InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Vallei van de Schaduw
De Helden van IslamImam Shamil

De Vallei van de Schaduw

De Vallei van de Schaduw

In het voorgaande artikel zagen wij hoe Shamil ﵀ in 1834 tot derde imam van Dagestan en Tsjetsjenië werd uitgeroepen na de val van Gimry, de marteldood van Ghazi Muhammad ﵀ en de moord op Hamzat Bek ﵀, en hoe hij vanaf dat moment de geestelijke en militaire leiding van het verzet op zich nam. De jaren tussen 1834 en 1845, die in dit artikel slechts in hun grote lijn kunnen worden besproken omdat de eigenlijke focus van dit hoofdstuk op een latere gebeurtenis ligt, vormden in zijn imamaat een periode van consolidatie, van moeilijke nederlagen, van geleidelijke heropbouw, en uiteindelijk van de opbouw van een imamaat-staat die in haar geografische uitbreiding en in haar bestuurlijke verfijning veel verder reikte dan onder zijn voorgangers het geval was geweest. De climax van deze elf jaren, en het moment waarop de strategische tegenstand van de imamaat tegen het Russische leger haar duurste prijs aan haar tegenstander oplegde, voltrok zich in de zomer van 1845 in de bergen rond het Tsjetsjeense dorp Dargo, in een militaire campagne die in de Russische literatuur tot vandaag bekendstaat als de Dargo-expeditie en waarin de wal tussen het Russische opperbevel en zijn eigen militaire realiteit voor het eerst zichtbaar werd op een wijze die in Sint-Petersburg niet meer kon worden ontkend.

Veldslag laden...

De jaren tussen 1834 en 1845

De eerste jaren van Shamils ﵀ imamaat verliepen onder grote militaire druk. In 1837 ondernam Generaal Karl Karlovich Fezi een nieuwe Russische offensief tegen de imamaat-strijders die zich in het bergvest Akhulgo had gevestigd, en in 1839 voltrok zich onder Generaal Pavel Khristoforovich Grabbe de tweede grote belegering van Akhulgo, die in haar uitkomst voor Shamil ﵀ een persoonlijke tragedie zou worden. Akhulgo, een dubbele rotsfort in de bocht van de rivier de Andi Koysu en ongeveer een dagreis ten westen van Gimry, was door Shamil ﵀ in de voorafgaande jaren tot een formidabele verdedigingspositie versterkt, en zij werd in de zomer van 1839 door Grabbe met een troepenmacht van ongeveer dertienduizend manschappen aangevallen.

Het beleg duurde acht en zeventig dagen en eindigde in een Russische verovering die hen ongeveer drieduizend gesneuvelden kostte en die de imamaat-verdedigers in een soortgelijke verliescijfer dompelde. Onder de geslachten en gevangenen aan imamaat-zijde bevond zich de driejarige zoon van Shamil ﵀, Jamaluddin, die als deel van de overgaveonderhandelingen aan de Russen als gijzelaar werd uitgeleverd en die in de daaropvolgende jaren in Sint-Petersburg zou worden opgevoed, eerst aan het hof van Tsaar Nicolaas I en later in het Eerste Cadettencorps, in een levensgeschiedenis die in de loop van de jaren een eigen drama zou worden. Shamil ﵀ zelf wist met zijn directe gezin en met enkele tientallen overlevende strijders uit Akhulgo te ontsnappen door de noordelijke bergen, in een tweede ontsnapping die in haar lange voettocht door vijandelijk gebied en in haar volharding onder fysieke uitputting de gelijke was van zijn eerste ontsnapping uit Gimry in 1832.

