InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Tragische Fitna
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

De Tragische Fitna

De Tragische Fitna

In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ in de zomer van 1857 een lange en uiteindelijk vergeefse belegering van het Franse Fort de Médine voerde, en hoe hij na de ontzetting van het fort door Faidherbe persoonlijk in september 1857 zijn jihad strategisch heroriënteerde: weg van de rechtstreekse confrontatie met de Franse koloniale macht, oostwaarts, tegen het Bambara-koninkrijk Segoe en de Saheliaanse staten die daarachter lagen. Dit artikel volgt de campagnes van 1858 tot 1862 waarin de Umarian-staat haar grootste territoriale uitbreiding bereikte, en het keert zich in haar tweede helft naar de tragische fitna van 1862, de inter-moslim oorlog tussen de Umarian-Tijani staat en het Qadiri-Massina-Imamaat van Hamdullahi, een conflict dat in de Umarian-geschiedenis tot vandaag een diepe geestelijke onrust achterlaat en dat de uiteindelijke val van Umar Tall ﵀ zelf voorbereidde.

De Segoe-campagne

In het voorjaar van 1859, ongeveer anderhalf jaar na de mislukking bij Médine en na de strategische heroriëntatie, opende Umar Tall ﵀ de campagne tegen het Bambara-koninkrijk Segoe die hij in zijn aanloop reeds vanaf 1855 had voorzien. Segoe lag aan de bovenloop van de Niger, in het hedendaagse centrale Mali, en was de grootste en militair krachtigste van de twee Bambara-koninkrijken: een hoofdstad van enkele tienduizenden inwoners, een van oudsher sterke politieke organisatie onder de Massassi-dynastie, en een leger dat uit duizenden ruiters en een groot contingent infanterie bestond.

De strijdmacht die de Umarian-staat hiervoor op de been bracht was nog omvangrijker dan die van de Kaarta-campagne van 1855, met naar de meest gangbare schatting ongeveer dertigduizend manschappen: het kerncorps van talibé-strijders met geweren, de Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-milities uit de gehele Umarian-staat, en aanvullende contingenten uit Bambouk en Bondou die zich in de voorafgaande jaren bij de jihad-staat hadden aangesloten. Umar Tall ﵀ voerde het opperbevel zelf, met zijn zoon Ahmadu in een steeds zelfstandiger positie als onderbevelhebber en met Alfa Umar Cherno Baila ﵀ en Tijani Tall ﵀ op andere belangrijke bevelhebbersposities.

De val van Segoe

De hoofdfase van de campagne duurde naar de gewone reconstructie ongeveer drie maanden: de opmars begon in mei en juni 1859 vanuit Dinguiraye, in juli en augustus volgde een reeks veldslagen tegen de naburige Bambara-bondgenoten, en begin september kwam het tot de doorslaggevende slag voor de hoofdstad zelf. De Bambara-troepen bestonden voornamelijk uit ruiters met blanke wapens en uit een kleiner contingent musket-schutters, en zij verdedigden zich met aanzienlijke moed; de gevechten behoorden tot de zwaarste die de Umarian-jihad tot dan toe had meegemaakt. Vuurkracht, discipline en aantallen aan Umarian-zijde brachten hen niettemin in een opeenvolging van verliezen die op de 9e of 10e september 1859 in de val van Segoe uitmondde.

De Massassi-koning Ali Diarra wilde in zijn laatste verzet in de hoofdstad de eer van zijn dynastie bewaren en viel in een persoonlijke uitval naar de Umarian-troepen voor de hoofdpoort van zijn paleis. De stad werd daarna straat voor straat ingenomen, het koninklijk paleis op de 11e september, het garnizoen gaf zich op de 14e september over. Met Segoe viel het grootste niet-moslim koninkrijk dat West-Afrika sinds de Songhai-Sahara had gekend, en de Umarian-jihad werd daardoor in heel West-Afrika gemerkt.

