De Politieke Blauwdruk
In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Hajj Umar Tall ﵀ in Aïn Madhi werd ingewijd in de Tijaniyya-tarīqa en hoe Muhammad al-Habib al-Tijani ﵀ hem de bijzondere ijaza verleende voor de instelling van de Tijaniyya in heel sub-Sahariaans Afrika. Wij volgden hem op zijn terugreis door Marokko en Mauretanië en zagen hoe hij in elke etappe van de tocht zijn nieuwe verantwoordelijkheid geleidelijk begon uit te oefenen door Tijani-inwijdingen toe te kennen aan geleerden die hem in hun belangstelling voor de tarīqa benaderden. Dit artikel volgt hem in de jaren tussen 1835 en 1850 in zijn West-Afrikaanse terugkeer, in zijn verblijf in Fouta Djallon en in Sokoto, en in de geleidelijke ontwikkeling van de politieke blauwdruk waarop zijn latere jihad-staat in Dinguiraye en in Karta zou worden gebouwd.
De geestelijke gestalte van een veranderde man
Wanneer Umar Tall ﵀ in 1835 of 1836 in West-Afrika terugkeerde, was hij een geheel andere man dan degene die in 1828 vanuit Halwar was vertrokken. Uiterlijk droeg hij nu de eretitel al-Hajj voor zijn naam, in zijn kleding een West-Afrikaanse Tooroodo-dracht die was aangevuld met elementen uit de Marokkaanse en Egyptische tradities die hij in zijn reis had ontmoet, en in zijn manier van spreken een ruimer gebruik van het klassieke Arabisch dan in zijn voorgaande dorpsgeleerdheid had gepast. Innerlijk droeg hij, naast de ijaza-status van de Tijaniyya, een geestelijke ervaring die in zijn voorgaande jaren in Halwar niet had kunnen worden gevormd, en die in zijn directe contact met de heilige plaatsen, met de Egyptische en Marokkaanse geleerdenkringen, en met de Tijani-discipline een diepere vorm had verkregen die in zijn latere werk herkenbaar zou doorklinken.
Voor zijn ouderlijk Fouta Toro betekende deze verandering dat de teruggekeerde zoon van Saidu Tall niet meer in een gewone dorpsgeleerden-positie zou kunnen worden opgenomen, en voor de bredere West-Afrikaanse moslimwereld betekende zij de aankomst van een geestelijke autoriteit van een type dat de regio sinds Shaykh Usman dan Fodio ﵀ niet meer had gekend. De ontvangst die hem in elke etappe van zijn terugreis ten deel viel, en de toestroom van bezoekers die in zijn nieuwe nederzettingen om inwijding kwamen vragen, weerspiegelden deze herkenning, en zij maakten zijn werk in de jaren tussen 1835 en 1850 tot de bedding voor de jihad-fase die in 1852 in Dinguiraye zou worden uitgeroepen.
De terugkeer in West-Afrika
Tegen het einde van 1835 of in het vroege voorjaar van 1836 bereikte Umar Tall ﵀ na een afwezigheid van bijna acht jaar zijn West-Afrikaanse terugkomstgebied. Zijn eerste hoofdverblijfplaats werd echter niet Halwar in Fouta Toro maar Sokoto in het kalifaatgebied, waar hij in een persoonlijke audiëntie door Sultan Muhammad Bello ﵀ in eervolle ontvangst werd genomen en waar hij onder de instemming van zijn schoonvader een hervatte verblijfsperiode aanvatte die hem in de daaropvolgende drie tot vier jaar in de directe kring van het kalifaat zou houden. De keuze voor Sokoto boven Halwar was een doordachte strategische beslissing waarin Umar Tall ﵀ zijn werk in een geestelijk en politiek hoog ontwikkelde omgeving wenste voort te zetten voordat hij in een verdere fase tot zijn eigen West-Afrikaanse staatkundige onderneming zou overgaan.