Het lot van Jamaluddin

De uitlevering van zijn driejarige zoon Jamaluddin aan de Russen in Akhulgo was voor Shamil ﵀ persoonlijk een wond die in de daaropvolgende vijftien jaar zou voortwoekeren en die in 1855, na een uitwisseling die in haar uiteindelijke vorm werd bezegeld in de gevangenneming van Georgische vorstinnen door Shamils ﵀ troepen in Tsinandali, in een gedeeltelijke herstel zou uitmonden toen Jamaluddin op zijn negentiende levensjaar naar zijn vader terugkeerde. In de tussenliggende jaren werd hij in Sint-Petersburg opgevoed in een vorming die hem in zijn taal, zijn kleding en zijn omgangsvormen tot een Russische edelman maakte, en hij ontwikkelde een loyaliteit aan zijn Russische opvoeders die in zijn latere terugkeer naar de imamaat-bergen tot een diepe innerlijke spanning zou leiden tussen zijn herinneringen aan zijn vaderlijk huis en de wereld waarin hij in zijn opvoedingsjaren was ingebed. Hij stierf jong, in 1858, een jaar voor de eindelijke overgave van zijn vader bij Gunib, en zijn graf werd in een Tsjetsjeens bergdorp ingericht waar zijn vader hem tot het einde van zijn leven herhaaldelijk zou bezoeken.

Het herstel na Akhulgo

In de jaren tussen 1839 en 1843 herbouwde Shamil ﵀ de imamaat-organisatie in een grondig gewijzigde gestalte. Hij verschoof het zwaartepunt van zijn macht van Dagestan naar Tsjetsjenië, waar de bossen en de bergen meer natuurlijke verdedigingsmogelijkheden boden en waar de Russische troepen logistiek moeilijker konden opereren. Hij organiseerde zijn militaire macht in een nieuwe structuur van naibs die elk een eigen district besturen en die ieder over een eigen militie van enkele honderden tot enkele duizenden strijders konden beschikken, en hij gaf aan deze naibs een aanzienlijke uitvoeringsvrijheid binnen de algemene strategische lijn die hij zelf vaststelde. De qadi-organisatie van de Shariʿa-rechtbanken werd in deze jaren systematisch uitgebreid, met instelling van een centrale beroepsrechtbank in Dargo waar hij in 1840 of 1841 zijn hoofdkwartier vestigde, en hij ontwikkelde een belastingstelsel waarmee de imamaat in haar uitgaven onafhankelijk kon worden van plaatselijke goodwill en in plaats daarvan op een vaste inkomstenstroom uit de zakaat en uit oorlogsbuit kon steunen.

In 1843 voerde Shamil ﵀ een groot offensief tegen de Russische cordon in centraal Dagestan, en hij wist in een opmerkelijke serie van overwinningen verscheidene Russische forten te veroveren, onder andere Untsoekoel, Belakhani en Hotsatl, en hij dreef de Russische troepen in een gevoelige terugtocht tot achter de Avar khanaat-grens. De campagne van 1843 was in haar militaire uitkomst zo succesvol dat zij in Sint-Petersburg een diepe schok veroorzaakte, en zij gaf de aanzet tot de strategische herziening die in 1844 onder de nieuw aangestelde Onderkoning van de Kaukasus, Vorst Mikhail Semyonovich Vorontsov, tot een groots opgezette nieuwe offensief tegen de imamaat-kern zou leiden. Het was deze nieuwe offensief, in zijn ambitieuze plan en in zijn rampzalige uitkomst, die in 1845 de Dargo-expeditie tot leven zou roepen.

Het bestuur van de imamaat onder Shamil ﵀

Tussen 1840 en 1845 verfijnde Shamil ﵀ de bestuurlijke organisatie van de imamaat tot een staatsvorm die in de hele moslimwereld van de negentiende eeuw nauwelijks haar gelijke had en die in zekere zin de meest geslaagde toepassing van de Shariʿa in een staatsbestuur sinds de val van het Ottomaanse rechtssysteem onder de Tanzimat vormde. Hij verdeelde het gebied onder zijn soevereiniteit in een netwerk van naib-districten, met aan het hoofd van elk district een door hem persoonlijk aangestelde naib die zowel de bestuurlijke als de militaire verantwoordelijkheid droeg, en die met regelmaat naar het hoofdkwartier in Dargo moest komen voor verantwoording en voor de ontvangst van nieuwe instructies. Onder de naibs werkte een corps van qadi’s die de Shariʿa-rechtspraak voerden, en onder de qadi’s een verdere laag van plaatselijke moefti’s die in dorpsgeschillen als eerste aanspreekpunt fungeerden.