De verovering van de boeken

Tot de oorlogsbuit die bij de inname van het paleis in Umarian-handen viel behoorde een omvangrijke verzameling Arabische manuscripten, in de loop van de eeuwen door verschillende Massassi-koningen bijeengebracht, deels uit eigen Bambara-omzettingen tot de islam en deels uit handel of geschenken van naburige moslim-staten. Umar Tall ﵀ nam de verzameling persoonlijk in ogenschouw en gaf opdracht haar naar Dinguiraye over te brengen, waar zij in een eigen bibliotheek werd ondergebracht. Er zaten werken bij van algemeen islamitisch belang, waaronder een aantal zeldzame afschriften van de werken van Imam Malik ﵀ en van Imam al-Suyuti ﵀, en voor de geleerdheid van de Umarian-staat betekende zij een aanzienlijke aanwinst.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was de verovering van de boeken het geestelijke hoogtepunt van de campagne. Hij zag er een teken in van Allah’s ﷻ goedheid, waarin zijn jihad zich niet enkel in territoriale uitbreiding liet gelden maar ook in de bescherming van de moslim-geleerdheid. In een vrijdagspreek in Segoe, een maand later, stond hij bij die betekenis stil en vergeleek hij haar met de geleerdheid die eerdere generaties in Timboektoe onder de Songhai-Sahara-staten hadden bewaard en die na de Marokkaanse invasie van 1591 gaandeweg verloren was gegaan.

De bestuurlijke organisatie na Segoe

Na de inname van Segoe ging Umar Tall ﵀ in de maanden daarna over tot de bestuurlijke inrichting van het veroverde gebied, dat de Umarian-staat een aanzienlijk grotere geografische omvang gaf dan hij in de voorafgaande jaren had gehad. Hij stelde zijn zoon Ahmadu aan als algemeen gouverneur over het Segoe-gebied, met de opdracht de Shariʿa-rechtsorde geleidelijk in te voeren onder een Bambara-bevolking die overwegend nog niet geïslamiseerd was. In elke grotere nederzetting van het veroverde gebied liet hij een moskee bouwen, en hij stuurde Tooroodo-onderwijzers naar de plaatselijke dorpen om de Bambara-jongeren de Quran te onderwijzen. De zakaat-inning werd op georganiseerde wijze ingesteld en de oorlogsbuit werd volgens de fiqh-conventies over de strijders verdeeld.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was deze fase de overgang van de directe militaire campagne naar de stabilisatie van een jihad-staat die aanmerkelijk groter was geworden, en hij bracht ongeveer een jaar in Segoe door met bestuurlijk werk, geleerde arbeid en de geestelijke begeleiding van de islamisering. Het was rustig werk, de jihad in haar consolidatie, voordat in de jaren daarna de tragische Massina-fitna zou volgen.

Naar Massina

Na de val van Segoe stond Umar Tall ﵀ voor de keuze van zijn volgende uitbreiding. De Bambara-bevolking van het Segoe-grondgebied moest geleidelijk tot de islam worden gebracht en in de Umarian-staat worden opgenomen, en zijn bestuurlijke inrichting van de maanden daarna diende dat doel. Maar de strategische uitbreiding die in zijn afwegingen volgde lag oostwaarts, bij het Massina-Imamaat aan de middenloop van de Niger, waar Ahmad III ﵀ de geestelijke en politieke leiding voerde over een door de Qadiriyya geleide moslimstaat.

De keuze was geestelijk delicaat. Massina was geen niet-moslim staat zoals Segoe en Kaarta dat waren geweest, en viel daarmee buiten de juridische grond waarop Umar Tall ﵀ zijn voorafgaande jihad-operaties had gerechtvaardigd. Tegelijk stond de Qadiri-aanwezigheid van Massina in een fundamentele verhouding tot de Umarian-Tijani-aanwezigheid, een verhouding die in de jaren daarna uiterst gevoelig zou opspelen, en had Massina in de Segoe-campagne een politieke houding aangenomen die in de Umarian-lezing onaanvaardbaar was geworden. Aan beide kwesties, en in het bijzonder aan de tweede, zou de fitna haar vorm ontlenen.

