InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Grote Reis
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

De Grote Reis

De Grote Reis

In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ in het Tooroodo-dorp Halwar aan de oever van de Senegal-rivier werd geboren in 1794, hoe hij in zijn jeugdjaren in de geestelijke aristocratie van Fouta Toro een uitzonderlijke vorming ontving in de Maliki-fiqh en in de Arabische letteren, hoe hij zich in zijn jongelingsjaren bij de Qadiriyya aansloot, en hoe hij tegen 1820 tot een geleerde van regionale faam was uitgegroeid. In dit artikel volgen wij hem op de lange reis die hij in 1828 of mogelijk reeds in 1826 ondernam vanuit Halwar in een oostwaartse trekkende beweging die hem in een periode van enkele jaren door Bondou, door Fouta Djallon, door Sokoto, door de Saheliaanse koninkrijken van Bornu en Wadai, door Egypte en uiteindelijk over de Rode Zee naar Mekka zou brengen, voor de uitvoering van de hadj die in zijn geestelijke en persoonlijke ontwikkeling het kantelmoment van zijn leven zou betekenen.

De geestelijke betekenis van de hadj in de Tooroodo-traditie

Voor de Tooroodo-geleerde van de vroege negentiende eeuw was de hadj niet enkel een rituele plicht die in de Maliki-fiqh als verplichte daad voor de fysiek en financieel in staat zijnde moslim was vastgelegd, maar een geestelijke daad van een bijzondere statuur die in de Senegambia-regio sinds de zeventiende en achttiende eeuw aan de pelgrim een eigen sociale en religieuze positie verleende. Een Tooroodo die de hadj had volbracht, kreeg in zijn dorp de eretitel al-Hajj voor zijn naam, en deze titel was geen losse aanvulling maar een serieuze rangverhoging waarin hij in de plaatselijke moskee een hogere zitplaats kreeg, in geleerdengesprekken zijn mening met meer gezag werd gewogen, en in juridische zaken een hogere overlevering werd toegeschreven aan zijn uitspraken. De hadj was, kortom, een geestelijke statusverandering die in de West-Afrikaanse Tooroodo-context met de uiterlijke en de innerlijke gestalte van de pelgrim onlosmakelijk samenkwam.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk betekende dit dat zijn hadj-reis niet enkel een persoonlijke vroomheidsdaad was maar een onderneming met een uitgesproken sociale en geestelijke gestalte waarin zijn terugkeer naar West-Afrika in een nieuwe positie zou plaatsvinden. Hij wist, voordat hij vertrok, dat hij terug zou keren als al-Hajj Umar Tall ﵀, en dat zijn vroegere positie als een geleerde uit Halwar zou worden opgenomen in een ruimere geestelijke en sociale positie waarin hij in Fouta Toro en in heel West-Afrika een ander gezag zou kunnen uitoefenen dan zijn voorgaande Tooroodo-status hem alleen zou hebben verleend.

De voorbereiding op het vertrek

In de jaren tussen 1822 en 1828 voltrok zich in het persoonlijke leven van Umar Tall ﵀ een geleidelijke voorbereiding op het vertrek die minder een geplande staatkundige onderneming was dan een geestelijke noodzaak die in hem rijpte tot zij niet langer kon worden uitgesteld. Hij was inmiddels in de geleerdenkringen van Fouta Toro een gerespecteerde figuur geworden, hij gaf lessen in de moskee van Halwar en in de naburige dorpen, hij ontving leerlingen die uit andere Tooroodo-dorpen tot hem kwamen voor verdere studie, en hij onderhield in zijn huishouden met zijn eerste vrouw Penda en hun gezamenlijke kinderen een gewoon Tooroodo-gezinsleven. Maar in zijn innerlijke meditatie groeide, naar de overlevering van zijn naaste medewerkers, een onrust die door geen plaatselijke geleerdheid kon worden gestild en die zich richtte op het directe geestelijke contact met de bron van het geloof in de heilige steden van Mekka en Medina.

