InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het Beleg van Fort de Médine
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

Het Beleg van Fort de Médine

Het Beleg van Fort de Médine

In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ tussen 1855 en het vroege 1857 de tweede fase van zijn jihad uitvoerde: de militaire onderwerping van Kaarta, de vreedzame opname van Bambouk en Bondou, en een diplomatieke uitwisseling met de Franse koloniale autoriteiten in Saint-Louis. Wij zagen ook hoe Gouverneur Louis Faidherbe in zijn nieuwe koloniale doctrine de bouw van het Fort de Médine in Khasso voorbereidde, bedoeld als een Franse positie die de Umarian-uitbreiding aan de bovenloop van de Senegal recht in de weg zou staan. Dit artikel volgt de Umarian-aanval op het fort in het voorjaar en de zomer van 1857, het beleg dat van 20 april tot 18 juli ongeveer drie maanden duurde, en de ontzetting door Faidherbe persoonlijk in de laatste fase, een uitkomst die voor de Umarian-jihad de eerste werkelijke militaire nederlaag betekende en die de strategie van de jihad-staat wezenlijk wijzigde.

Veldslag laden...

De voorbereidingen aan beide zijden

In de eerste maanden van 1857 troffen beide partijen de voorbereidingen die het verloop van de belegering zouden bepalen. In Saint-Louis liet Faidherbe wapens, ammunitie en versterkingen naar het fort brengen met stoomboten die wekelijks stroomopwaarts voeren, tot de voorraden op een niveau stonden waarop het garnizoen ook een langdurig beleg zou kunnen doorstaan. Hij hield daarnaast in Saint-Louis een reservetroep van enkele honderden tirailleurs in verhoogde paraatheid, uitdrukkelijk om bij de eerste tekenen van een Umarian-aanval een ontzettingsexpeditie te kunnen lanceren.

In Dinguiraye riep Umar Tall ﵀ in diezelfde maanden zijn strijdmacht bijeen uit de provincies van de Umarian-staat. De oproep tot mobilisatie werd in elke nederzetting verspreid en werd door de Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-strijders met geestelijke bereidheid beantwoord. Met zijn naaste medewerkers hield hij bijeenkomsten waarin de tactische opzet van de operatie werd vastgelegd, en hij trok zich enkele dagen terug in vasten en persoonlijk gebed, waarin hij de campagne aan Allah ﷻ overdroeg.

Het Fort de Médine

Fort de Médine, in 1855 begonnen en in het voorjaar van 1857 voltooid, lag op de noordelijke oever van de Senegal-rivier in het Khasso-grondgebied, over de rivier ongeveer negenhonderdvijftig tot duizend kilometer stroomopwaarts van Saint-Louis en hemelsbreed 576 kilometer daarvandaan. Dat verschil is niet academisch, want het fort werd over het water bevoorraad en over het water ontzet, en het was die vaarweg die bepaalde over welke afstand Saint-Louis kon helpen. Het was gebouwd naar de Franse militaire architectuur van de jaren vijftig: dikke aarde- en steenwanden in een vierkante aanleg, bastions op de hoeken die elkaars aanvalsweg onder kruisvuur konden nemen, een binnenplaats voor het garnizoen, en een aanlegplaats aan de rivier waar de stoomboten hun vracht konden lossen. Op de wallen stonden enige tientallen kanonnen van verschillende kalibers, waaronder enkele zware kustkanonnen die uitgesproken aanvallend waren opgesteld, en tegen een bestorming met blanke wapens of met gewoon muskettenvuur waren die wallen betrekkelijk veilig te houden.

