De Geboorte van de Leeuw van de Woestijn
In het voorgaande artikel volgden wij de politieke opleiding van Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub en in Kufra, en zagen wij hoe hij tussen 1880 en 1900 binnen de Senussi-vorming werd klaargemaakt voor een leidende rol in de broederschap. Wij beschreven de Senussi-strategie tegenover de Italiaanse koloniale dreiging die zich aftekende, de wapenaankopen van die decennia, de huwelijksverbintenissen die hem ook familiaal aan de Senussi-organisatie bonden, en de verplaatsing van het hoofdkwartier van Jaghbub naar Kufra in 1895. Dit artikel volgt zijn eerste grote leiderschapsopdracht: de Senussi-onderneming in het Tsjaad-Wadai-gebied tussen 1890 en 1899, waaruit de eretitel “Leeuw van de Woestijn” voortkwam die de rest van zijn leven en de hele Cyrenaïcaanse overlevering aan zijn naam verbonden zou blijven.
De Senussi-uitbreiding in het zuiden
De motieven achter de zuidelijke strategie
De Senussi-uitbreiding naar de zuidelijke Sahara kwam voort uit drie overwegingen die elkaar versterkten. De eerste was de Europese koloniale opmars in Noord-Afrika: de Franse aanwezigheid in Algerije was sinds 1830 uitgebreid naar Tunesië in 1881 en zou zich verder naar het Tsjaad-Niger-gebied verplaatsen, zodat de broederschap zich tijdig op die beweging moest voorbereiden. De tweede was economisch, want de zuidelijke Saharaanse zone lag aan de Trans-Saharaanse handelsroutes, met haar goud-, zout- en slaven-handel, en die handel kon de financiële positie van de broederschap versterken. De derde was geestelijk: onder de moslim-gemeenschappen van de regio kon de Senussi-discipline de bestaande moslim-organisatie in één gemeenschappelijke vorm brengen.
Onder Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ werden die drie overwegingen tot één strategie, die in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw het zuidelijke deel van het Senussi-netwerk uitbreidde naar de Tsjaad-Wadai-gebieden en tot in de naburige Saheliaanse zones. Zij had drie hoofddoelen. Het zawiya-netwerk moest worden uitgezet in een gebied dat aan een Franse en een Britse onderwerping zou worden blootgesteld, want een vroege Senussi-aanwezigheid kon de plaatselijke moslim-gemeenschappen in een houding van weerstand brengen. De economische verbintenissen moesten worden vastgelegd met de wijde Trans-Saharaanse handelsruimte, die in het Tsjaad-gebied haar centrale knooppunt had. En de geestelijke werking moest de Tubu-, Kanembu- en Kanuri-gemeenschappen bereiken, die vanuit hun eigen moslim-tradities het netwerk konden dragen.
Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ betekende zijn aanstelling tot leider van de Wadai-onderneming dat hij aan de strategie van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ zelf ging meebouwen. Hij werd in 1893 of het vroege 1894 aangewezen voor de leiding van een Senussi-missie naar Wadai, en die aanwijzing sprak uit welk vertrouwen Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in zijn vorming stelde. Umar al-Mukhtar ﵀ vertrok in 1894, zesendertig jaar oud, uit Kufra met een lange karavaan, met de opdracht de Senussi-aanwezigheid in de gemeenschappen daar te vestigen.
Wadai en de ontvangst van de Senussi-missie
Wadai was een uitgestrekt Saheliaans sultanaat in het centrale Tsjaad-bekken, op een afstand van ongeveer duizend kilometer ten zuidwesten van Kufra, en het was een moslim-koninkrijk dat sinds de zeventiende eeuw een eigen geestelijke en politieke traditie had opgebouwd. De heersers, in de jaren negentig onder Sultan Yusuf, onderhielden brede geestelijke banden met soefitische broederschappen in Noord-Afrika en in Egypte, en zij ontvingen de Senussi met geestelijke gastvrijheid.
Die ontvangst gaf Umar al-Mukhtar ﵀ meteen een werkbasis. Samen met de plaatselijke Wadai-ulama stichtte hij een Senussi-zawiya op een centrale plaats in het sultanaat; hij vestigde zich in een nederzetting nabij de hoofdstad Abeche en begon onmiddellijk met de Senussi-inwijdingen onder de moslim-bevolking, zodat geestelijke leiding en organisatorische opbouw van meet af aan in elkaar grepen. In de vijf jaar die volgden groeide zijn netwerk in Wadai en in de naburige gebieden uit tot ongeveer tien zawiya’s, elk met een aangewezen plaatselijke ikhwan die onder zijn leiding zijn eigen werk deed.
