Zijn geboorte
Het verhaal van de Russische opmars in de Kaukasus, dat in het voorgaande artikel werd geschetst van Mozdok in 1763 tot de drie en twintig jaar van verzet die nog voor de bergvolkeren in het verschiet lagen, kreeg in het najaar van 1797 een tegenstem die op dat moment nog niet meer was dan het huilen van een pasgeboren kind. In het Avar dorp Gimry, hoog aan de oever van de Andi Koysu, in een streek waar de bergen zich zo steil verheffen dat de winterzon slechts enkele uren per dag de dorpsmoskee bereikt, werd een jongen geboren in het huis van een vrije Avar smid. Niemand in dat huis vermoedde op dat moment dat de naam van het kind, in een latere wending van het lot zelfs niet de naam die zijn ouders hem hadden gegeven, op een dag de hele noordelijke Kaukasus zou bekleden als een mantel.
Het dorp Gimry en zijn ligging
Gimry, in het Avar uitgesproken als Ghimrah of Ghimry, is een nederzetting in het hartland van Dagestan, op ongeveer veertien honderd meter hoogte, in een vallei die door drie keten van bergen wordt omsloten en die slechts via een enkele lange en moeilijke bergweg te bereiken is. De rivier de Andi Koysu, die haar bron heeft in de hoge bergen aan de grens met Tsjetsjenië, snijdt zich hier in een kloof zo diep dat van bovenaf gezien het water nauwelijks meer is dan een witte streep aan de bodem van een groene afgrond. De huizen van Gimry stonden in 1797 en staan ten dele nog vandaag op een natuurlijk terras dat uit de rotsen is uitgehouwen, met de stenen muren tegen elkaar gevoegd zodat het ene dak het terras van het volgende huis vormt en het dorp van veraf gezien lijkt op een trapstapel van platte stenen.
Voor de bewoners van zo’n dorp was de buitenwereld in fysieke zin niet ver weg, want de bergpassen leidden naar Khoenzakh in het westen, naar Tsjirkata en Dargo in het noorden, en naar Botlikh en Andi in het zuiden, maar zij was wel moeilijk bereikbaar, en de bewoners van Gimry verbleven gedurende de winter vaak weken aaneengesloten in hun dorp zonder met de buitenwereld in contact te komen. De zomer bracht een geheel andere maat, met handelsreizigers uit Tiflis en Sjamacha, met soefisjeiks die uit Yarag in het zuiden hun leerlingen kwamen bezoeken, met kalifaatpredikers uit Khoenzakh die op weg waren naar de bergmoskeeën van het Avar binnenland, en met de hadj-pelgrims die naar Soemkajt aan de Kaspische kust trokken om vandaar per schip naar Bakoe en verder over land naar Bagdad en Damascus te reizen.
De economische basis van het dorp was tweeledig en gemeenschappelijk: aan de ene kant de veeteelt, vooral van schapen en geiten die in de zomer naar de hogere weiden werden gedreven en in de winter rond het dorp werden gehouden, en aan de andere kant het handwerk van smeden, leerlooiers, wapenmakers en weverijen, dat de mannen van het dorp gedurende de wintermaanden bij het haardvuur uitoefenden om in het voorjaar hun producten ter markt te brengen in Khoenzakh of Tsjirkata. Gimry was geen rijk dorp, maar het was ook geen arm dorp, en wie er werd geboren behoorde tot een gemeenschap die haar eigen voedsel produceerde, haar eigen kleding maakte, haar eigen rechtspraak voerde en haar eigen vromen vereerde zonder enige hierarchie boven zich aan te erkennen behalve die van Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ.
De ligging in het Avar khanaat
Politiek gezien lag Gimry binnen de invloedssfeer van het Avar khanaat van Khoenzakh, dat sinds de vijftiende eeuw als een centrale macht in Dagestan was opgekomen en dat in de achttiende eeuw door huwelijksverbintenissen, religieuze legitimering en militaire alliantie de meeste Avar dorpen onder zijn gezag had verzameld. De khanen van Khoenzakh, die hun afstamming herleidden tot de Arabische gouverneurs die in de achtste eeuw door de Omayyaden in Dagestan waren aangesteld, regeerden vanuit hun citadel in Khoenzakh met een gemengd bestuur van wereldlijk recht en Shariʿa, en zij waren als regel niet vijandig tegenover de Shariʿa-rechters in de afgelegen dorpen, hoewel hun feitelijke invloed in dorpen als Gimry beperkt was tot belasting in vee en mankracht in tijden van oorlog.