Hij sprak in zijn dorp en in zijn bredere familie over dit voornemen herhaaldelijk, en hij ondernam in zijn jaren van voorbereiding een aantal kortere reizen door Fouta Toro en in Fouta Djallon om in de moskeeën van Timbo, Labe en andere geestelijke centra met hadj-veteranen te spreken over de juiste voorbereidingen, over de te volgen routes, over de geestelijke discipline waarvan zij in hun eigen reizen hadden ondervonden dat zij de pelgrim in de uithouding kon dragen. Hij verzamelde, naar de Tooroodo-conventie van zijn tijd, een aanzienlijke reisuitrusting die niet enkel zijn persoonlijke behoeften maar ook geschenken voor de geleerden en de heersers omvatte die hij op zijn reis zou ontmoeten, en hij wisselde in de Saint-Louis-handelsstad een deel van zijn bezit in zilveren Marie-Theresia-thaler-munten die in de hele Trans-Saharaanse handelsruimte als betaalmiddel werden aanvaard.

Het reisgezelschap

Hij vertrok, naar de overlevering vermeldt, niet alleen maar in het gezelschap van een groep van zes tot acht jonge Tooroodo-leerlingen die hem in zijn opleiding hadden gediend en die in zijn jaren van voorbereiding zich aan zijn persoon hadden verbonden in de wens hem op zijn lange reis te vergezellen en in zijn lessen onderweg verder van zijn geleerdheid te kunnen leren. Onder hen bevond zich, naar de overlevering vermeldt, de jonge Alfa Umar Cherno Baila, een Tooroodo-geleerde uit het naburige Bababé die in de daaropvolgende decennia een van zijn naaste medewerkers in de jihad-jaren zou worden. Het gezelschap was klein genoeg om bewegelijk te blijven op de moeilijke karavaanroutes, en groot genoeg om de gevaren van banditisme en van plaatselijke politieke complicaties met enige gerustheid tegemoet te treden.

Het vertrek uit Halwar vond plaats, naar de meest gangbare reconstructie, in het voorjaar van 1828, hoewel sommige bronnen de datum twee jaar vroeger plaatsen en andere bronnen haar in het late voorjaar van 1827 vastleggen. De gemeenschap van Halwar verzamelde zich, naar Tooroodo-gewoonte, voor de afgesloten gebedszaal van de moskee, en de plaatselijke imam droeg in een korte plechtigheid het reisgezelschap aan de bescherming van Allah ﷻ over met de Quran-formulen die in de West-Afrikaanse Maliki-praktijk voor reizigers gebruikelijk waren. Penda, zijn vrouw, en de kinderen die hij in zijn huishouden achterliet, namen op meer persoonlijke wijze afscheid van hem in zijn ouderlijk huis. Hij beloofde hun dat hij zou terugkeren wanneer Allah ﷻ dat in Zijn wijsheid zou bepalen, en hij beval hen aan de zorg van zijn vader Saidu Tall aan.

De eerste fase: door West-Afrika naar Sokoto

De route die Umar Tall ﵀ in zijn hadj koos, en die in de West-Afrikaanse pelgrimstraditie van zijn tijd algemeen werd gevolgd, voerde niet in een directe oostwaartse lijn maar in een grote zuidoostwaartse boog door het Saheliaanse binnenland tot in Sokoto, vandaaruit oostwaarts door de Tsjaad-bekken en de Saheliaanse koninkrijken van Bornu en Wadai, en uiteindelijk naar het noorden door Darfur en Kordofan tot het Egyptische gebied waar de pelgrim de Nijl kon afzakken naar Caïro en vandaaruit per karavaan of per schip de Rode Zee kon bereiken. De totale afstand van Halwar tot Mekka over deze route was bijna zesduizend kilometer, en de reis vereiste naar de gewone schatting van zijn tijd ten minste anderhalf jaar voor de enkele reis.

