtte zijn moment af.
Toen ʿUmar ﵁ in Dhul-Hijjah 23 AH werd neergestoken door Abu Lu’lu’ah in de fajr-gebedsrij van de moskee, weigerde hij op zijn sterfbed een opvolger te benoemen; hij vormde een raad van zes om dat te beslissen. Maar de suhuf zelf was een andere kwestie. Voor de bewaring van de geschreven Quran kon hij geen ad-hoc raad vormen. Hij vertrouwde het archief toe aan zijn dochter Hafsa bint ʿUmar ﵂, de weduwe van de Profeet ﷺ.
Waarom Hafsa ﵂. Ook deze keuze was niet willekeurig. Drie redenen overlappen elkaar. Ten eerste was zij zelf een hafiza. Zij kende de Quran van buiten en kon dus, mocht een vraag rijzen over de inhoud van de suhuf, de losse perkamenten vergelijken met haar eigen geheugen. Ten tweede was zij geletterd, een zeldzaamheid voor vrouwen van haar tijd. Een geletterde bewaarster kon de tekst niet alleen bewaken, zij kon hem lezen, controleren, vergelijken. Ten derde, en dit is misschien het diepste, was zij weduwe van de Profeet ﷺ zelf, en daarmee Moeder van de Gelovigen. Haar huis stond aan de moskee. Zij behoorde tot een groep vrouwen wier autoriteit in de gemeenschap onbetwist was.
De bewaring was met andere woorden niet alleen materieel. Zij was relationeel. Het officiële geschreven archief van de Quran lag in handen van iemand die levend bewijs was van het milieu waarin de openbaring was neergedaald. Pas later, in het kalifaat van ʿUthman ﵁, zou de Oemma deze suhuf uit het huis van Hafsa ﵂ terugvragen om de definitieve, gebonden, op uniform perkament geschreven Mushaf te produceren die in alle hoofdsteden zou worden verspreid. Maar dat is een verhaal van later. Voor nu, in 12 AH of vroeg 13 AH, lag de Quran voor het eerst geconsolideerd in één pak in het huis van as-Sunh, en dat alleen was reeds een wonder.
De theologische weidsheid van dit moment
Wie hier even stilstaat, ziet wat de Oemma heeft ontvangen. De Profeet ﷺ verliet de wereld zonder een gebonden Mushaf na te laten. Hij verliet haar met de Quran in honderden borsten, op honderden fragmenten, levend, ademend, gereciteerd in elke moskee en elk huis. Wat hij naliet was niet incompleet; het was de toevertrouwing van de Boodschap aan een gemeenschap die haar zou bewaren door haar te dragen. Maar gemeenschappen verliezen mannen aan oorlogen, en zonder een centrale bewaarplaats kan de Boodschap haar ankering verliezen.
Abu Bakr ﵁ deed wat de Profeet ﷺ niet had hoeven doen, en daarmee deed hij wat de Profeet ﷺ zelf het meest beloond zou hebben. Hij verbond de twee pijlers, het mondelinge en het schriftelijke, in één centraal archief. Hij plaatste de Quran in een vorm die geen oorlog meer kon wegnemen. En hij deed dit met de aarzeling van een man die wist dat hij iets nieuws deed, met de instemming van een man die wist dat dit nieuwe goed was, en met de overdracht aan een jongeman die wist dat hij een berg moest verzetten.
Zayd ﵁ verzette hem niet door hem te zien als één geheel. Hij verzette hem door hem in zoveel duizenden afzonderlijke verzen te verdelen dat elk vers afzonderlijk kon worden geverifieerd, en al die afzonderlijke verifieringen vormden uiteindelijk de berg-zijden van de tekst die wij vandaag in onze handen houden. Dat is wetenschap in haar hoogste vorm: niet de illusie dat één man een berg verzet, maar de wijsheid dat een berg in handelbare stukken wordt afgebroken, met elk stuk dubbel bewezen.
De ketting naar het heden
De geschreven Quran die u vandaag, waar u zich ook bevindt, op uw nachtkastje of in uw boekenkast hebt staan, draagt op elke pagina de erfenis van wat in deze maanden in Medina gebeurde. Elk vers dat erin staat, is door Zayd ibn Thabit ﵁ in dezelfde moskee waar de Profeet ﷺ heeft gelopen, met dubbele getuigenis bevestigd. Elk vers dat er niet in staat, is door diezelfde Zayd ﵁ uitgehouden omdat de dubbele getuigenis ontbrak. Het Mushaf dat ʿUthman ﵁ twee decennia later uniform zou laten kopiëren en verspreiden, was niet een tweede compilatie. Het was de typografische voltooiing van wat Abu Bakr ﵁ en Zayd ﵁ in Medina hadden vastgelegd. De tekst was dezelfde. De getuigen waren dezelfde. Alleen het perkament werd gelijkvormig.
ʿAli ﵁ wist het toen hij sprak van de twee borden. De Oemma weet het wanneer zij vandaag een Mushaf opent en de eerste sura leest. De zeventig huffaz die in Hadiqat al-Mawt vielen, vielen niet zonder vrucht. Hun dood verlegde een hinge die anders nooit zou zijn verlegd. Hun namen, opgenomen in het relaas van Suyuti ﵀, leiden door één rechte lijn naar de bladzijde die hun broeders in Medina daarna openden, naar de tafel waar Zayd ﵁ zijn perkamenten ordende, naar de kist van Abu Bakr ﵁ in as-Sunh, naar het huis van Hafsa ﵂ in Medina, naar de Mushaf van ʿUthman ﵁ in Damascus en Kufa en Basra, en uiteindelijk naar de hand die vandaag, in welke stad ook op de wereld, een Quran opslaat in de naam van de Heer die heeft onderwezen met de pen.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 64–65.