Daarnaast richtte Shamil ﵀ een rudimentaire schatkist op die in Dargo werd beheerd en die door een corps van administrateurs werd bemand die hun rapportage in het Arabisch voerden volgens de fiqh-regels van de zakaat-inning, alsmede een ambt van mohtasib voor het toezicht op de openbare zedelijkheid in de markten en op de naleving van de Shariʿa-regels in het openbare leven van de dorpen. Het systeem was niet altijd vlekkeloos in zijn werking, want Shamil ﵀ moest in de loop van zijn imamaat herhaaldelijk naibs ontslaan voor corruptie of voor te ver gaande zelfstandige beslissingen, maar het was in zijn algemene werking een functioneel staatsapparaat dat de imamaat in staat stelde over een gebied van enkele duizenden vierkante kilometers en over een bevolking van enkele honderdduizenden zielen een rechtsstatelijke orde te handhaven die in haar consequentie en in haar geestelijke fundering onvergelijkbaar was met de andere staatsvormen in de regio.

De internationale dimensie

Hoewel de imamaat in haar feitelijke geografische uitbreiding tot de bergen van Dagestan en Tsjetsjenië beperkt bleef, kreeg zij in deze jaren ook een internationale dimensie die in de geschiedschrijving van Shamils ﵀ imamaat niet altijd de aandacht heeft gekregen die zij verdient. Diplomatieke contacten werden onderhouden met de Ottomaanse Sultan Abdulmecid I, met wiens hof Shamil ﵀ in herhaalde correspondentie stond en die hem in informele gestalte als een onafhankelijke heerser van een soeverein moslimgebied erkende zonder dat de Hoge Porte zich tot een formele politieke verbintenis kon laten verleiden die met de Russische macht in een directe confrontatie zou brengen. Britse agenten in Perzië, onder andere David Urquhart die in de jaren dertig en veertig in Trabzon en Istanbul een opmerkelijke campagne van openbare opinie voerde voor steun aan het Kaukasische verzet tegen Rusland, hadden eveneens contact met de imamaat via tussenpersonen, en zij zonden in een aantal gevallen wapens en uitrusting via Ottomaanse smokkelroutes naar de Adygee gebieden in het westen waarvan een deel uiteindelijk ook de Dagestaanse strijders bereikte.

Vorontsov en het plan-Dargo

Vorst Vorontsov, in 1844 op vierenzestigjarige leeftijd benoemd tot Onderkoning van de Kaukasus en opperbevelhebber van het Kaukasische leger, was een staatsman van uitzonderlijke bekwaamheid en ervaring. Hij had in zijn jongere jaren in de Napoleontische oorlogen gediend, hij had vele jaren als gouverneur van Nieuw-Rusland en als gouverneur-generaal van Bessarabië gewerkt, en hij gold in Sint-Petersburg als de bestuurder die in staat zou zijn de Kaukasus-problematiek tot een definitieve oplossing te brengen. Tsaar Nicolaas I had hem bij zijn aanstelling persoonlijk geïnstrueerd dat de pacificatie van de noordelijke Kaukasus binnen drie jaar voltooid moest zijn, en hij had hem de middelen ter beschikking gesteld die hij voor deze opdracht nodig achtte: een aanzienlijke uitbreiding van het Kaukasische leger, een uitbreiding van het bestuurlijke apparaat, en een vrije hand in de keuze van de militaire strategie.