Het eerste deel van de reis, van Halwar naar Sokoto, voerde door het Tooroodo-gebied van Fouta Toro, vervolgens door het Bondou-koninkrijk dat als een vazallaat van het Imamaat van Fouta Toro fungeerde, vervolgens door het Imamaat van Fouta Djallon dat in zijn binnenlandse Imam-stad Timbo zijn hoofdkwartier had, en vervolgens door de gebieden van Karta en Beledougou waar de Bambara-staten hun politieke greep hadden. In Timbo verbleef het gezelschap enkele maanden bij de Almami van Fouta Djallon, en Umar Tall ﵀ gebruikte deze tijd voor uitvoerige geleerdengesprekken met de Fouta Djallon-ʿulamāʾ over de toestand van het Imamaat in zijn tweede halve eeuw en over de uitdagingen waarmee de binnenlandse jihad-staat in zijn dagelijkse bestuur werd geconfronteerd.

De doortocht door Bambara-gebied

De doortocht door het Bambara-gebied tussen Fouta Djallon en Sokoto was de meest gevaarlijke fase van de eerste reis-etappe, want de Bambara-staten waren in deze jaren in voortdurende oorlog met de moslimstaten aan hun westelijke en noordelijke grenzen, en zij beschouwden een doortrekkende Tooroodo-geleerde met enige reserve. Umar Tall ﵀ en zijn gezelschap moesten, naar de overlevering vermeldt, in deze fase van de reis een combinatie van diplomatie en van geheimhouding toepassen, en zij ontvingen op verschillende plaatsen begeleiding van plaatselijke moslimgemeenschappen die in de Bambara-koninkrijken als minderheden bestonden en die in de doortocht van een geleerde van zijn statuur een geestelijke aansporing zagen.

Het was tijdens deze doortocht, naar de overlevering vermeldt en naar zijn eigen latere uitspraken in zijn werken bevestigen, dat Umar Tall ﵀ voor het eerst de Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta in hun politieke en geestelijke gestalte van nabij waarnam, en dat hij de overtuiging vormde dat de bevrijding van de Saheliaanse moslimbevolking uit hun greep een centrale opdracht zou zijn voor de West-Afrikaanse moslimwereld van de komende generatie. Deze overtuiging, in het voorjaar van 1828 in zijn binnenste vastgelegd, zou twintig jaar later in zijn eigen jihad van Dinguiraye gestalte krijgen, en zij was dus reeds in zijn hadj-reis als een innerlijke beslissing aanwezig voordat de uiterlijke omstandigheden haar mogelijk maakten.

Sokoto en Sultan Muhammad Bello ﵀

In het late voorjaar van 1829 bereikte het gezelschap Sokoto, de hoofdstad van het kalifaat dat door Shaykh Usman dan Fodio ﵀ was gesticht en dat in deze jaren onder zijn zoon Sultan Muhammad Bello ﵀ regeerde. Sokoto was in 1829 de grootste islamitische staat in heel sub-Sahariaans Afrika, met een gebied dat zich uitstrekte van de hedendaagse noord-Nigeriaanse grens met Niger tot in het zuiden naar de centraal-Nigeriaanse vlakten, en met een hoofdstad die in haar bestuurlijke en geestelijke gestalte als een geleerd hofcentrum was uitgebouwd waarin Arabische literatuur, fiqh-debat en soefitische broederschapsactiviteit op een niveau werden bedreven dat in West-Afrika nergens anders bestond.

Sultan Muhammad Bello ﵀, die zijn vader Shaykh Usman ﵀ in 1817 was opgevolgd en die in 1829 zelf ongeveer vierenveertig jaar oud was, ontving Umar Tall ﵀ in een formele audiëntie in zijn hofgebouw en herkende in de jonge Tooroodo-geleerde een verwante geestelijke aanleg waarvoor hij vanaf de eerste ontmoeting een persoonlijke achting voelde. Hij nodigde Umar Tall ﵀ uit om langer dan de gebruikelijke enkele weken in Sokoto te verblijven, en hij bood hem aan in zijn eigen hofkring lessen bij te wonen en met de geleerden van Sokoto te debatteren over de juridische en geestelijke vragen die in het kalifaat in deze jaren opspeelden. Umar Tall ﵀ aanvaardde dit voorstel met dankbaarheid, en hij verbleef in Sokoto in de eerste fase van zijn reis ongeveer een jaar, van 1829 tot 1830, in een verblijf dat in zijn persoonlijke en intellectuele vorming een diepe afdruk zou nalaten.

