Tijaniyya
In het voorgaande artikel volgden wij al-Hajj Umar Tall ﵀ op zijn lange reis van Halwar door West-Afrika, door Sokoto onder Sultan Muhammad Bello ﵀, door de Saheliaanse koninkrijken van Bornu, Wadai en Darfur, door Egypte en uiteindelijk naar Mekka voor de uitvoering van de hadj in 1247 in de Hijra-jaartelling, en wij zagen hoe hij in de heilige steden de geestelijke ervaring onderging die zijn latere wending in Aïn Madhi voorbereidde. Dit artikel volgt hem op zijn terugreis door het noordelijke Egypte en door Cyrenaica en Tripolitanië tot in Aïn Madhi in het zuidwestelijke deel van het hedendaagse Algerije, waar hij zich in 1832 of 1833 bij de Tijaniyya-tarīqa aansloot en waar hij van de toenmalige khalifa van de orde de mantel ontving van de Tijaniyya-khilafa voor heel sub-Sahariaans Afrika.
De gestalte van Aïn Madhi
Aïn Madhi was in 1832 nog niet de uitgegroeide pelgrimsstad die zij in latere decennia zou worden, maar zij bezat reeds de basisgestalte van een tarīqa-hoofdstad. De centrale zawiya was een uitgestrekt complex met een centrale gebedszaal die ongeveer duizend gelovigen kon herbergen, met aanpalende vertrekken voor de murīds-onderwijzing, met een binnenplaats voor de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten, en met afzonderlijke vertrekken voor de plaatselijke khalifa-familie en voor de hooggeplaatste bezoekers. Rondom de zawiya had zich in de loop van de eerste decennia van de negentiende eeuw een dichte oasestad ontwikkeld waarin handelaren, geleerden, ambachtslieden en boeren in een gemeenschappelijke organisatie samenleefden onder de geestelijke leiding van de Tijani-khalifa. De stad bezat eigen palmtuinen die haar voorzagen in dadels en in groenten, eigen waterbronnen die door eeuwen van zorgvuldige onderhoud goed functioneerden, en een eigen kleine markt waar de plaatselijke producten werden verhandeld.
Voor Umar Tall ﵀, die uit het natte Senegal-bekken van Fouta Toro afkomstig was en die in zijn voorgaande reis door Mekka en Caïro alle vormen van de moslimstad in de moderne wereld reeds had waargenomen, was Aïn Madhi een soort van geestelijke laboratorium waarin een door een tarīqa geleide gemeenschap in haar zuiverste werking kon worden waargenomen. Hij maakte in zijn maanden daar uitvoerige observaties over hoe de plaatselijke khalifa zijn gezag uitoefende, over hoe de bestuurlijke en de geestelijke functies in hetzelfde persoon werden gecombineerd, over hoe de gemeenschap haar economische zelfstandigheid met ascese combineerde, en over hoe de geestelijke discipline in het dagelijks leven van elke bewoner werd gehandhaafd. Deze observaties zouden in zijn latere staatkundige werk in Dinguiraye en in de jihad-staat van de jaren vijftig en zestig herkenbaar terugkeren, en zij vormden in feite de levende voorbeelden waarop zijn eigen latere staatsvorming zou worden gemodelleerd.
De Tijaniyya in haar geestelijke gestalte
De Tijaniyya, gesticht door Ahmad ibn Muhammad al-Tijani ﵀ in de late achttiende eeuw, was in 1832 reeds een van de meest verbreide soefitische broederschappen in het westelijke deel van de moslimwereld, met een uitgebreid netwerk van zawiya’s in Marokko, in Algerije, in Tunesië, in Tripolitanië en geleidelijk ook in het Saheliaanse binnenland. Ahmad al-Tijani ﵀ zelf was in 1815 overleden in Fez, en de leiding van de orde was na zijn dood door zijn zoon Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ overgenomen, die in 1832 vanuit Aïn Madhi de tarīqa bestuurde en die de algemene geestelijke autoriteit over de Tijaniyya in haar gehele uitbreiding bezat.
