Na het verlies van zijn beschermers begon de Profeet ﷺ actief talab al-nusra (طلب النصرة) te verrichten. Oftewel hij ﷺ vroeg om fysieke steun. Zijn eerste poging bij Banu Thaqif was mislukt maar hij ﷺ bleef volhardend in het bezoeken van stammen die hem mogelijk wel nusra zouden geven In de maanden van de bedevaart trok hij langs de markten van Ukaz, Majanna en Dhu al-Majaz, waar de Arabische stammen hun tentenkampen opsloegen. Hij bezocht hun leiders, sprak hen toe, en zocht een stam die hem zou beschermen en ondersteunen. Niet voor persoonlijke bescherming maar om de risala (boodschap) van Islam te kunnen uitdragen. In zijn gesprekken maakte hij duidelijk dat deze missie universeel was en niet beperkt bleef tot Mekka of de Arabieren. Het was bedoeld om de Islam te verheffen en te verspreiden, zelfs tot de grootmachten van die tijd zoals de Perzen en Romeinen. Wie waren deze stammen en personen waar hij nusra had gevraagd?
Banu Kalb
Een van de eerste stammen die hij bezocht was Banu Kalb, en binnen hen de tak Banu Abd Allah. De Profeet ﷺ naderde hun tenten in hun manazil, hun seizoensverblijf bij Mekka en sprak hen toe:
“O Banu Abd Allah, Allah heeft jullie voorvader een prachtige naam gegeven.”
Met deze woorden herinnerde hij hen aan de betekenis van hun naam; dienaren van Allah en riep hij hen op om werkelijk dienaren van Allah te zijn door alleen Hem te aanbidden en niets met Hem te vereenzelvigen. Vervolgens bood hij zichzelf aan onder hun bescherming, opdat hij de boodschap van Islam ongehinderd kon verkondigen.
Toch wezen zij zijn oproep af. Er wordt geen discussie of vijandigheid vermeld slechts stilte en afwijzing. De Boodschapper van Allah ﷺ ging verder, op zoek naar anderen die bereid waren zijn zaak te dragen.
Banu Kinda
Na zijn bezoek aan Banu Kalb begaf de Boodschapper van Allah ﷺ zich naar de stam Banu Kinda, een invloedrijke stam die afstamde van de koninklijke stammen van Jemen. Ook zij verbleven met hun mensen en leiders in hun manazil bij Mekka tijdens de bedevaartseizoenen.
Onder de aanwezigen van Banu Kinda bevond zich hun leider, Mulayh. De Profeet ﷺ bezocht hun kamp, groette hen en riep hen op tot tawhid, het aanbidden van slechts Allah, en tot geloof in de openbaring die aan hem was toevertrouwd. Vervolgens bood hij zichzelf aan en vroeg hen om nusra zodat hij de boodschap van Allah kon verspreiden.
Tijdens dit gesprek vroegen de mannen van Kinda hem:
“Als jij overwinning krijgt, zal de heerschappij dan na jou aan ons toekomen?”
Het was geen vijandige vraag, maar een politieke overweging: Kinda was in haar geschiedenis verbonden geweest met macht en koningschap in Zuid-Arabië. Zij wilden zekerheid dat hun steun tot wereldlijk leiderschap zou leiden.
De Boodschapper van Allah ﷺ antwoordde kalm en principieel:
“De heerschappij behoort toe aan Allah; Hij geeft die aan wie Hij wil.”
Toen zij dit antwoord hoorden, wezen zij zijn uitnodiging af. De bronnen vermelden dat Abu Lahab in diezelfde periode achter de Profeet ﷺ aanliep tijdens de bedevaartseizoenen en de stammen waarschuwde om niet naar hem te luisteren. Waar de Profeet ﷺ met oprechtheid en wijsheid sprak, daar probeerde Abu Lahab hem te ondermijnen door te zeggen: “Luister niet naar hem, hij heeft de religie van zijn voorvaderen verlaten.”
Toch ging de Boodschapper van Allah ﷺ onvermoeibaar verder. Hij liet zich niet ontmoedigen door afwijzing, noch door spot. De ontmoeting met Banu Kinda laat zien dat zijn zoektocht naar steun niet gedreven werd door macht, maar door missie. Waar anderen macht zochten, zocht hij slechts toestemming om de waarheid van Allah te verkondigen.
Banu Hanifah
Na zijn ontmoeting met Banu Kinda begaf de Boodschapper van Allah ﷺ zich naar Banu Hanifa, een stam afkomstig uit al-Yamama in Centraal-Arabië, bekend om hun welvaart en hun standvastige karakter. Ook zij bevonden zich in hun manazil ook tijdens het bedevaartseizoen bij Mekka.
