InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Zijn Geboorte en Oorsprong
De Helden van IslamAl-Hajj Umar Tall

Zijn Geboorte en Oorsprong

Zijn Geboorte en Oorsprong

In het voorgaande artikel volgden wij de geestelijke en politieke ontwikkeling van West-Afrika in de eeuw die aan de geboorte van al-Hajj Umar Tall ﵀ voorafging, en wij zagen hoe de Trans-Atlantische slavenhandel en de vier islamitische hervormingsbewegingen van Nasir al-Din ﵀, Karamoko Alfa ﵀, Abdul Qadir Kane ﵀ en Shaykh Usman dan Fodio ﵀ tezamen het geestelijke kader hadden gevormd waarin een kind in een Tooroodo-familie van Fouta Toro zou opgroeien. Dit artikel keert zich tot de geboorte van dat kind zelf, in het Tooroodo-dorp Halwar aan de noordelijke oever van de Senegal-rivier, in het jaar 1794 of, naar enkele minderheidstellingen, in 1796 of 1797. Het beschouwt de familie, de naamgeving, de vroege jeugd, de eerste leermeesters, en de vorming die hem in zijn jongelingsjaren tot een geleerde van regionale faam zou maken nog voordat hij zijn dorp voor zijn lange reis naar Mekka zou verlaten.

Halwar aan de Senegal-rivier

Halwar, in de Tooroodo-uitspraak Aloar of Aaloare, is een dorp in het noordoosten van het hedendaagse Senegal, in de regio Podor, op een korte afstand van de noordelijke oever van de Senegal-rivier op een hoogte van slechts enkele meters boven de stroom. Het ligt in een streek waar de rivier in haar bovenloop een vruchtbare vallei vormt die in het regenseizoen door overstromingen wordt gevoed en die in het droge seizoen door irrigatie uit de rivier zelf wordt onderhouden, en het was in 1794 een dorp van bescheiden omvang met enkele honderden inwoners, voornamelijk Tooroodo en Fulbe, die hun bestaan ontleenden aan de gemengde economie van rijst- en gierst-bouw, aan de visserij in de rivier, aan de veeteelt van het Fulbe-typische zebu-rund, en aan het uitgebreide handwerk dat in een rivierdorp van die tijd noodzakelijk was.

Geografisch gezien lag Halwar in het hart van Fouta Toro, het bekken van de middelste Senegal dat zich uitstrekte van de oostelijke grens met Bambouk tot in het westen tot dicht bij de monding van de rivier, en politiek lag het binnen de invloedssfeer van het Imamaat van Fouta Toro dat in 1776 door Sulayman Bal ﵀ was gesticht en dat in 1794 onder de Almami’s van de Tooroodo-aristocratie regeerde. Voor een kind dat in Halwar werd geboren, was de buitenwereld zowel nabij als ver weg. Nabij, want de Senegal-rivier was de grote verbindingsader die het dorp via een dagreis stroomafwaarts met de markt van Saldé, in twee dagen met Matam en in een week met de Franse handelsstations van Bakel en Saint-Louis verbond. Ver weg, want de moeilijke vertraging van de bewegingen in een tropische rivierdelta met haar seizoenen van overstroming en droogte, met haar bedreigingen van banditisme en met haar logistieke beperkingen, maakte van de afstanden in werkelijke reistijd grotere afstanden dan zij in geografische lijnstreek waren.

Het dorp en zijn moskee

In het centrum van Halwar stond een moskee in de eenvoudige Tooroodo-stijl, met dikke leemmuren die in elk regenseizoen werden gerestaureerd, met een platte rietendak op een raamwerk van palmboomstammen, en met een eenvoudige mihrab in de oostmuur die de richting van Mekka aanduidde. Aan de moskee verbonden was de Quran-school, in het Pulaar duudal genoemd, waar de jongens van het dorp van hun vijfde of zesde jaar af de Quran leerden uit het hoofd in de klassieke West-Afrikaanse studiemethode waarin een houten plank, in het Pulaar alluwal, werd beschreven met de soera van de dag, waarop de leerling de tekst uit het hoofd leerde door herhaling en correctie, en waarop de tekst aan het einde van het leerproces met water werd afgewassen om opnieuw met de soera van de volgende dag te kunnen worden beschreven.