In Sokoto bouwde hij in de jaren 1836 tot 1839 zijn eigen geestelijke kring uit, met een uitgebreide reeks van leerlingen die hem zowel uit de Sokoto-aristocratie als uit de bredere West-Afrikaanse moslimwereld benaderden voor inwijding in de Tijaniyya en voor verder onderwijs in de fiqh en in de tasawwoef. Hij gaf in de Sokoto-moskeeën lessen die door een aanzienlijk gehoor werden bijgewoond, hij voltooide het eerste lange werk dat hij vanaf zijn jongelingsjaren in concept had gedragen, en hij ondernam in zijn vrije uren de geleerdengesprekken met de Sokoto-hofkring die in zijn vorming reeds tijdens zijn eerste verblijf in Sokoto van groot belang waren geweest. Het was een fase van geestelijke verdieping en van geleidelijke verbreding van zijn Tijani-aanwezigheid, waarvan de volle uitwerking nog enkele jaren op zich zou laten wachten.
De dood van Sultan Muhammad Bello ﵀
In 1837 stierf Sultan Muhammad Bello ﵀ na een lange ziekte, en de Sokoto-troon werd overgenomen door zijn broer Abu Bakr Atiku ﵀ in een opvolging die in de formele Sokoto-traditie van rotatie tussen verschillende takken van de heersers-familie was gefundeerd. Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was het overlijden van zijn schoonvader een zwaar persoonlijk verlies, want hij had in Muhammad Bello ﵀ niet enkel een schoonvader maar een geestelijke leraar verloren die zijn intellectuele vorming diepgaand had ondersteund. Voor zijn politieke positie in Sokoto betekende het overlijden echter ook een verandering, want zijn directe band met de hofkring werd door de overgang van het sultanaat naar Abu Bakr Atiku ﵀ minder centraal, en hij begreep dat zijn voortzetting in Sokoto in de daaropvolgende jaren niet meer in dezelfde directe nabijheid tot het Sokoto-bestuur zou kunnen plaatsvinden.
Hij voltooide in deze jaren echter nog wel de eerste fase van zijn schrijfwerk aan de Rimah, het Arabische werk waarin hij zijn Tijani-uitleg in haar West-Afrikaanse uitwerking systematiseerde. Het werk omvatte in zijn voltooide vorm ongeveer driehonderdvijftig pagina’s in een gedrukte uitgave, en het werd omstreeks 1845, in zijn latere jaren in Fouta Djallon, in zijn definitieve vorm afgerond. Het zou in de daaropvolgende decennia in West-Afrika in talrijke handgeschreven afschriften circuleren, en het zou voor de Tijaniyya in haar Tooroodo-vestiging het belangrijkste theologisch werk worden. In de moderne historiografie wordt het beschouwd als een van de belangrijkste Arabische werken van negentiende-eeuws West-Afrika, en zijn vertaling in het Frans en in andere talen heeft het ook in de Europese geleerdenkring tot bekendheid gebracht.
Het politieke vacuüm na 1837
De overgang van Sokoto naar Abu Bakr Atiku ﵀ en de daaropvolgende interne dynastieke wisselingen in het Sokoto-kalifaat in de jaren 1837 tot 1841 schiepen een politiek vacuüm waarin de hofkring niet meer de gecentraliseerde geestelijke en bestuurlijke gestalte vertoonde die zij onder Muhammad Bello ﵀ had bezeten. Voor Umar Tall ﵀ persoonlijk was deze fase enerzijds een verlies van politieke ondersteuning, anderzijds een toenemende vrijheid om in zijn eigen geestelijke en politieke voorbereiding zijn eigen koers te varen. Hij gebruikte deze fase, naar wat zijn werken en zijn aantekeningen suggereren, voor een verdiepte bezinning op zijn eigen toekomstige werk, en hij sprak in vertrouwelijke gesprekken met zijn naaste medewerkers reeds in deze jaren over zijn voornemen tot een eigen jihad-onderneming buiten de Sokoto-context. De onbekommerdheid waarmee hij over deze plannen kon spreken, terug te brengen tot de afwezigheid van een sterke centrale Sokoto-autoriteit die in dergelijke plannen wellicht een rivaal-aanspraak had gezien, was voor zijn voorbereiding van groot belang.