Wadai binnen de bredere Senussi-uitbreiding
Wat hij in Wadai deed stond niet op zichzelf. In Kufra werd in dezelfde jaren de consolidatie van het hoofdkwartier voortgezet, in het oostelijke Niger en in noordelijk Tsjaad werden aanvullende zawiya’s gesticht, en de banden tussen al die gebieden werden onder de centrale leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ bijeengehouden. Umar al-Mukhtar ﵀ werkte dus binnen een beweging die de Senussi-broederschap tot de invloedrijkste moslim-organisatie van de hele Saharaanse zone maakte.
De correspondentie met het Senussi-hoofdkwartier hoorde daarbij: Umar al-Mukhtar ﵀ deed nauwkeurig verslag van zijn voortgang en ontving aanwijzingen voor de volgende fasen van zijn werk. De brieven gingen mee met de Trans-Saharaanse karavanen, onder geheimhouding en met zorgvuldige logistieke voorbereiding, en zij vormden een kern van de Senussi-coördinatie tussen werkzaamheden die over de hele Sahara verspreid lagen.
De Leeuw van de Woestijn
De eretitel “Leeuw van de Woestijn”, die in de decennia daarna onlosmakelijk aan de naam van Umar al-Mukhtar ﵀ zou vastzitten, ontstond in deze Wadai-jaren. In de plaatselijke overlevering wordt vermeld dat een Senussi-ikhwan in een vrijdagspreek in een van de Wadai-zawiya’s de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ vergeleek met een leeuw die zijn gemeenschap diende in de wijde Saharaanse woestijn, een vergelijking die moed en persoonlijke ernst in één beeld moest vatten. De gemeenschap nam haar over, en in de loop van enkele jaren droeg de Senussi-overlevering de eretitel als vanzelf met zijn naam mee.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ zelf was de eretitel niet meer dan een uiting van Senussi-bewondering, en zijn persoonlijke nederigheid liet hem niet toe haar toepasselijk te vinden: in zijn vrijdagspreken in Wadai en in zijn afzonderlijke gesprekken met de plaatselijke ikhwan zei hij telkens opnieuw dat geestelijk leiderschap aan Allah ﷻ toebehoorde en niet aan de geestelijke leider zelf, en hij weigerde er bovenmatige aandacht aan te besteden. Aanvaarden moest hij haar wel, want in de plaatselijke gemeenschap deed zij haar werk, en in de Senussi-overlevering, later in heel Cyrenaica en in de bredere moslimwereld, is “Leeuw van de Woestijn” nooit meer van zijn naam los te maken geweest.
De Franse koloniale uitbreiding
Terwijl de Senussi zich in Wadai vestigden, drong Frankrijk het Tsjaad-bekken binnen, en die opmars zou bepalen hoe het verder met de regio ging. De Franse koloniale autoriteiten waren sinds 1870 bezig met hun uitbreiding in West- en Centraal-Afrika en zetten die in de jaren negentig door naar Tsjaad, in een reeks militaire expedities die in 1898 uitliep op de doorslaggevende Slag bij Kousseri; daar braken de Franse troepen de plaatselijke macht van Rabih az-Zubayr ﵀ en vestigden zij formeel de Franse koloniale heerschappij over Tsjaad.
Voor de Senussi-onderneming in Wadai veranderde dat de omstandigheden waarin zij was begonnen. De autoriteiten van het sultanaat kwamen in de decennia daarna onder een toenemende Franse politieke druk te staan, die in 1909 uitliep op de inname van Abeche door Franse troepen. Umar al-Mukhtar ﵀ moest de Senussi-aanwezigheid intussen overeind houden, en dat vroeg geestelijke discipline en politieke voorzichtigheid tegelijk.
De terugkeer naar Cyrenaica
In 1899 of het vroege 1900, na ongeveer vijf jaar van Senussi-werk in Wadai, ontving Umar al-Mukhtar ﵀ een uitnodiging van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ om naar Cyrenaica terug te keren voor een nieuwe opdracht. Hij droeg de leiding over Wadai over aan een aangewezen opvolger en begon aan de lange karavaanreis terug via Kufra. In de plaatselijke Wadai-gemeenschap werd zijn vertrek met aanzienlijk verdriet ontvangen, want in zijn vijf jaar van werk was hij daar een centrale geestelijke figuur geworden, en de plaatselijke ikhwan reden hem gezamenlijk uit voor de eerste etappe van zijn terugreis.