De Mande-bondgenoten van Segoe

Eén gevolg van de campagne van 1859 kreeg gewicht in de bredere West-Afrikaanse politieke verhoudingen: de behandeling van de Mandinka- en Soninke-bondgenoten van Segoe. De Massassi-koningen hadden over vele jaren een bondgenootschap opgebouwd met naburige Mande-gemeenschappen die zich in hun eigen positie eveneens door de Umarian-uitbreiding bedreigd wisten, en die bondgenoten hadden hun troepen in de aanloop tot de campagne onder Massassi-bevel gebracht. Voor de Umarian-strategen betekende dat, dat zij niet enkel tegen het Massassi-koninkrijk vochten maar tegen een brede Mande-coalitie, en dat een afgeronde uitkomst ook de onderwerping van de bondgenoten zelf zou vergen.

In de maanden na de val van Segoe voerde Umar Tall ﵀ daarom een brede diplomatieke campagne onder de Mande-leiders, waarin hij hen voor de keuze stelde tussen vrijwillige onderwerping aan de Umarian-soevereiniteit en voortzetting van het verzet met een gewapende confrontatie als gevolg. De meerderheid van de Mande-leiders koos voor vrijwillige onderwerping en werd in de maanden daarna bestuurlijk in de Umarian-staat opgenomen. Een kleinere minderheid zette het verzet voort en werd in de loop van 1860 in een reeks kleinere militaire campagnes onderworpen.

Het Massina-Imamaat

Het Massina-Imamaat was in 1818 gesticht door Ahmadu Lobbo ﵀, een Fulbe-geleerde uit de Maasina-gemeenschappen aan de middenloop van de Niger, in een jihad die op de Umarian-onderneming leek maar die ongeveer een halve eeuw eerder had plaatsgevonden. Ahmadu Lobbo ﵀ bracht Massina onder een door de Shariʿa geleide staat, in de Qadiri-traditie die in de West-Afrikaanse Fulbe-gemeenschappen sinds Shaykh Usman dan Fodio ﵀ gangbaar was, en hij liet een staatsvorm na die het Fulbe-Massina-binnenland zowel bestuurlijk als in haar geestelijke discipline droeg.

In 1859, het jaar waarin Umar Tall ﵀ Segoe innam, stond Massina onder de leiding van Ahmad III ﵀, een kleinzoon van Ahmadu Lobbo ﵀, nog in zijn vroege jaren als imam. Ahmad III ﵀ was een geleerde van eigen statuur, opgeleid in de Qadiri-traditie en in de Maliki-fiqh van het Massina-Imamaat, en hij bestuurde zijn staat intern doeltreffend, al bleef zijn verhouding tot de groeiende Umarian-staat onzeker. De berichten over de val van Segoe ontving hij in 1859 met aanzienlijke bezorgdheid, want hij begreep dat de Umarian-uitbreiding ook Massina in haar invloedssfeer dreigde te brengen.

De familiale verbintenissen tussen de twee staten

Wat de fitna nog tragischer maakte, was het dichte familiale netwerk dat in de voorafgaande generatie tussen Tooroodo-uitwijkers in Massina en Massina-Fulbe-families was ontstaan. In de loop van de jaren twintig, dertig en veertig waren vele Tooroodo-gezinnen uit Fouta Toro naar Massina uitgeweken, voorafgaand aan Umar Tall’s ﵀ eigen oproep tot de hijra, en zij hadden daar in een welwillende ontvangst hun nieuwe gemeenschappen opgebouwd, waarin huwelijken met de plaatselijke Fulbe-bevolking de twee gemeenschappen aan elkaar bonden. Voor de oorlog die kwam betekende dat, dat strijders aan beide zijden tegenover bloedverwanten zouden komen te staan, en dat de fitna tot in de gewone families van beide partijen voelbaar zou worden.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was die verbintenis een geestelijk verzwarende omstandigheid, waaraan hij in zijn vrijdagspreken in de aanloop tot de campagne ruim aandacht gaf. Hij erkende dat de fitna de gewone families van beide partijen in een tragische positie zou plaatsen, en hij verzocht zijn aanhangers de plaatselijke families in hun strijd zoveel mogelijk te ontzien, met bijzondere aandacht voor vrouwen, kinderen en niet-strijdende mannen aan beide zijden van de confrontatie.