Het was in deze duudal, onder leiding van de plaatselijke imam van Halwar en onder de aanvullende begeleiding van zijn eigen vader Saidu, dat de jonge Umar zijn eerste vorming ontving. Hij was, naar wat de overlevering vermeldt en naar wat zijn latere geleerdheid in Arabisch en Pulaar suggereert, een uitzonderlijk leergrage jongen van zijn vroege jaren af, en hij voltooide de hifz (uit het hoofd leren) van de Quran op een leeftijd waarop andere jongens nog ergens in het midden van hun memorisatiewerk waren. De viering van zijn voltooiing, in de Tooroodo-traditie een feestelijke gebeurtenis die in het dorp door de hele gemeenschap werd gedeeld, vond plaats omstreeks zijn achtste of negende jaar, en de bronnen vermelden dat zijn vader bij deze gelegenheid een schaap liet slachten en dat de hele dorpsgemeenschap aan een gemeenschappelijke maaltijd deelnam in dankzegging voor de voltooiing.

De Tooroodo-conventies van het dorpsleven

Voor wie het dagelijks leven van Halwar in 1794 wil voorstellen, is het van belang in gedachten te houden dat een Tooroodo-dorp in haar interne organisatie zich onderscheidde van naburige dorpen van andere standen. De Tooroodo-dorpen lagen vaak iets verhoogd ten opzichte van de rivieroever, in een poging zich tegen de seizoenelijke overstromingen te beschermen, en zij hadden in hun stratenplan een herkenbare gestalte waarin de moskee en de duudal in het centrum stonden, omringd door de woningen van de geleerden-families, en met de woningen van de Subalbe-vissers en van de Maccube-afhankelijken in de buitenrand van het dorp. De interne hiërarchie van het dorp was niet geformaliseerd in een geschreven bestuursvorm, maar zij was in de dagelijkse omgang zichtbaar in de zitplaatsen in de moskee, in de volgorde waarin de mannen elkaar bij gelegenheden ontmoetten, en in de plaats die elke familie in de gemeenschappelijke werkzaamheden innam.

De Tooroodo-vrouwen, in hun eigen sfeer, onderhielden hun eigen hiërarchie en hun eigen gemeenschappelijke werkzaamheden. Het malen van het graan, het bereiden van de maaltijden, het verzorgen van de kinderen, het weven van textiel en het beheren van de gemeenschappelijke kruidentuinen waren werkzaamheden die in een vaste verdeling werden uitgevoerd, en de oudere vrouwen genoten in hun eigen kring een gezag dat in zijn uitwerking soms doorslaggevender was dan dat van hun mannen in de openbare ruimte. Voor de jonge Umar betekende dit dat hij van zijn vroege jaren af niet enkel de mannelijke sfeer van de moskee en de duudal kende, maar ook de vrouwelijke sfeer van zijn moeder en haar mede-echtgenotes met haar eigen gestalten van vroomheid, van werk en van gezagsuitoefening, en hij ontwikkelde in zijn jeugd een natuurlijke gevoeligheid voor beide sferen die in zijn latere leven herkenbaar zou blijven.