De bibliotheek van Sokoto

Een specifiek aspect van Umar Tall’s ﵀ Sokoto-verblijf dat in de geschiedschrijving niet altijd voldoende aandacht krijgt, was zijn toegang tot de uitgebreide bibliotheek die in het kalifaatpaleis door Sultan Muhammad Bello ﵀ en door zijn vader Shaykh Usman dan Fodio ﵀ in de voorafgaande decennia was opgebouwd. Deze bibliotheek omvatte enkele honderden manuscripten in het Arabisch en in het Fulfulde, waaronder de complete corpus van de werken van Shaykh Usman dan Fodio ﵀, de werken van Muhammad Bello ﵀ zelf, een grote verzameling klassieke Maliki-fiqh-handboeken, soefitische werken van de Qadiriyya, en in een aantal gevallen ook werken van geleerden uit het Maghreb en uit het Midden-Oosten die via de Trans-Saharaanse handelsroutes in Sokoto waren geraakt. Voor Umar Tall ﵀ vormde deze bibliotheek een geleerde rijkdom die hij in West-Afrika nergens anders zou kunnen ontmoeten, en hij wijdde een belangrijk deel van zijn Sokoto-verblijf aan een grondige bestudering ervan.

In zijn aantekeningen, die in latere afschriften door zijn naaste medewerkers zijn bewaard, zijn vele verwijzingen naar werken die hij in deze bibliotheek voor het eerst kon lezen, en zijn invloed van Shaykh Usman dan Fodio’s ﵀ werken op zijn eigen latere werken is in de moderne historiografie veelvuldig vastgesteld. De Sokoto-bibliotheek werd, in haar uitwerking op de jonge Tooroodo-geleerde, een soort van tweede madrasa die zijn West-Afrikaanse geleerde wereld een fundamentele intellectuele uitbreiding gaf en die zijn latere staatkundige werk in een grondige theoretische bedding plaatste.

Het huwelijk met Maryam

In de loop van zijn verblijf in Sokoto trad Umar Tall ﵀ in een huwelijksverbintenis die in zijn latere leven en in zijn politieke werk van groot belang zou blijken. Hij huwde Maryam, een dochter van Sultan Muhammad Bello ﵀, in een verbintenis die door de sultan zelf werd voorgesteld als een teken van zijn waardering voor de Tooroodo-geleerde en van zijn wens hem in een blijvende familiale relatie met de Sokoto-hofkring te verbinden. Het huwelijk werd in een waardige plechtigheid uitgevoerd, en Maryam vergezelde Umar Tall ﵀ in de daaropvolgende jaren op zijn verdere reis naar Mekka en in zijn latere terugtocht door West-Afrika.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was dit huwelijk meer dan een dynastieke verbintenis. Maryam was, naar wat de overlevering vermeldt en naar wat haar plaats in zijn latere imamaat-jaren toont, een vrouw van zelfstandige geestelijke ontwikkeling en van eigen intellectuele bekwaamheid, en zij ontwikkelde zich in de daaropvolgende decennia tot een van zijn meest naaste vertrouwelingen en een raadgeefster in zaken waarin hij om haar onafhankelijke oordeel vroeg. In zijn latere imamaat-werk hield hij regelmatig met haar overleg over de politieke beslissingen die hij moest nemen, en haar Sokoto-achtergrond gaf hem in zijn werk een blijvende geestelijke en politieke verbinding met het kalifaat van Sokoto die hij anders niet zou hebben gehad.

De geleerdengesprekken met Sultan Muhammad Bello ﵀

Naast het huwelijk en naast zijn deelname aan het dagelijkse hofleven was de centrale ervaring van Umar Tall’s ﵀ Sokoto-verblijf de lange reeks van geleerdengesprekken die hij met Sultan Muhammad Bello ﵀ persoonlijk voerde over de geestelijke en politieke vraagstukken van de West-Afrikaanse moslimwereld. Sultan Muhammad Bello ﵀ was, naast zijn rol als kalif, een serieuze geleerde in zijn eigen recht, en hij had in de voorafgaande decennia talrijke werken in het Arabisch geschreven over fiqh, over tafsir, en over de specifieke uitdagingen van de West-Afrikaanse jihad-staat. Zijn werk Infaq al-Maysur over de geschiedenis van de Sokoto-jihad, en zijn handboeken over de Maliki-fiqh-toepassing in het kalifaat, waren in West-Afrika algemeen verspreid, en Umar Tall ﵀ had ze reeds in zijn jongere jaren in Halwar bestudeerd.

