Na het verlies van Abu Talib en Khadijah ﵂ in het Jaar van Verdriet stond de Profeet ﷺ er nu alleen voor in Mekka. Zonder stammbescherming en zonder zijn trouwste vertrouweling moest hij op zoek naar steun elders. Zijn blik richtte zich op At-Ta’if, de welvarende zusterstad van Mekka.
At-Ta’if was van groot strategisch belang voor de Quraish. Het was zo erg van belang dat de leiders van Quraish ambities hadden om At-Taif over te nemen. Vóór de komst van Islam waren er al pogingen gedaan om At-Taif te annexeren waarbij zij de Wajj vallei, een vallei met bomen en begroeiing innamen. Dit boezemde angst in bij de bewoners van At-Taif, genaamd Banu Thaqif besloten bondgenootschappen aan te gaan met Quraish en Banu Daws. Vanwege de bondgenootschap tussen At-Taif en Mekka, hadden veel rijke Mekkanen bezittingen in At-Taif. Zij spendeerden tevens naar At-Taif in de hete zomermaanden. Banu Hashim en 'Abd Shams, twee clans binnen de Quraish waren verwant aan de mensen van At-Taif. Tenslotte hadden Banu Makhzum gezamenlijke, financiële belangen met Banu Thaqif.
Kaart laden...
Het was dus een strategische reden voor de Profeet ﷺ om naar At-Taif af te reizen, 60 kilometers ten oosten van Mekka om daar om nusra te vragen. Zouden zij steun verlenen, dan was dit een directe economische en politieke dreiging voor Quraish. Sterker nog, zouden Banu Thaqif steun verlenen aan de Profeet ﷺ dan zou Quraish geïsoleerd raken in het Arabisch Schiereiland. De keuze om juist Banu Thaqif te benaderen ondersteunt het idee dat de Profeet ﷺ voornemens was om Islam op politiek niveau te vestigen. Oftewel, om een staat te stichten zodat op die manier de boodschap van Islam het beste kon worden uitgedragen. Toen de Profeet ﷺ At-Taif naderde ging hij direct naar het leiderschap van Banu Thaqif.
Het leiderschap van Banu Thaqif
At-Taif werd bestuurd door twee clans: Banu Malik en Al-Ahlaaf. Zij hadden complete politieke en economische controle, maar niet genoeg kracht om At-Taif te beschermen tegen invallen van buitenstaanders. Van al het land op het Arabisch Schiereiland had At-Taif de meest vruchtbare en om die reden trok het de aandacht van andere stammen die de capaciteit hadden om het te veroveren. At-Taif vreesden daarom de omliggende stammen die krachtig genoeg waren om hen te verslaan. Het ging om: Hawaazin, Quraish en Banu 'Aamir.
Om zichzelf te beschermen sloten de leiders van At-Taif bondgenootschappen en vredesverdragen. Banu Malik had sterke banden met Hawaazin en Al-Ahlaaf had een bondgenootschap met Quraish. De Profeet ﷺ was uiteraard op de hoogte van deze zwakke allianties. At-Taif had deze bondgenootschappen gesloten uit angst niet uit loyaliteit. Het feit dat het leiderschap van At-Taif verdeeld was tussen twee groepen op grond van een overeenkomst tussen hen was een andere zwaktebod. Indien de Profeet ﷺ erin slaagde om één van de twee groepen te overtuigen dan zou dat de machtsbalans in de hele regio omgooien; al helemaal als hij erin zou slagen om Al-Ahlaaf te overtuigen die gelieerd waren aan Quraish.
Om die redenen ging de Profeet ﷺ direct naar Al-Ahlaaf, ook wel bekend als Banu Umair. Destijds bestond het leiderschap uit 3 broers; Abd Yaa-Layl ibn 'Amr ibn 'Umair, Mas’ud ibn 'Amr bin 'Umair en Habieb ibn 'Amr ibn 'Umair. De broers waren erg op hun hoede en angstig (voor Quraish en de andere stammen) en verwierpen daarom de uitnodiging van de Profeet ﷺ. Ze bespotten de Profeet ﷺ en bejegenden hem op een zeer onbeleefde manier. De Profeet ﷺ had geen hoop in meer in Thaqif, stond op en vertrok. Hij ﷺ zei hen:
Als jullie doen wat jullie doen (niet geloven in Islam), houdt mijn kwestie dan geheim.