Het garnizoen stond onder bevel van Commandant Paul Holle, een halfbloed-officier van Frans-Senegalese afkomst die zijn carrière in de Franse koloniale dienst had opgebouwd, en telde bij het begin van het beleg vierenzestig geoefende verdedigers: Holle zelf, zeven Europese militairen, tweeëntwintig Senegalese soldaten en vierendertig Senegalese bootslieden met een rudimentaire militaire ervaring. Rond hen stonden enige duizenden Khasso-strijders die onder hun plaatselijke chefs Hawa Demba en Sambala met de Fransen verbonden waren en die door hun bezetting van de dorpen rond Médine een eerste verdedigingslinie vormden, en binnen de wallen zocht een menigte van ongeveer tienduizend mensen beschutting, van wie er ruwweg duizend in enige zin soldaat konden worden genoemd. Het is dat onderscheid tussen het geoefende kader en de gewapende menigte die het moest inzetten, en niet een enkel getal, dat de verdediging van Médine haar werkelijke verhouding geeft.

De strategische betekenis

Voor beide partijen hing aan Fort de Médine de verhouding tussen de Umarian-jihad en de Franse koloniale macht. Voor Faidherbe was het fort de springplank voor de Franse opmars stroomopwaarts in de Senegal-vallei en tegelijk de barrière waarop de Umarian-uitbreiding stroomafwaarts zou stuklopen. Voor Umar Tall ﵀ was het de blokkade die zijn operaties tegen Segoe verder oostwaarts onmogelijk maakte zolang hij haar niet brak, en de eerste werkelijke Franse positie die zijn jihad tegenover de koloniale macht in een rechtstreeks gewapend treffen plaatste. Nam hij het fort, dan zou de Franse koloniale uitbreiding een ernstige tegenslag lijden en zou de jihad een internationale geestelijke en politieke autoriteit verwerven die haar tot dan toe ontbrak. Hield Holle het, dan zou de Franse koloniale strategie bevestigd worden en zou de Umarian-jihad door haar eerste werkelijke militaire nederlaag tot een wezenlijke heroriëntatie worden gedwongen.

De geestelijke voorbereiding van de gemeenschap

Naast de militaire en logistieke voorbereidingen ondernam Umar Tall ﵀ in de wintermaanden van 1856 op 1857 ook een geestelijke voorbereiding van zijn gemeenschap, op een wijze die de Umarian-traditie zou kenmerken. In de hoofdmoskee van Dinguiraye hield hij een reeks vrijdagspreken waarin hij de komende botsing met de Franse koloniale macht in een geestelijk kader plaatste, en hij organiseerde gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten waarin de Tijani-discipline in een verhoogd ritme werd gevierd ter voorbereiding op de beproeving die hij verwachtte. Hij riep ook de plaatselijke moskee-imams en de naib-bestuurders bijeen voor een vergadering waarin de geestelijke opzet van de campagne gemeenschappelijk werd vastgelegd en waarin de instructies werden gegeven voor het ondersteunen van de campagne via gebed en zakaat-bijdragen.

Daarmee werd de campagne niet enkel een militaire onderneming maar een gemeenschapsmoment, waaraan ook de gemeenschapsleden die niet fysiek meemarcheerden geestelijk deelnamen. Het hield de moreel hoog en het droeg in de maanden van het beleg die volgden ook de uithouding van de strijders.

De Umarian-aanval

In het voorjaar van 1857 begon de Umarian-strijdmacht haar opmars vanuit Dinguiraye in de richting van Fort de Médine, in een campagne waarvan de omvang in de bronnen uiteenloopt, want Robinson komt op vijftienduizend strijders terwijl de Franse overlevering twintigduizend tot vijfentwintigduizend manschappen noemt: het kerncorps van talibé-strijders met geweren, en daaromheen de Tooroodo-, Fulbe- en Mandinka-milities die zich in de campagnes van de voorafgaande jaren in de jihad-staat hadden gevormd. Umar Tall ﵀ voerde de campagne persoonlijk aan, met zijn zoon Ahmadu en met Alfa Umar Cherno Baila ﵀ als onderbevelhebbers, en met de logistieke ondersteuning waarop de jihad in zijn tweede fase kon steunen.