De geestelijke leer van de Tijaniyya, zoals zij in 1832 aan haar leerlingen werd overgedragen, onderscheidde zich in een aantal opzichten van de oudere Qadiri- en Shadhili-tradities die in West-Afrika tot dan toe het meest verbreid waren geweest. Ten eerste leerde zij dat de aansluiting bij de Tijaniyya een definitieve geestelijke status verleende waarin de murīd via Ahmad al-Tijani’s ﵀ wasilah tot de Profeet ﷺ in een rechtstreeks geestelijk contact stond, een leer die aan de Tijani-murīd een grote innerlijke zekerheid gaf maar die ook tot kritiek vanuit andere soefitische tradities leidde die haar als een te uitzonderlijke aanspraak beschouwden. Ten tweede stelde zij strenge eisen aan haar leerlingen, met onder andere het verbod om naast de Tijaniyya een tweede tarīqa aan te hangen, een eis die de Tijaniyya in een hechte gemeenschap bond maar die haar in haar verhouding met de bredere soefitische wereld ook in een zekere afzondering plaatste. Ten derde kende zij in haar wird specifieke dzikr-formulen, met onder andere de Wazifa en de Hailala, die in hun ritmische en gemeenschappelijke uitvoering een geestelijke ervaring opwekten die door haar leerlingen als uniek werd ervaren.
De geografische verspreiding in 1832
In 1832 strekte de Tijaniyya zich uit van Marokko in het westen tot in het Egyptische Nijldal in het oosten, met haar centrale zawiya in Aïn Madhi en met secundaire centra in Fez, in Tunis, in Tlemcen, in Tripoli en in Caïro. In het Saheliaanse binnenland was zij in de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw beginnen door te dringen via Mauritanische geleerden die in Aïn Madhi waren ingewijd en die in hun eigen Mauritanië-zawiya’s de orde verspreidden, maar in West-Afrika ten zuiden van de Sahara was zij in 1832 nog grotendeels onbekend en stond zij nog niet in een directe verbintenis met de Tooroodo-geleerden van Fouta Toro of met de Sokoto-hofkring waar de Qadiriyya in haar Shaykh Usman dan Fodio ﵀-versie de gangbare tarīqa was.
Het was deze geografische beperking die voor Umar Tall ﵀ in zijn aansluiting bij de Tijaniyya een centrale opdracht zou worden, want hij begreep van zijn inwijding af dat hij in zijn terugkeer naar West-Afrika de Tijaniyya in een gebied zou moeten verspreiden waarin zij tot dan toe geen serieuze aanwezigheid had bezeten, en dat deze verspreiding in een onvermijdelijke verhouding zou komen te staan met de gevestigde Qadiri-aanwezigheid die hij in Sokoto en in Fouta Toro reeds had waargenomen.
De aankomst in Aïn Madhi
In het late voorjaar of de vroege zomer van 1832 bereikte Umar Tall ﵀ met zijn gezelschap Aïn Madhi, een oasestad in het zuidwestelijke deel van het hedendaagse Algerije in de uitgestrekte vlakte tussen het Atlas-gebergte in het noorden en de Sahara in het zuiden. De stad was in deze jaren onder de directe heerschappij van de Tijaniyya-hofgemeenschap die zich rond de centrale zawiya had gevestigd, en zij was een soort van geleerde stadstaat waarin de bestuurlijke en de geestelijke autoriteit in de persoon van Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ in een eenduidig gezag was vertegenwoordigd.