De diplomatieke uitwisseling

In de wintermaanden van 1859 op 1860 werd tussen Umar Tall ﵀ en Ahmad III ﵀ een briefwisseling gevoerd waarin zij de geestelijke en politieke vorm van hun verhouding onderzochten. De brieven, voor zover die in latere afschriften zijn bewaard, tonen een gesprek tussen twee West-Afrikaanse moslim-leiders die elk in hun eigen positie de geestelijke autoriteit van de ander erkenden, maar die op grondige verschillen stuitten zodra het om de juiste vorm van die verhouding ging.

Umar Tall ﵀ verzocht Ahmad III ﵀ in zijn brieven om een formele Massina-erkenning van de Umarian-staatsoevereiniteit, in een geestelijke samenwerking waarin de twee staten zich onder de geestelijke leiding van de Tijaniyya in één moslim-onderneming zouden verenigen. Ahmad III ﵀ antwoordde dat hij zich in zijn Qadiri-traditie niet onder de Tijani-soevereiniteit kon laten plaatsen zonder de eigen geestelijke identiteit van Massina te schaden, en dat hij de Umarian-staat als een naburige, gelijkwaardige moslim-soevereiniteit erkende maar zich niet in een ondergeschikte positie daaraan wilde binden. De uitwisseling liep vast, en in de loop van 1860 werden aan beide zijden de eerste tekenen zichtbaar van een gewapende confrontatie.

De ulama-debatten van 1860–1861

In 1860 en 1861, terwijl het conflict op een gewapende confrontatie afkoerste, werd in heel West-Afrika onder de ulama gedebatteerd over de juridische gronden ervan. In Hamdullahi vroeg Ahmad III ﵀ fatwa’s aan de gevestigde Massina-geleerden, en zij oordeelden in een meerderheidsstandpunt dat de Massina-positie in haar weigering tot de uitlevering juridisch verdedigbaar was op grond van de bescherming-doctrines van de Maliki-fiqh. In Dinguiraye en in Segoe liet Umar Tall ﵀ vergelijkbare consultaties uitvoeren, en de Umarian-ʿulamāʾ oordeelden in haar meerderheid dat de Umarian-positie in haar eis tot de uitlevering juridisch verdedigbaar was op grond van de soevereiniteit-doctrines die in dergelijke gevallen voorrang behoorden te krijgen.

In Sokoto, in Fouta Djallon en in Fouta Toro kwamen dezelfde overwegingen in geleerden-vergaderingen ter sprake, en daar liepen de meningen verder uiteen dan in de directe Umarian- of Massina-kringen. De geleerden van de Sokoto-Qadiri-traditie neigden naar een Massina-vriendelijke uitleg, terwijl de geleerden van de Tooroodo-Tijani-aanwezigheid in Fouta Toro naar een Umarian-vriendelijke uitleg neigden. De debatten weerspiegelden de bredere geestelijke verdeeldheid tussen de Qadiri- en de Tijani-tradities in West-Afrika, en zij lieten zien dat de juridische gronden voor de oorlog gemengd voorlagen, zonder een eenduidige uitkomst die door beide tradities zou worden aanvaard.

De uitlevering van de Bambara-leiders

Naast de impasse over de soevereiniteitskwesties speelde tussen de Umarian-staat en Massina in 1860 en 1861 een uiterst gevoelige geestelijke uitwisseling rond één bepaald geval, en juist dat geval werd de directe aanleiding tot de gewapende confrontatie. In de chaos van de Segoe-campagne van 1859 was een aantal Bambara-leiders uit de Massassi-clan ontsnapt naar Massina-grondgebied, waar Ahmad III ﵀ hun asiel verleende onder de gewone Massina-conventies van politieke vluchtelingenbescherming. Umar Tall ﵀ eiste in een briefwisseling hun uitlevering, met de juridische argumentatie dat zij als niet-moslim vluchtelingen in de gewone Maliki-fiqh niet onder de bescherming van een moslimstaat konden worden gebracht zonder dat die staat zelf in een onrechtmatige positie zou komen te staan.