Zoals bij de andere stammen benaderde de Profeet ﷺ hen met zachtheid en waardigheid. Hij nodigde hen uit tot Allah, tot het getuigen van La ilaha illa Allah en tot het loslaten van afgoderij. Hij vroeg hen om bescherming, opdat hij de boodschap van zijn Heer kon overbrengen zonder tegenwerking van Quraish.
De overlevering zegt eenvoudig maar veelzeggend:
“Hij riep hen tot Allah en bood zichzelf aan hen aan, maar geen enkele stam was lelijker in haar antwoord dan zij.”
Banu Hanifa verwierp niet alleen zijn oproep, maar deed dat op een harde en spottende manier. De siera beschrijft hun reactie als de meest onaangename van alle stammen die hij in die periode bezocht. Er wordt niet vermeld wat zij letterlijk zeiden, maar de toon van hun afwijzing was scherp en oneerbiedig.
Ironisch genoeg zou juist in deze stam, decennia later, de beruchte Musaylima al-Kadhdhab opstaan. De man die na het overlijden van de Profeet ﷺ valselijk het profeetschap voor zichzelf opeiste.
Hun harde reactie tijdens talab al-nusra lijkt daarmee een voorbode van de hoogmoed die later in hun geschiedenis zichtbaar werd.
Ondanks hun afwijzing bleef de Boodschapper van Allah ﷺ kalm. Hij keerde zich niet af uit wrok, maar ging verder van tent naar tent, van stam naar stam op zoek naar een volk dat bereid was zijn zaak te dragen.
Banu ‘Amir bin Sa‘sa‘ah
Na de afwijzing van Banu Hanifa ging de Boodschapper van Allah ﷺ naar de stam Banu Amir ibn Sa’sa’a, een trotse en invloedrijke stam uit het gebied van Najd. Ook zij verbleven in hun manazil bij Mekka tijdens het bedevaartseizoen. De Profeet ﷺ bezocht hun leiders en riep hen, net als de andere stammen, op tot Allah en tot bescherming van de Profetische Missie.
Tijdens deze ontmoeting bevond zich onder hen een man met de naam Buhayra ibn Firas, een welbespraakte en bedachtzame man die zijn volk vertegenwoordigde in gesprekken met bezoekers. Nadat de Profeet ﷺ zijn boodschap had uitgelegd; het aanbidden van Allah alleen, het verlaten van afgoden, en het verlenen van bescherming zodat hij de openbaring kon verkondigen vroeg Buhayra hem:
“Wat gebeurt er als wij jou volgen in jouw zaak, Allah jou overwinning schenkt, en jij komt te heersen over je volk, zal het leiderschap daarna aan ons toekomen?”
De Boodschapper van Allah ﷺ antwoordde met dezelfde principiële helderheid die hij ook bij Banu Kinda had getoond:
“De zaak (het gezag) behoort toe aan Allah; Hij legt het neer waar Hij wil.”
Toen Buhayra dit hoorde, wendde hij zich tot zijn stamgenoten en zei iets wat hun houding samenvatte:
“Als wij deze man volgen, en Allah schenkt hem de overwinning, en daarna komt het leiderschap niet aan ons, dan zal dat betekenen dat wij onze mensen hebben opgeofferd voor een ander volk. Wij hebben er geen behoefte aan.”
Zij wezen zijn oproep af en keerden terug naar hun tenten.
Toch bleef de indruk van deze ontmoeting niet zonder gevolg. Toen de bedevaart voorbij was en de mensen naar huis terugkeerden, spraken de oudere mannen van Banu Amir onder elkaar. Een van hen zei:
“Wat een bijzondere woorden sprak die jonge man uit Quraish. Als mijn volk mij had gevolgd in wat hij zei, dan hadden wij vandaag het leiderschap over de Arabieren gehad.”
Hij betreurde dat zij de kans hadden laten liggen om de Boodschapper van Allah ﷺ te steunen.
Deze ontmoeting is daarmee een van de meest sprekende voorbeelden van hoe stammen tijdens talab an-nusra de Profeet ﷺ niet afwezen uit ongeloof, maar uit wereldse overwegingen. Ze wilden macht, waar hij slechts gehoorzaamheid aan Allah.
Banu Shayban ibn Thalaba
Na zijn ontmoeting met Banu Amir ibn Sasaa begaf de Boodschapper van Allah ﷺ zich naar de machtige stam Banu Shayban ibn Thalaba, een van de bekendste stammen van Banu Bakr ibn Wail. Hun kamp bevond zich aan de oostzijde van Mekka, waar zij tijdens het bedevaartseizoen hun tenten hadden opgeslagen. Banu Shayban stond in heel Arabië bekend om haar moed, haar krijgshaftige traditie en haar trouw aan verdragen. Zij onderhielden bovendien een politiek verbond met het Perzische rijk, wat hun status in de regio verder versterkte.