De opmars duurde ongeveer drie weken, onderbroken voor de tactische voorbereiding van de aanval en voor de coördinatie van een aantal kleinere Mandinka-bondgenoten die zich onderweg bij de strijdmacht aansloten. Op 20 april 1857 stond de Umarian-troep voor Fort de Médine en werd de strijd aangegaan. Umar Tall ﵀ had in de dagen daarvoor een ultimatum tot overgave aan Commandant Holle laten overdragen, waarop Holle in een waardige weigering had geantwoord, en hij hief nu zijn troep op voor de eerste bestorming.

De eerste bestormingspogingen

Bij de eerste bestormingspogingen, die zich van eind april door mei heen tot in de eerste helft van juni 1857 uitstrekten, trokken de Umarian-strijders herhaaldelijk in golven van enkele duizenden manschappen tegelijk tegen de wallen op, in de hoop de Franse verdediging door massa te overweldigen. Die tactiek had in de voorafgaande campagnes tegen Mandinka- en Bambara-troepen telkens gewerkt, maar zij stuitte hier op een verdedigingsmacht die in bewapening en in verdedigingswijze van een geheel andere aard was dan alles wat de jihad tot dan toe had ontmoet.

De kanonnen op de bastions, die de aanvalswegen in een georganiseerd kruisvuur konden nemen, brachten bij elke bestorming zware verliezen toe. De tirailleurs-soldaten vuurden van bovenaf op de wallen hun geweren af in een tempo dat in West-Afrika nergens anders werd geëvenaard, en ook dat kostte de aanvallers veel. In de kazematten lagen de bevoorrading en de munitievoorraden veilig opgeslagen, zodat het garnizoen zijn weerstand lang kon volhouden zonder logistiek uitgeput te raken.

Eén gevecht uit deze weken laat zien hoe smal de marge was waarbinnen die verdediging werkte. In de nacht van 11 mei 1857 bezette een groep van ongeveer tweehonderd Toucouleur-strijders een klein eiland op ongeveer honderd meter van het fort, van waaruit de wallen onder vuur konden worden genomen en de aanlegplaats werd bedreigd. Holle liet daarop een boot uitrusten en bemannen die het eiland vanaf het water bestreek, zodat de bezetters tussen het vuur van de boot en dat van de wallen kwamen te liggen en de positie niet konden houden.

In de eerste vier weken van het beleg leden de Umarian-strijders zware verliezen aan gesneuvelden en gewonden, en van voortgang in de richting van de inname van het fort was niets te merken. Robinson becijfert wat de campagne de jihad in totaal heeft gekost op tweeduizend van haar dapperste strijders. Umar Tall ﵀ herzag in deze fase zijn aanpak. Hij liet de directe bestorming los en ging over op een belegering waarin het fort door uithongering en door ondermijning van de wallen zou worden gebroken.

De ultimatum-uitwisseling

Voor de eerste bestormingen had Umar Tall ﵀ een ultimatum-uitwisseling met Commandant Holle gevoerd die de geestelijke ernst van de confrontatie weerspiegelde. Hij zond Holle, via een Tooroodo-tolk die in het Frans en in het Arabisch tussen de twee partijen kon bemiddelen, een schriftelijk ultimatum met drie keuzemogelijkheden. Ten eerste de overgave van het fort aan de Umarian-staat, waarbij het garnizoen vreedzaam naar Saint-Louis zou worden afgevoerd en de Franse aanwezigheid aan de bovenloop van de Senegal zou worden opgeheven. Ten tweede de aansluiting van het garnizoen bij de jihad onder de Tijani-discipline, indien de plaatselijke moslim-strijders dat in hun geweten voor Allah ﷻ wensten te kiezen. Ten derde de voortzetting van het verzet, met een gewapend treffen als gevolg.