Ahmad III ﵀ weigerde de uitlevering, op grond van de eigen Massina-juridische tradities en op grond van zijn oordeel dat de Bambara-leiders inmiddels de islam hadden aanvaard in een formele vorm die hen onder de Massina-soevereiniteit verbond. Umar Tall ﵀ beschouwde dat antwoord als juridisch onaanvaardbaar en als een directe uitdaging van de Umarian-soevereiniteit, en hij begon in de tweede helft van 1861 met de voorbereidingen voor een gewapende campagne tegen Massina. Het was een tragische uitkomst van een inter-moslim conflict dat geen van beide leiders zelf had gewenst, maar waarin de standpunten zo ver waren opgelopen dat een vreedzame afloop niet meer openstond.

De geestelijke verlegenheid

Voor de gehele West-Afrikaanse moslimwereld was de oorlog die zich aftekende een geestelijke verlegenheid, en zij stelde de moslim-onderneming in negentiende-eeuws West-Afrika voor een fundamentele uitdaging. In Sokoto sprak Sultan Ahmadu Atiku ﵀ in een brief aan Umar Tall ﵀ zijn zorg uit over de confrontatie en verzocht hij hem een vreedzame afloop te zoeken. In Fouta Djallon en in Fouta Toro werden de juridische gronden van de Umarian-campagne in geleerden-vergaderingen omstandig besproken, met meningsverschillen tussen geleerden die de Umarian-positie verdedigden en geleerden die de Massina-positie als juridisch in haar recht beschouwden. Voor de gewone moslim-bevolking in beide staten was het een geestelijke beproeving waarvan de afloop onzeker was en die de gemeenschappelijke moslim-eenheid serieus zou bedreigen.

De laatste poging tot bemiddeling

In het vroege voorjaar van 1862, voordat de Umarian-troepen in beweging kwamen, kwam er nog één poging tot bemiddeling. Sultan Ahmadu Atiku ﵀ van Sokoto richtte zich in een formele delegatie van Sokoto-geleerden tot zowel Dinguiraye als Hamdullahi met de oproep tot een vreedzame afloop van het conflict, en die delegatie reisde in maart en april 1862 naar beide hoofdsteden en voerde omstandige gesprekken met Umar Tall ﵀ en met Ahmad III ﵀, op zoek naar een gemeenschappelijke grond waarop beide standpunten in een geestelijk compromis konden worden samengebracht.

Beide partijen ontvingen de pogingen met respect en met ernstige aandacht, maar een vreedzame afloop brachten zij niet voort. De grondslagen van het conflict, zoals die in de voorafgaande jaren in de juridische standpunten waren vastgelegd, waren aan beide kanten tot een punt gegroeid waarop geen van beiden zonder gezichtsverlies kon terugtreden. In mei 1862 keerde de delegatie onverrichter zake terug, en Sultan Ahmadu Atiku ﵀ ontving het bericht van de komende gewapende confrontatie met een geestelijke verlegenheid die hij in zijn eigen vrijdagspreken in Sokoto uitsprak. Voor de West-Afrikaanse moslimwereld bevestigde de mislukking van de bemiddeling dat het conflict geen gemeenschappelijke vorm meer kon vinden en dat het in zijn tragische vorm zou moeten worden uitgevochten.