De Profeet ﷺ wilde namelijk niet dat men in Mekka, erachter zou komen dat hij de da’wah had verplaatst naar At-Taif. De Profeet ﷺ vertrok daarom ook te voet vanuit Mekka, want als hij te paard zou vertrekken dan had dat de aandacht getrokken en zouden de leiders van Quraish hem tegenhouden. Hij ﷺ koos ervoor om met Zaid te reizen omdat, aangezien hij de adoptiezoon van de Profeet ﷺ was, niemand het raar zou vinden om Zaid samen met de Profeet ﷺ te zien. Daarnaast kon de Profeet ﷺ, Zaid, erop vertrouwen dat hij zijn intentie om naar At-Taif te gaan geheim zou houden. Tenslotte was Zaid uitermate behulpzaam aangezien hij de Profeet ﷺ met zijn lichaam zou afschermen tegen de stenen die naar hem ﷺ werden gegooid.
De dua’ van de Profeet ﷺ
Banu 'Amir, had de da’wah van de Profeet ﷺ niet geheim gehouden en zij stuurden een groep mensen af op de Profeet ﷺ die hem uitscholden en hem bekogelden met stenen. Zij bleven hiermee doorgaan totdat het bloed van de Profeet ﷺ van zijn benen naar beneden liep en zij uit de stad waren verjaagd. Zaid ﵁ probeerde de Profeet ﷺ af te schermen met zijn eigen lichaam en liep daarbij zelf meerdere verwondingen aan zijn hoofd op. De sandalen van de Profeet ﷺ waren doorweekt van het bloed. Ongeveer tien dagen had hij ﷺ in At-Ta’if doorgebracht, tien dagen van hoop die eindigden in stenen en spot.
De Profeet ﷺ en Zaid ﵁ probeerden te schuilen bij een nabij gelegen boomgaard van de broers 'Utbah en Shaibah ibn Rabi’a, twee edelen uit Mekka die daar overigens aanwezig waren.
Uitgeput en bloedend zakte de Profeet ﷺ neer onder een wijnstok. Zaid ﵁ depte het bloed van zijn wonden. Het was op dit moment, in volledige gebrokenheid, dat de Profeet ﷺ zich tot zijn Heer wendde met een smeekbede die de diepte van zijn pijn blootlegde:
O Allah! Bij U alleen klaag ik over mijn zwakte, mijn onkunde en mijn onbeduidenheid voor de mensen. U bent de meest Genadevolle van de Genadevolle. U bent de heer van de hopelozen en de zwakken. O mijn heer! In wiens handen zou u mij verlaten: in de handen van een onsympathieke, verre familielid die boos naar mij fronst, of de vijand die de controle heeft gekregen over mijn aangelegenheden? Als u toorn niet over mij zal neerdalen, dan is er niets voor mij om zorgen over te maken. Uw vergiffenis is voldoende voor mij. Ik zoek bescherming in het licht van uw Aangezicht, welke de duisternis verlicht en de zaken in zowel dit leven als het Hiernamaals goed maakt. Moge het nooit zijn dat ik uw toorn op mijn hals haal. En er is geen kracht noch voorziening behalve de Uwe.
Het verhaal van 'Addas ﵁
Vanuit de schaduw van hun boomgaard hadden 'Utbah en Shaibah ibn Rabi’a het tafereel gadgeslagen. Hoewel zij vijanden waren van de da’wah, raakte de aanblik van de bloedende, uitgeputte man hun menselijkheid. Zij riepen hun Christelijke bediende, 'Addas, en stuurden hem met een schaal druiven. Toen 'Addas bij de Profeet ﷺ aankwam en de schaal neerzette, pakte de Profeet ﷺ een druif en zei: ﷽. 'Addas keek verbaasd op.
'Addas: ”Bij Allah, de mensen van dit land spreken niet zoals u net sprak.” De Profeet ﷺ: ”Uit welk land kom jij, en wat is jouw religie?” 'Addas: ”Ik ben een Christen en ik kom uit Ninive.” De Profeet ﷺ: ”Van de stad van de rechtvaardige man, Yunus ibn Mattah?” 'Addas: ”Hoe weet u over Yunus?” De Profeet ﷺ: ”Hij is mijn broeder. Hij was een Profeet, net als ik.”
'Addas eerde de Profeet ﷺ kuste zijn hoofd, zijn handen en zijn voeten. De broers zagen dit en de ene broer zei tegen de ander:
“Voor wat betreft jouw dienaar, hij (c.q. de Profeet) heeft hem gecorrumpeerd tegen jou.”