De familie Tall

De familie Tall waartoe de jonge Umar behoorde, was een Tooroodo-clan van aanzienlijke geestelijke reputatie in Fouta Toro. Haar leden hadden gedurende de drie of vier voorafgaande generaties imams, qadis en Quran-onderwijzers voortgebracht, en zij stond in het Tooroodo-netwerk van Fouta Toro bekend als een familie waarvan de leden de Maliki-fiqh met aanzienlijke nauwkeurigheid bestudeerden en waarvan de geestelijke gestalte tot in de naburige dorpen ten zuiden en ten westen van Halwar werd geëerd. De familie had geen aanspraken op de Almami-troon van Fouta Toro, want die was in 1794 in handen van de rivaliserende Tooroodo-clans uit het westelijke deel van het bekken, maar zij onderhield met de Almami-clan goede betrekkingen en zij was in de geleerdenkring van Fouta Toro een gewaardeerde leden van de geestelijke aristocratie.

Het familiehoofd in 1794, en de vader van de jonge Umar, was Saidu Tall, een geleerde-imam die in Halwar de plaatselijke moskee bestuurde en die zelf in zijn jongere jaren in de madrasa’s van Pir Saniokhor in het westelijke Fouta Toro had gestudeerd. Hij stond bekend als een welbespraakt prediker, als een nauwkeurig fiqh-rechter en als een zachte vader die in zijn huishouden de strenge Tooroodo-discipline combineerde met een natuurlijke warmte tegenover zijn vrouw en zijn kinderen. Saidu Tall trouwde, naar de Tooroodo-gewoonte van zijn tijd, met meerdere vrouwen, en hij had uit zijn verschillende huwelijken in totaal tien of elf kinderen, jongens en meisjes, van wie Umar volgens de meeste bronnen de zevende of achtste was in volgorde van geboorte.

De afstamming van de familie Tall

De Tall-clan herleidde haar afstamming, naar de Tooroodo-traditie van de geestelijke aristocratie van Fouta Toro, tot een gemeenschappelijke voorvader die in de zestiende of zeventiende eeuw uit het Maliki-onderwijscentrum van Pir Saniokhor of mogelijk uit het verdere oosten naar het bekken van de middelste Senegal was getrokken en die in een van de Tooroodo-dorpen van de regio een eigen leerhuis had gevestigd. Of deze voorvader een werkelijke historische figuur was of een latere genealogische constructie, valt vandaag niet meer met zekerheid uit te maken, maar het is in de West-Afrikaanse Tooroodo-context van de achttiende en negentiende eeuw geen ongebruikelijk gegeven om dergelijke genealogieën te ontwikkelen om de Tooroodo-status van een familie in een lange traditie te verankeren. De Tall-familie behoorde in elk geval tot een herkenbare subgroep van de Tooroodo-aristocratie die in haar specifieke clannaam haar interne samenhang vond en die haar leden over de generaties in een verbonden netwerk van huwelijken en geleerde uitwisselingen bijeenhield.

Voor de jonge Umar betekende dit dat hij in zijn dorp en in zijn bredere familiale netwerk niet alleen een directe vader en moeder kende, maar een uitgebreide kring van bloedverwanten in de Tooroodo-clans die in heel Fouta Toro waren verspreid. Hij ontmoette in zijn jeugdjaren neefjes en nichtjes in dorpen van Saldé tot Matam, hij had ooms en tantes in de geleerden-families van Pir Saniokhor en van Bababé, en hij ontwikkelde van zijn vroege jaren af een netwerkbewustzijn dat hem in zijn latere leven in goede stede zou komen wanneer hij in zijn imamaat-werk de Tooroodo-geleerden van Fouta Toro tot een gezamenlijke onderneming moest samenbinden.

De moeder Sokhna Adama

De moeder van de jonge Umar heette Sokhna Adama Aysa Hammadi, in haar verkorte vorm Adama, en zij was een Tooroodo-vrouw uit een naburige dorp van Halwar. Zij was, naar de overlevering vermeldt, een vrouw van diepe vroomheid, van enige geleerdheid (zij had Arabisch leren lezen in haar jeugd en kon Quran-passages bidden uit het hoofd), en van een opmerkelijk persoonlijk gezag in haar huishouden en in de bredere familie. Zij stond bij haar man Saidu Tall in een positie van enige innerlijke voorrang voor haar mede-echtgenotes, ondanks dat zij niet de eerste vrouw was in chronologische volgorde, en zij oefende op de opvoeding van haar zonen, en in het bijzonder op die van de jonge Umar, een geestelijke invloed uit die in zijn latere getuigenissen en in de overlevering van zijn naaste medewerkers herhaaldelijk wordt herinnerd.

