Politieke opleiding in Al-Jaghbub
In het voorgaande artikel volgden wij de aankomst van de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ in het Senussi-hoofdkwartier Jaghbub in het najaar van 1876, en beschreven wij de geestelijke en geleerde opleiding die hij daar in zijn eerste jaren ontving: Arabische grammatica, Maliki-fiqh, hadith-wetenschap en Senussi-tasawwoef, die samen een gevormde Senussi-leerling van hem maakten. Dit artikel volgt de tweede fase van die opleiding in Jaghbub, vanaf ongeveer 1880 tot 1888, waarin zijn vorming een politieke en bestuurlijke richting kreeg en hem voorbereidde op het leiderschap dat hem wachtte.
De politieke verbreding van de opleiding
Vanaf zijn drieëntwintigste of vierentwintigste jaar, toen hij de basisopleiding van een Senussi-leerling had voltooid en in de Jaghbub-gemeenschap als gevorderde leerling werd herkend, kreeg Umar al-Mukhtar ﵀ onderwijs van een andere soort. De Senussi-broederschap hield voor haar meest belovende leerlingen een vorming aan waarin de toestand van de moslimwereld, de geopolitieke uitdagingen waarvoor de broederschap zich in de decennia daarna gesteld zou zien, en de praktijk van bestuurlijk leiderschap werden onderwezen.
Voor de jonge Cyrenaïcaan betekende die tweede fase dat de negentiende-eeuwse wereld voor hem openging. Hij bestudeerde de Europese koloniale uitbreiding in haar verschillende regionale vormen: de Franse aanwezigheid in Algerije en in Tunesië, de Britse in Egypte en in India, en de Italiaanse koloniale aspiraties op Libië die in deze jaren reeds in hun voorbereidende vorm zichtbaar werden. Hij leerde de Ottomaanse Hoge Porte in haar verzwakking begrijpen, en hij kreeg besef van de bredere geopolitieke krachten die zijn eigen werk decennia later zouden raken.
De geleerde vorm van de politieke opleiding
Die politieke opleiding stond niet naast de gewone geestelijke vorming, zij was erin geweven. Zij zat in de vrijdagspreken van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, in de geleerden-gesprekken in de Jaghbub-bibliotheek, in de correspondentie met andere soefitische broederschappen in Noord-Afrika en in het Midden-Oosten die de leerlingen doorlazen, en in de afzonderlijke audiënties die Umar al-Mukhtar ﵀ in deze jaren in toenemende mate met de hoofdleider van de broederschap kreeg. Zij werd niet in een formele leer-categorie geplaatst, en zij werkte niettemin onmiskenbaar.
Voor Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ zelf was het vormen van zijn meest belovende leerlingen geen bijzaak, want hij begreep dat de broederschap in de decennia die kwamen een leiderschap nodig zou hebben dat geestelijke ernst en politieke bekwaamheid in één persoon verenigde. Hij wijdde in deze jaren aandacht aan een nieuwe generatie van Senussi-leiders, en op de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vestigde hij binnen die generatie zijn bijzondere hoop.
De Italiaanse aspiraties in de jaren tachtig
In de jaren tussen 1880 en 1890 rijpten in het Italiaanse staatsverband de koloniale aspiraties die aan het begin van de twintigste eeuw de Italiaans-Turkse oorlog zouden voortbrengen. Italië, dat in 1881 het Franse protectoraat over Tunesië met aanzienlijke ergernis had ontvangen, bereidde in deze decennia zijn eigen aanspraken voor langs verschillende wegen tegelijk: diplomatieke onderhandelingen met de Europese mogendheden, economische penetratie in Libië via de Banco di Roma en andere ondernemingen, en een openbare opinie-campagne voor de Vierde Kust.