Voor een jongen die in 1797 in Gimry werd geboren, betekende dit dat zijn directe overheid niet de Russische tsaar in het verre Sint-Petersburg was en evenmin de Avar khan in het iets minder verre Khoenzakh, maar de djamaat van het eigen dorp: de vergadering van vrije mannen die in de moskee bijeenkwamen om geschillen te beslechten, oorlogsbesluiten te nemen, en de Shariʿa als wet over hun eigen gemeenschap uit te oefenen. Het was een wereld die nauwelijks staat was in de moderne zin van het woord, maar die in haar interne samenhang en haar geestelijke discipline het tegendeel was van de wilde wanorde die latere Russische publicisten ervan zouden maken. De djamaat was een ernstige instelling, en wie haar besluiten in twijfel trok deed dat met levensgevaar.
De clan van de Himri
De clan waarin het kind werd geboren droeg de naam Himri, een uitspraakvariant van de plaatsnaam Gimry zelf, en zij behoorde tot de vrije Avar boerenstand zonder adellijke titel. De Himri stonden in het dorp bekend als bekwame smeden en wapenmakers, en zij hadden in de generaties voor 1797 een reputatie opgebouwd voor het smeden van de geliefde Avar sabel, een licht gekromd zwaard met een damascusstaal kling dat in heel Dagestan werd verhandeld en dat in latere jaren in de handen van Imam Shamils ﵀ murīds een herkenbaar symbool zou worden. Het ambacht werd van vader op zoon doorgegeven, en het werd niet beschouwd als een mindere bezigheid dan de veeteelt of de jacht, want een goede smid was in een gemeenschap waar elke man zijn eigen wapen droeg een onmisbare bron van veiligheid.
De vader, Dengaw Muhammad
De vader van het kind heette Dengaw Muhammad, in sommige Russische bronnen geschreven als Dengau Mahomet, en hij was een man van middelbare leeftijd op het moment van de geboorte, een gerespecteerd lid van de Himri-clan en een smid wiens werk in Khoenzakh en Tsjirkata werd verkocht. Hij was, naar wat de overlevering vertelt, een vrome man in de matige zin van het woord, regelmatig in zijn vijf gebeden en zijn vasten in Ramadan, maar niet bovenmatig vroom in de zin van een soefi-leerling of een halqa-volger, en hij behoorde niet tot de eersten in het dorp die zich in de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw bij de Naqshbandi-Khalidiyya zouden aansluiten. Zijn vroomheid was de vroomheid van de gewone Avar boer en handwerksman, die zijn geloof leefde in de praktijk van zijn dag en zijn week zonder daar veel woorden aan vuil te maken.
Dengaw Muhammad had één eigenschap die in de Avar samenleving niet ongebruikelijk was maar die niettemin een schaduw op het huiselijk leven wierp, namelijk een neiging tot araq, de zelfgestookte brandewijn die in de bergdorpen van Dagestan in weerwil van het Shariʿa-verbod werd geproduceerd en geconsumeerd. De bronnen vermelden dat de jonge Shamil, toen hij ongeveer twaalf of dertien jaar oud was en reeds een serieuze leerling van het islamitisch recht, zijn vader op dit punt heeft aangesproken, en dat het gesprek tussen vader en zoon, in een zeldzaam vertelde scène uit zijn jeugd, het keerpunt vormde waarna de vader het araq voor de rest van zijn leven liet staan. Het was het eerste, maar niet het laatste, voorbeeld van een eigenschap die de jongen zijn hele leven zou behouden, namelijk een onverzettelijkheid waar de Shariʿa in het geding was, ongeacht het gezag van degene die tegenover hem stond.
De positie van de vader in het dorp
Dengaw Muhammad was geen rijke man in de Avar zin, maar hij had voldoende inkomen uit zijn smederij om zijn gezin te onderhouden, zijn zoon naar school te sturen en in de jaren van honger die in 1810 en daaropvolgend Dagestan teisterden zijn buren met enig graan bij te staan. Hij was niet betrokken bij de politieke intriges van de Avar khanen, en hij behoorde niet tot de delegaties die in deze jaren door Khoenzakh naar Russische bestuurders in Tiflis of Mozdok werden gezonden om over belasting, doorvoer en militaire verplichtingen te onderhandelen. Zijn wereld was Gimry, zijn handwerk, zijn moskee, zijn gezin, en de bergen die zijn dorp omringden, en hij scheen niet de ambitie te hebben gehad om die wereld te verlaten of haar te overstijgen.