Umar Tall ﵀ werd in de zawiya ontvangen door de plaatselijke vertegenwoordigers van de tarīqa, en hij verbleef in de eerste weken in een gastenkwartier waar hij zich op de inwijding voorbereidde door deelname aan de gewone dzikr-bijeenkomsten van de zawiya en door persoonlijke gesprekken met geleerden in de tarīqa-leer. Het was niet de Tijaniyya-gewoonte een nieuwe murīd in haar diepste mysteriën onmiddellijk in te wijden, maar veeleer hem geleidelijk voor te bereiden, waarbij zijn voorgaande geestelijke vorming werd onderzocht en waarbij zijn geestelijke geschiktheid voor de specifieke discipline van de tarīqa werd vastgesteld voordat de definitieve inwijding werd toegekend.
De ontmoeting met Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀
Na enkele weken van voorbereiding werd Umar Tall ﵀ ontvangen in een persoonlijke audiëntie door Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀, en in deze ontmoeting voltrok zich, naar de overlevering van zijn naaste medewerkers vermeldt, een geestelijke herkenning waarin de tarīqa-khalifa in de Tooroodo-geleerde de man zag die in West-Afrika de Tijaniyya zou kunnen vestigen, en waarin Umar Tall ﵀ in de tarīqa-khalifa de geestelijke leiding herkende waaronder zijn eigen latere werk zou kunnen worden uitgevoerd. Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ vroeg hem in deze ontmoeting uitvoerig over zijn geestelijke voorgeschiedenis, over zijn Qadiri-aansluiting in zijn jongere jaren, over de aard van de geestelijke ervaring die hij in Mekka had ondergaan, en over de bedoelingen waarmee hij naar Aïn Madhi was gekomen.
Umar Tall ﵀ antwoordde, naar de overlevering vermeldt, met de openheid die zijn karakter eigen was, en hij sprak over zijn West-Afrikaanse opleiding, over zijn Qadiri-inwijding en over zijn geleidelijk groeiende gewaarwording dat de Qadiri-tarīqa hem niet de geestelijke discipline kon geven die hij voor zijn eigen toekomstige werk nodig had. Hij vertelde over zijn ervaringen in Mekka, over de ontmoetingen met Sheikh Muhammad al-Ghali al-Tijani ﵀ en over de overtuiging die geleidelijk in hem was gerijpt dat de Tijaniyya de tarīqa was waarin zijn eigen latere werk zou kunnen worden gevoerd. Hij sprak ten slotte over zijn bedoeling de tarīqa in West-Afrika tot een dragende geestelijke kracht uit te bouwen, en hij vroeg de khalifa om de inwijding waarmee deze opdracht aan zijn persoon zou kunnen worden toevertrouwd.
De inwijding en de bayʿa
Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ aanvaardde Umar Tall’s ﵀ verzoek, en in een plechtigheid in de centrale zawiya van Aïn Madhi voltrok zich de formele inwijding. Umar Tall ﵀ legde de bayʿa af waarmee hij zich aan de tarīqa verbond, ontving van de khalifa de Wazifa en de Hailala in hun volledige vorm, en kreeg de instructies voor de dagelijkse uitvoering van de dzikr volgens de Tijani-praktijk. De inwijding werd door de aanwezige geleerden van de zawiya bezegeld in een gemeenschappelijk dzikr-bijeenkomst, en Umar Tall ﵀ werd in zijn nieuwe status van murīd in de Tijaniyya formeel opgenomen.
Wat in zijn inwijding echter het uitzonderlijke karakter aan deze gebeurtenis verleende, was niet de gewone bayʿa die elke nieuwe Tijani-murīd ondergaat, maar de bijzondere positie die Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ op datzelfde moment aan hem toekende. De khalifa, naar de overlevering vermeldt en naar Umar Tall’s ﵀ eigen latere werken bevestigen, gaf hem in een aanvullende plechtigheid de ijaza voor de instelling van de tarīqa in heel sub-Sahariaans Afrika, en hij benoemde hem tot khalifa van de Tijaniyya voor het Sudanese binnenland in de betekenis waarin het Soedan in de Arabische geografische taal de hele Saheliaanse gordel van de Atlantische tot de Rode Zee aanduidde. Het was, met andere woorden, geen gewone leerling-status maar een verlening van directe geestelijke autoriteit over een territorium dat in zijn omvang de hele West-Afrikaanse moslimwereld omvatte.