Het plan dat Vorontsov in de loop van het najaar van 1844 en de winter van 1845 ontwikkelde, beoogde de directe verovering van Shamils ﵀ hoofdkwartier in Dargo, in de Tsjetsjeense bergen op ongeveer een dagreis ten zuiden van de Russische cordon, en hij geloofde dat de capture van het hoofdkwartier en eventueel van de imam zelf de imamaat in haar geheel zou doen ineenstorten op een manier vergelijkbaar met wat de val van Gimry in 1832 had moeten bereiken. Hij verzamelde voor deze operatie een troepenmacht van bijna achttienduizend manschappen, met inbegrip van enkele eliteregimenten, met aanzienlijke artillerie, en met een logistieke train die hem in staat moest stellen tot een meerdere weken durende veldtocht in zwaar terrein.

De Russische opmars naar Dargo

Op de derde juni 1845 vertrok Vorontsov vanuit het fort Vnezapnaja, op de noordelijke voet van de Kaukasus aan de Soenzja-rivier, met de hoofdmacht van zijn expeditieleger. Het plan voorzag in een opmars in vier fasen: eerst de zuidwaartse mars over de Mitsjik-rivier naar de Tsjetsjeense bergen, dan de doorbraak door de dichte bossen rond het dorp Andi om op het Andi-plateau aan te komen waar Shamil ﵀ zijn eerste verdedigingsstellingen had ingericht, dan de afdaling van het plateau in de vallei waarin Dargo lag, en ten slotte de inname van Dargo zelf. De totale afstand van Vnezapnaja naar Dargo was, hemelsbreed gemeten, niet meer dan honderdvijftig kilometer, maar door de bergen en de bossen en de moeilijke wateroversteken werd de werkelijke marsafstand op meer dan tweehonderd kilometer geschat met een tijdsplanning van enkele weken.

De opmars verliep in haar eerste fase relatief voorspoedig, en de Russische troepen bereikten in de loop van juni het Andi-plateau zonder dat de imamaat-strijders een centrale veldslag uitlokten. Het was, zoals later zou blijken, geen gebrek aan strijdvaardigheid van Shamils ﵀ kant maar een doelbewuste strategische keuze om de Russische troepen in een uitgebreide en uitputtende mars naar Dargo te lokken, en om de werkelijke militaire confrontatie pas te zoeken nadat de Russische logistieke lijnen tot het uiterste waren uitgerekt en de imamaat-strijders de Russische troepen in een terrein konden aanvallen waar hun numerieke en materiële overmacht door de bergachtige en beboste aard van het slagveld werd geneutraliseerd.

De val van Dargo

Op de zesde of zevende juli 1845 bereikte de Russische hoofdmacht de directe omgeving van Dargo, en zij stelde vast dat het dorp door zijn bewoners was verlaten en ten dele in brand was gestoken voordat de imamaat-strijders zich in de omringende bossen hadden teruggetrokken. Vorontsov bezette het verlaten dorp en hees over wat van Shamils ﵀ hoofdkwartier was overgebleven de Russische vlag, in een ceremoniële daad die in zijn rapporten naar Sint-Petersburg als de symbolische voltooiing van de operatie werd voorgesteld. Maar het symbolische karakter van de daad werd onmiddellijk overschaduwd door de werkelijke militaire situatie, want de Russische troepen bevonden zich nu diep in vijandelijk gebied, met een rugzaklange logistieke lijn van enkele tientallen kilometers door bergachtig en beboste terrein achter zich, en met geen enkele plaatselijke bevolking die hen kon bevoorraden of in hun bewegingen ondersteunen.

Shamil ﵀ had de Russische opmars met aandacht gevolgd vanuit zijn vooruitgeschoven posten in de Andi-bergen, en hij had zijn militaire respons in een combinatie van geduld en strategische berekening voorbereid. Hij wist dat de Russische troepen in Dargo zelf weinig konden veroveren dat strategisch van blijvende betekenis was, want het hoofdkwartier was reeds ontruimd en de imamaat-organisatie was over een groot gebied verspreid, en hij begreep dat de werkelijke kans voor een militaire klap op de Russische macht niet bij Dargo lag maar in de terugtocht die de Russische troepen vroeger of later naar de cordon zouden moeten ondernemen. Hij wachtte zijn moment af, en hij verzamelde zijn troepen in de bossen tussen Dargo en de Mitsjik-rivier voor wat in de daaropvolgende weken het werkelijke hart van de Dargo-expeditie zou worden.