Voor de jonge Umar betekende dit dat hij niet alleen in een geletterde Tooroodo-omgeving opgroeide, maar in een huishouden waarin de geestelijke ernst van zijn vader werd aangevuld met de innerlijke vroomheid van zijn moeder, en waarin het geloof als het algemene levenskader werd gepresenteerd voor zowel het uiterlijke werk van de mannen als het stille werk van de vrouwen. Het was deze geestelijke gelaagdheid in zijn huishouden die in zijn latere leven herkenbaar zou blijven, want hij behandelde in zijn eigen latere imamaat zijn vrouwen en zijn dochters met dezelfde innerlijke respect die hij in zijn ouderlijk huis had ervaren, en hij gaf aan zijn dochters dezelfde geestelijke opleiding als aan zijn zonen, een keuze die in negentiende-eeuws West-Afrika weliswaar niet ongekend maar wel ongewoon was.

De naamgeving en de eerste jaren

De jonge Umar werd, naar de Tooroodo-gewoonte, op de zevende dag na zijn geboorte van zijn naam voorzien in een aqiqah-ceremonie waarin het kind aan de gemeenschap werd voorgesteld, een schaap voor hem werd geslacht, zijn haren werden geschoren en in zijn beide oren de adhan werd gefluisterd. De naam Umar werd door zijn vader gekozen ter ere van de tweede rashidun-khaliefah ʿUmar ibn al-Khattab ﵁, en zij was in de Tooroodo-naamtraditie een naam met een programma: het kind dat haar droeg, zou de eigenschappen van de tweede khaliefah moeten ontwikkelen, aangepast aan zijn eigen tijd. De Tooroodo-conventie schreef voor dat de naam aan het kind in zijn eerste jaren niet in haar volle Arabische vorm werd toegeroepen maar in haar verkorte Pulaar-vorm Umaru of Umar, en het was onder deze naam dat de jongen in zijn jongere jaren bekend was in zijn dorp.

In de eerste vier of vijf jaar van zijn leven groeide hij op in het normale dagritme van een Tooroodo-jongen in een Fouta Toro-dorp van zijn tijd. Hij speelde met zijn broers en met de andere kinderen van Halwar in de stoffige straatjes van het dorp en aan de oever van de rivier, hij hielp van zijn vierde of vijfde jaar af zijn moeder bij kleine huishoudelijke taken zoals het halen van water of het bewaken van het kleinvee, hij at de gewone Tooroodo-maaltijden van gierstpap met melk in de ochtend en van rijst met vis of vlees in de avond, en hij sliep met zijn moeder en zijn jongere broers en zussen in haar deel van de polygame familiewoning. Het was een normaal Tooroodo-kindleven, en niets in zijn vroege jaren wees op de uitzonderlijke wending die zijn leven in de daaropvolgende decennia zou nemen.

De eerste tekenen van uitzonderlijke aanleg

Tegen zijn zesde of zevende jaar, naar wat de overlevering vermeldt en naar wat zijn vader Saidu Tall in zijn latere uitspraken aan zijn naaste medewerkers heeft bevestigd, begonnen zich bij de jongen tekenen van uitzonderlijke geestelijke aanleg te manifesteren. Hij was niet enkel sneller dan zijn leeftijdgenoten in het uit het hoofd leren van de Quran-soera’s die hem in de duudal werden gegeven, maar hij stelde aan zijn vader en aan de imam van Halwar vragen die in hun diepgang voor zijn leeftijd uitzonderlijk waren. De inhoud van deze vragen, voor zover die in de overlevering is bewaard, betrof onder andere de relatie tussen de soera’s die in Mekka waren geopenbaard en die in Medina, de betekenis van bepaalde fiqh-onderscheidingen die hij in de leerstof had opgemerkt, en de verhouding tussen de mondelinge en de schriftelijke overlevering in de hadith-wetenschap.