Het politieke moment in Aïn Madhi
Aïn Madhi was in 1832 niet enkel een geestelijke oase maar ook een politiek precaire locatie. Het stond in deze jaren onder druk van de Franse koloniale expansie die in 1830 met de inname van Algiers een nieuwe fase had ingeluid, en van de Algerijnse moslim-weerstandsbeweging onder Abd al-Qadir al-Jazaʾiri ﵀ die zich in deze jaren in het westelijke Algerije aan het vormen was. De geestelijke leiding van de Tijaniyya in Aïn Madhi hield zich, naar de bewuste keuze van Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀, op een gepaste afstand van de directe politieke conflicten en zij weigerde haar gemeenschap in een gewapend treffen met de Franse troepen of in een directe verbintenis met Abd al-Qadir’s ﵀ beweging op te nemen. Deze keuze, hoewel zij voor enige van haar tijdgenoten als een gebrek aan strijdvaardigheid werd uitgelegd, was in werkelijkheid een doordachte strategische beslissing waarin de tarīqa haar geestelijke werk wenste te behouden voor een ruimer en langer perspectief dan de directe Algerijnse strijd kon bieden.
Voor Umar Tall ﵀, die in zijn West-Afrikaanse achtergrond bij voorkeur de combinatie van geestelijk en militair leiderschap had voorzien, was deze Aïn Madhi-positie aanvankelijk verrassend, en hij voerde met Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ verscheidene gesprekken over de gronden van deze keuze. De khalifa legde hem uit dat in zijn West-Afrikaanse context de verhoudingen anders konden liggen dan in de Algerijnse context, en dat hij in West-Afrika op grond van zijn eigen oordeel zou kunnen kiezen voor een gewapend optreden indien de omstandigheden dat vereisten, zonder dat dit een breuk met de Aïn Madhi-traditie zou betekenen. Deze gesprekken vormden voor Umar Tall ﵀ de geestelijke rechtvaardiging waarop hij in zijn latere jihad in Dinguiraye zou kunnen terugvallen, en zij gaven hem de zekerheid dat zijn eventuele gewapende optreden door de centrale Tijani-autoriteit niet als ongeoorloofd zou worden beschouwd.
De geestelijke implicaties van de ijaza
De ijaza die Umar Tall ﵀ in Aïn Madhi ontving, was in haar geestelijke uitwerking voor zijn latere leven van een diepte die in de West-Afrikaanse moslimwereld nauwelijks zou worden geëvenaard. Zij verleende hem de bevoegdheid om in heel sub-Sahariaans Afrika de Tijani-inwijdingen uit te voeren, om zelf khalifa’s aan te wijzen voor onderscheiden regio’s, om in tarīqa-kwesties autoritatief recht te spreken, en om de tarīqa in de West-Afrikaanse context haar algemene geestelijke vorm te geven. Zij plaatste hem, in feite, op gelijke hoogte met de directe khalifa’s van Aïn Madhi in zijn eigen regio, en zij maakte hem in zijn terugkeer naar West-Afrika tot de geestelijke autoriteit van een tarīqa die in de gehele Saheliaanse moslimwereld een nieuw gezag zou ontvouwen.
Voor zijn persoonlijke geestelijke ontwikkeling betekende dit dat hij in zijn terugkeer naar West-Afrika niet zou kunnen voortleven als een Tooroodo-dorpsgeleerde uit Halwar, want zijn ijaza-status maakte een dergelijke teruggang onmogelijk. Hij was nu, ongeacht zijn persoonlijke voorkeuren, een geestelijk leider van een internationale tarīqa, en zijn levenswerk diende voortaan te worden uitgevoerd op een wijze die deze status waardig was. Hij accepteerde deze verantwoordelijkheid, naar wat in zijn latere werken doorklinkt, met de zelfde nuchterheid waarmee hij in zijn jongere jaren de Tooroodo-discipline van zijn vader had aanvaard, en hij begon onmiddellijk in zijn binnenste de strategische overwegingen die de uitwerking van de ijaza in West-Afrika tot voorwerp zouden hebben.