De tactische voorbereidingen in de bossen

Shamil ﵀ had de Russische opmars met aandacht gevolgd vanaf het moment waarop Vorontsovs troepen Vnezapnaja verlieten, en hij had in de voorafgaande weken een gedetailleerd tactisch plan ontwikkeld waarin elke fase van de Russische beweging met een eigen reactie zou worden beantwoord. Hij had zijn naibs uit Tsjetsjenië en uit centraal Dagestan in een centrale verzamelplaats nabij het dorp Vedeno bijeengeroepen, en hij had met hen in een meerdaagse vergadering de strategische uitgangspunten van de imamaat-respons vastgelegd: geen frontale veldslag tegen de Russische hoofdmacht in de open bergpassen waar de Russische artillerie en de Russische infanterie hun overwicht ten volle konden uitspelen, maar een uitgebreide hinderlaagstrategie in de bossen langs de route waar de imamaat-strijders met hun kennis van het terrein en hun bewegelijkheid in kleine eenheden hun voordeel zouden hebben.

Voor de uitvoering van dit plan organiseerde hij zijn troepen in een netwerk van detachementen van honderd tot vijfhonderd man, elk onder een eigen naib of onder een vertrouwd onderbevelhebber, en hij verspreidde deze detachementen langs de te verwachten route van de Russische opmars en, nog veel belangrijker, langs de route van de te verwachten Russische bevoorrading. Hij voorzag terecht dat de werkelijke kwetsbaarheid van de Russische operatie niet in de hoofdmacht zou liggen die zich met haar artillerie en haar dichte gevechtsformaties op het bewegen door de bossen kon voorbereiden, maar in de bevoorradingsketen die zich noodzakelijk in een uitgestrekte en moeilijk te beschermen colonne over de bospaden zou moeten voortbewegen. Het was deze kwetsbaarheid waarop hij zijn gehele plan had gebouwd, en het was rond deze kwetsbaarheid dat de Sucharnaja-rampspoed zich in de juli-dagen van 1845 zou voltrekken.

De Sucharnaja-rampspoed

De Russische troepen verbleven in Dargo en op het Andi-plateau ongeveer twee weken in afwachting van de aanvoer van bevoorrading uit het noorden, want hun eigen voorraden waren in de mars tot dicht bij uitputting gebracht en zonder een hervoorraadkonvooi konden zij hun positie niet handhaven. Op de tiende of elfde juli werd vanuit Vnezapnaja een groot konvooi onder bevel van Generaal Klüke von Klugenau in beweging gezet, met enkele duizenden lastdieren, met een aanzienlijke militaire escorte, en met de opdracht via de moeilijke bergpaden naar Dargo voortgang te maken om de hoofdmacht van Vorontsov te bevoorraden. Het konvooi werd door de imamaat-strijders, die hun positie in de bossen langs de route reeds in de voorafgaande weken hadden ingenomen, in een hinderlaag opgewacht in een nauwe vallei tussen het Andi-plateau en de bergen ten noorden ervan.

Op de twaalfde, dertiende en veertiende juli voltrokken zich in deze vallei de gevechten die in de Russische literatuur als de Sucharnaja-rampspoed bekend zouden komen te staan, in vrije Nederlandse vertaling de Beschuit-rampspoed naar het hoofdbestanddeel van de bevoorrading dat in deze gevechten verloren ging. De imamaat-strijders, in een gecombineerde operatie van enkele duizenden manschappen onder Shamils ﵀ persoonlijke aanwijzing, vielen het konvooi van verscheidene zijden tegelijk aan, in een tactiek waarin zij eerst de Russische escorte door snel oprukkende detachementen verdeelden, vervolgens de bewegingsruimte van de gescheiden eenheden in de bossen reduceerden door tegen elke uitval een onmiddellijke flankaanval te ondernemen, en ten slotte de uitgeputte en gefragmenteerde Russische detachementen één voor één in de mêlée aanpakten en grotendeels uitschakelden.