Holle antwoordde schriftelijk, in de Franse koloniale traditie die hoffelijkheid met onverbiddelijke vastberadenheid combineerde. Hij verklaarde dat het fort hem door de Franse koloniale macht was toevertrouwd, dat hij in geweten gebonden was die opdracht tot het einde toe uit te voeren, en dat hij elke poging tot inneming met de hem ter beschikking staande militaire macht zou beantwoorden. De uitwisseling verliep in wederzijds militair respect, en zij bepaalde dat de gevechten die volgden een geordende militaire confrontatie bleven en niet ontaardden in de gewelddadigheid van een gewone belegering.

Het lange beleg

Vanaf de tweede helft van juni 1857 tot het midden van juli voerde Umar Tall ﵀ een aanhoudend beleg, waarin de Umarian-troep het fort afsloot, de wegen naar de Khasso-dorpen blokkeerde en een aanhoudende maar lichtere druk op de wallen hield zonder nog een grote bestorming te wagen. De gedachte was dat de bevoorrading, die alleen over de rivier vanuit Saint-Louis kon komen, in de regentijd vanzelf zou haperen zodra de Umarian-troep de aanlandingsplaats voldoende bedreigde, en dat het garnizoen dan in de loop van de maanden zou worden uitgeput.

In de praktijk werkte die tactiek maar ten dele, want de Franse marine slaagde er met aanzienlijke moeite in de bevoorrading al die weken op gang te houden. Stoomboten van de Franse koloniale marine, een verschijning die in West-Afrika nieuw was en waartegen de Umarian-strijders geen antwoord bezaten, voeren keer op keer stroomopwaarts naar Médine met voorraden en versterkingen, en telkens wisten zij het garnizoen ondanks aanzienlijke tegenstand staande te houden. Met hun muskettenvuur waren de boten niet tegen te houden, en rivierwapens waarmee zij onderschept konden worden had de Umarian-troep niet.

De verdediging van het garnizoen

Het garnizoen zat beklemd onder een leger dat het vele malen in aantal overtrof, en de verdediging die het in deze maanden voerde is in de Franse koloniale geschiedschrijving tot een legende uitgegroeid. Commandant Paul Holle hield haar staande met militair vakmanschap, met persoonlijke moed en met een steeds krappere kas aan middelen. De ammunitie werd streng gerantsoeneerd, het voedsel werd in een opklimmend rantsoenregime verdeeld, en de Khasso-strijders onder Hawa Demba en Sambala werden met de Franse tirailleurs tot één verdedigingsmacht samengebracht in een samenwerking die ondanks de culturele en talige verschillen werkbaar bleef.

De bewoners van Médine, die in hun dorp onder de bescherming van het fort hadden geleefd, leden zware ontberingen. Het voedsel raakte in de tweede helft van het beleg op, het drinkwater werd door de blokkade schaars, en de zorg voor de gewonden en de zieken legde een aanhoudende druk op de beperkte middelen van het garnizoen. Holle bewaarde onder die omstandigheden een leiderschap dat zijn ondergeschikten hem blijvend nadroegen, en hij hield het garnizoen moreel bijeen terwijl de situatie objectief uitzichtloos was.

De aanvallen via de tunnel-tactiek

In de laatste week van juni 1857 ondernam Umar Tall ﵀ een aanvullende tactiek: de wallen van onderaf ondergraven om een bres te scheppen waardoor een nieuwe bestorming zou kunnen binnendringen. Het werk werd uitgevoerd door een geleide groep Mandinka-mijnwerkers die aan de bovenloop van de Senegal in de goudwinning waren opgeleid en die onderaardse gangen konden graven. Het graven vroeg een omslachtige discipline, met de geluiden 's nachts gemaskeerd door de gewone bedrijvigheid van het Umarian-kamp, en het vorderde in de dagen die volgden tot onder de eerste van de fortwallen.