Saidu Tall, naar de overlevering vermeldt, beantwoordde deze vragen met de zorgvuldigheid die hun ernst verdiende, en hij begreep van deze jonge jaren af dat zijn zoon Umar een geestelijke aanleg bezat die de gewone Tooroodo-vorming van zijn dorp zou kunnen overtreffen. Hij besloot daarom, in een keuze die voor de verdere ontwikkeling van zijn zoon van groot belang zou blijken, de jongen vanaf zijn negende of tiende jaar naar een ruimer leermilieu te zenden dan Halwar alleen kon bieden, en hij stuurde hem naar de naburige Tooroodo-dorpen waar gespecialiseerde geleerden in verschillende takken van de islamitische wetenschappen actief waren, met de bedoeling dat de jongen in een aantal jaren een gevarieerde opleiding zou kunnen ontvangen.

De ervaring van het reizen tussen leermilieus

Een eigenschap van het Tooroodo-leerwerk die het van vele andere onderwijssystemen onderscheidde, was de gewoonte dat de leerling van zijn negende of tiende jaar af niet in één plaats verbleef voor zijn opleiding, maar dat hij in een opeenvolging van verschillende dorpen onder verschillende leraren studeerde voordat hij in zijn vroeg-volwassen jaren tot een gevormd geleerde uitgroeide. Deze gewoonte had voor de jonge leerling drie belangrijke gevolgen die in zijn karaktervorming herkenbaar zouden blijven. Ten eerste leerde hij van vroege jaren af zich aan te passen aan wisselende leefomstandigheden, want elke nieuwe leerplaats had haar eigen huishoudelijke gewoonten, haar eigen gemeenschapsleven en haar eigen onuitgesproken hiërarchieën waarin de leerling zijn plaats moest vinden. Ten tweede leerde hij van verschillende leraren met verschillende stijlen om te gaan, en hij ontwikkelde in zijn vergelijkende ervaring een gevoel voor de variaties binnen de gemeenschappelijke Tooroodo-traditie die hem in zijn latere geleerdheid een eigen oordeelsvermogen zou geven. Ten derde leerde hij van verschillende streken van Fouta Toro hun geografie, hun handelsroutes en hun politieke verhoudingen kennen, en hij ontwikkelde een regionale kennis die hem in zijn latere imamaat-werk goed van pas zou komen.

Voor Umar Tall ﵀ in zijn jongelingsjaren betekende deze gewoonte dat hij tussen zijn negende en zijn vijftiende jaar in ten minste vier of vijf verschillende dorpen van Fouta Toro verbleef, dat hij onder ten minste evenveel verschillende leraren studeerde, en dat hij in zijn vroeg-volwassen jaren een ruimere kennis van de Tooroodo-wereld bezat dan een leerling die in één plaats was gebleven ooit zou hebben kunnen verwerven. Het was deze ervaring die hem in zijn latere reizen, van de hadj-tocht naar Mekka tot de jaren in Sokoto en de uiteindelijke jihad in Massina, het natuurlijke vermogen verleende om zich snel in een nieuwe omgeving in te leven en om in een vreemd milieu zijn geestelijke discipline en zijn werkkracht volledig te behouden.