De omvang van de Russische verliezen

Toen Klugenau na drie dagen van uiterst gewelddadige gevechten in staat bleek de overgebleven elementen van zijn konvooi naar het noorden terug te trekken, had hij van zijn oorspronkelijke escorte ongeveer een derde verloren, terwijl van de bevoorrading minder dan een tiende Dargo had bereikt. De rest van de bevoorrading was in de bossen verloren gegaan, ten dele aan de imamaat-strijders die ze als oorlogsbuit hadden meegenomen, ten dele in brand gestoken door de Russische troepen zelf in de chaos van de aftocht. In totaal verloor Klugenaus konvooi in deze drie dagen bijna duizend man aan gesneuvelden en gewonden, en het werd voor Vorontsov en zijn hoofdmacht in Dargo duidelijk dat de bevoorrading van hun positie niet meer mogelijk zou zijn en dat zij zo snel mogelijk hun eigen terugtocht moesten ondernemen.

De terugtocht uit Dargo, die op de zeventiende juli begon en die in de daaropvolgende drie weken in een uitputtingsslag door de Tsjetsjeense bossen zou worden voortgezet, werd in de Russische literatuur als een van de meest catastrofale militaire episodes van de hele negentiende eeuw beschreven, vergelijkbaar in haar afzonderlijke schaal met de Russische terugtocht uit Moskou in 1812 of met de Britse terugtocht uit Kabul in 1842. Shamil ﵀ liet de Russische troepen geen rustmoment, en hij ondernam in de bossen waarin zij zich verplaatsten een aanhoudende reeks van hinderlagen, aanvallen op de achterhoede, en verstoringen van de communicatielijnen die de uitputting van de Russische troepen tot het uiterste opvoerden.

De uitkomst

Toen Vorontsov tegen het einde van juli of in de eerste week van augustus 1845 met de overgebleven elementen van zijn expeditieleger eindelijk de Russische cordonlinie bij Gerzelaul en Tsjirjurt bereikte, had hij van zijn oorspronkelijke achttienduizend manschappen ongeveer drieduizend tot vierduizend verloren, en de overlevenden waren in een staat van fysieke en geestelijke uitputting waarin verdere militaire operaties op korte termijn niet aan de orde konden zijn. Het verlies aan materieel en aan uitrusting was eveneens enorm, met meerdere kanonnen verloren in de bossen en met grote hoeveelheden ammunitie en bevoorrading die in de chaos van de terugtocht moest worden achtergelaten. De officiële Russische rapporten naar Sint-Petersburg poogden de uitkomst van de expeditie zoveel mogelijk te verzachten met verwijzing naar de nominale verovering van Dargo en met de stelling dat de pacificatie van het gebied in de daaropvolgende jaren zou worden voortgezet, maar in militaire kringen werd algemeen begrepen dat de Dargo-expeditie een nederlaag van eerste orde was geweest die de gehele Russische Kaukasus-strategie in haar fundament aantastte.

Voor Shamil ﵀ persoonlijk was de Dargo-campagne het militair grootste succes van zijn imamaat tot dan toe, en zij vestigde zijn positie als imam op een wijze die in de daaropvolgende jaren niet meer ernstig zou worden aangetast door enige militaire tegenspoed. Zij toonde aan dat de Russische macht, ondanks haar overweldigende materiële en numerieke overmacht, in de Kaukasische bergen geen onbetwistbare suprematie bezat, en zij gaf aan de imamaat een geestelijk en politiek gezag dat zich in de daaropvolgende jaren tot in de Adygee gebieden in het westen en tot ver in de Ottomaanse diplomatieke kringen zou verbreiden.

