InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Strategie van de Groene Bergen
De Helden van IslamUmar Al-Mukhtar

De Strategie van de Groene Bergen

De Strategie van de Groene Bergen

In het voorgaande artikel volgden wij de uitbraak van de Italiaans-Turkse oorlog in september 1911 en de eerste fase van het Cyrenaïcaanse Senussi-Bedoeïen-verzet, waarin Umar al-Mukhtar ﵀ de plaatselijke Bedoeïen-stammen bijeenbracht voor een gezamenlijke verdediging tegen de Italiaanse opmars landinwaarts van Benghazi. Wij zagen hoe het Ottomaanse vredesverdrag van Ouchy in oktober 1912 de Senussi-broederschap dwong haar positie opnieuw te bepalen, en hoe zij besloot het anti-koloniale verzet voort te zetten, nu op eigen gezag. Dit artikel volgt de jaren tussen 1913 en 1923: de uitbouw van het verzet onder de Italiaanse koloniale stabilisatie, de Eerste Wereldoorlog en haar gevolgen voor Cyrenaica, en het ontstaan van de guerrilla-strategie in de Jebel Akhdar die onder de leiding van Umar al-Mukhtar ﵀ haar volgroeide vorm zou krijgen.

De jaren tussen 1913 en 1915

Cyrenaica na 1912

Na het vredesverdrag van Ouchy stond elke Cyrenaïcaanse gemeenschap voor dezelfde vraag: wat te doen onder een Italiaanse soevereiniteit die op papier al vaststond. In de Bedoeïen-stammen werd daar lang over beraadslaagd, en er lagen drie wegen open: onderwerping aan de Italiaanse autoriteit, uitwijking naar Egypte of naar de zuidelijke Saharazone, of voortzetting van het gewapende verzet onder de leiding van de Senussi-broederschap. De overgrote meerderheid van de stammen koos de derde weg, en die keuze bond de Cyrenaïcaanse gemeenschap aan de leiding van de Senussi-broederschap.

Op dat besluit zou Umar al-Mukhtar ﵀ jaren later, toen het militaire opperbevel hem werd toevertrouwd, zijn hele opbouw van het verzet kunnen laten rusten.

In de jaren onmiddellijk na Ouchy breidde Italië haar bezette gebied uit terwijl het verzet aanhield. Tobruk viel op 4 en 5 oktober 1911, Derna tussen 16 en 18 oktober van datzelfde jaar, en daarna schoof de Italiaanse linie stap voor stap het binnenland in, de Jebel Akhdar op. De Senussi-Bedoeïen-troepen, onder de leiding van Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ en met Umar al-Mukhtar ﵀ als plaatselijk bevelhebber, hielden die opmars met aanhoudende guerrilla-operaties tegen de Italiaanse posities in belangrijke mate tegen.

Voor de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking waren dit jaren van ontbering en onzekerheid, waarin de oorlogsomstandigheden de veeteelt verstoorden waarvan zij leefde en in de gevechten met de Italiaanse troepen verliezen vielen. Toch hield het moreel stand, want de plaatselijke netwerken van Senussi-zawiya’s vingen de families op die het zwaarst door de oorlogstijd werden getroffen.

De Eerste Wereldoorlog

De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 raakte Cyrenaica gevoelig. Italië bleef aanvankelijk neutraal, trad in mei 1915 aan geallieerde zijde toe tegen de Centrale Mogendheden, en verlegde daarmee een aanzienlijk deel van haar militaire aandacht van Libië naar de Europese fronten. Het Ottomaanse Rijk, dat sinds november 1914 aan de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije meevocht, zocht in 1915 toenadering tot de Senussi-broederschap voor een gezamenlijke onderneming tegen de Italianen en tegen de Britten in Egypte.

Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ nam die uitnodiging aan, en in 1915 viel de broederschap samen met Ottomaanse officieren het westelijke Egypte binnen. In haar eerste fase leverde de campagne enige Senussi-overwinningen op, maar zij eindigde in de Slag bij Aqaqir in februari 1916 in een nederlaag tegen de Britse troepen. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ was zij een strategische leerschool, waarin hij de bredere gevolgen kon waarnemen van een onderneming waarbij de hele broederschap betrokken was.