Voor de jongen die later Shamil ﵀ zou heten betekende dit dat hij opgroeide in een huis dat ernst en gewoon werk combineerde, dat het geloof niet had verheven tot iets wat afgescheiden van het dagelijks leven kon worden bewonderd, en dat hem van jongs af aan de zekerheid bood dat zijn vader, ondanks de zwakheid die hem op het punt van het araq had geplaagd, een man was die zich liet corrigeren waar de Shariʿa hem corrigeerde. Het was geen heldhaftig huis, maar het was een eerlijk huis, en eerlijkheid is de bodem waarop later de buitengewone standvastigheid kan worden gebouwd.
De moeder, Bahu-Misedu
De moeder van het kind heette Bahu-Misedu, een naam die in het Avar haar afkomst uit het dorp Khoenzakh en haar verwantschap met de Avar adel verraadt. Zij was de dochter van Pir Budach, een lid van de meer welgestelde Avar boerenstand uit Khoenzakh, en zij was naar Gimry getrouwd in een verbintenis die voor de tijd ongebruikelijk was omdat zij de afstand tussen het bestuurlijk centrum Khoenzakh en het bergdorp Gimry overbrugde. Haar huwelijk met Dengaw Muhammad was geen huwelijk uit politieke alliantie, want zij behoorde niet tot het khanale huis van Khoenzakh, maar wel een huwelijk dat de Himri-clan in Gimry een zekere statusverhoging gaf en dat aan de jonge Shamil ﵀ later toegang verschafte tot familiebanden in Khoenzakh die hem in zijn latere leven van pas zouden komen.
Bahu-Misedu was, naar wat de overlevering ons heeft nagelaten, een vrouw van diepe innerlijke vroomheid en aanzienlijke intelligentie. Zij las en schreef Avar in de Arabische letters, hetgeen in het begin van de negentiende eeuw voor een Avar vrouw uitzonderlijk was, en zij had een grondige kennis van de basisteksten van het islamitisch recht en van de soefitische literatuur die in Dagestan circuleerde. Zij was de eerste leraar van haar zoon in geestelijke zaken, en de overlevering schrijft aan haar de eerste Quran-lessen toe die de jonge Shamil ﵀ ontving in het ouderlijk huis voordat hij naar de mektep van de dorpsmoskee werd gezonden voor zijn formele onderwijs. Het was zij die hem de eerste soera’s leerde reciteren, de eerste vereisten van het gebed bijbracht, en de eerste verhalen vertelde uit het leven van de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃.
De zwangerschap en de droom
In de Kaukasische overlevering hoort bij de geboorte van een figuur als Imam Shamil ﵀ een geboortelegende, en de overlevering die in de eerste generatie na zijn dood door zijn murīds is opgetekend, vertelt dat Bahu-Misedu tijdens haar zwangerschap een droom heeft gehad waarin een licht uit haar buik scheen dat zich uitspreidde over de bergen van Dagestan en de Tsjetsjeense vlakten tot in de verre horizon. De geleerden in haar familie, aan wie zij deze droom voorlegde, hebben de droom volgens de overlevering geduid als een teken dat het kind in haar buik een vroom man zou worden van wijde geestelijke uitstraling. Of de droom historisch is of een latere toevoeging door de hagiografische traditie, valt vandaag niet meer met zekerheid uit te maken, maar wat zeker is, is dat zulke verhalen in de Avar samenleving niet zonder gewicht zijn, en dat zij voor het kind dat zo werd verwacht een verwachting schiepen die hij niet zelf had hoeven uitspreken om haar te kennen.