De gevolgen voor de Russische strategie

In Sint-Petersburg veroorzaakte de uitkomst van de Dargo-expeditie een aanzienlijke ontnuchtering, en Tsaar Nicolaas I, hoewel hij zijn vertrouwen in Vorontsov publiekelijk niet liet vallen, gaf de opdracht tot een fundamentele herziening van de Kaukasus-strategie waarvan de uitwerking de jaren erop op de generaal en zijn ondergeschikten zou rusten. Het beleid van het frontaal aanvallen van de imamaat-kerngebieden in de bergen werd verlaten, en in zijn plaats kwam een strategie van geleidelijke uithongering die door de generaals Baryatinsky, Yevdokimov en Niezhinski in de daaropvolgende vijftien jaar tot in haar uiterste consequenties zou worden uitgevoerd. Het beleid omvatte de stelselmatige verbranding van de Tsjetsjeense bossen waarin de imamaat haar dekking had, de verwoesting van de dorpen die aan de imamaat verbonden bleven, de gedwongen verplaatsing van de bewoners van die dorpen naar de vlakten waar zij onder Russisch toezicht konden worden gehouden, en de aanleg van een uitgebreid netwerk van forten, wachttorens en cordon-lijnen dat de imamaat geleidelijk in haar bergvest moest isoleren.

Het was deze strategie van geleidelijke uitputting die in de loop van de jaren vijftig de geografische ruimte van de imamaat steeds verder reduceerde, die de bevolking onder Shamils ﵀ heerschappij in toenemende mate onder honger en uitputting bracht, en die uiteindelijk in 1859 in de val van het laatste vest bij Gunib haar definitieve uitkomst zou bereiken. In dit opzicht was de Russische nederlaag bij Dargo in 1845 paradoxaal genoeg de aanleiding tot een Russisch strategisch leerproces waarvan de uitkomst, hoezeer zij voor Shamil ﵀ in 1845 nog niet zichtbaar was, in de daaropvolgende veertien jaar tot zijn uiteindelijke val zou leiden.

De vallei van de schaduw

De Tsjetsjeense bossen tussen Dargo en de Mitsjik-rivier, waarin de werkelijke militaire klap aan de Russische macht werd toegebracht, werden in de Avar en Tsjetsjeense overlevering in de daaropvolgende decennia aangeduid met namen die hun geestelijke gestalte vastlegden, en de naam die in vele dorpen werd gebruikt was de Vallei van de Schaduw, naar een woordgebruik dat in de Psalmen van Daoud ﵇ in haar zesentwintigste vers haar oorsprong heeft en dat in de Arabische Bijbelvertalingen onder de moslims van Dagestan algemeen bekend was. De keuze van deze naam was geen toeval, want zij verwees naar het Psalmwoord waarin de gelovige verklaart dat hij door de vallei van de schaduw des doods kan wandelen zonder vrees omdat zijn Heer met hem is, en zij gaf aan de Dargo-campagne een geestelijke gestalte waarin de feitelijke militaire uitkomst werd ingebed in een interpretatie die in de Avar bergmoskeeën als de eigenlijke betekenis van het gebeuren werd uitgelegd.

Voor Shamil ﵀ zelf was de Dargo-uitkomst, hoezeer hij haar in haar militaire dimensie waardeerde, niet enkel een militair succes maar een geestelijke bevestiging van de zaak waaraan hij sinds zijn jeugd in Gimry had toegewijd, en hij gaf in de vrijdagspreken die hij in de daaropvolgende weken in de verschillende imamaat-dorpen hield, regelmatig uitdrukking aan de overtuiging dat de overwinning niet aan zijn militaire bekwaamheid moest worden toegeschreven maar aan de bescherming van Allah ﷻ die de imamaat-strijders in hun rechtvaardige zaak had ondersteund. Het was een geestelijke gestalte van de overwinning die de menselijke trotseringen verwierp en die de zaak van de imamaat in haar geestelijke fundament terugplaatste, in lijn met de algemene oriëntatie die hij sinds zijn jeugd in de Naqshbandi-discipline had verworven.