In hun gesprekken, naar de overlevering vermeldt en naar Umar Tall’s ﵀ eigen latere werken bevestigen, behandelden zij thema’s als de juiste verhouding tussen Shariʿa en het lokale gewoonterecht in een West-Afrikaanse jihad-staat, de gestalte van het bestuur in een gebied waarin de bevolking nog niet volledig in de jihad-zaak was opgenomen, de relatie tussen de soefitische broederschappen en de algemene staatkundige orde, en de buitenlandse betrekkingen die een West-Afrikaanse moslimstaat in de negentiende eeuw zou moeten onderhouden. Sultan Muhammad Bello ﵀ leverde in deze gesprekken in feite een onderwijzing in de staatkunst aan een leerling die in zijn eigen toekomst hetzelfde werk zou ondernemen, en Umar Tall ﵀ ontving haar met de zorgvuldigheid die hem in al zijn leerwerk kenmerkte.

De tweede fase: van Sokoto naar Mekka

In de zomer of het vroege najaar van 1830 verliet Umar Tall ﵀ Sokoto met zijn uitgebreide reisgezelschap, dat in de tussenliggende tijd was aangevuld met zijn vrouw Maryam, met enige bedienden die in haar dienst stonden, en met een aantal Sokoto-leerlingen die de gelegenheid wensten te benutten om met de Tooroodo-geleerde tot Mekka te reizen. De route voerde nu oostwaarts door het Bornu-koninkrijk, dat in deze jaren onder Sheikh Muhammad al-Amin al-Kanemi ﵀ regeerde, een geleerd staatshoofd dat zelf in Caïro en in Mekka had gestudeerd en dat zijn koninkrijk conservatief maar bekwaam bestuurde.

In Bornu’s hoofdstad Kuka, gelegen aan de westoever van het Tsjaadmeer, verbleef het gezelschap enkele weken bij Sheikh al-Kanemi ﵀, en Umar Tall ﵀ voerde ook met hem uitvoerige gesprekken over de geestelijke en politieke vraagstukken van zijn tijd. Sheikh al-Kanemi ﵀ stond geestelijk in een meer behoudende traditie dan Sultan Muhammad Bello ﵀, en hij benaderde de mogelijkheid van een gewapende jihad tegen niet-moslim staten met meer terughoudendheid dan de Sokoto-kring, een verschil van standpunt dat in de daaropvolgende decennia in de West-Afrikaanse jihad-debatten een herhaaldelijke rol zou spelen. Voor Umar Tall ﵀ was het verblijf in Kuka een nuttige aanvulling op zijn Sokoto-ervaring, want hij leerde door deze ontmoeting de breedte van de West-Afrikaanse moslimwereld in haar verschillende geestelijke gestalten beter kennen dan een enkele bron hem zou hebben kunnen tonen.

Door Wadai, Darfur en Kordofan

Voorbij Bornu voerde de route door Wadai, een Saheliaans sultanaat dat in deze jaren onder Sultan Muhammad Sharif ﵀ regeerde en dat in zijn binnenlandse organisatie een combinatie van Arabisch-Maliki-bestuur en plaatselijk gewoonterecht handhaafde. De doortocht door Wadai duurde naar de overlevering enkele maanden, met onderbrekingen in de hoofdstad Abeche waar Umar Tall ﵀ door de Sultan in eervolle audiëntie werd ontvangen en waar zijn gezelschap een rustpauze nam voor de aanstaande doortocht door de moeilijke Trans-Saharaanse zone tussen Wadai en Darfur. Het Darfur-sultanaat, in deze jaren onder Sultan Muhammad Fadl ﵀, was eveneens een geleerd staatshoofd-bewind dat de pelgrim met respect ontving en dat de doortocht in eer faciliteerde.