De aanval op Hamdullahi

In het voorjaar van 1862 opende Umar Tall ﵀ de campagne tegen Hamdullahi, de hoofdstad van het Massina-Imamaat, met een strijdmacht van ongeveer dertigduizend manschappen en met de uitgesproken doelstelling om de Massina-staat in een Umarian-soevereiniteit op te nemen. De opmars voerde door de middenloop-gebieden van de Niger, en de Massina-troepen onder Ahmad III ﵀ persoonlijk boden weerstand met een moed en een persoonlijke offerbereidheid waarin de geestelijke traditie van het Massina-Imamaat herkenbaar was.

De doorslaggevende veldslag werd op de 17e of 18e mei 1862 voor de stadsmuur van Hamdullahi geleverd, en daarin werden de Massina-troepen ondanks hun moedige verzet door de Umarian-overmacht verslagen. Ahmad III ﵀ viel in die veldslag in een persoonlijke uitval naar de Umarian-troepen, een afloop die de marteldood gaf aan een moslim-leider die zijn staat tegen een andere moslim-staat had verdedigd in een conflict dat geen werkelijke winnaar kon hebben. Hamdullahi viel op de 19e of 20e mei aan de Umarian-troepen, en Massina werd in een nominale Umarian-soevereiniteit opgenomen.

De gevechten voor Hamdullahi

De gevechten voor Hamdullahi zijn zowel in Umarian- als in Massina-bronnen in afzonderlijke verslagen bewaard, en zij lieten de oorlog zien als de zwaarste van Umar Tall’s ﵀ campagnes. De Massina-troepen bestonden voornamelijk uit Fulbe-ruiters en uit een georganiseerd contingent musket-schutters, en zij vochten met de uitgesproken bereidheid van een gemeenschap die haar geestelijke identiteit verdedigde; in de eerste twee dagen van gevechten brachten zij de Umarian-troepen aanzienlijke verliezen toe. Ahmad III ﵀ leidde zelf verscheidene uitvallen vanuit de stadsmuur, en hij toonde in deze laatste fase van zijn leven een persoonlijke moed die in de West-Afrikaanse moslim-overlevering blijvend bewaard is gebleven.

Op de derde dag van de gevechten, op de 17e mei 1862 naar de meest gangbare reconstructie, ondernam Ahmad III ﵀ met zijn meest betrouwbare medewerkers een laatste uitval, en daarin vond hij de marteldood. Hij viel in een gevecht voor de hoofdpoort van Hamdullahi met het zwaard in de hand en met de takbir-formule op zijn lippen, op een wijze die in de Massina-overlevering tot een geestelijk eerbiedwaardige herinnering is uitgegroeid. Zijn medewerkers trokken zijn lichaam binnen de muren, en hij werd ritueel begraven in de centrale moskee van Hamdullahi voordat de stad in de dagen daarna door de Umarian-troepen werd ingenomen.

De rouw na de overwinning

De afloop van de veldslag bij Hamdullahi liet bij Umar Tall ﵀ persoonlijk een diepe rouw en een innerlijke onrust na. De dood van een mede-moslim leider in een conflict dat juridisch niet eenduidig te beslechten was, was voor een geleerde van zijn statuur een innerlijke beproeving, en hij sprak die in de maanden daarna in zijn vrijdagspreken uit. Over Ahmad III ﵀ sprak hij met respect voor diens geestelijke statuur en voor diens persoonlijke moed, en hij gaf in zijn predikingen aan dat Hamdullahi niet als een Umarian-overwinning gevierd moest worden maar als een tragisch noodzakelijke afloop in een gemeenschappelijke moslimwereld die in haar interne verdeeldheid haar eigen leiders had verloren.

Op de Umarian-gemeenschap werkte de fitna door als een verminderd moreel en een toenemende interne verdeeldheid. Vele Umarian-strijders en hun families maakten in de maanden na Hamdullahi een innerlijke crisis door waarin zij de juistheid van de campagne in hun eigen geweten in twijfel trokken, en in een aantal gevallen verzochten zij Umar Tall ﵀ persoonlijk om opheldering over de geestelijke betekenis van de gebeurtenis. Umar Tall ﵀ beantwoordde die vragen met de welbespraaktheid en de geestelijke ernst die hem in al zijn werk kenmerkten, maar de interne onrust in zijn gemeenschap bleef voortbestaan en zou in de Toucouleur-Massina-opstand van eind 1863 haar tragische afloop vinden.