De relatie met Sokoto
In zijn brieven aan Sultan Muhammad Bello ﵀ in Sokoto, die hij in zijn maanden van Aïn Madhi-verblijf en in zijn daarop volgende terugreis ondernam, sprak Umar Tall ﵀ over zijn Tijani-inwijding op een wijze die de geestelijke autoriteit van Sokoto in haar Qadiri-traditie erkende maar die tegelijkertijd zijn eigen nieuwe Tijani-positie duidelijk maakte. Muhammad Bello ﵀, die zelf in de Qadiriyya van Shaykh Usman dan Fodio ﵀ stond, antwoordde met begrip, in een briefwisseling die door zijn vroege overlijden in 1837 helaas geen verdere uitdieping kon krijgen, maar die in de Sokoto-archieven nog steeds als getuigenis van een evenwichtige geestelijke uitwisseling tussen twee West-Afrikaanse geleerden bewaard is. Voor de verdere relatie tussen de Tooroodo-Tijaniyya van Umar Tall ﵀ en de Sokoto-Qadiriyya zou het overlijden van Muhammad Bello ﵀ een zekere gevoelige fase inluiden, maar de huwelijksbinding via Maryam zou de persoonlijke banden van wederzijds respect in stand houden over de geestelijke verschillen heen.
Het verblijf in Aïn Madhi
Umar Tall ﵀ verbleef in Aïn Madhi gedurende ongeveer een jaar, van het voorjaar van 1832 tot het late voorjaar van 1833, in een verblijf dat in zijn persoonlijke vorming van groot belang was. Hij studeerde in deze periode in de centrale zawiya de meer gevorderde teksten van de Tijani-traditie, hij ontving van Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ uitvoerige onderwijzing in de geestelijke discipline van de tarīqa, en hij voerde uitgebreide gesprekken met de overige Tijani-khalifa’s die in deze maanden in Aïn Madhi aanwezig waren of die op doorreis er enige tijd verbleven. Hij ontmoette in deze maanden ook een aantal Mauritanische geleerden die in Aïn Madhi waren ingewijd en die als directe vertegenwoordigers van de tarīqa in het Trans-Saharaanse gebied actief waren, en hij verbond zich met hen in een netwerk van geestelijke broederschap dat hem in zijn latere terugkeer naar West-Afrika een directe verbinding met de Mauritanische Tijani-aanwezigheid zou geven.
In zijn aantekeningen uit deze periode, voor zover die in afschriften van zijn naaste medewerkers zijn bewaard, is een aanzienlijke uitbreiding waar te nemen van zijn geestelijke vocabulaire en van zijn vermogen om de fijnere distincties van de Tijani-leer in zijn eigen denken op te nemen. Hij schreef in deze maanden ook de eerste schetsen van wat in zijn latere jaren zou uitgroeien tot zijn grote werk Kitab Rimah Hizb al-Rahim ʿala Nuhur Hizb al-Rajim, een Arabisch werk van enkele honderden pagina’s waarin hij de Tijani-leer in haar West-Afrikaanse uitwerking zou systematiseren en dat in de daaropvolgende anderhalve eeuw als het belangrijkste theologisch werk van de West-Afrikaanse Tijaniyya zou gelden.