De bevalling vond plaats in de zomer van het jaar 1797 in de gewone Gregoriaanse jaartelling, of het jaar 1212 in de Hijra-jaartelling, op een datum die door de Russische biografen later is vastgesteld op de zesentwintigste juni hoewel die datum niet door alle bronnen wordt bevestigd. Het was een zomerse dag aan de oever van de Andi Koysu, en de bergen rondom Gimry waren bedekt met het late groen van de hooglandgrasvlakten en de bloemen van de zomer waarvan de namen in het Avar overgeleverd zijn maar die in de meeste Russische en Europese bronnen geen vermelding hebben gekregen. Het kind werd geboren in het huis van Dengaw Muhammad, met de hulp van vrouwen uit de buurt en onder het oog van zijn moeder Bahu-Misedu, en het werd, naar het gebruik, in zijn eerste ademhalingsmoment de adhan in zijn rechteroor gefluisterd, opdat de eerste klanken die het zou horen de namen waren van Allah ﷻ en van Zijn Boodschapper ﷺ.
De eerste naam en de naamsverandering
Het kind kreeg in zijn eerste levensjaren niet de naam Shamil, maar de naam Ali, een keuze die de bewondering van zijn ouders voor de vierde Rashidun-khaliefah, ʿAli ibn Abi Talib ﵁, in een dorp van overwegend Soenni-Avar bevolking weerspiegelde zonder dat zij daarmee in enige sjiitische sympathie verviel. De naam Ali was in Dagestan een gewone moslimnaam, en Bahu-Misedu, die deze keuze maakte met de instemming van haar man, koos hem omdat de jongen volgens haar de hoedanigheden zou moeten ontwikkelen die de overlevering aan Imam ʿAli ﵁ toeschrijft: moed, kennis van het recht, en standvastigheid in de waarheid. Het was een naam met een programma, en de moeder die hem gaf wist dat zij aan haar zoon een opdracht had meegegeven.
De jongen die Ali heette was in zijn eerste levensjaren echter een ziekelijk kind. Hij leed aan een opeenvolging van koortsaanvallen die in het Avar van die tijd niet nader werden gediagnosticeerd maar die zijn moeder vrezen deden voor zijn leven, en de eerste twee of drie jaar van zijn bestaan brachten meer dagen in de ziekenbed door dan in het zonlicht van de bergweiden. De Avar gebruik kent voor dergelijke gevallen een rituele oplossing die in vele moslimsamenlevingen voorkomt en die in Dagestan met aanzienlijke ernst werd toegepast, namelijk de verandering van de naam van het kind in de hoop dat de nieuwe naam de oude zwakte zou achterlaten en het kind onder de nieuwe naam een nieuwe gezondheid zou ontvangen. De ouders raadpleegden, naar de overlevering, een lokale geleerde, en de naam die werd voorgesteld was Shamil, een naam die in het Avar weliswaar ongebruikelijk was maar die haar oorsprong heeft in de Arabische naam Sjamouʾeel, de Hebreeuwse profeet Samuel ﵇.
De betekenis van de naam Shamil
De keuze van de naam Shamil was niet willekeurig. In de islamitische naamgevingstraditie wordt de profeet Samuel ﵇ vermeld als de profeet die in de tijd voor koning Talut, ofwel Saul, het volk Israël leidde en die de overgang van het richtertijdperk naar het koningstijdperk voorbereidde, een figuur dus van geestelijke autoriteit in een tijd van politieke transitie. Voor een Avar geleerde die in 1799 of 1800 over de naam van een ziek kind werd geraadpleegd, was deze associatie niet ver gezocht, en de naam Shamil bracht in haar achtergrond de hoop dat het kind, als het zou herstellen, een leider zou kunnen worden die in moeilijke tijden zijn volk de weg zou wijzen.
De ouders aanvaardden de naam, en de oude naam Ali werd in het huis van Dengaw Muhammad niet meer uitgesproken. De jongen werd vanaf dat moment Shamil genoemd, en de overlevering vertelt dat zijn gezondheid kort na de naamsverandering inderdaad verbeterde, dat hij in zijn vierde en vijfde levensjaar uit de schaduw van de ziekte trad en dat hij vanaf zijn zesde een lichamelijke kracht ontwikkelde die hem in de Avar bergen al jong de bewondering van zijn leeftijdgenoten opleverde. Of het verband tussen de naamsverandering en de gezondheid causaal was of louter chronologisch, valt vandaag niet uit te maken, en de moderne historicus zal het waarschijnlijk eerder als een louter chronologische samenval beschouwen. Voor de Avar samenleving van die tijd was de zaak echter geen vraag van louter chronologie, en de gedachte dat een verandering van naam een verandering van lot kan bewerken behoorde tot de basisvoorraad van haar geestelijk vocabulaire.