In Kufra ontving Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ hem in audiëntie en sprak zijn waardering uit voor het werk dat de jonge Cyrenaïcaan in Wadai had voltooid. Bij die ontmoeting kreeg hij zijn nieuwe opdracht: de leiding van een belangrijke zawiya in het Jebel Akhdar-gebied, een aanstelling die het begin was van zijn groei naar het Senussi-leiderschap over heel Cyrenaica. Hij voerde haar uit met geestelijke discipline en praktische werkzaamheid, en in de jaren daarna groeide hij uit tot een van de meest gerespecteerde Senussi-leiders van Cyrenaica.
Het gezinsleven na de terugkeer
Na zijn terugkeer naar Cyrenaica in 1899 of 1900 hervatte Umar al-Mukhtar ﵀ het huiselijke leven met zijn vrouw Fatima en met de kinderen die in zijn afwezigheid onder haar zorg waren opgegroeid. Het weerzien was zwaar van gevoel; het gemeenschappelijke leven moest worden teruggevonden en het huiselijke bestaan opnieuw worden opgebouwd, met zijn Bedoeïen-gewoonten van vroeger en zijn Senussi-discipline in dezelfde huishouding. Fatima had het huishouden al die jaren op haar eigen wijze staande gehouden, en zij ontving haar man met waardigheid en met de geestelijke verbondenheid die zij deelden.
De kinderen kenden hun vader vooral uit de overlevering van hun moeder en van de familieleden in de buurt, en bij zijn terugkeer moesten vader en kinderen elkaar over en weer opnieuw leren kennen. In de jaren daarna bouwde Umar al-Mukhtar ﵀ een hechte familiale band met hen op, en hij besteedde veel aandacht aan hun geestelijke vorming, waarin de Bedoeïen-traditie en de Senussi-discipline samenkwamen.
Het werk in de Cyrenaïcaanse zawiya
In zijn nieuwe positie leefde Umar al-Mukhtar ﵀ tussen de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-gemeenschappen, persoonlijk en familiaal met hen verbonden en dagelijks aan het werk in de plaatselijke zawiya. Hij ontving er leerlingen uit verschillende Bedoeïen-stammen en voerde Senussi-inwijdingen uit voor de moslim-bevolking, waarmee de Senussi-aanwezigheid in zijn gebied vaster kwam te staan. Daarnaast sprak hij in de plaatselijke geschillen recht volgens de Maliki-fiqh, en in zijn vrijdagspreken gaf hij de gemeenschap een geestelijke leiding die zijn gezag bevestigde.
Het Tubu-volk en hun rol
In zijn Wadai-werk ontmoette Umar al-Mukhtar ﵀ ook de Tubu, een Saharaans volk dat verspreid leefde van het noordelijke Tsjaad-bekken tot in de zuidelijke Libische woestijn en dat een eigen, herkenbare vorm van Saharaans bestaan voerde. Zij leefden van veeteelt en handel tegelijk en waren uitgesproken bedreven in het oriënteren en het oorlogvoeren in de woestijn, en juist die twee vaardigheden zouden hun in het Senussi-werk dat nog moest komen een uitgesproken rol geven.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ bracht de omgang met de Tubu zijn geestelijke werk buiten de Wadai-gemeenschap zelf. Hij voerde Senussi-inwijdingen uit onder Tubu-clans en leerde daar hun traditie kennen, en die kennis zou hem als militair leider in de Saharaanse zone onmisbaar blijken. De Italiaanse koloniale uitbreiding in Libië zou de Tubu-bevolking in een rechtstreekse confrontatie plaatsen, en het was de Senussi-Tubu-verbintenis die daaruit een kernstuk van het anti-koloniale verzet voortbracht.
De verschuiving in het Senussi-leiderschap
Terwijl hij in Wadai werkte, verschoof in de broederschap zelf het hoofdleiderschap. Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ betrok zijn opvolgers stap voor stap bij de verantwoordelijkheid: zijn neef Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, in deze jaren in zijn vroege dertig, kreeg een actieve rol in de Senussi-leiding en nam in toenemende mate praktische bestuurlijke taken op zich. Voor Umar al-Mukhtar ﵀ betekende die beweging dat hij bij zijn terugkeer naar Cyrenaica in een nieuwe positie binnen de Senussi-leiding zou worden geplaatst, een ontwikkeling die voor zijn latere rol als leider van het Cyrenaïcaanse verzet onmisbaar zou blijken.
Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀
Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀ was in 1894 ongeveer tweeëndertig jaar oud, een neef van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ en een gevormd geleerde die in zijn jongere jaren in Mekka en in Caïro had gestudeerd voordat hij het hoofdleiderschap van de Senussi-broederschap op zich zou nemen. Hij was welbespraakt en van een diepe geestelijke ernst, en hij won gaandeweg het vertrouwen van zijn oom voor de overdracht die eraan zat te komen.