De overgang naar Idris al-Sanusi

In 1918 droeg Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ het hoofdleiderschap van de Senussi-broederschap over aan zijn neef Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀. Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ verliet Libië voor een geestelijke afzondering in Ottomaans gebied, en hij stierf in 1933 in Medina, aan het einde van een geestelijke en politieke werkzaamheid die zich in een internationale omgeving had afgespeeld. Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ was op 12 maart 1889 geboren en dus ongeveer negenentwintig jaar oud in 1918; hij nam het hoofdleiderschap op zich en opende diplomatieke onderhandelingen met de Italiaanse autoriteiten over een mogelijke vreedzame uitkomst voor Cyrenaica.

Tussen 1919 en 1922 leverde het overleg tussen Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ en de Italiaanse koloniale autoriteiten enige akkoorden op, waarin de broederschap een vorm van interne autonomie in de Jebel Akhdar-zone kreeg in ruil voor een nominale erkenning van de Italiaanse soevereiniteit. Het Verdrag van Regima van 1920 en het Verdrag van Bu Maryam van 1921 legden die verhouding vast: intern Senussi-bestuur onder nominale Italiaanse opperheerschappij. Wat daaruit voortkwam was een vreedzame coëxistentie die de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-bevolking, na de jarenlange oorlogsomstandigheden, enige rust schonk.

De aanleg van forten

In de jaren van de Italiaanse koloniale stabilisatie, tussen 1913 en 1922, verrees in de Jebel Akhdar-zone een net van Italiaanse forten en logistieke posten, op strategisch gekozen plaatsen, met steenmuren, met een bewapening van kanonnen en machinegeweren, en met de voorzieningen voor de troepen die er zouden komen te liggen. Voor het verzet dat Umar al-Mukhtar ﵀ zag aankomen was dat de strategische opgave waarvoor hij tactieken moest ontwikkelen.

Hij bestudeerde de Italiaanse bouwtechniek, liet zich door plaatselijke informanten inlichten over de opbouw van elk afzonderlijk fort, en ontwierp daaruit een aanvalswijze voor de operaties die zouden volgen. De lijn was dat de Cyrenaïcaanse strijders de fortmuren niet rechtstreeks zouden aanvallen, maar de garnizoenen zouden afsnijden van hun bevoorrading en van hun ondersteuning.

De rol van Umar al-Mukhtar ﵀ in deze jaren

De diplomatieke jaren waren voor Umar al-Mukhtar ﵀ jaren van geestelijk en bestuurlijk werk, met weinig gewapend optreden. Hij bestuurde de Senussi-zawiya’s in zijn invloedssfeer, hij onderhield de banden met de plaatselijke Bedoeïen-stammen, en hij overlegde met Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ over de toekomst van het Senussi-werk onder de gewijzigde politieke omstandigheden.

Zijn scepsis over de Italiaanse intenties verdween daarbij niet, en naar zijn eigen oordeel was een hervatting van het verzet onontkoombaar. Umar al-Mukhtar ﵀ bereidde zich daar in stilte op voor: hij reisde in deze jaren herhaaldelijk door de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen voor overleg over de vorm die een hernieuwde gezamenlijke verdediging zou kunnen aannemen, en hij kocht wapens aan via de netwerken van de Senussi-broederschap.

De uitgewekenen in Egypte

Tussen 1913 en 1923 trok een gestage stroom Cyrenaïcaanse Senussi-familieleden en aanhangers naar Egypte, waarmee het verzet zich ook buiten de kolonie kon verankeren. Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ verbleef er voor zijn diplomatieke werkzaamheid herhaaldelijk, en de uitgewekenen vestigden zich in Alexandrië, in Caïro en in enkele grote groepen in de Egyptische westelijke woestijn-zone. Van hen kwam wat het verzet aan de andere kant van de grens nodig had: logistieke ondersteuning, contact met moslim-gemeenschappen elders in de wereld, en wapens die via Egyptische tussenhandelaren werden verworven.

In Caïro bouwde Sayyid Muhammad Idris ﵀ een politieke aanwezigheid op, en hij bepleitte bij de Britse koloniale autoriteiten in Egypte de internationale erkenning van een Cyrenaïcaanse moslim-staat. De Britse autoriteiten gingen daar behoedzaam mee om, want hun eigen koloniale strategie vergde een intensief diplomatiek verkeer met Italië, zodat zij openlijke steun aan een tegenstander van de Italiaanse koloniale macht moesten vermijden.