Holle, die met zijn militaire ervaring de tunnels aan de geluiden en via Khasso-informanten had opgespoord, liet Franse pioniers vanuit het fort tegenmijnen graven om het Umarian-werk te onderscheppen. In de eerste dagen van juli werd ondergronds een reeks kleinere gevechten uitgevochten tussen Umarian- en Franse mijnwerkers, die beide partijen verliezen kostte zonder dat er strategisch iets werd beslist. Kort voor het midden van juli gaf Umar Tall ﵀ de tunnel-tactiek op en hervatte hij de directe belegering, in afwachting van de Franse ontzettingsexpeditie die hij verwachtte.

De ontzetting door Faidherbe

In juli 1857, na bijna drie maanden van Umarian-aanwezigheid voor het fort, voer Faidherbe persoonlijk vanuit Saint-Louis stroomopwaarts naar Médine, waarmee de Franse koloniale macht tegenover de jihad haar volle inzet wilde tonen. Over de omvang van die ontzettingsmacht lopen de bronnen uiteen, want Robinson spreekt van ongeveer achthonderd manschappen met twee kanonneerboten, terwijl de Franse overlevering vierhonderd tirailleurs en honderd Europese militairen aan boord van de aviso Basilic noemt. De expeditie vorderde stroomopwaarts in een tempo dat in de West-Afrikaanse militaire conventie nieuw was, namelijk gemiddeld vijftig kilometer per dag, dankzij de combinatie van stoomvoortstuwing en landingseenheden die in de tussenliggende dorpen de plaatselijke weerstand stelselmatig onderdrukten.

Tegen 18 juli naderde Faidherbe Médine en raakte hij met de troep van Umar Tall ﵀ slaags in een reeks gevechten die zich over de daaropvolgende dagen uitstrekte. De Franse macht was in haar combinatie van geprofessionaliseerde infanterie, geconcentreerde artillerie en stoomvaart-mobiliteit van een geheel andere aard dan de Umarian-strijders eerder hadden ontmoet, en de schaal van deze gevechten stelde het Umarian-tactische denken voor een fundamentele uitdaging. Umar Tall ﵀ besloot daarop de belegering op te heffen en zijn troep geordend terug te trekken naar het oosten, in de richting van de Niger-bovenloop, een doordachte beslissing die het karakter had van een waardige terugtocht en niet dat van een vlucht.

De confrontatie aan de rivier

Op 18 juli 1857 kreeg Umar Tall ﵀ van zijn verkennings-informanten het bericht dat Faidherbe’s stoomboten met de hoofdmacht de laatste bocht in de rivier voor Médine waren genaderd. Daarmee viel de rekening weg waarop het hele beleg had gerust, want die ging ervan uit dat het fort over het water niet meer te bereiken zou zijn zodra de Umarian-troep de aanlegplaats voldoende bedreigde. De boten kwamen toch, zij brachten manschappen en geschut mee, en tegen geschut op het water bezat de Umarian-troep nog altijd geen wapen.

In de gevechten die volgden bleek dat opnieuw. De Franse landingseenheden kwamen onder dekking van de zware kanonnen op de stoomboten aan land, de Umarian-strijders die hen aan de oever opwachtten werden op afstand gehouden, en de verbinding tussen de ontzettingsmacht en het garnizoen kwam tot stand zonder dat de Umarian-troep haar kon verbreken. Daarmee was het beleg feitelijk beslist, en wat volgde was geen strijd om het fort meer maar de vraag hoe de Umarian-troep zich zou terugtrekken.

De terugtocht naar het oosten

De terugtocht werd ordelijk uitgevoerd, in een formatie die de gewonden en het materieel meenam en die de Franse achtervolging zo lang mogelijk ophield. Faidherbe achtervolgde de eerste dagen actief, maar hij begreep al snel dat een diepe achtervolging in Umarian-territorium zonder verdere voorbereiding zou uitlopen op een Franse logistieke uitputting die de winst van de ontzetting weer zou uitwissen. Hij keerde daarom na enige dagen terug naar Médine, bevestigde Holle in zijn verdedigingspositie en verzamelde de gegevens voor zijn rapporten aan Parijs over de uitkomst van de Frans-Umarian confrontatie.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk had die uitkomst een dubbel karakter. De inname van het fort was niet gelukt, en in dat opzicht was de campagne militair een nederlaag. Daartegenover stond dat hij zijn troep ondanks de Franse ontzetting geordend had teruggetrokken, dat hij de Franse koloniale macht voor het eerst rechtstreeks tegenover zijn jihad had gedwongen, en dat hij de Franse opmars stroomopwaarts aanzienlijk had vertraagd. Geen catastrofe dus, maar een teleurstellende mislukking, en juist als zodanig de aanleiding tot een strategische heroriëntatie.