De vorming van een Tooroodo-geleerde

Tussen zijn negende en zijn vijftiende jaar reisde de jonge Umar, in het gezelschap van een oudere bloedverwant die als zijn beschermer optrad, tussen verschillende leermilieu’s in de Tooroodo-dorpen van Fouta Toro. In Tuldjé, een dorp ten westen van Halwar, studeerde hij Arabische grammatica bij een geleerde die als Sheikh Mukhtar bekendstond en die in de regio bekend was om zijn nauwkeurige kennis van de Ibn Malik-traditie. In Bababé, een Tooroodo-stad in de centrale Fouta Toro, studeerde hij Maliki-fiqh in een madrasa die in haar studieprogramma de klassieke werken van al-Risalah van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀ en de Mukhtasar van Khalil ﵀ centraal stelde. In Pir Saniokhor, in het verre westen van Fouta Toro, studeerde hij gedurende ongeveer een jaar tafsir en hadith-wetenschap bij een geleerde die zelf in zijn jongere jaren in Marokko had gestudeerd en die in zijn madrasa de werken van Imam al-Suyuti ﵀ en van Imam al-Qurtubi ﵀ als basis voor zijn onderwijs gebruikte.

In elk van deze leermilieus toonde de jonge Umar dezelfde uitzonderlijke aanleg die zijn vader reeds in zijn vroege jaren had opgemerkt, en hij verwierf in een opmerkelijk kort tijdsbestek de basisgereedschappen van de Tooroodo-geleerdheid. Tegen zijn vijftiende jaar, naar de overlevering vermeldt en naar zijn latere geleerdheid op het moment van zijn hadj-vertrek in 1828 suggereert, beheerste hij het Arabisch in lezen en schrijven op het niveau van een gevorderde geleerde, kon hij in de Maliki-fiqh de meest gangbare juridische onderscheidingen toepassen, en had hij de basisteksten van de soefitische literatuur in een eerste benadering doorgenomen, met name de werken van Imam al-Ghazali ﵀ en van Sjeik ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀.

Het dagelijks leven van een Tooroodo-student

Het studieleven van een Tooroodo-jongen in de jaren 1808 tot 1815 in een Fouta Toro-dorp van enige geleerdheid had een vaste dagindeling die over de eeuwen heen weinig was veranderd. De leerling stond op voor de fajr en voerde het ochtendgebed in de moskee van het dorp uit, hij vervolgde met een eerste sessie van Quran-recitatie en van memorisatie waarin de tekst van de voorgaande dag werd doorgenomen, en hij ontbeet rond het tweede gebed met een eenvoudige Pulaar-maaltijd van gierstpap of van rijstebrij met melk. Het ochtendprogramma was gewijd aan de eigenlijke fiqh-lessen waarin de leraar een passage uit een handboek voorlas, deze stuk voor stuk uitlegde, en de leerlingen toeliet vragen te stellen die in een vrije discussie werden besproken. De namiddag was gewijd aan persoonlijke studie waarin de leerling de teksten van de ochtend doornam, zijn aantekeningen ordende en de oefeningen maakte die de leraar hem had opgegeven.

Na het avondgebed volgde een gemeenschappelijke maaltijd, vaak in het huis van de leraar of in een gemeenschappelijke ruimte van de madrasa, en daarna een laatste sessie van Quran-recitatie of van dzikr volgens de Qadiri-wird waarin de leerlingen onder leiding van de leraar de namen van Allah ﷻ aanriepen in een gemeenschappelijk ritme. De jonge Umar volgde dit programma met de discipline die zijn vader hem had bijgebracht, en hij gebruikte de uren waarin zijn medeleerlingen hun rust namen voor verdere persoonlijke studie waarin hij zijn lectuur uitbreidde tot de werken die buiten de voorgeschreven leerstof van zijn madrasa lagen. Het was een leven van strenge regelmaat en van geestelijke ernst, en het was in deze regelmaat dat de bedding van zijn latere internationale loopbaan werd voorbereid.