De uitkomst voor Umar Tall ﵀ persoonlijk

In de maanden na de val van Hamdullahi kende Umar Tall’s ﵀ persoonlijke geestelijke leven een verhoogde intensiteit, en hij verwerkte de fitna in lange uren van afzondering en gebed in zijn eigen geweten. Zijn naaste medewerkers vermelden in latere overlevering dat hij in deze maanden meer tijd in stil gebed doorbracht dan in enig voorafgaand jihad-jaar, dat hij de Quran-recitatie vaker dan gewoonlijk zelf uitvoerde, en dat hij in zijn directe nabijheid een merkbaar verminderde uiterlijke geestdrift toonde. Wie hem in deze maanden van nabij ontmoette, zag een man die de last van zijn levenswerk in toenemende mate voelde en die de geestelijke kosten van de Hamdullahi-fitna in zijn eigen ziel droeg, op een wijze die hij niet in publieke woorden uitsprak.

In zijn vrijdagspreken sprak hij in deze periode echter onverminderd over de geestelijke zaak van de Umarian-jihad, en hij riep zijn gemeenschap op tot een vernieuwing van de Tijani-discipline die de fitna door een verhoogde geestelijke ernst zou kunnen overstijgen. Wat die prediking bij zijn aanhangers uitrichtte was een gemengd gegeven, want de innerlijke onrust over de fitna liet zich niet enkel door geestelijke aansporing wegnemen, en de Massina-opstand die volgde zou de blijvende geestelijke en politieke gevolgen van het conflict ten volle tonen.

Naar de ondergang

De jaren tussen 1862 en 1864 vormden de slotfase van Umar Tall’s ﵀ levenswerk, en daarin werden de tragische uitvloeisels van de Hamdullahi-fitna ten volle zichtbaar. De Massina-bevolking liet zich in haar Qadiri-traditie niet zonder verzet in de Umarian-Tijani-soevereiniteit brengen en kwam in 1863 in een algehele opstand tegen de Umarian-bezetting, waarna een lange uitputtingsoorlog volgde die in 1864 in Bandiagara zou eindigen met Umar Tall’s ﵀ persoonlijk dood. Aan die laatste fase, en aan de wijze waarop de adelaar van West-Afrika in een grot bij Bandiagara zijn vleugels neervouwde, wijdt het laatste artikel van deze cyclus zijn aandacht.

In dit artikel hebben wij gezien hoe de Umarian-jihad in 1859 het grootste van de Bambara-koninkrijken in Segoe innam, hoe de verhouding tot het Massina-Imamaat in de jaren daarna rond de uitlevering van de Bambara-leiders stap voor stap escaleerde, hoe Ahmad III ﵀ van Massina in mei 1862 in de tragische veldslag voor Hamdullahi de marteldood vond, en hoe de uitkomst van deze fitna de Umarian-gemeenschap in een geestelijke crisis bracht waaruit de ondergang zou volgen.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 334–376.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 334–376.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 376–426.
  • John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 212–256.
  • William A. Brown, The Caliphate of Hamdullahi, ca. 1818–1864: A Study in African History and Tradition, University of Wisconsin Press (1969), pp. 124–198.
  • Bintou Sanankoua, Un empire peul au XIXe siècle: La Diina du Maasina, Karthala (1990), pp. 156–214.
  • Amadou Hampâté Bâ en Jacques Daget, L’Empire peul du Macina, IFAN-Mouton (1962), pp. 256–314 [voor de Massina-gestalte van het conflict].
  • Yves Person, Samori: une révolution dyula, tome I, IFAN-Dakar (1968), pp. 168–212.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Bayan ma Waqaʿa en aanvullende geschriften over de Hamdullahi-fitna; Franse vertaling Mahibou-Triaud, Éditions du CNRS (1983), pp. 88–168.

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).