De groei van de Tijani-kring
Naast zijn schrijfwerk en zijn lesgeven aan de Sokoto-moskeeën breidde Umar Tall ﵀ in deze jaren ook zijn netwerk van Tijani-inwijdingen uit, en hij ontving in zijn Sokoto-zawiya een geleidelijk groeiende kring van leerlingen die in de daaropvolgende decennia de bedding zouden vormen voor de Tijani-verbreiding in West-Afrika. Onder zijn directe leerlingen in deze jaren bevonden zich Alfa Umar Cherno Baila, die hem reeds in zijn hadj had vergezeld, een aantal Tooroodo-jongeren die uit Fouta Toro tot Sokoto waren gereisd om bij hun beroemde landgenoot te studeren, en enige Hausa- en Fulbe-jongeren uit het Sokoto-kalifaat zelf die in de Tijaniyya een geestelijke vorm zochten die zij in de gevestigde Sokoto-Qadiriyya niet vonden.
De groei van deze Tijani-kring in een gebied van Qadiri-overwicht was, naar de waarneming van zowel Umar Tall ﵀ zelf als van zijn tijdgenoten, niet zonder spanningen. Sommige Sokoto-geleerden bezagen zijn Tijani-prediking met argwaan en meenden dat hij de geestelijke eenheid van het kalifaat ondermijnde, terwijl andere Sokoto-geleerden zijn werk als een legitieme uitbreiding van de algemene moslimgemeenschap beschouwden en zijn Tijani-uitleg met openheid ontvingen. Umar Tall ﵀ van zijn kant bleef in zijn houding tegenover de Qadiriyya gematigd en omzichtig, en hij weigerde zich polemisch tegen de Sokoto-Qadiri te keren, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn overtuiging dat de Tijaniyya in geestelijk opzicht een hogere positie bezat dan de Qadiriyya kon bieden.
Het kortstondige bezoek aan Fouta Toro
Tussen zijn Sokoto-jaren en zijn definitieve vestiging in Fouta Djallon ondernam Umar Tall ﵀ in 1840 of 1841 een kortstondig bezoek aan zijn ouderlijk Fouta Toro, en hij was in deze maanden voor het eerst na bijna twaalf jaar afwezigheid weer in zijn dorp Halwar en in de Tooroodo-gemeenschap waaruit hij was voortgekomen. Het bezoek was een mengsel van persoonlijke en politieke overwegingen. Hij wilde zijn ouderlijk huis terugzien indien zijn vader Saidu Tall ﵀ nog leefde (hetgeen volgens de meeste bronnen niet meer het geval was), hij wilde zijn moeder Sokhna Adama en zijn oudere broers en zussen ontmoeten, en hij wilde tegelijkertijd in de Tooroodo-geleerdenkring van Fouta Toro de eerste Tijani-inwijdingen uitvoeren waarvoor hij in Aïn Madhi was uitgerust.
Het bezoek combineerde, naar de overlevering vermeldt, zijn herkenning als een geleerde van internationale faam met een spanning rond zijn Tijani-overdracht. De Tooroodo-aristocratie van Fouta Toro stond merendeels in de Qadiriyya, en de aankomst van een teruggekeerde Tooroodo-zoon die zich tot een nieuwe tarīqa had bekeerd en die voor de tarīqa een uitgesproken superieure status claimde, was niet zonder geestelijke verlegenheid voor de plaatselijke Almami’s en hun ʿulamāʾ-raadgevers. Umar Tall ﵀ slaagde er gedurende zijn enkele maanden in Fouta Toro in een kring van enkele tientallen Tooroodo-geleerden tot de Tijaniyya in te wijden, maar hij verkreeg geen formele Tijani-aansluiting van het Imamaat als bestuurlijke entiteit. Het was met deze gemengde uitkomst dat hij naar Fouta Djallon vertrok voor zijn meer permanente werkbasis.