Toen 'Addas terugkeerden bij zijn meesters zeiden zij tegen hem:
Broers: “Wee! O 'Addas! Waarom kuste jij die man’s hoofd, handen en voeten.” 'Addas: “O mijn meesters, er iets niets op aarde beter dan hij, hij heeft mij geïnformeerd over een kwestie waar niemand behalve een Profeet van af weet.” Broers:“Wee, O Addas! Laat hem jou niet doen afwenden van jouw religie, want voorwaar, jouw religie is beter dan zijn religie.”
Door deze verklaring weten we dat 'Addas ﵁ moslim was.
Terugkeer naar Mekka
In een overlevering van 'Aisha ﵂ overleverde een bijzondere gebeurtenis toen de Profeet ﷺ en Zaid ﵁ op weg terug waren naar Mekka:
Toen ik bij Qarn Ath-Tha’aalib aankwam (het huidige As-Sail Al-Kabeer) hief ik mijn hoofd op en zag een wolk die mij van schaduw voorzag. Ik keek en ik zag Jibril in de wolk, die mij riep.
Jibril: “Voorzeker Allah heeft gehoord wat jouw mensen tegen jou hebben gezegd en wat hoe zij reageerden (toen jij hen uitnodigden tot Islam). Voorwaar, Allah heeft voor jou de Engel van de Bergen gestuurd opdat jij hem kan bevelen om bij hen te doen wat jij maar wenst.” De Engel van de Bergen: “O Muhammad. Het is zoals jij wenst. Als jij wilt dat ik Al-Akhshabain (twee bergen in Mekka) op hen laat storten dan is dat wat ik zal doen.” Profeet ﷺ: “Ik hoop in plaats daarvan dat Allah uit hen nageslacht zal laten voortkomen die enkel Allah zullen aanbidden zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen.”
De Profeet ﷺ kon echter niet zomaar terugkeren naar Mekka; want:
- Het nieuws van de da’wah activiteiten in At-Ta’if hadden de leiders van Quraish inmiddels bereikt. Dit zou de vijandige situatie waarin de Profeet ﷺ zich al bevond nóg vijandiger maken.
- De Quraish zagen de gebeurtenissen in At-Ta’if als een groot verlies van de Profeet ﷺ en de Moslims dit zou als gevolg kunnen hebben dat zij nog brutaler zouden worden in hun vervolging.
Om die reden ging de Profeet ﷺ naar Hira en verzocht hij bescherming bij Al-Akhnas ibn Shareeq. Hij antwoordde:
Ik ben een bondgenoot van de Quraish en niet één van haar kernleden en kan daarom geen steun verlenen.
De Profeet ﷺ probeerde het daarna bij Suhail ibn 'Amr. Hij antwoordde:
Voorwaar, de kinderen van 'Amr kunnen geen bescherming geven over de kinderen van Ka’b
Mut’im ibn 'Adee, de leider van Banu Nawfal ibn 'Abd Manaaf, ging akkoord. Hij was niet bereid om een man, hoe impopulair ook, zonder bescherming te laten. Die nacht bewapende hij zijn zonen en neven en gaf hen de opdracht:
Kleedt jullie in jullie harnas en stationeer jullie zelf op de hoeken van Het Huis.
De volgende ochtend stond Mut’im met zijn gewapende familie bij de Ka’bah toen de Profeet ﷺ en Zaid ﵁ binnenliepen. Mut’im riep met luide stem zodat heel Mekka het hoorde:
O mensen van Quraish, voorwaar ik heb mijn bescherming verleend aan Muhammad dus laat niemand van jullie hem schade toebrengen.
Abu Sufyan, die de situatie gadesloeg, vroeg of Mut’im moslim was geworden. Mut’im antwoordde dat hij slechts bescherming verleende, wat Quraish onder het stamrecht moest respecteren.
De Profeet ﷺ verrichtte twee rak’ah bij de Ka’bah en keerde terug naar zijn huis. Mut’im en zijn kinderen, met zwaarden in de hand, escorteerden hem en stonden rondom zijn huis totdat hij veilig binnen was. De Profeet ﷺ zou Mut’im’s edelmoedigheid nooit vergeten. Jaren later, na de Slag bij Badr, zei hij ﷺ:
Als Mut’im ibn 'Adee nog in leven was en mij had gevraagd om deze gevangenen vrij te laten, dan had ik ze omwille van hem vrijgelaten.