Het Fascistische tijdperk

In oktober 1922 verwierf Benito Mussolini met de zogeheten Mars op Rome het Italiaanse premierschap, en daarmee kreeg de Italiaanse koloniale politiek in Libië een hardere wending. Mussolini en zijn Fascistische beweging hernieuwden in hun propaganda de aanspraak op Libië als Vierde Kust, en zij verwierpen de vreedzame coëxistentie van de voorafgaande jaren ten gunste van een hervatte koloniale onderwerping. In 1923 zegden de Italiaanse autoriteiten de akkoorden met de Senussi-broederschap formeel op, en zij begonnen de gewapende confrontatie voor te bereiden.

Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende die omslag dat zijn jarenlange voorbereiding nu tot uitvoering moest komen. In 1923 ontving hij van Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀, die zich in deze maanden naar Egypte terugtrok om langs diplomatieke weg de internationale aandacht voor Cyrenaica te wekken, de formele aanstelling tot algemeen militair leider van het Cyrenaïcaanse verzet. Hij was inmiddels vijfenzestig jaar oud, lichamelijk nog krachtig ondanks zijn leeftijd, en in zijn geestelijke en bestuurlijke vorming volledig toegerust voor het bevel.

De interne organisatie van de adwar

De adwar-eenheden waren zo opgezet dat de bestaande cohesie van de Bedoeïen-stam meteen ook de cohesie van de eenheid was. Elke adwar werd samengesteld uit strijders van één stamverbintenis, zodat de onderlinge band van de stam rechtstreeks aan de eenheid ten goede kwam. De onderbevelhebber kwam uit een aristocratische laag van de stam en werd door Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk aangewezen, na overleg met de stam-shaykhs.

Wekelijks kwam elke adwar bijeen op afgelegen plaatsen in de Jebel Akhdar, waar de militaire planning veilig kon worden besproken. Onder haar onderbevelhebber verrichtte de eenheid daar haar tactische voorbereiding: onderlinge verkenningen, opslag van wapens en ammunitie in geheime grotcomplexen, en gezamenlijke training in de Cyrenaïcaanse guerrilla-tactieken. Op deze organisatie zou de guerrilla-strijd acht jaren lang kunnen steunen.

De Jebel Akhdar als bedding

De Jebel Akhdar-zone is een plateau van enkele honderden meters hoogte, met dicht beboste hellingen aan de noordzijde, met uitgestrekte weidegebieden in haar hogere delen, met talrijke kleinere bergvalleien die uitstekende verdedigingsposities boden, en met waterbronnen die met het bestaan van de plaatselijke Bedoeïen-bevolking verweven waren; dat landschap was de natuurlijke basis waarop het verzet kon worden gebouwd. De Italiaanse troepen waren in hun bewapening en in hun organisatie ingericht op de kustlinie en op vlak gevechtsterrein, en zij ondervonden in de Jebel Akhdar moeilijkheden bij hun opmars, zodat het bergland de verdedigingszone werd van waaruit de Cyrenaïcaanse guerrilla-strijders opereerden.

De Italiaanse koloniale doctrine onder Mussolini

De Italiaanse koloniale doctrine onder Mussolini was een mengsel van Fascistische ideologie en praktische machtspolitiek. De herovering van Libië moest een nationale prestige-onderneming worden waarin de Italiaanse koloniale macht zichtbaar werd gedemonstreerd, en de koloniale conventie van stapsgewijze pacificatie maakte daarbij plaats voor militaire onderwerping zonder aandacht voor de plaatselijke gemeenschappen.

Het verzet moest zich op die nieuwe koers instellen. Umar al-Mukhtar ﵀ onderkende de veranderde gedaante van zijn tegenstander en besprak met zijn naib-leiders welke aanpassingen de guerrilla-strategie tegenover de hardere Italiaanse koers nodig had.

De guerrilla-strategie

In de loop van 1923 en het vroege 1924 voltooide Umar al-Mukhtar ﵀ de guerrilla-strategie waarmee het Cyrenaïcaanse verzet onder zijn leiding zou worden gevoerd. Zij berustte op een aantal fundamentele elementen die in de zeven jaar die volgden herkenbaar zouden blijven.

Ten eerste de organisatie van het verzet in zogeheten adwar, kleine guerrilla-eenheden van enkele tientallen tot enkele honderden manschappen elk, die zelfstandig opereerden maar onder een gemeenschappelijke coördinatie stonden. Ten tweede de hit-and-run-tactiek, waarin de Cyrenaïcaanse strijders een Italiaanse positie aanvielen, haar verliezen toebrachten en zich in de bergvalleien terugtrokken voordat de Italiaanse hoofdmacht tot vergelding kon overgaan.