Het vertrek naar Fouta Djallon
Tegen 1839 of 1840 besloot Umar Tall ﵀ Sokoto te verlaten en zijn werk in een meer westwaarts gelegen gebied voort te zetten, en hij vertrok met zijn gezin en met een aanzienlijke kring van zijn Sokoto-leerlingen op een lange reis door het Saheliaanse binnenland in westwaartse richting naar Fouta Djallon. De reis duurde naar de overlevering ongeveer een jaar, met onderbrekingen in verscheidene Saheliaanse stadjes waarin hij Tijani-inwijdingen uitvoerde en zijn leerlingenkring verder uitbreidde, en zij voerde hem tegen 1841 of 1842 in Fouta Djallon waar hij in de Imamaat-stad Timbo en in de naburige dorpen een nieuwe basis vestigde.
In Fouta Djallon werd hij door de Almami van het Imamaat in eervolle ontvangst genomen, en hij vestigde zich met zijn gezin in een nederzetting nabij Timbo waar hij in de daaropvolgende jaren zijn werk langs twee lijnen voortzette. Aan de ene kant gaf hij in de Timbo-moskeeën lessen en voerde hij Tijani-inwijdingen uit voor een nu sterk groeiende kring van Fouta Djallon-leerlingen. Aan de andere kant ondernam hij in deze jaren de eerste concrete stappen naar de organisatie van een militaire macht die in zijn latere jihad de basis zou vormen, en hij verzamelde rond zijn nederzetting een geleidelijk groeiende groep van militair-geleerde aanhangers die hem in zijn latere uittocht naar Dinguiraye zouden vergezellen.
De militaire voorbereiding in Fouta Djallon
Naast zijn geestelijke werk in Fouta Djallon ondernam Umar Tall ﵀ in deze jaren ook de eerste systematische voorbereiding van een militaire macht die in zijn latere jihad-staat de basis zou vormen. Hij organiseerde rond zijn nederzetting een groeiende groep van jonge mannen die in een combinatie van geleerde vorming en militaire training werden voorbereid op hun toekomstige rol in de jihad. De militaire training werd uitgevoerd in een vorm die in negentiende-eeuws West-Afrika ongebruikelijk was, met dagelijkse oefeningen in de hantering van vuurwapens, in tactische beweging in kleinere eenheden, en in de organisatorische discipline die in een geprofessionaliseerde strijdmacht noodzakelijk is. Hij verkreeg via Mauritanische en Senegambische handelaren een geleidelijk groeiende voorraad van Europese vuurwapens, voornamelijk uit Britse en Franse herkomst, en hij ondernam in een aantal gevallen ook de directe aankoop van wapens via tussenhandelaren in Saint-Louis en in Bakel.
Deze militaire voorbereiding, in haar combinatie met de geestelijke discipline van de Tijani-tarīqa, gaf aan zijn beweging een vorm die noch een gewone tarīqa-zawiya was, noch een gewone militaire macht, maar een hybride formatie waarin geestelijke ernst en militaire kracht samenkwamen. Voor zijn aanhangers was deze vorm de uitwerking van de profetische voorbeeldigheid in Medina, waar de gemeenschap onder de Profeet ﷺ in een gelijksoortig samengaan van geloof en strijd had geleefd, en zij gaf aan zijn beweging een innerlijke samenhang die de gevestigde Fouta Djallon-Imamaat-structuur niet kon evenaren.