De volgende jaren in het verschiet

De jaren na 1845 zouden de hoogtijdagen van de imamaat onder Shamil ﵀ vormen, met een territoriale uitbreiding die op haar hoogtepunt rond 1850 grote delen van centraal Dagestan, vrijwel heel de Tsjetsjeense bergstreek en delen van het Avar binnenland omvatte, met diplomatieke contacten die zich uitstrekten tot in Istanbul en in vele kleinere zin tot aan de Britse missie in Perzië, en met een bestuurlijke organisatie die in de westerse contemporaine literatuur soms als de jihad-staat van de Kaukasus werd aangeduid. Maar de zaden van de eindelijke ondergang werden in deze jaren reeds gezaaid in de geleidelijke uitputting van de Tsjetsjeense en Dagestaanse dorpen, in de meedogenloze verschroeide-aardetactiek die door de opvolgers van Vorontsov, onder andere Generaal Aleksandr Ivanovich Baryatinsky, op steeds grotere schaal werd toegepast, en in de strategische omsingeling waarin de imamaat in de jaren vijftig steeds dieper werd ingesloten.

Het zou nog veertien jaar duren voordat de imamaat in 1859 in haar overgave bij Gunib haar formele einde vond, en in deze veertien jaar zou Shamil ﵀ nog tal van militaire en geestelijke beproevingen ondergaan die in de hagiografische overlevering van zijn murīds elk hun eigen plaats hebben. Aan dit einde, en aan de wijze waarop het in de bergen rond Gunib zijn definitieve gestalte zou aannemen, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden. In dit artikel hebben wij gezien hoe de imamaat in haar tweede en grootste fase tot bloei kwam, hoe zij in 1845 in de Dargo-campagne de Russische macht haar diepste militaire nederlaag in de hele Kaukasische oorlog toebracht, en hoe Shamil ﵀ in deze jaren van zijn imamaat het geestelijke en militaire werk voortzette dat hij van Ghazi Muhammad ﵀ en Hamzat Bek ﵀ had overgenomen, in een gestalte die in haar territoriale uitbreiding en in haar bestuurlijke verfijning de imamaat tot haar definitief vormgevende verschijning bracht.

Bronnen

  • Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan, Frank Cass (1994), pp. 158–202.
  • Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus, Hurst (2000), pp. 272–295.
  • John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus, Longmans (1908), pp. 388–432.
  • Mukhammad Tahir al-Qarakhi ﵀, Bariqat al-suyuf al-Daghistaniyya fi baʿd ghazawat al-Shamiliyya, Arabisch handschrift uit circa 1856; Russische vertaling door A. M. Barabanov, Moscou (1941), pp. 162–264.
  • Michael Kemper, Herrschaft, Recht und Islam in Daghestan: Von den Khanaten und Gemeindebünden zum jihad-Staat, Reichert Verlag (2005), pp. 402–462.
  • Clemens P. Sidorko, Dschihad im Kaukasus: Antikolonialer Widerstand der Dagestaner und Tschetschenen gegen das Zarenreich (18. Jahrhundert bis 1859), Reichert Verlag (2007), pp. 284–356.
  • Anthony Rhinelander, Prince Michael Vorontsov: Viceroy to the Tsar, McGill-Queen’s University Press (1990), pp. 156–198.

Sources

Hoofdbronnen: Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan (Frank Cass, 1994); Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus (Hurst, 2000); John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus (Longmans, 1908); Charles King, The Ghost of Freedom: A History of the Caucasus (Oxford UP, 2008); Walter Richmond, The Circassian Genocide (Rutgers UP, 2013); Michael Kemper, Herrschaft, Recht und Islam in Daghestan (Reichert, 2005); Clemens P. Sidorko, Dschihad im Kaukasus (Reichert, 2007); Mukhammad Tahir al-Qarakhi, Bariqat al-suyuf al-Daghistaniyya (handschrift c. 1856, Russische ed. Barabanov 1941); Abd al-Rahman al-Ghazi-Ghumuqi, Khulasat al-tafsil (handschrift 1869, ed. Shihaliev 1992).