De geestelijke gestalte van de Tijani-discipline
De dagelijkse discipline van de Tijani-murīd, zoals Umar Tall ﵀ haar in Aïn Madhi ontving en haar in zijn latere onderricht aan zijn eigen West-Afrikaanse leerlingen zou overdragen, omvatte een vaste reeks van geestelijke oefeningen die in de loop van de dag op vastgestelde momenten werden uitgevoerd. Voor het ochtendgebed werd het zogeheten lazimu uitgevoerd, een dzikr-recitatie van honderd herhalingen van de istighfar (vraag om vergeving), honderd herhalingen van de salat ʿala al-nabi (zegen over de Profeet ﷺ), en honderd herhalingen van de Hailala (de uitspraak van de tawhid-formule). Tussen het middaggebed en het namiddaggebed werd de zogeheten Wazifa uitgevoerd, een ingewikkelder dzikr-formule die volledig uitgevoerd ongeveer een half uur in beslag nam. En in de gemeenschappelijke samenkomsten op vrijdag, de zogeheten hadra, werd onder leiding van de plaatselijke muqaddam een collectieve dzikr uitgevoerd waarin de gehele gemeenschap haar geestelijke verbondenheid in een ritmische gemeenschappelijkheid bevestigde.
Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk waren deze oefeningen, naar zijn eigen latere uitlatingen, de vorm waarin hij in zijn West-Afrikaanse jihad-jaren de discipline van het gebed in zijn dagelijkse leven zou kunnen behouden ondanks de oorlogsomstandigheden waarin hij vaak zou opereren. Hij voerde de Tijani-discipline onder alle omstandigheden uit, in vredestijd zo goed als in oorlogstijd, in dorpsmoskeeën zo goed als in militaire kampen, en hij maakte van de Tijani-praktijk een vaste pijler van zijn persoonlijke geestelijke leven die in de daaropvolgende drie decennia geen onderbreking zou kennen.
De terugreis begint
In het voorjaar van 1833 nam Umar Tall ﵀ afscheid van Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ en van de geestelijke gemeenschap van Aïn Madhi, en hij begon de lange terugreis naar West-Afrika als een ander man dan degene die in 1828 vanuit Halwar was vertrokken. Hij was nu al-Hajj Umar Tall ﵀, drager van de Tijani-khilafa voor sub-Sahariaans Afrika, en hij stond voor een opdracht die in geestelijk en politiek opzicht de grootste was waaraan een West-Afrikaanse geleerde van zijn generatie zich kon wijden. Zijn terugreis voerde door Marokko, waar hij in Fez de Tijani-zawiya van Sidi Hammad-Tijani bezocht en waar hij voor enige tijd in de stad verbleef in geleerdengesprekken met de Marokkaanse Tijani-khalifa’s, en vervolgens zuidwaarts door de Sahara naar Mauretanië en uiteindelijk naar West-Afrika.
Onderweg, in elke stad of dorp waarin hij verbleef, voerde hij zijn nieuwe verantwoordelijkheid uit door Tijani-inwijdingen toe te kennen aan geleerden en aan murīds die hem in hun belangstelling voor de tarīqa benaderden. Hij liet in zijn passage door Trans-Saharaanse stadjes en dorpen kleine kringen van Tijani-aangeslotenen achter, en hij bouwde in zijn terugkeer geleidelijk een netwerk uit dat in de daaropvolgende decennia de bedding zou vormen waarop de Tijaniyya in West-Afrika tot haar grootste verbreiding zou groeien. Het was, met andere woorden, geen passieve terugreis maar een actieve uitvoering van de opdracht die hij in Aïn Madhi had ontvangen, en zij gaf aan elke etappe van zijn terugkeer een eigen geestelijke uitwerking die in de plaatselijke gemeenschappen niet ongemerkt voorbij ging.