De vroege kinderjaren in Gimry
Na zijn herstel groeide Shamil ﵀ op tot een jongen wiens lichamelijke kracht zijn leeftijd ver te boven ging. De Avar bronnen, die deels op zijn eigen latere verhalen aan zijn murīds zijn gebaseerd en deels op de getuigenissen van leeftijdgenoten die hem in zijn jeugd hadden gekend, beschrijven een kind dat van zijn zevende of achtste jaar af de bergen rond Gimry beklom met een vlugheid die zelfs de oude geitenherders van het dorp verbaasde, dat de rivier de Andi Koysu in haar koudste maanden overstak om zijn lichamelijke discipline te trainen, en dat in de speelse worstelpartijen waarmee de Avar jongens hun namiddagen vulden niet zelden tegenstanders van twee of drie jaar ouder versloeg. Het was een kind dat niet in de eerste plaats werd gevormd door anderen, maar dat zichzelf vormde door een innerlijke wil die zijn moeder herkende als de vervulling van de droom die zij tijdens haar zwangerschap had ontvangen.
Hij was niet, zoals sommige hagiografische teksten later willen suggereren, een ernstige en kalme jongen vanaf zijn geboorte. De overlevering vermeldt integendeel dat hij in zijn jeugd een opvliegend temperament had, dat hij in conflicten met andere jongens snel naar geweld kon grijpen, en dat hij door zijn moeder herhaaldelijk werd vermaand over zijn neiging tot ongeduld. Het was juist tegen deze achtergrond van een natuurlijk vurig karakter dat de latere zelftucht van Shamil ﵀ zo opmerkelijk wordt, want zij was niet de simpele voortzetting van een aangeboren gelijkmoedigheid, maar de moeizame overwinning van een wil over een aangeboren neiging tot heftigheid, een overwinning die hem dag na dag en jaar na jaar moest worden bevochten en waarvan de uitkomst in zijn jeugd geenszins zeker was.
De vriendschap met Ghazi Muhammad
In het dorp Gimry was in 1795, dus twee jaar voor Shamil ﵀, een andere jongen geboren die in zijn levensweg zijn naaste metgezel zou worden, en wiens vroege dood in 1832 op de wachttoren van datzelfde dorp Gimry de loop van Shamils ﵀ eigen leven zou bepalen. Deze jongen heette Ghazi Muhammad, ook hij uit een vrije Avar familie, ook hij van jongs af aan een leerling van de Quran en het Arabisch, en ook hij van een buitengewoon serieus karakter. De twee jongens raakten in hun zesde of zevende levensjaar bevriend, en zij brachten een groot deel van hun jeugd door in elkaars gezelschap, of het nu was in de mektep van de dorpsmoskee waar zij dezelfde leraar hadden, in de bergen waar zij hun lichamelijke kracht trainden, of in de avonduren waarin zij gezamenlijk de teksten doornamen die hun leraren hen hadden opgegeven.
De vriendschap tussen Shamil ﵀ en Ghazi Muhammad ﵀ was van de eerste dag van geestelijke aard, niet van de soort die in de Avar bergen tussen jongens van twaalf of dertien jaar gewoonlijk werd gevormd door gezamenlijke jachtpartijen of door rivaliteit in het paardrijden, hoewel ook deze onderdelen niet ontbraken. Wat hen verbond was hun ernst in het leerwerk, hun ontevredenheid met het gebrek aan religieuze discipline dat zij in hun eigen dorp constateerden, en hun gemeenschappelijke fascinatie voor de berichten die uit Yarag in zuidelijk Dagestan tot hen kwamen over Sjeik Muhammad al-Yaraghi ﵀ en zijn prediking van een vernieuwde toepassing van de Shariʿa. Deze fascinatie zou hen vele jaren later, beiden volwassen, beiden geleerd, beiden in de Naqshbandi-Khalidiyya ingewijd, samen brengen op de weg waarop het verzet tegen het Russische Rijk zijn definitieve gestalte zou krijgen.