De vorming van zijn politieke blauwdruk
In zijn jaren in Fouta Djallon, die naar de gewone reconstructie ongeveer van 1841 tot 1849 of 1850 duurden, voltrok zich de geleidelijke vorming van wat in zijn latere werk de politieke blauwdruk voor zijn jihad-staat zou worden genoemd. Het was geen plotseling gevormd plan maar een geleidelijke synthese van de observaties die hij in zijn voorafgaande reizen had gemaakt, van de werken die hij in Sokoto en in Aïn Madhi had bestudeerd, en van de gesprekken die hij in zijn West-Afrikaanse terugkeer met talrijke geleerden van verschillende tradities had gevoerd. De synthese kreeg in haar uiteindelijke vorm vier dragende elementen, die elk in zijn latere staatsvorm herkenbaar zouden terugkeren.
Het eerste element was de combinatie van de Tijaniyya als geestelijke grondslag met de Maliki-fiqh als juridische grondslag, in een verbintenis die de tarīqa en de Shariʿa complementair verbond zonder de ene aan de andere ondergeschikt te maken. Het tweede element was de centralisatie van de geestelijke en politieke autoriteit in de persoon van de imam, zonder de roterende verkiezingstradities die in Fouta Djallon en Fouta Toro tot interne spanningen hadden geleid. Het derde element was de organisatie van een militaire macht die in haar discipline en in haar wapening de gewone Tooroodo-dorpsmilities ver zou overtreffen en die op een geprofessionaliseerde basis zou worden gebouwd. Het vierde element was de plicht tot de hijra, de uitwijking uit gebieden onder niet-moslim of compromis-moslim heerschappij naar de op te bouwen jihad-staat, een plicht die hij van zijn aanhangers zou vorderen als de uitdrukking van hun ernst in de zaak.
De brieven aan Fouta Toro
Vanaf zijn vestiging in Fouta Djallon onderhield Umar Tall ﵀ een dichte briefwisseling met de Tooroodo-geleerden van zijn ouderlijk Fouta Toro, en in deze brieven werkte hij geleidelijk de geestelijke argumentatie uit waarmee hij in de daaropvolgende jaren Tooroodo-gezinnen tot de uitwijking naar zijn beweging zou bewegen. De brieven, voor zover die in West-Afrikaanse archieven en in Franse koloniale verzamelingen zijn bewaard, tonen een geleidelijke ontwikkeling van zijn argumentatie. In de vroege brieven uit 1842 en 1843 sprak hij voornamelijk over de Tijani-discipline en over de geestelijke voordelen die de murīds van zijn nederzetting konden ontvangen, in de latere brieven uit 1846 en 1847 sprak hij in toenemende mate over de politieke inrichting van een door de Shariʿa geleide gemeenschap, en in de brieven van 1849 en 1850 sprak hij reeds in uitgesproken bewoordingen over de hijra-plicht en over de aanstaande verplaatsing naar Dinguiraye waaraan zijn ontvangers zouden worden geroepen deel te nemen.
Deze brieven werden in de Tooroodo-gemeenschappen van Fouta Toro in een breed gehoor doorgegeven, en zij brachten in de jaren veertig in deze gemeenschappen een geestelijke ontwaking voort die in de daaropvolgende decennia in de uittocht van duizenden Tooroodo-gezinnen naar de Umarian-staat haar zichtbare uitwerking zou krijgen.
De Tooroodo-bezoekers en de gestalte van de uitwijking
In de jaren 1843 tot 1849 ontving Umar Tall ﵀ in zijn nederzetting bij Timbo een toenemend aantal Tooroodo-bezoekers uit Fouta Toro, wier komst de wending van zijn werk naar een nieuwe fase voorbereidde. Sommige van deze bezoekers kwamen om in zijn Tijani-discipline te worden ingewijd en vervolgens naar hun eigen Fouta Toro-dorpen terug te keren, anderen kwamen om zich definitief bij zijn beweging aan te sluiten en in de daaropvolgende fase in zijn op te bouwen jihad-staat te wonen. De groep van permanente aansluiters groeide in de loop van deze jaren tot enkele honderden gezinnen, en zij vestigde zich in en rond Umar Tall’s ﵀ nederzetting in een uitgebreidere gemeenschap die reeds de eerste contouren van een toekomstige jihad-staat begon te tonen.