De eerste aansluiting bij een soefi-orde

In zijn jongelingsjaren, omstreeks zijn vijftiende of zestiende levensjaar, sloot Umar zich voor het eerst bij een soefi-orde aan, en hij koos hierbij de Qadiriyya, de tarīqa die in Fouta Toro en in heel het West-Afrikaanse binnenland sinds de tijd van de eerste hervormingsbewegingen de meest verbreide vorm van georganiseerd soefisme was geweest. Zijn inwijding vond plaats onder leiding van een plaatselijke Qadiri-sjeik in het naburige Bababé, en hij ontving in deze inwijding de gewone Qadiri-wird die hij in de daaropvolgende jaren in zijn dagelijkse oefeningen incorporeerde naast zijn formele studie van fiqh, tafsir en hadith.

Deze eerste aansluiting bij de Qadiriyya was, in het licht van zijn latere overstap naar de Tijaniyya in Aïn Madhi in 1828, een voorlopige fase die door zijn vader Saidu Tall niet werd betwist en die in zijn eigen geestelijke ontwikkeling als een natuurlijke voortzetting van zijn opleiding werd beschouwd. Het was nog niet een definitieve geestelijke aansluiting, en zij zou in zijn latere leven door de uitgesproken Tijaniyya-aansluiting worden vervangen, maar zij was wel een eerste stap in de soefitische discipline die zijn latere leven in haar geheel zou kleuren. Voor de meeste Tooroodo-leerlingen van zijn tijd zou de Qadiriyya de definitieve tarīqa zijn gebleven, en het feit dat Umar haar later zou verlaten voor de Tijaniyya, was in zijn levensloop geen vanzelfsprekendheid maar een doelbewuste keuze waaraan hij vele jaren van bezinning zou wijden.

Het eerste huwelijk

Omstreeks zijn achttiende of negentiende jaar, dus rond 1812 of 1813, trad de jonge Umar in het huwelijk met zijn eerste vrouw, die in de overlevering met de naam Penda wordt aangeduid en die uit een Tooroodo-familie in een naburig dorp van Halwar afkomstig was. Het huwelijk werd, naar de Tooroodo-conventie van zijn tijd, door zijn vader Saidu Tall met de vader van Penda overeengekomen, en de bruidsschat werd bescheiden vastgesteld op een wijze die de geestelijke aristocratische status van beide families bevestigde zonder in een buitensporige financiële druk te ontaarden. Penda was, naar wat de overlevering vermeldt, een vrouw van zachtaardig karakter en van enige eigen vroomheid, en zij paste goed bij de geestelijke ernst van haar man.

Uit dit eerste huwelijk werden in de jaren 1814 tot 1822 verscheidene kinderen geboren, onder wie een zoon die naar de Tooroodo-conventie de naam van Umar’s vader Saidu kreeg en die in zijn latere leven aan de zijde van zijn vader in de jihad zou strijden. Het was een gewone Tooroodo-huishoudensstart, en niets in de eerste jaren van het huwelijk wees op de uitzonderlijke reis die Umar in het komende decennium zou ondernemen, of op de wijze waarop deze reis zijn huishouden en zijn levensloop een geheel nieuwe gestalte zou geven.

Naar de Grote Reis

Tegen 1820 of 1822, op zijn zesentwintigste of achtentwintigste jaar, was Umar Tall ﵀ in Fouta Toro tot een geleerde van regionale faam geworden. Hij had in de voorafgaande jaren in verscheidene Tooroodo-dorpen lessen gegeven in Arabische grammatica, in Maliki-fiqh en in tasawwoef, hij had de eerste van zijn kinderen door zijn eerste vrouw mogen verwelkomen, en hij was in zijn dorp Halwar tot een gerespecteerde figuur van de geestelijke aristocratie van Fouta Toro uitgegroeid. Maar hij voelde, naar de overlevering vermeldt en naar zijn eigen latere uitspraken in zijn werken bevestigen, een innerlijke drang die hem voorbij de grenzen van Fouta Toro wenste te brengen, naar de heilige plaatsen waar de Profeet ﷺ had geleefd en waar de geestelijke fontein van de islam zelf gevestigd was.