In de Senussi-leerkring van Jaghbub werden deze ontwikkelingen gevolgd via de Trans-Saharaanse handelsverbintenissen, via de pelgrim-uitwisseling, en via de informanten die Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in de havensteden van Tripolitania en Cyrenaica onderhield. De rapporten over de Italiaanse aspiraties kwamen in afzonderlijke vergaderingen van de Senussi-raad ter tafel en dwongen tot een strategische bezinning op de vraag hoe de broederschap zou moeten antwoorden. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die tot deze vergaderingen in toenemende mate als gevorderde leerling werd toegelaten, waren zij een praktische opleiding in geopolitieke besluitvorming; wat hij daar zag, zou in zijn eigen latere werk een centrale plaats krijgen.
De Egyptische verstandhouding
Naast de Italiaanse en Ottomaanse verbintenissen onderhield de Senussi-broederschap in deze decennia ook geestelijke en politieke verstandhoudingen met de geleerde gemeenschap van Caïro en met de bestuurlijke autoriteiten van het Egyptische khedivaat. Geleerden van al-Azhar correspondeerden met de Senussi-leiders in Jaghbub en in Kufra, en zij ondersteunden de zaak van de broederschap als geestelijke gemeenschap in haar Saharaanse positie. Egyptische pelgrims die jaarlijks via Cyrenaica naar Mekka trokken, droegen in beide richtingen geestelijke berichten en plaatselijk nieuws mee, en zij gaven de broederschap daarmee haar informatie-basis over de toestand van de negentiende-eeuwse moslimwereld.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀, in zijn positie als gevormde ikhwan, was die Egyptische verstandhouding een oefening in internationale moslim-uitwisseling, en in haar bestudering ontstond bij hem een beeld van de bredere moslim-Oemma dat in zijn latere werk herkenbaar doorklinkt. De Egyptische verbintenis was geen randverschijnsel van de Senussi-strategie maar een kern van haar internationale werk, en op haar zou het Senussi-antwoord op de Italiaanse koloniale dreiging kunnen worden gebouwd.
De Egyptische verbintenis
Egypte vervulde in de jaren tussen 1880 en 1911 de rol van verbindings-knooppunt tussen de Senussi-broederschap in Libië en de bredere internationale moslimwereld. De al-Azhar-universiteit ontving enige Senussi-leerlingen voor aanvullende geleerde opleiding, de Egyptische pers droeg berichten over de Libische situatie over aan de bredere Arabisch-sprekende moslimwereld, en toen de oorlogsjaren kwamen, ontvingen de Egyptische bestuurlijke autoriteiten de vluchtelingen-stromen uit Libië. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ zou deze verbintenis, in de positie als leider van het Cyrenaïcaanse verzet die hem wachtte, de internationale ondersteuning leveren waarop hij kon terugvallen.
In zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren ondernam Umar al-Mukhtar ﵀ verscheidene reizen naar Egypte voor geleerde uitwisselingen met de plaatselijke Senussi-vertegenwoordigers in Caïro en in Alexandrië. Hij deed daar ervaring op in internationale moslim-diplomatie, en hij bouwde persoonlijke verbintenissen op met Egyptische geleerden en bestuurders die in zijn latere werk zouden doorklinken. Ook voor zijn eigen vorming was Egypte dus geen randverschijnsel, maar het internationale verband waarin zijn werk zou komen te staan.
De Senussi-strategie tegenover Italië
De Senussi-strategie tegenover de Italiaanse koloniale dreiging liep in deze jaren langs drie hoofdlijnen. Ten eerste de versterking van de eigen organisatie, met een uitbreiding van het zawiya-netwerk in de Saharaanse zone, zodat de broederschap bij een directe Italiaanse confrontatie vanuit een veiliger positie zou kunnen opereren. Ten tweede de aankoop van wapens via Egyptische en Ottomaanse tussenhandelaren, die in de Italiaans-Turkse oorlog van groot belang zou blijken. Ten derde de diplomatieke uitwisseling met de Ottomaanse Hoge Porte, met de Egyptische khedive, en in een aantal gevallen ook met Britse vertegenwoordigers in Egypte die de bredere geopolitieke verbintenissen van de broederschap konden ondersteunen.
Deze drievoudige strategie werd in de loop van de jaren tachtig en negentig uitgevoerd onder de leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ en, vanaf 1902, onder zijn opvolger Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀. De jonge Umar al-Mukhtar ﵀ raakte bij de praktische uitvoering ervan in toenemende mate betrokken, en daarin leerde hij de Senussi-bestuurskunst die hij als leider niet zou kunnen missen.