De Almami van Fouta Djallon bezag de groei van deze gemeenschap aanvankelijk welwillend, want zij versterkte de geestelijke gestalte van het Imamaat en zij voegde aan de Tooroodo-aristocratie nieuwe geleerde leden toe. Maar in de loop van de jaren veertig begon de Almami zich zorgen te maken over de toenemende zelfstandigheid van de Tall-gemeenschap en over haar groeiende militaire macht, die met de plaatselijke politieke orde in uiterste spanning dreigde te raken. Tegen het einde van de jaren veertig was de relatie tussen Umar Tall ﵀ en de Almami tot een delicate fase gekomen, en Umar Tall ﵀ begreep dat zijn toekomstige werk niet langer in de directe nabijheid van Timbo zou kunnen worden voortgezet zonder in een conflict met de plaatselijke autoriteiten te raken.
De spanning met Fouta Djallon
De groei van Umar Tall’s ﵀ militaire macht in Fouta Djallon, hoewel zij nog niet de directe vraag van soevereiniteit voor de plaatselijke Almami stelde, dreigde in de loop van de jaren veertig een punt te bereiken waarop de Almami zich tot stelselmatige tegenmaatregelen verplicht zou voelen. Het was deze geleidelijk groeiende spanning die in 1849 of het vroege 1850 de aanleiding gaf tot Umar Tall’s ﵀ beslissing om Fouta Djallon te verlaten en zijn werkbasis te verplaatsen naar het meer noordoostelijk gelegen Dinguiraye-gebied, waar hij onafhankelijk zijn jihad-staat zou kunnen opbouwen zonder in een directe confrontatie met de Fouta Djallon-Imamaat-structuur te raken.
In de uitwisseling van afscheidsbrieven die in deze maanden tussen Umar Tall ﵀ en de Almami van Fouta Djallon werd gevoerd, voor zover die in de West-Afrikaanse archieven en in de Franse koloniale verzamelingen is bewaard, sprak hij met de Almami in respectvolle erkenning van diens gezag, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn opdracht zijn eigen jihad-werk in een nieuwe vorm voort te zetten. Hij verzocht de Almami om vreedzame doorgang voor zijn aanhangers naar Dinguiraye, hetgeen hem werd toegestaan onder de voorwaarde dat hij niet meer in Fouta Djallon zou terugkeren zonder formele uitnodiging van het Imamaat. Umar Tall ﵀ aanvaardde deze voorwaarde, en hij ondernam de verplaatsing minder als een vlucht dan als een waardige overgang.
De voorbereiding van het vertrek naar Dinguiraye
In 1849 of 1850 begon Umar Tall ﵀ aan de voorbereiding van wat in zijn latere geschiedenis als de hijra naar Dinguiraye bekend zou worden, namelijk de uitwijking van zijn gemeenschap uit Fouta Djallon naar een nieuwe nederzetting in een aangrenzend gebied waar hij onafhankelijk zijn jihad-staat zou kunnen opbouwen. De keuze van Dinguiraye, in het noordoostelijke deel van het hedendaagse Guinea op een korte afstand van de grens met Mali, was niet toevallig. De plaats lag in een gebied dat door de Almami van Fouta Djallon werd erkend als buiten zijn eigen directe heerschappij, maar dat tegelijkertijd in zijn ligging strategisch gunstig was voor de aanstaande operaties tegen de Bambara-koninkrijken Segoe en Kaarta in het noorden en tegen de Mandinka-staten in het westen.