Het was deze drang die hem in 1828 of mogelijk reeds in 1826 zou doen besluiten zijn dorp te verlaten voor de Grote Reis naar Mekka, een reis die in haar lange duur, in haar verre afstand en in haar uiteindelijke geestelijke uitkomst de eigenlijke ommezwaai in zijn leven zou betekenen en die hem in plaats van de Qadiriyya tot de Tijaniyya zou brengen, in plaats van een dorpsgeleerde tot een khalifa van de tarīqa, en in plaats van een dorpsleider tot een figuur van internationale geestelijke en politieke betekenis. Aan deze reis, en aan haar voorbereidingen, ondernemingen en geestelijke uitkomst, wijdt het volgende artikel zijn aandacht.

In dit artikel hebben wij gezien hoe in het Tooroodo-dorp Halwar aan de oever van de Senegal-rivier in 1794 een kind werd geboren in een familie van geestelijke aristocratie, hoe het in zijn jeugdjaren een uitzonderlijke geestelijke aanleg toonde die zijn vader bewoog hem buiten de grenzen van zijn eigen dorp te onderwijzen, hoe hij in zijn jongelingsjaren in de Tooroodo-dorpen van Fouta Toro een ruim opleiding ontving in de klassieke islamitische wetenschappen, en hoe hij in zijn vijftiende of zestiende jaar zich voor het eerst bij een soefi-orde, de Qadiriyya, aansloot. De Tooroodo-vorming van zijn jongelingsjaren was, in haar geheel beschouwd, de bedding waarop zijn latere internationale loopbaan zou worden gebouwd, en zonder haar grondige uitvoering zou de Grote Reis van 1828 niet de geestelijke uitkomst hebben gevonden die zij in haar werkelijke verloop heeft gevonden.

Bronnen

  • David Robinson, The Holy War of Umar Tal: The Western Sudan in the Mid-Nineteenth Century, Clarendon Press (1985), pp. 66–96.
  • John Ralph Willis, In the Path of Allah: The Passion of Al-Hajj 'Umar, Frank Cass (1989), pp. 48–82.
  • Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle, L’Harmattan (1991), pp. 88–124.
  • John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa: The Futanke Colonies in Karta, Indiana University Press (1996), pp. 24–48.
  • Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa: History of an Emancipatory Community, Cambridge University Press (2009), pp. 56–96.
  • Mervyn Hiskett, The Development of Islam in West Africa, Longman (1984), pp. 226–256.
  • Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade, Cambridge University Press (1998), pp. 162–208.
  • al-Hajj Umar Tall ﵀, Kitab Rimah Hizb al-Rahim ʿala Nuhur Hizb al-Rajim, Arabisch origineel circa 1845; Franse vertaling Gallica BnF (1856) en kritische editie door Madina Ly-Tall, Dakar (1985).

Sources

Hoofdbronnen: David Robinson, The Holy War of Umar Tal (Clarendon, 1985); John Ralph Willis, In the Path of Allah (Frank Cass, 1989); Madina Ly-Tall, Un Islam militant en Afrique de l’Ouest au XIXe siècle (L’Harmattan, 1991); John Hanson, Migration, Jihad, and Muslim Authority in West Africa (Indiana UP, 1996); Jamil Abun-Nasr, The Tijaniyya (Oxford UP, 1965); William Brown, The Caliphate of Hamdullahi (Wisconsin UP, 1969); Sean Hanretta, Islam and Social Change in French West Africa (Cambridge UP, 2009); Boubacar Barry, Senegambia and the Atlantic Slave Trade (Cambridge UP, 1998); al-Hajj Umar Tall, Kitab Rimah Hizb al-Rahim (kritische editie Ly-Tall, Dakar 1985); al-Hajj Umar Tall, Bayan ma Waqaʿa (Mahibou-Triaud, CNRS 1983).