De wapenaankopen in deze decennia
De wapenaankopen die de Senussi-broederschap in de jaren tussen 1880 en 1910 ondernam, liepen via een netwerk van tussenhandelaren die hun werk met voorzichtigheid en geheimhouding deden. De voornaamste leveranciers waren Egyptische handelaren in Caïro en Alexandrië die in de gewone handelspraktijk Europese vuurwapens langs de internationale handelsroutes verwierven en hun voorraden over de gebruikelijke Saharaanse karavaanroutes naar Cyrenaica overbrachten. Daarnaast onderhield de broederschap verbintenissen met Ottomaanse militaire afdelingen in Tripolitania die oudere wapens van het Ottomaanse leger aan de plaatselijke ikhwan konden doorverkopen.
Wat op die manier binnenkwam was een verzameling gewone Europese musketten, een aantal modernere Lee-Enfield-geweren die in latere fasen werden verworven, en een voorraad ammunitie die in de magazijnen van de plaatselijke zawiya’s werd opgeslagen voor mogelijke inzet. Tegen 1911, toen de Italiaanse koloniale invasie begon, beschikte de broederschap over een wapenvoorraad die naar de schatting van Europese militaire waarnemers tussen vijfduizend en tienduizend vuurwapens bedroeg; zonder haar zou het verzet dat volgde niet te voeren zijn geweest.
De uitbouw van het Senussi-zawiya-netwerk
In de jaren tussen 1880 en 1900 breidde de Senussi-broederschap haar zawiya-netwerk uit tot een omvang die in de bredere moslimwereld ongekend was. Tegen 1900 omvatte het netwerk ongeveer honderdvijftig actieve zawiya’s, verspreid van Marokko in het westen tot Tsjaad in het zuiden en Egypte in het oosten, en verenigd in één organisatie onder de centrale leiding in Jaghbub en later in Kufra. Elke zawiya deed het gewone werk van een Senussi-gemeenschap: onderwijs, juridische rechtspraak, economische zelfvoorziening en dienst aan de plaatselijke gemeenschap.
Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ was dit netwerk een school in het besturen van een grootschalige geestelijke organisatie. Hij reisde in zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren langs verschillende zawiya’s, raakte zo vertrouwd met de wijze waarop de broederschap over dat hele gebied werkte, en verwierf een praktische kennis van de Senussi-bestuurskunst waarop hij later zou steunen.
De verplaatsing naar Kufra
In het jaar 1895 nam de Senussi-broederschap een beslissing waarvan de doorwerking voor haar latere werk van groot belang zou blijken. Onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ werd het hoofdkwartier verplaatst van Jaghbub naar Kufra, een oasestad in de zuidelijke Saharaanse zone van Libië die door haar geografische ligging op nog grotere afstand lag van de Ottomaanse autoriteiten en van de Italiaanse koloniale aanwezigheid die eraan kwam. Verplaatst werden de Senussi-bibliotheek, de centrale familiale gemeenschap en een aanzienlijk deel van de gevormde ikhwan, naar de nieuwe hoofdstad in de zuidelijke woestijn.
Umar al-Mukhtar ﵀ functioneerde in deze jaren als gevorderde ikhwan in de Senussi-organisatie, en de verplaatsing was voor hem een logistieke onderneming waarin hij persoonlijk bestuurlijke verantwoordelijkheid droeg. Hij begeleidde in 1895 of het vroege 1896 een van de caravaan-onderdelen van Jaghbub naar Kufra, en hij leerde daar de Saharaanse karavaan-organisatie kennen die hij als militair leider tegen de Italianen niet zou kunnen missen.
Kufra als nieuwe hoofdstad
Kufra was een oase-conglomeratie in de uitgestrekte zandvlakten van de zuidelijke Sahara, op een afstand van ongeveer zevenhonderd kilometer ten zuiden van de Mediterrane kust, en in haar oorsprong een centrum van inheemse Tubu-bevolking die van handel en plaatselijke landbouw leefde. De Senussi-aanwezigheid daar was sinds de jaren tachtig gegroeid, en in 1895 werd zij onder Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ tot nieuwe hoofdstad geconsolideerd.