De eerste leraren
De eerste formele leraar van Shamil ﵀, buiten zijn moeder om, was de imam van de dorpsmoskee van Gimry, een geleerde wiens naam in de meeste bronnen niet wordt vermeld maar die in de getuigenis van Shamil zelf later met dankbaarheid is herinnerd. Onder zijn leiding voltooide de jonge Shamil in zijn negende of tiende jaar het uit het hoofd leren van de Quran, een prestatie die in de Avar bergen voor een kind van die leeftijd niet ongebruikelijk was maar die niettemin de bekwaamheid en de discipline van het kind aantoonde. Het was de gewoonte dat een kind dat de Quran had voltooid in het dorp een kleine viering kreeg, met geschenken van de buren en een eenvoudig maaltijd in het ouderlijk huis, en de bronnen vermelden dat de viering van Shamils ﵀ Quran-voltooiing in Gimry werd gehouden zonder meer praal dan voor de andere kinderen van het dorp.
Na zijn Quran-onderwijs volgde de studie van de Arabische grammatica, van de basisteksten van het Hanafi en Sjafiʿi recht (in Dagestan circuleerden beide rechtsscholen, hoewel de meeste Avar dorpen Sjafiʿi waren), en van de eenvoudige werken over tasawwoef die in de bergmoskeeën beschikbaar waren. Hiervoor werd hij in zijn dertiende of veertiende jaar naar de geleerde Sjeik Sayyid Jamal al-Din al-Husayni ﵀ in het naburige dorp Tsjirkata gezonden, een geleerde die in deze jaren als een van de belangrijkste islamitische autoriteiten van Dagestan werd beschouwd en bij wie ook Ghazi Muhammad ﵀ zijn opleiding voortzette. De vriendschap tussen de twee jongens werd door deze gezamenlijke studieperiode versterkt en verdiept, en zij ontwikkelde zich in deze jaren van een eenvoudige jeugdvriendschap tot een geestelijke verwantschap die de basis zou vormen van hun latere samenwerking.
Het milieu van de Dagestaanse geleerden
De gemeenschap van geleerden waarin Shamil ﵀ in zijn jongelingsjaren werd opgenomen, was geen losse verzameling moskee-imams maar een dicht netwerk van leraren en leerlingen dat zich over de Avar bergen, het Andi-gebied, Tsjetsjenië en het zuidelijker gelegen Lezgistan uitstrekte, en dat door overleveringsketens van ijaza’s en door regelmatige briefwisselingen werd bijeengehouden. Een leerling in Tsjirkata kon op het gezag van zijn leraar een aanbevelingsbrief meekrijgen naar een geleerde in Karabudaghkent of in Akhty, en op zijn beurt door die geleerde verder worden gestuurd naar een sjeik in Yarag, in een keten van geestelijke en juridische gezagsoverdracht die de moderne historicus zou herkennen als een functionele universiteit zonder gebouwen. Het was een universiteit die geen diploma’s uitreikte maar wel ijaza’s, geen rectoren kende maar wel sjeiks, en wier curriculum niet was vastgelegd in een bestuurlijke reglementering maar in een eeuwenoude consensus over welke werken een ernstige student behoorde te beheersen en in welke volgorde.
Voor de jongen uit Gimry betekende dit dat hij in zijn opleiding niet enkel de teksten leerde lezen, maar tegelijkertijd de plaats ontdekte die hij in een veel groter geestelijk geheel innam, en dat hij in elke leeropdracht de aanwezigheid voelde van een tien-eeuwen-oude lijn die teruggreep op de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ. Het was een gevoel dat door enig hagiografisch instinct niet hoeft te worden overdreven om in zijn historische werkelijkheid herkenbaar te blijven, want het werd door iedere ernstige leerling in elke Avar mektep van die tijd ervaren en het was de hoeksteen waarop de Naqshbandi-Khalidiyya haar gehele pedagogie had gebouwd.
Het karakter van de leerling
De leraren in Tsjirkata herkenden in Shamil ﵀ van het eerste jaar af een leerling van uitzonderlijke gaven, niet enkel in de gemakkelijke aspecten van het geheugen en de welbespraaktheid, hoewel ook deze eigenschappen bij hem aanwezig waren, maar bovenal in de aspecten die voor de geestelijke vorming het belangrijkst zijn, namelijk een vermogen tot zelfobservatie en een bereidheid zich te onderwerpen aan correctie waar zijn leraren hem dat opdroegen. Hij stelde vragen die zijn medestudenten niet stelden, hij bracht in een discussie argumenten naar voren die uit de minder bekende commentaren waren gehaald, en hij was bereid bij een misvatting publiekelijk zijn fout toe te geven zonder dat hij zich daardoor in zijn waardigheid voelde aangetast.