De internationale weerklank

Het Beleg van Médine kreeg een internationale weerklank die in de tweede helft van 1857 in de Franse, Britse en Ottomaanse pers haar neerslag vond. In de Franse koloniale pers werden de verdediging door Holle en de ontzetting door Faidherbe gevierd als een glorieus moment van de koloniale macht, en beiden werden in de decennia daarna in de Franse koloniale herinnering tot helden verheven die in schoolboeken en op koloniale tentoonstellingen werden geëerd. De Britse pers besprak de gebeurtenis met meer afstand, met oog voor de bredere gevolgen voor de West-Afrikaanse koloniale wedijver. In de Ottomaanse pers werd de Umarian-mislukking met enige geestelijke verlegenheid besproken, want de Ottomaanse autoriteiten hadden uit moslim-solidariteit sympathie voor de jihad onderhouden zonder daarbij directe steun te kunnen leveren.

Voor de moderne historiografie blijft het Beleg van Médine een van de centrale gebeurtenissen van de negentiende-eeuwse West-Afrikaanse koloniale geschiedenis, en het wordt in verscheidene moderne studies besproken als het kantelmoment waarop de Frans-Umarian betrekking haar vorm kreeg. In de Umarian-traditie leeft het beleg gemengd voort, in een geestelijke aanvaarding van de uitkomst gecombineerd met een blijvende waardering voor de moed waarmee de strijders hun zaak in een onevenwichtige confrontatie hadden gevoerd.

De gevolgen van het beleg

In de maanden na de mislukking bij Médine verlegde Umar Tall ﵀ het zwaartepunt van zijn jihad, weg van de rechtstreekse confrontatie met de Franse koloniale macht en naar de uitbreiding in oostelijke richting tegen Segoe en de daar gelegen Bambara-staat. Hij begreep dat de Franse macht in haar combinatie van vuurkracht, mobiliteit over de rivier en logistieke beschikbaarheid een tegenstander was die met de middelen waarover de jihad op dat moment beschikte in een open gewapend treffen niet te verslaan viel, en hij koos voor een strategie waarin de Umarian-staat eerst haar greep op de bovenloop van de Niger zou vastzetten om in de jaren daarna dieper naar het oosten uit te breiden.

De Frans-Umarian betrekking bleef in deze gewijzigde vorm de vijf jaar daarna in een onstabiel evenwicht, waarin geen van beide partijen tot een beslissende confrontatie overging maar waarin het aftasten van elkaars positie langs diplomatieke weg voortduurde. Faidherbe verstevigde in die jaren de Franse positie aan de bovenloop van de Senegal en breidde de Franse heerschappij langzaamaan stroomopwaarts uit, terwijl Umar Tall ﵀ zijn aandacht op de Segoe-campagne en op wat daarop volgde richtte.

Twee herinneringen aan Paul Holle

Paul Holle, de halfbloed-commandant die de verdediging van Fort de Médine had geleid, werd in de Franse koloniale herinnering tot een figuur verheven die in de decennia daarna in de schoolboeken en op de koloniale gedenktekens van Saint-Louis werd gevierd. Hij overleefde het beleg en de koloniale dienst die erop volgde, al werd zijn persoonlijke leven door de ontberingen van het beleg zwaar belast, en hij ontving van de Franse autoriteiten in de jaren daarna verscheidene eervolle onderscheidingen voor zijn rol. Dat hij als halfbloed-officier in Franse dienst stond maakte hem bovendien tot een geliefd voorbeeld in de koloniale propaganda van wat de assimilatie-doctrine moest voorstellen, iets waar de moderne historiografie met aanzienlijke kritische distantie naar kijkt.