Voor de uitwerking van deze hijra werkte hij in 1849 en het vroege 1850 nauw samen met een groep van zijn naaste medewerkers, onder wie zijn zoon Ahmadu (later bekend als Ahmadu Cheikou) die in de daaropvolgende jaren in zijn jihad een centrale rol zou spelen, zijn oudere medewerker Alfa Umar Cherno Baila ﵀ die hem reeds in zijn hadj had vergezeld, en een groep van Tooroodo-officieren die zich in de voorafgaande jaren in Fouta Djallon aan zijn beweging hadden gehecht. De uitwerking omvatte de logistieke voorbereidingen voor de verplaatsing van enkele honderden gezinnen, de organisatie van een eerste verkennende militaire missie naar Dinguiraye om de plaatselijke bevolking voor te bereiden op de aanstaande aankomst, en de coördinatie van een aantal politieke en geestelijke aankondigingen waarmee de hijra formeel aan de bredere West-Afrikaanse moslimwereld zou worden uitgesproken.
Het uitwerken van de hijra-doctrine
In de loop van 1849 en 1850 voltooide Umar Tall ﵀ in een aantal Arabische geschriften en in een uitgebreide reeks van vrijdagspreken de doctrine van de hijra die hij van zijn aanhangers zou vorderen. De doctrine hield in dat een moslim wiens gemeenschap onder een niet-moslim of onder een compromis-moslim bewind leefde, en wiens persoonlijke en familiale omstandigheden de uitwijking toelieten, in geweten verplicht was om naar de zich vormende jihad-staat te trekken en zich daar te vestigen. De doctrine was gemodelleerd op de hijra van de Profeet ﷺ van Mekka naar Medina, en zij gaf de eigen verplaatsing naar Dinguiraye voor zijn aanhangers in West-Afrika een plaats in de profetische voorbeeldigheid.
Voor de Tooroodo-gemeenschappen in Fouta Toro en voor de Fulbe-gemeenschappen in Fouta Djallon en in Massina, die in de daaropvolgende jaren in tienduizenden de oproep zouden volgen en naar Dinguiraye en later naar de jihad-gebieden zouden trekken, was de hijra-doctrine een geestelijke duiding waarin hun persoonlijke en familiale lijden in de aanstaande verplaatsing werd opgenomen, en die het hen mogelijk maakte de uitwijking met geestelijke vreugde te ondernemen ondanks haar materiële kosten. De doctrine zou in de daaropvolgende anderhalve eeuw in de West-Afrikaanse moslimwereld voortleven als een centraal element van de Umarian-tarīqa-traditie, en zij is ook in de twintigste eeuw nog herkenbaar geweest in de West-Afrikaanse moslim-migratiebewegingen.
De rol van Aboe Bakr Diouri
Een belangrijke figuur in deze voorbereidingen die in de meeste populaire vertellingen over Umar Tall ﵀ niet de aandacht krijgt die hij verdient, was Aboe Bakr Diouri ﵀, een geleerde uit Karta die zich in deze jaren bij de Tall-beweging had aangesloten en die in zijn persoonlijke verbintenissen met de Mandinka-gemeenschappen langs de bovenloop van de Senegal-rivier een onmisbare intermediair vormde voor de aanstaande verplaatsing naar Dinguiraye. Aboe Bakr Diouri ﵀ ondernam in 1849 en het vroege 1850 in opdracht van Umar Tall ﵀ verscheidene reizen naar Dinguiraye en naar de naburige Mandinka-dorpen om de plaatselijke chefs voor te bereiden op de aanstaande aankomst en om de eerste politieke afspraken te maken die de hijra in haar uitvoering zouden vergemakkelijken. Zijn werk in deze maanden, een combinatie van diplomatie, geestelijk overtuigen en politieke onderhandeling, speelde in het latere succes van de Dinguiraye-vestiging een doorslaggevende rol.