Zijn leraar Sayyid Jamal al-Din ﵀ schreef in een latere brief aan een collega-geleerde dat hij in zijn lange leven veel leerlingen had gehad maar dat de leerling uit Gimry de eerste was bij wie hij vermoedde dat de geestelijke bestemming groter was dan de leerstof die de leraar hem kon meegeven. Het was een uitspraak die in de Avar geleerdenkringen werd herhaald, en die er mede toe leidde dat de jonge Shamil ﵀ in zijn zestiende of zeventiende jaar werd voorgesteld aan de soefisjeik wiens prediking in Yarag inmiddels in heel Dagestan bekend was geworden, en wiens naam in het volgende artikel een centrale plaats zal innemen.
Wat in een geboorte besloten ligt
Wanneer in een huis een kind wordt geboren, weten de ouders zelden welk lot zij op datzelfde moment aan de wereld toevertrouwen. Voor Dengaw Muhammad en Bahu-Misedu in Gimry in 1797 was hun pasgeboren zoon op het moment van zijn eerste schreeuw een ziekelijk kind met de naam Ali, vermoedelijk door de buren beklaagd om de moeite die deze zwakke gezondheid de moeder zou geven, en zeker niet door iemand in het dorp aangezien voor de rol die hij later zou spelen. De wereld waarin hij werd geboren was klein in haar geografie, want zij telde nauwelijks meer dan zevenhonderd huishoudens in de hele Gimry-vallei, maar groot in haar geestelijke draagwijdte, want zij was verbonden met de overleveringsketens van de Naqshbandi tot in Damascus, met de hadj-routes tot in Mekka, en met de juridische traditie die teruggreep op de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en daarmee op de openbaring zelve.
In die kleine, geografisch afgesloten maar geestelijk wijd verbonden wereld werd in het Avar dorp Gimry, op een zomerse dag in 1797 die de Russische biografen later zo nauwkeurig mogelijk hebben proberen vast te stellen, een kind geboren wiens leven in de jaren die volgden door drie krachten zou worden gevormd: de innerlijke kracht van zijn eigen wil, de geestelijke kracht van de leraren die hem zouden onderrichten, en de uiterlijke kracht van het Russische Rijk dat aan de overzijde van de Terek zijn cordon optrok en dat in de jaren waarin hij volwassen werd onverbiddelijk zijn ringvinger zou laten neerdalen op de bergen waarin hij geboren was.
De vorming van zijn wil in de jeugdige jaren, en de specifieke wijze waarop hij zijn natuurlijke heftigheid omsmeedde tot de gezuiverde standvastigheid waarmee hij later drie en twintig jaar de Russische oorlogsmachine zou tegenhouden, is het onderwerp van het volgende artikel. Daar zullen wij de jongen die in Gimry werd geboren volgen op de moeilijke weg waarop hij zichzelf vond, en waarop de naam Shamil, die door zijn moeder als een hoop op leiderschap was gekozen, zijn eerste werkelijke gestalte begon te krijgen.
Bronnen
- Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan, Frank Cass (1994), pp. 9–18.
- Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus, Hurst (2000), pp. 144–162.
- John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus, Longmans (1908), pp. 254–262.
- Mukhammad Tahir al-Qarakhi ﵀, Bariqat al-suyuf al-Daghistaniyya fi baʿd ghazawat al-Shamiliyya (De flits van de Dagestaanse zwaarden in enige veldtochten van Shamil), Arabisch handschrift uit circa 1856; uitgegeven in Russische vertaling door A. M. Barabanov, Moscou (1941).
- ʿAbd al-Rahman al-Ghazi-Ghumuqi ﵀, Khulasat al-tafsil ʿan ahwal al-Imam Shamil (Samenvatting van de toedracht omtrent de Imam Shamil), Arabisch handschrift uit 1869; uitgegeven door Said Shihaliev, Machatsjkala (1992).
- Charles King, The Ghost of Freedom: A History of the Caucasus, Oxford University Press (2008), pp. 76–91.
- Said Shihaliev, “Naqshbandiyya and Murīdism in Daghestan”, in Sufism in the Caucasus (Brill, ed. M. Kemper, 2011).