De verplaatsing zette de Senussi-broederschap in een nog onafhankelijker positie tegenover de Mediterrane politieke kering, en zij gaf haar de geografische ruimte om zich te organiseren en strategisch voor te bereiden. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ werd Kufra in zijn werk als ikhwan-leider een centrale plaats, en hij verbleef in de jaren die volgden afwisselend in Cyrenaica en in Kufra, in praktische werkzaamheid voor de broederschap.
De Mahdiyya en de Senussi-respons
Eén gebeurtenis uit de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw werkte in de bredere moslimwereld diep door en werd in de Senussi-leerkring met aanzienlijke aandacht gevolgd: de Mahdiyya-beweging in Soedan onder leiding van Muhammad Ahmad al-Mahdi ﵀ en in de jaren daarna onder zijn opvolger ʿAbd Allah ibn Muhammad ﵀, de zogeheten Khalifa. De Mahdiyya werd in 1881 uitgeroepen en behaalde in 1885 met de inname van Khartoem door Muhammad Ahmad ﵀ haar grootste overwinning; zij was een anti-koloniale onderneming tegen de Britse-Egyptische gezamenlijke heerschappij over Soedan.
Voor de Senussi-broederschap had de Mahdiyya een geestelijke en politieke betekenis die zij met aanzienlijke voorzichtigheid behandelde. Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ hield zich in zijn uitlatingen op afstand van de Mahdi-aanspraken van Muhammad Ahmad ﵀, want hij beschouwde de Mahdi-categorie in haar gewone soennitische opvatting als juridisch beperkt en weigerde de Soedanese aanspraken volledig te aanvaarden. In de praktijk ondersteunde de broederschap niettemin de zaak van het Soedanese anti-koloniale verzet, en zij voerde geestelijke uitwisselingen met de Mahdiyya-vertegenwoordigers waarin de moslim-eenheid vooropstond.
Wat Khartoem en Omdurman leerden
De val van Khartoem in januari 1885, en de marteldood van de Britse Generaal Charles Gordon bij de inname van de stad door de Mahdiyya-troepen, was een internationale gebeurtenis die in de moslimwereld als een grote anti-koloniale overwinning werd gevierd. In de Senussi-leerkring van Jaghbub werd zij grondig besproken en dwong zij tot een bezinning op wat zij voor de positie van de broederschap betekende. Umar al-Mukhtar ﵀ was in 1885 zevenentwintig jaar oud en in zijn opleiding gevorderd; voor hem was Khartoem een praktische les in wat anti-koloniaal verzet vermag, en in haar bestudering lag een geestelijke voorbereiding op het werk dat hem wachtte.
De val van de Mahdiyya in 1898 onder de Britse-Egyptische troepen van Generaal Herbert Kitchener in de Slag bij Omdurman was een tweede leerproces, in tegenovergestelde richting: het toonde waarop een anti-koloniaal verzet uitloopt dat politiek en militair niet is voorbereid. Voor de Senussi-strategen was dat een waarschuwing over de noodzaak van zorgvuldige strategische voorbereiding, en het bevestigde de strategie van organisatorische versterking en wapenvoorraad-uitbreiding die in deze decennia werd uitgevoerd.
De huwelijksverbintenissen
In zijn jaren in Jaghbub sloot Umar al-Mukhtar ﵀ ook in zijn persoonlijke leven verbintenissen die voor zijn positie als ikhwan in de Senussi-organisatie van praktisch belang zouden worden. Hij huwde in 1885 of het vroege 1886 zijn eerste vrouw, Fatima bint Ahmad al-Manifi, een verwante uit zijn ouderlijk clan in Cyrenaica die hem door zijn vader was voorgesteld in de gewone gang van Bedoeïen-huwelijksonderhandelingen. Het huwelijk werd in Jaghbub gevierd, met enige van zijn naaste medeleerlingen erbij en met de bredere Senussi-familie in geestelijke broederschap.