De Profeet ﷺ werd deze keer vergezeld door Abu Bakr as-Siddiq ﵁, die bekendstond als kenner van de genealogieën van de Arabische stammen, en door Ali ibn Abi Talib ﵁. Toen zij bij de raad van Banu Shayban aankwamen, zaten daar enkele van hun vooraanstaande leiders: Mufriq ibn Amr, Hani ibn Qubaysa, Al-Muthanna ibn Haritha, en Al-Nu’man ibn Sharik.
Abu Bakr begon het gesprek en vroeg:
“Van welke stam zijn jullie?”
Zij antwoordden:
“Wij zijn van Rabi’a.”
Hij vroeg verder:
“Van welke tak van Rabi’a van haar voornaamste of haar zijtakken?”
Zij zeiden:
“Van Dhuhl al-Akbar.”
Abu Bakr glimlachte en vervolgde:
“Moge Allah jullie zegenen. Jullie behoren tot een stam van eer. Vertel mij, hoe groot is jullie aantal?”
Zij antwoordden:
“Wij zijn meer dan duizend, en duizend mannen kan niemand verslaan.”
Hij vroeg:
“Hoe is jullie strijd tegen de vijand?”
Zij zeiden:
“Wij zijn het meest standvastig wanneer wij boos worden, en het hardst wanneer wij de strijd aangaan. Soms overwinnen wij, soms worden wij overwonnen. Wij laten onze paarden boven onze kinderen, en onze wapens boven onze bezittingen.”
Daarop zei Abu Bakr zacht tegen de Profeet ﷺ:
“Bij Allah, dit is een stam van eer en kracht.”
Toen nam de Boodschapper van Allah ﷺ zelf het woord. Hij prees Allah en zei:
“Ik roep jullie op om te getuigen dat er geen god is behalve Allah, en dat ik de Boodschapper van Allah ben. Ik vraag jullie mij te beschermen, zodat ik de boodschap van mijn Heer kan overbrengen, want Quraish heeft mij verhinderd het woord van Allah te verspreiden.”
Zij vroegen:
“Waar roep jij toe, o broeder van Quraish?”
De Profeet ﷺ reciteerde toen de woorden van Allah:
“Zeg: kom, ik zal jullie voorlezen wat jullie Heer jullie verboden heeft: dat jullie niets naast Hem aanbidden…” (Soerat al-An’am, 6:151)
En hij reciteerde ook:
“Voorwaar, Allah beveelt rechtvaardigheid, goedheid en vrijgevigheid jegens verwanten, en Hij verbiedt onzedelijkheid, slecht gedrag en onderdrukking.” (Soerat an-Nahl, 16:90)
Mufriq ibn Amr zei toen onder de indruk:
“Bij Allah, broeder van Quraish, dit zijn geen woorden van de mensen van deze aarde. Als ze van menselijke oorsprong waren, zouden wij ze kennen.”
Daarna sprak Hani ibn Qubaysa:
“Wij hebben uw woorden gehoord en uw boodschap begrepen. Onze mensen zijn echter niet hier aanwezig, en wij kunnen geen verbond sluiten zonder hen te raadplegen. Wat u zegt is groots en waard om over na te denken.”
Toen nam Al-Muthanna ibn Haritha, hun militaire bevelhebber, het woord:
“Wij staan tussen twee machten: aan de ene kant de Arabieren, aan de andere kant de Perzen. Met de koning van de Perzen hebben wij een verbond dat wij niet mogen verbreken of vernieuwen zonder zijn toestemming. Als u wilt dat wij u beschermen tegen de Arabieren, dan doen wij dat. Maar tegen de Perzen kunnen wij u niet helpen.”
De Profeet ﷺ antwoordde waardig:
“Jullie woorden zijn wijs en rechtvaardig. De religie van Allah zal echter alleen worden gedragen door degenen die haar in al haar aspecten omringen.”
Daarmee beëindigde hij het gesprek. Toen hij opstond, zei hij tegen Abu Bakr ﵁:
“Wat een nobel volk is dit. Hun woorden getuigen van verstand en hun houding van eer.”
De ontmoeting met Banu Shayban wordt in de siera beschouwd als een van de meest eervolle momenten van talab al-nusra. Hoewel zij de Profeet ﷺ niet konden beschermen, spraken zij hem aan met respect, luisterden aandachtig naar de Koran en antwoordden met wijsheid. Hun afwijzing kwam niet voort uit ongeloof, maar uit de politieke realiteit van hun tijd.
Hun leider Al-Muthanna ibn Haritha zou later, na de komst van de Islam, een van de beroemde commandanten van de moslims worden in de veroveringen van Irak. De ontmoeting met Banu Shayban laat zien hoe de Profeet ﷺ, zelfs onder trotse en machtige stammen, respect en bewondering wist te wekken door zijn waardigheid, zijn kennis en zijn standvastigheid.