In Kordofan kruiste het gezelschap eindelijk de Egyptische invloedssfeer, want het gebied stond sinds 1820 onder controle van het Egyptische Muhammad Ali-bewind dat in de daaropvolgende decennia zijn invloed in het Soedan-bekken zou uitbreiden. In de stad El Obeid in centraal Kordofan, en later in Khartoum aan de samenvloeiing van de Witte en Blauwe Nijl, verbleef het gezelschap enige tijd voor de logistieke voorbereidingen op het laatste deel van de reis, namelijk de afzaktocht van de Nijl naar Caïro en vandaaruit de doortocht van de Sinai of de overtocht over de Rode Zee naar Jedda.

De aankomst in Caïro en de Egyptische ulema

In de winter van 1830 of het vroege voorjaar van 1831 bereikte Umar Tall ﵀ Caïro, en hij verbleef daar enkele maanden in een verblijf dat in zijn latere geleerde vorming een diepe afdruk zou nalaten. Hij bezocht de al-Azhar-moskee, het sinds duizend jaar bestaande hooggerechtshof van de soennitische geleerdheid, en hij voerde gesprekken met enkele van de meest gerespecteerde geleerden van zijn tijd, onder wie Sheikh Muhammad Ayyad al-Tantawi ﵀ die in deze jaren in al-Azhar de Maliki-fiqh onderwees, en Sheikh Ibrahim al-Bayjuri ﵀ die later als rector van al-Azhar in zijn ambt zou aantreden en die in de hele soennitische moslimwereld als een autoriteit werd erkend.

Voor Umar Tall ﵀ vormde dit verblijf in Caïro het eerste directe contact met de geleerde traditie van het Maliki-Egyptische bestel dat in West-Afrika via de werken van zijn rectoren werd gekend maar dat hij nu in zijn levende gestalte kon waarnemen, en hij verkreeg in deze gesprekken inzichten in de fiqh en in de tasawwoef die hij in zijn West-Afrikaanse opleiding niet op dezelfde diepte had kunnen verwerven. Hij ontving van enige van zijn Egyptische gesprekspartners formele ijaza’s voor specifieke fiqh-handboeken, een eer die in zijn latere terugkeer naar West-Afrika zijn positie als geleerde van internationale faam zou bevestigen.

De Trans-Saharaanse karavaanroute

De Trans-Saharaanse karavaanroute tussen Kordofan en de Egyptische rand was in de vroege negentiende eeuw nog steeds een van de moeilijkste reisroutes in de hele moslimwereld, en zij vereiste van de reiziger niet enkel fysieke uithouding maar ook een aanzienlijke logistieke voorbereiding waarin de juiste keuze van karavaanleider, van lastdieren en van watervoorraden over leven en dood kon beslissen. De karavaan waarmee Umar Tall ﵀ en zijn gezelschap deze fase aflegden, bestond naar de overlevering uit ongeveer tweehonderd lastdieren en uit een twintigtal andere pelgrims die zich onderweg bij hem hadden aangesloten, en zij volgde de gebruikelijke Daar al-Hajj-route die over de eeuwen heen door tienduizenden West-Afrikaanse pelgrims was uitgetreden. De doortocht van Kordofan naar Aswan duurde naar de schatting van zijn medereizigers ongeveer drie maanden, en zij voerde door gebieden waarin de watervoorraden zo schaars waren dat de karavaan soms vier of vijf dagen zonder een nieuwe waterput moest doortrekken.

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk vormden deze maanden van extreme uitputting in de Saharazone een geestelijke oefening die in zijn latere werken meermalen werd herinnerd. Hij ondernam in de avonduren, na de gemeenschappelijke gebeden en de bescheiden maaltijden die de karavaan zich kon veroorloven, zijn gewone dzikr-oefeningen volgens de Qadiri-wird, en hij gebruikte de lange uren van de reis voor lectuur in de manuscripten die hij in zijn reisuitrusting had meegenomen. De Trans-Saharaanse fase werd, in haar fysieke en geestelijke gestalte, een soort van afzondering avant la lettre waarin zijn vorming in West-Afrika tot een definitieve maturatie werd gebracht voordat hij in Egypte en in Mekka zijn nieuwe geestelijke gestalte zou verwerven.