Ten derde de verbintenis tussen de gewapende strijders en de Bedoeïen-bevolking, die hen met voedsel, met verbergplaatsen en met inlichtingen ondersteunde. Ten vierde hun bewegelijkheid, die hen in en uit de Sahara bracht, met de Egyptische grens als rustplaats waar de Italiaanse troepen zich niet vrij konden bewegen. En ten vijfde de verbintenis met de netwerken van de Senussi-zawiya’s, die de logistieke ondersteuning van het verzet droegen.

De financiering van het verzet

De voornaamste geldbronnen van het Cyrenaïcaanse verzet waren de zakaat-bijdragen die de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen aan de Senussi-broederschap afdroegen, de donaties van Cyrenaïcaanse uitgewekenen in Egypte en van moslim-gemeenschappen elders die de zaak steunden, de betalingen voor de wapenaanvoer, die uit de bestaande economische structuren van de broederschap werden gedragen, en de buit die op de Italiaanse posities werd veroverd.

Zonder die financiële basis had de strijd niet zo lang kunnen worden volgehouden. Umar al-Mukhtar ﵀ besteedde er dan ook veel aandacht aan, en hij beheerde de beschikbare middelen met een bestuurlijke voorzichtigheid die op een strijd van jaren was berekend.

De adwar in de praktijk

Elke adwar stond onder een onderbevelhebber die persoonlijk aan Umar al-Mukhtar ﵀ verantwoording schuldig was, en juist die opzet maakte het mogelijk de strategische lijn overal tegelijk uit te voeren zonder ooit de veldslag aan te gaan waarin de Italiaanse vuurkracht ten volle tot haar recht zou komen. De gemeenschappelijke lijn werd uitgewerkt in geregelde bijeenkomsten op afgelegen plaatsen in de Jebel Akhdar, waar Umar al-Mukhtar ﵀ met zijn onderbevelhebbers de strategie besprak en instructies voor de komende operaties uitvaardigde.

In de eerste jaren van haar uitvoering, tussen 1923 en 1927, bleek de strategie succesvol. De Italiaanse troepen konden de Cyrenaïcaanse Bedoeïen ondanks hun bewapening in hun bewegelijkheid niet bijhouden, en zij leden verlies na verlies in een aaneenschakeling van kleinere gevechten die de koloniale bezetting langzaam uitputte. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk waren dit de jaren waarin zijn strategische denken zich in resultaten vertaalde.

De rol van de plaatselijke vrouwen

Een deel van het Cyrenaïcaanse verzet dat in de moderne historiografie pas langzaamaan de aandacht heeft gekregen die zij verdient, is de rol van de plaatselijke Bedoeïen-vrouwen in de ondersteuning van de gewapende strijders. Zij bereidden de voorraden gerstbroden en gedroogde dadels die de strijders op hun verplaatsingen door de Saharaanse zone konden meedragen, zij bewaarden wapens en ammunitie tussen de huishoudelijke voorraden, en zij gaven de berichten over de Italiaanse troepenbewegingen door aan de eenheden in het veld.

Zonder die ondersteuning had de gewapende strijd niet gevoerd kunnen worden, en Umar al-Mukhtar ﵀ erkende die fundamentele rol. Hij gaf zijn naib-leiders herhaaldelijk aanwijzingen waarin de bescherming van de Bedoeïen-vrouwen werd vastgelegd, hij sprak in zijn vrijdagspreken over hun geestelijke waarde in de gemeenschap, en hij spoorde de Bedoeïen-mannen aan tot zorg en bescherming voor hun vrouwelijke familieleden.

De geestelijke discipline in oorlogstijd

Naast de militaire zijde hield Umar al-Mukhtar ﵀ zijn strijders aan een strikte geestelijke discipline. Alle vijf dagelijkse gebeden moesten onder alle omstandigheden in gemeenschap worden verricht, iedere strijder moest de Senussi-wird dagelijks voor zichzelf uitvoeren, de Ramadan-vasten werd gehandhaafd, zelfs onder de omstandigheden van een actieve campagne, en de Quran-recitatie ging door op de avondbijeenkomsten van de adwar-eenheden.