De groeiende kring in Marokko
In de Tijani-zawiya van Fez, waar Ahmad al-Tijani ﵀ zelf in zijn laatste jaren had geleefd en waar zijn graf in eenvoud was onderhouden, verbleef Umar Tall ﵀ enige weken voor uitgebreide bezoeken aan de Marokkaanse Tijani-khalifa’s die in deze stad het gewone geestelijke werk van de tarīqa onderhielden. Hij ontmoette in Fez ook geleerden uit de Qarawiyyin-moskee, de oude universiteit die door Fatima al-Fihri ﵀ in 859 was gesticht en die in de negende eeuw na de Hijra nog steeds als een van de belangrijkste leercentra van de Maliki-fiqh in de westelijke moslimwereld werd erkend. In de Qarawiyyin-bibliotheek raadpleegde hij een aantal manuscripten die hij in zijn West-Afrikaanse opleiding had gehoord noemen maar die hij nu voor het eerst in eigen handen kon hebben, en hij maakte aantekeningen die in zijn latere werken zouden terugkeren.
In Fez voltooide hij ook zijn definitieve plan voor de verspreiding van de Tijaniyya in West-Afrika, en hij stelde in een aantal brieven die hij vooruit naar zijn voorgaande contacten in West-Afrika zond, de basisinhoud vast van wat hij in zijn terugkomst aan zijn voormalige medeleerlingen en aan de Tooroodo-geleerden van Fouta Toro zou voorleggen. De brieven, voor zover die in afschriften zijn bewaard, tonen een man die zijn vroegere Qadiri-aansluiting niet verloochent maar in een nieuwe gestalte aanbiedt, maar die ook geen concessies maakt aan wat hij als de hogere geestelijke status van de Tijaniyya beschouwt, en die zijn voormalige metgezellen voorbereidt op een keuze die zij in hun eigen geweten voor Allah ﷻ zullen moeten maken.
De doortocht door Mauretanië
In het Mauritanische gebied, dat hij in de zomer van 1834 of het late najaar van 1833 doortrok, ontmoette Umar Tall ﵀ in een aantal Mauritanische zawiya’s de plaatselijke Tijani-geleerden die in de voorafgaande jaren onder leiding van Sidi al-Mukhtar al-Kunti ﵀ en zijn opvolgers de Qadiri-traditie hadden gevoerd, maar die in toenemende mate ook met Tijaniyya-elementen werden geconfronteerd. Hij verbleef enige tijd in Trarza in zuidwestelijk Mauretanië, en in Brakna verder oostwaarts, waar hij geleerdengesprekken voerde over de juiste verhouding tussen Qadiri en Tijani in de Mauritanische context. Deze gesprekken voorspelden de spanningen die in de daaropvolgende decennia in West-Afrika tussen Qadiri en Tijani in een uitgesproken vorm zouden opspelen, en Umar Tall ﵀ voerde zijn eigen positie met de combinatie van geestelijke vastberadenheid en persoonlijke vriendelijkheid die hem in zijn omgang met geestelijke meningsverschillen kenmerkte.
Hij weigerde in zijn omgang met de Qadiri-geleerden hen polemisch te bestrijden, en hij benadrukte herhaaldelijk dat hij de Qadiriyya in haar eigen plaats erkende en respecteerde, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn overtuiging dat de Tijaniyya een dichter en directer contact met de Profeet ﷺ bood dan de Qadiri-traditie kon bieden, en dat een murīd die deze hogere status was geschonken, niet zonder geestelijk verlies tot een eerdere fase kon terugkeren. Het was een houding die in de Mauritanische geleerdenkringen op begrip en op respect stuitte, en zij stelde Umar Tall ﵀ in zijn terugkeer in staat een uitgebreid netwerk van Mauritanische contacten op te bouwen die hem in zijn latere jaren in goede stede zouden komen.