Mekka en de hadj

In het late voorjaar of de vroege zomer van 1831 vertrok Umar Tall ﵀ met zijn gezelschap uit Caïro voor het laatste deel van zijn reis, eerst per karavaan over de Sinai naar de Rode Zee en vervolgens per schip naar Jedda, waar hij in de eerste hadj-maand van het jaar 1247 in de Hijra-jaartelling, ofwel het late voorjaar van 1831 in de Gregoriaanse jaartelling, voet aan land zette in de stad waar de pelgrim zijn pelgrimskledij aantrekt voor de laatste reis naar de heilige plaatsen. De reis van Jedda naar Mekka, een afstand van ongeveer tachtig kilometer door de droge bergachtige Hejaz, voerde hij in de gebruikelijke vorm uit, en hij betrad de heilige stad voor het eerst in zijn leven met de hartelijke ontroering die elke pelgrim bij die eerste aanblik van de Ka’bah ervaart.

Hij voerde de tawaf rond de Ka’bah uit, hij verrichtte de saʿy tussen Safa en Marwa, hij stond in Arafa op de negende dag van Dhul Hijja in 1247 in de stilte van de duizenden pelgrims die uit alle delen van de moslimwereld waren samengekomen, en hij volbracht de overige riten van de hadj in een geestelijke gestalte die door zijn medereizigers later met eerbiedige bewondering werd beschreven. Hij verbleef vervolgens, naar de hadj-conventie van zijn tijd, enige maanden in de heilige steden, waarin hij in Mekka aan de halqa’s van plaatselijke geleerden deelnam, in Medina het graf van de Profeet ﷺ in eervolle stilte bezocht, en zich in de bredere internationale moslimgemeenschap die in deze maanden in Mekka en Medina aanwezig was, in een uitgebreide reeks van persoonlijke ontmoetingen verbond.

De geestelijke ervaring van Mekka

Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was de hadj, naar wat hij in zijn latere werken zou bevestigen, een geestelijke ervaring die zijn hele wereldbeeld in een dieper kader plaatste dan zijn voorafgaande geleerde vorming had kunnen voorzien. Hij stond in Mekka temidden van pelgrims uit Marokko, uit Maleisië, uit Java, uit India, uit Buchara, uit Turkije, uit Egypte en uit alle hoeken van een moslimwereld die een werkelijke geestelijke eenheid bezat ondanks haar onmetelijk grote geografische verspreiding. Hij ervoer in zijn persoonlijke gebed bij de Ka’bah de zekerheid waarvan hij in zijn West-Afrikaanse leerwerk had gelezen maar die hij nu in haar levende werkelijkheid bevestigde, en hij voltrok in zijn eigen hart een verbintenis met de zaak van de geestelijke voortzetting van het werk van de Profeet ﷺ in zijn eigen tijd en in zijn eigen regio die hem in zijn latere leven als de innerlijke motor van al zijn handelen zou blijven dienen.

Het was tijdens zijn verblijf in de heilige steden dat in zijn binnenste de definitieve overtuiging rijpte dat hij na zijn terugkeer in West-Afrika niet meer als een gewone dorpsgeleerde zou kunnen voortleven maar dat hij een geestelijke en politieke verantwoordelijkheid op zich zou moeten nemen die zijn voorgaande Qadiri-aansluiting niet meer kon dragen. De voorbereiding op deze overgang voltrok zich in de daaropvolgende maanden, en zij zou in 1832 in zijn aansluiting bij de Tijaniyya in Aïn Madhi haar formele gestalte aannemen.