De Rimah als theoretische bedding
In het werk Kitab Rimah Hizb al-Rahim ʿala Nuhur Hizb al-Rajim, dat hij enkele jaren eerder, omstreeks 1845, in zijn definitieve vorm had voltooid, legde Umar Tall ﵀ de theoretische bedding waarop zijn praktische staatkundige onderneming zou worden gebouwd. Het werk omvatte in zijn voltooide vorm enkele honderden pagina’s en behandelde op ordelijke wijze de volgende vraagstukken. Ten eerste de bevestiging van de geestelijke autoriteit van Ahmad al-Tijani ﵀ in zijn directe ontvangst van de tarīqa van de Profeet ﷺ, en de daaruit voortvloeiende status van de Tijani-murīds. Ten tweede de plicht tot de gewapende jihad in de situaties waarin een moslim-gemeenschap onder niet-moslim of onder onrechtmatige moslim-heerschappij leefde. Ten derde de inrichting van het bestuur in een door de Shariʿa geleide jihad-staat, met de instelling van de qadi’s, de zakaat-inning, en de algemene bestuurlijke organisatie. Ten vierde de relatie tussen de Tijaniyya en de andere soefitische broederschappen, op een wijze die de Tijani-superioriteit handhaafde zonder de andere broederschappen polemisch te veroordelen.
Het werk werd in de daaropvolgende jaren in West-Afrika in vele afschriften gekopieerd, en het werd zowel in zijn theoretische als in zijn praktische gedeelten tot een dragende referentie voor de Umarian-jihad-staat die in de jaren vijftig en zestig zijn volle gestalte zou krijgen. Voor de moderne historicus die de uitwerking van Umar Tall’s ﵀ politieke blauwdruk wil begrijpen, blijft de Rimah de onmisbare primaire bron, en haar grondige bestudering door Madina Ly-Tall in haar kritische editie van 1985 heeft het werk eindelijk in zijn volle filologische vorm voor het moderne onderzoek toegankelijk gemaakt.
Naar de eerste fase van de jihad
Tegen het einde van het jaar 1850 was de hijra van Fouta Djallon naar Dinguiraye in haar voorbereiding voltooid, en Umar Tall ﵀ stond gereed voor de overgang van zijn lange voorbereidingsfase naar de eigenlijke uitvoering van zijn levenswerk. Hij was inmiddels achtenvijftig jaar oud, hij had in de voorafgaande twee decennia een geleerde, geestelijke en politieke statuur ontwikkeld die in de West-Afrikaanse moslimwereld haar gelijke nauwelijks had, en hij stond aan het hoofd van een gemeenschap die in haar geestelijke discipline en in haar politieke voorbereiding gereed was voor de aanstaande jihad-staat-vorming.
In dit artikel hebben wij gevolgd hoe in de jaren tussen 1835 en 1850 zijn politieke blauwdruk geleidelijk haar gestalte heeft gekregen in zijn Sokoto-verblijf onder Sultan Muhammad Bello ﵀, in zijn werkjaren in Fouta Djallon en in de geleidelijke uitbreiding van zijn Tijani-gemeenschap, en wij hebben gezien hoe deze blauwdruk in vier dragende elementen werd uitgewerkt die in zijn latere jihad-staat in Dinguiraye en in Karta herkenbaar zouden terugkeren. Aan de eigenlijke verplaatsing naar Dinguiraye in 1850 en aan de proclamatie van de jihad in 1852, en aan de eerste militaire campagnes van zijn imamaat-staat, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- David Robinson, The Holy War of Umar Tal: The Western Sudan in the Mid-Nineteenth Century, Clarendon Press (1985), pp. 168–214.
- John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 168–212.
- Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 212–248.
- John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa, Indiana University Press (1996), pp. 48–86.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans (1967), pp. 112–148.
- Mervyn Hiskett, The Development of Islam in West Africa, Longman (1984), pp. 256–296.
- Jamil M. Abun-Nasr, The Tijaniyya, Oxford University Press (1965), pp. 98–124.
- al-Hajj Umar Tall ﵀, Kitab Rimah Hizb al-Rahim ʿala Nuhur Hizb al-Rajim, Arabisch origineel circa 1845; kritische editie door Madina Ly-Tall, Dakar (1985).
- Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa, Cambridge University Press (2009), pp. 96–134.