Het Saint-Louis en de Franse handelsposten
De terugreis voerde Umar Tall ﵀ ook in een aantal gevallen langs de Franse handelsposten van Saint-Louis aan de monding van de Senegal-rivier, hetzij in directe doortocht hetzij door bezoeken van Mauritanische handelaren die met hem in contact stonden. De Franse aanwezigheid in deze posten was in 1835 nog beperkt tot een handelsfunctie en zij was nog niet uitgegroeid tot de uitgesproken koloniale machtsuitoefening die in de jaren vijftig onder Louis Faidherbe haar definitieve gestalte zou aannemen, maar Umar Tall ﵀ kon in zijn observaties van Saint-Louis reeds de contouren waarnemen van wat in de daaropvolgende decennia tot een ernstige uitdaging voor de West-Afrikaanse moslimwereld zou uitgroeien. Hij ontmoette in een aantal gevallen Franse handelsagenten die hem in de zalen van het plaatselijke handelshuis een paar woorden in het Frans of in een gebrekkig Arabisch toespraken, en hij begreep van deze contacten dat de wereld waarin hij naar zijn West-Afrika zou terugkeren in een ingrijpende geopolitieke transformatie verkeerde.
Hij sprak in zijn brieven aan zijn voormalige medeleerlingen in West-Afrika over deze ervaringen, en hij waarschuwde hen voor wat hij als een aanstaande Europese koloniale uitbreiding in West-Afrika beschouwde die in haar geestelijke en politieke gevolgen voor de moslimgemeenschappen van de regio van een nooit eerder bekende ernst zou zijn. Het was, in zijn lezing, niet meer voldoende om als een gewone Tooroodo-geleerde verder te leven, want de uitdagingen van zijn generatie zouden een staatkundig antwoord vereisen dat de geestelijke kracht van de Tijaniyya met de politieke en militaire kracht van een door de Shariʿa geleide jihad-staat moest combineren.
Naar Fouta Toro en daarna
Tegen het einde van 1834 of het vroege voorjaar van 1835 naderde Umar Tall ﵀ na een afwezigheid van bijna zeven jaar zijn ouderlijk Fouta Toro, en zijn terugkeer was in de bredere West-Afrikaanse moslimwereld inmiddels met een aanzienlijke geestelijke statuur omgeven. Zijn vader Saidu Tall, indien hij dan nog leefde, had de berichten over zijn zoon’s voortgang via reizende handelaren ontvangen, en de Tooroodo-geleerden van Fouta Toro stonden gereed om de teruggekeerde hadj-veteraan in hun midden te ontvangen. Maar de gestalte waarin hij terugkeerde, was niet meer die van een Tooroodo-dorpsgeleerde uit Halwar, en de uitwerking die zijn terugkeer in Fouta Toro en in de bredere West-Afrikaanse moslimwereld zou hebben, was van een omvang die zijn vader en zijn dorpsgenoten in zijn vertrek in 1828 niet hadden vermoed.
Aan deze terugkeer en aan de jaren die daarop volgden, en in het bijzonder aan zijn verblijf in de Sokoto-regio en aan de geleidelijke ontwikkeling van zijn politieke blauwdruk voor een West-Afrikaanse jihad-staat, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. In dit artikel hebben wij gezien hoe in Aïn Madhi de geestelijke wending van zijn leven werd bezegeld door de aansluiting bij de Tijaniyya en door de bijzondere ijaza-verlening voor heel sub-Sahariaans Afrika, en hoe deze wending zijn voorgaande bestaan als een Tooroodo-dorpsgeleerde in een geheel nieuwe vorm zou opnemen.
Bronnen
- Jamil M. Abun-Nasr, The Tijaniyya: A Sufi Order in the Modern World, Oxford University Press (1965), pp. 62–98.
- David Robinson, The Holy War of Umar Tal, Clarendon Press (1985), pp. 128–168.
- John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 124–168.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 56–88 [voor de bredere context van de soefitische broederschappen in de Maghreb in deze jaren].
- B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 98–136.
- Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 168–212.
- John Hunwick, Arabic Literature of Africa, Vol. 4, Brill (2003), pp. 246–286.
- al-Hajj Umar Tall ﵀, Kitab Rimah Hizb al-Rahim ʿala Nuhur Hizb al-Rajim, Arabisch origineel circa 1845; Franse vertaling Gallica BnF (1856); kritische editie door Madina Ly-Tall, Dakar (1985), pp. 1–48 [voor de inwijdingstheologie en de Tijani-verantwoording].