De ontmoetingen in Mekka en Medina

Tijdens zijn maandenlange verblijf in de heilige steden voerde Umar Tall ﵀ een aanzienlijk aantal ontmoetingen die in zijn latere geestelijke ontwikkeling herkenbaar zouden blijven. Hij ontmoette Sheikh Muhammad al-Ghali al-Tijani ﵀, een Marokkaanse khalifa van de Tijaniyya die zich op dat moment in Mekka bevond voor zijn eigen hadj en die in een persoonlijk gesprek met Umar Tall ﵀ de eerste sluier oplichtte over de tarīqa die in West-Afrika de zijne zou worden. Hij ontmoette een Indiase geleerde uit Delhi die hem in een aantal gesprekken vertelde over de toestand van de moslims in Brits-Indië en over de hervormingsbewegingen die in noordelijk India onder leiding van Sayyid Ahmad Barelvi ﵀ in de jaren twintig waren ontstaan. En hij ontmoette pelgrims uit Java en Atjeh die hem vertelden over de geestelijke gestalte van de moslimgemeenschappen in zuidoostelijk Azië en over hun beginnende contacten met de Nederlandse koloniale macht.

Deze ontmoetingen, voor een Tooroodo-geleerde uit een Senegalees dorp die tot dan toe nooit zijn eigen regio had verlaten, betekenden een uitbreiding van de geestelijke horizon die in zijn vroege jaren nooit was voorzien. Hij keerde uit Mekka terug niet enkel als een hadj-veteraan in de gewone zin van het woord, maar als een geleerde wiens geestelijke wereld nu de hele Oude Wereld van Indonesische archipel tot Marokkaanse Atlantische kust omvatte, en wiens latere staatkundige onderneming in West-Afrika in een dergelijk geestelijk kader werd voorgesteld als een bijdrage aan de algemene gestalte van de moslimwereld in de negentiende eeuw.

Naar Aïn Madhi

Toen Umar Tall ﵀ in het late najaar van 1831 of het vroege voorjaar van 1832 Mekka verliet voor de terugreis, koos hij niet de directe terugkeer naar West-Afrika maar een omweg door het noordelijke Egypte en door Marokko, met de uitgesproken bedoeling onderweg de zawiya van de Tijaniyya in Aïn Madhi te bezoeken om zich in deze tarīqa te laten inwijden. Zijn keuze, in haar geestelijke achtergrond, was de vrucht van de bezinningen die hij in zijn jaren van hadj-verblijf had voltrokken, en in haar praktische uitvoering vereiste zij van hem en zijn gezelschap een verdere reis van enkele duizenden kilometers door Egypte, Cyrenaica, Tripolitanië en het oostelijke deel van Algerije voordat hij in Aïn Madhi zou kunnen aankomen.

Aan deze aansluiting bij de Tijaniyya in Aïn Madhi, en aan de bijzondere geestelijke ervaring die hij in de zawiya van Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ ontving, en aan de wijze waarop hij in deze ontmoeting de khalifa-gestalte van de Tijaniyya voor heel West-Afrika werd toebedeeld, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden. In dit artikel hebben wij gevolgd hoe de Tooroodo-geleerde uit het dorp Halwar in een drie jaar durende reis door West-Afrika, door de Saheliaanse koninkrijken, door Egypte en uiteindelijk naar Mekka was getrokken, hoe hij in Sokoto onder Sultan Muhammad Bello ﵀ een vormende ervaring had ondergaan en in een dynastieke verbintenis met de Sokoto-hofkring was getreden, en hoe hij in de heilige steden de geestelijke ervaring had ondergaan die zijn latere wending in Aïn Madhi voorbereidde.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal: The Western Sudan in the Mid-Nineteenth Century, Clarendon Press (1985), pp. 96–128.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 82–124.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 124–168.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans (1967), pp. 60–112.
  • Knut S. Vikør, The Maghreb since 1800: A Short History, Hurst (2012), pp. 56–88 [over Aïn Madhi en de Tijaniyya-overdracht].
  • Jamil M. Abun-Nasr, The Tijaniyya: A Sufi Order in the Modern World, Oxford University Press (1965), pp. 36–62.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Kitab Rimah Hizb al-Rahim, Arabisch origineel circa 1845; Franse vertaling Gallica BnF (1856), pp. 12–48 [autobiografische elementen omtrent de hadj].
  • B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 68–98.

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).