Uit dit eerste huwelijk werden in de jaren tussen 1887 en 1900 verscheidene kinderen geboren, zonen en dochters die in familiale en geestelijke verbintenis aan de zijde van hun vader zouden staan. Het huishouden van Umar al-Mukhtar ﵀ verbond de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-traditie met de Senussi-discipline, en het was daarmee een voorbereiding op het leiderschap dat hem wachtte, waarin het familiale gegeven centraal zou functioneren.
De rol van vrouwen in de Senussi-organisatie
De Senussi-broederschap besteedde ook aandacht aan de geestelijke vorming van vrouwen in de plaatselijke gemeenschappen, met aangewezen vrouwelijke muqaddama’s in de gewone zawiya’s en met afzonderlijke vrouwelijke dzikr-bijeenkomsten waarin de Senussi-discipline in aangepaste vorm werd uitgevoerd. Voor Fatima bint Ahmad al-Manifi, de jonge vrouw van Umar al-Mukhtar ﵀, betekende dit dat zij in haar eigen geestelijke hoedanigheid aan de Senussi-tarīqa was verbonden en niet in een positie ondergeschikt aan haar man werd geplaatst. In de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-traditie van haar tijd was zo’n verhouding ongewoon, en zij gaf het huishouden van Umar al-Mukhtar ﵀ een eigen karakter, waarin zijn vrouw over een geestelijke autoriteit van haarzelf beschikte.
De rol van de pelgrim-handelaren
De pelgrim-handelaren die jaarlijks via Jaghbub naar de Hejaz trokken, vormden een centraal kanaal van internationale uitwisseling, en Umar al-Mukhtar ﵀ schonk er in zijn opleidings-jaren aandacht aan. Zij kwamen uit Marokko, uit Tunesië en uit West-Afrika via de Trans-Saharaanse karavaanroutes, en in Jaghbub ontmoetten zij een ruime Senussi-gastvrijheid. Voor de jonge Cyrenaïcaan waren deze ontmoetingen de weg waarlangs de bredere moslimwereld in haar negentiende-eeuwse toestand voor hem werkelijkheid werd.
In de avonduren, na de gemeenschappelijke gebeden, sprak Umar al-Mukhtar ﵀ met de bezoekende pelgrim-handelaren over de toestand van hun eigen gemeenschappen, over de Europese koloniale uitbreiding in hun eigen regio’s, en over de omstandigheden waarin zij bij hun terugkeer zouden komen te staan. Van Marokkaanse pelgrims ontving hij berichten over de Franse penetratie in de Maghreb, van Tunesische pelgrims rapporten over het Franse protectoraat sinds 1881, en van West-Afrikaanse pelgrims verslagen over de koloniale uitbreiding in Senegambia, in Nigeria en in de Tsjaad-Niger-zone.
De geestelijke uitwisseling met de Tijaniyya
Onder de bezoekende pelgrim-handelaren bevonden zich ook geleerden uit de Tijani-traditie van de West-Afrikaanse Umarian-erfenis, die het Umarian-werk na de dood van al-Hajj Umar Tall ﵀ in 1864 voortzetten en die in hun verbintenis met de Senussi-broederschap een gemeenschappelijke moslim-broederschap beleefden. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ waren deze ontmoetingen een geestelijke uitwisseling waarin hij de Tijani-traditie in haar West-Afrikaanse vorm leerde kennen, en hij kreeg een diepe waardering voor de gemeenschappelijke moslim-onderneming die de verschillen tussen de tarīqa’s oversteeg.
Zijn opleiding in Jaghbub was dus niet enkel een gewone Senussi-vorming maar een internationale moslim-vorming, waarin de bredere moslim-Oemma dagelijks aanwezig was. Op die brede internationale vorming zou hij als leider van het Cyrenaïcaanse verzet kunnen terugvallen, en zij plaatste hem in een verband waarin hij de moslim-eenheid in zijn eigen werk centraal kon houden.