Die discipline gaf de Cyrenaïcaanse strijders de morele standvastigheid waarop het verzet zijn lange duur kon volhouden. Voor de Italiaanse waarnemers die hen in hun dagelijkse doen bestudeerden was zij een onverwacht verschijnsel, dat de eigen koloniale analyse van de tegenstander aantastte.

De wekelijkse vrijdagspreken

Het guerrilla-werk onderbrak de wekelijkse vrijdagspreek niet. Wanneer de strijders voor een operationele rust op afgelegen plaatsen in de Jebel Akhdar bijeen waren, sprak Umar al-Mukhtar ﵀ hen toe over de geestelijke kant van de operaties die voor hen lagen.

De preken die Umar al-Mukhtar ﵀ daar hield, zetten de traditie van de Senussi-prediking voort. Hij sprak over de verantwoordelijkheid van de moslim tegenover de koloniale overheersing, hij gaf op grond van de Maliki-fiqh de juridische rechtvaardiging voor de operaties, en hij spoorde zijn toehoorders aan tot standvastigheid.

De logistiek van het verzet

De logistieke organisatie van het verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ bracht de economische zelfstandigheid van de Senussi-traditie in praktijk. Hij legde voorraadketens aan door de Jebel Akhdar-zone, waaraan de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen hun bijdragen leverden, en hij organiseerde de wapenleveranties via Egyptische tussenhandelaren, die ondanks de Italiaanse pogingen om de Egyptische grens te blokkeren bleven doorkomen.

Zonder die logistiek had het verzet binnen enige maanden uitgeput moeten opgeven. Dat het zich tussen 1923 en 1931 acht jaren lang staande hield, is het bewijs van wat Umar al-Mukhtar ﵀ hier had opgezet.

De Trans-Saharaanse routes

De Trans-Saharaanse routes tussen Cyrenaica en de bredere internationale moslim-gemeenschap werden in deze jaren van groot belang voor het verzet. Via Kufra in de zuidelijke Cyrenaïcaanse Saharazone, en via aanvullende posten in Wadai en in Tsjaad, hielden de Senussi-zawiya’s de verbinding met de internationale moslim-ondersteuning open. De Italiaanse koloniale autoriteiten ondernamen herhaaldelijk pogingen om die routes af te snijden, en met de inname van Kufra in 1931 zou die verbinding uiteindelijk worden aangetast.

Naar de Slag om Bir Bilal

In dit artikel hebben wij de jaren tussen 1913 en 1923 gevolgd: de ontwikkeling van het Cyrenaïcaanse verzet, de Eerste Wereldoorlog en haar gevolgen voor de Senussi-onderneming in Egypte, de overgang van het hoofdleiderschap naar Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀, de vreedzame akkoorden van 1920 en 1921, en de hernieuwde Italiaanse koloniale aandrang onder Mussolini vanaf 1922. Wij zagen hoe Umar al-Mukhtar ﵀ in 1923 tot algemeen militair leider van het Cyrenaïcaanse verzet werd aangesteld en hoe in de maanden daarna de guerrilla-strategie van de adwar haar vorm kreeg. Aan een van de meest opmerkelijke gevechten van deze fase van het verzet, de Slag om Bir Bilal in 1923, wijdt het volgende artikel zijn aandacht.

Bronnen

  • E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 148–214.
  • Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 198–248.
  • Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 2: Dal fascismo a Gheddafi, Mondadori (1988), pp. 14–86.
  • Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 214–268.
  • Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia, 1911–1931, il Mulino (2012), pp. 124–198.
  • Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 268–334.
  • Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, Princeton University Press (1986), pp. 168–214.
  • Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies Toward the Arabic-Speaking Inhabitants of Libya, 1911–1943, Garash al-Habayyib (1988), pp. 56–124 [in Arabisch met Engels overzicht].

Sources

Hoofdbronnen: E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica (Clarendon, 1949); Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya (SUNY, 2009); Ali Abdullatif Ahmida, Genocide in Libya (Routledge, 2020); Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia I-II (Mondadori, 1986-1988); Eric Salerno, Genocidio in Libia (manifestolibri, 2005); Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge (Hurst, 1995); Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia (il Mulino, 2012); Enzo Santarelli e.a., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia (Marzorati, 1981); Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation (Routledge, 2010); John Wright, Libya: A Modern History (Croom Helm, 1981); Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies (1988).