In de Umarian-traditie wordt Holle met enig militair respect behandeld, want zijn moed in de verdediging werd zelfs door zijn vijanden erkend, maar zonder de bewondering die de Franse koloniale herinnering hem toekende. Het beeld van Holle in de twee tradities weerspiegelt de bredere Frans-Umarian betrekking, waarin elk van beide partijen haar eigen helden vereert op een wijze die voor de andere vreemd blijft.

De geestelijke verwerking

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was de mislukking bij Médine een geestelijke opgave die hij innerlijk moest verwerken. In zijn vrijdagspreken in Dinguiraye in de maanden na de terugtocht, voor zover die in latere afschriften zijn bewaard, sprak hij over Médine niet als een geestelijke nederlaag maar als een beproeving die door Allah ﷻ aan zijn gemeenschap was gezonden, herkenbaar uit het profetische voorbeeld. Hij wees op de mislukking van de Profeet ﷺ bij Uhud in het derde jaar na de Hijra, waar de moslims na hun overwinning bij Badr een tegenslag ondergingen om in een geestelijke discipline gevormd te worden voordat zij in latere overwinningen hun definitieve vorm zouden verwerven.

Die toepassing van het profetische voorbeeld op de eigen situatie hield de moreel van zijn aanhangers hoog ondanks de objectieve uitkomst van de campagne, en zij vormde de grond waarop de jihad in zijn volgende fase opnieuw kon optrekken. Hij riep zijn gemeenschap op tot een vernieuwing van de geestelijke discipline, tot bezinning op de eigen oprechtheid in de zaak, en tot een hervatte voorbereiding op de campagnes tegen Segoe waarin de werkelijke uitkomst van de jihad zou worden bepaald.

Naar Segoe en Massina

De jaren tussen 1858 en 1862 zouden in de Umarian-geschiedenis worden ingenomen door de campagnes tegen Segoe en daarna tegen het Massina-Imamaat, waarin de Umarian-staat haar grootste territoriale uitbreiding bereikte maar waarin tegelijk de eerste interne spanningen opspeelden die in 1862 in de Hamdullahi-fitna hun tragische uitkomst zouden vinden. Aan die jaren, en in het bijzonder aan de inter-moslim oorlog met het Tijani-Qadiri-conflict tussen de Umarian-staat en het Massina-Imamaat, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.

In dit artikel hebben wij gezien hoe de Umarian-jihad in 1857 bij het Beleg van Fort de Médine zijn eerste werkelijke confrontatie met de Franse koloniale macht verloor, hoe Faidherbe in zijn ontzettingsexpeditie toonde waartoe die koloniale macht in staat was, en hoe Umar Tall ﵀ daarop het zwaartepunt van zijn jihad naar het oosten verlegde. De Frans-Umarian betrekking was daarmee in een onstabiel evenwicht gebracht dat in de jaren daarna zou voortduren, en de tweede fase van de jihad had een wezenlijk ander verloop gekregen.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 294–334.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 294–334.
  • Yves Saint-Martin, Le Sénégal sous le second empire: Naissance d’un empire colonial (1850–1871), Karthala (1989), pp. 158–214.
  • Leland Conley Barrows, “The Merchants and General Faidherbe: Aspects of French Expansion in Senegal in the 1850s”, in Revue française d’histoire d’outre-mer 61, 223 (1974), pp. 236–283.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 334–376.
  • John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 168–212.
  • Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade, Cambridge University Press (1998), pp. 294–334.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Bayan ma Waqaʿa, Arabisch handschrift; Franse vertaling Mahibou-Triaud, Éditions du CNRS (1983), pp. 24–88 [voor zijn eigen verslag van de Médine-campagne].

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).