De Ottomaans-Senussi verstandhouding
De verstandhouding tussen de Ottomaanse Hoge Porte en de Senussi-broederschap veranderde in de jaren tussen 1880 en 1900 van spanning in samenwerking. De Ottomaanse autoriteiten hadden de broederschap in de eerste decennia van haar aanwezigheid in Libië met wantrouwen bezien, als een mogelijke rivaal-aanspraak op de plaatselijke soevereiniteit; in de loop van de jaren tachtig en negentig herzagen zij dat standpunt, zodat de Senussi-broederschap werd gezien als partner in de weerstand tegen de Europese koloniale uitbreiding die op komst was.
Die nieuwe verstandhouding ontwikkelde zich onder Sultan Abdulhamid II, die van 1876 tot 1909 het Ottomaanse hoofdleiderschap voerde, binnen een pan-islamitische strategie waarin de Hoge Porte zich als geestelijk leider van de moslimwereld presenteerde en waarin de verbintenissen met de soefitische broederschappen een centrale plaats kregen. Voor de Senussi-broederschap betekende die Ottomaanse strategie geestelijke en politieke ondersteuning, en zij verschafte de Senussi-onderneming een ruime internationale legitimiteit.
Het bezoek van Ottomaanse afgezanten
In de jaren tussen 1885 en 1900 kwamen verscheidene officiële Ottomaanse afgezant-missies naar Jaghbub en later naar Kufra, waarin de samenwerking stap voor stap werd vastgelegd. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende de aanwezigheid van deze afgezanten in zijn opleidings- en latere ikhwan-jaren dat hij diplomatiek verkeer van nabij kon waarnemen en bestuderen, en hij verwierf daarin een scholing in onderhandelen die hij als leider van het verzet niet zou kunnen missen.
De twee partijen bespraken een mogelijke gemeenschappelijke weerstand tegen de Italiaanse koloniale uitbreiding, en zij zetten enige praktische stappen, waaronder de Ottomaanse levering van wapens aan de Senussi-broederschap via de gewone gang van de Ottomaanse militaire uitwisseling. Toen de Italiaans-Turkse oorlog in 1911 uitbrak, kon de gemeenschappelijke Senussi-Ottomaanse verdediging op dat voorwerk steunen.
Naar zijn eerste leiderschapspositie
In de jaren rond 1900, toen Umar al-Mukhtar ﵀ tweeënveertig jaar oud was, nam zijn verantwoordelijkheid in de Senussi-organisatie gestaag toe. In 1900 of het vroege 1901 stelde Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ hem aan als ikhwan-leider voor een bepaalde zawiya in Cyrenaica, en met die aanstelling sprak de hoofdleider zijn vertrouwen uit in wat er van zijn voormalige leerling was geworden. Zij betekende dat Umar al-Mukhtar ﵀ naar Cyrenaica zou terugkeren voor zijn eerste zelfstandige leiderschapspositie in de Senussi-broederschap, en zij was de eerste stap op de weg die hem in de decennia daarna tot leider van het Cyrenaïcaanse verzet zou maken.
In dit artikel hebben wij gezien hoe de jonge Umar in de jaren tussen 1880 en 1900 in Jaghbub en in een later stadium in Kufra een politieke en bestuurlijke vorming ontving die hem op zijn leiderschap voorbereidde. De Senussi-strategie tegenover de Italiaanse koloniale dreiging, drievoudig van opzet met organisatorische versterking, wapenvoorraad-uitbreiding en diplomatieke uitwisseling, werd in deze jaren gelegd, en de verplaatsing van het hoofdkwartier van Jaghbub naar Kufra in 1895 gaf de broederschap de geografische ruimte om haar uit te voeren. Aan zijn eerste leiderschapspositie als ikhwan in Cyrenaica, en aan de wijze waarop zij hem op zijn rol als leider van het Cyrenaïcaanse verzet voorbereidde, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
Bronnen
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge, Hurst (1995), pp. 272–334.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 124–186.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 112–158.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 124–186.
- B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 214–256.
- Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, 1830–1980, Princeton University Press (1986), pp. 112–168.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 98–134.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 88–134.