De verstandhouding die in deze jaren tussen Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ en de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ groeide, werd een van de dragende verbintenissen van het latere anti-koloniale verzet. In de jaren tussen 1902 en 1918, toen Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀ het hoofdleiderschap voerde, deed hij een beroep op de geestelijke en praktische bekwaamheden van Umar al-Mukhtar ﵀, en op de samenwerking tussen die twee mannen zou het verzet worden gebouwd.
Het werk in de Wadai-zawiya’s
In de jaren tussen 1894 en 1899 bouwde Umar al-Mukhtar ﵀ het net van Senussi-zawiya’s in het Wadai-gebied en de naburige zones stuk voor stuk op. De eerste kwam er in 1894 of het vroege 1895, op een plek nabij Abeche, met de instemming van Sultan Yusuf van Wadai en met brede deelname van plaatselijke moslim-geleerden die zich aan de Senussi-zaak verbonden. In de jaren daarna volgden vier of vijf aanvullende zawiya’s in de naburige Wadai-dorpen, die het gewone Senussi-werk deden: Quran-onderwijs, juridische rechtspraak, en het aanhalen van de moslim-discipline ter plaatse.
Voor de plaatselijke Wadai-bevolking betekende dat een strengere en meer gedisciplineerde voortzetting van de moslim-traditie die zij al had. De Senussi-wird werd gemeenschappelijk in de plaatselijke moskeeën verricht, de Senussi-conventies van zelfvoorziening en gezamenlijke opbouw kwamen de dorpen binnen, en in de geschillen-rechtspraak werd de gewone toepassing van de Maliki-fiqh langs Senussi-lijnen verbreed.
De interne organisatie
Binnen dat net stond Umar al-Mukhtar ﵀ aan het hoofd. Elke plaatselijke zawiya werd geleid door een aangewezen plaatselijke ikhwan, en die ikhwan kwamen op geregelde tijden bijeen in de centrale zawiya van Abeche om met Umar al-Mukhtar ﵀ de voortgang van het werk te bespreken en de zaken die op de gemeenschap afkwamen. Geestelijke en bestuurlijke overwegingen liepen in die besprekingen door elkaar heen, en zij waren voor Umar al-Mukhtar ﵀ een praktische opleiding in de bestuurlijke leiding die in zijn latere rol als leider zou doorklinken.
De terugreis door de Sahara
De terugreis van Wadai naar Cyrenaica nam enkele maanden, met een caravaan-onderneming die de Saharaanse zone tussen Tsjaad en Libië doorkruiste. Onderweg kwam Umar al-Mukhtar ﵀ door verscheidene Senussi-zawiya’s, waar hij met de plaatselijke ikhwan in geleerde gesprekken naging wat zijn Wadai-werk had opgeleverd en wat de Senussi-broederschap in de bredere Saharaanse zone te wachten stond.
Voor zijn persoonlijke geestelijke leven waren die maanden een bezinning: op wat de Wadai-jaren hadden gebracht en op de vorm die zijn Cyrenaïcaanse werk zou moeten krijgen. In de avonduren, na de gemeenschappelijke gebeden in het caravaan-kamp, hield hij lange uren persoonlijke dzikr in de Senussi-discipline, en hij dacht strategisch na over de Italiaanse koloniale dreiging waarvan de sporen in zijn ouderlijk Cyrenaica steeds zichtbaarder werden.
De Tubu-cavalerie-traditie
Van alles wat de Tubu meebrachten zou hun cavalerie-traditie voor het Cyrenaïcaanse verzet het zwaarst wegen. Zij hadden in de Saharaanse oorlogvoering een eigen militaire bekwaamheid ontwikkeld: op snelle kamelen en met hun plaatselijke kennis voerden hun strijders een woestijn-guerrilla die de gewone Europese militaire conventies van haar tijd ver achter zich liet. De verstandhouding met de Tubu was voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn Wadai-jaren een praktische opleiding in juist die oorlogvoering, en de kennis die hij van hun militaire bekwaamheid opdeed zou hem als militair leider ondersteunen.
In de decennia daarna zouden de Tubu in het Cyrenaïcaanse Senussi-verzet een eigen rol vervullen, met brede deelname aan de gewapende uitwisselingen tegen de Italiaanse koloniale troepen en met strategische ondersteuning in de zuidelijke Cyrenaïcaanse Saharazone. Voor het welslagen van dat lange verzet zou de verstandhouding met de Tubu, waarvan het fundament in Umar al-Mukhtar’s ﵀ Wadai-jaren was gelegd, doorslaggevend blijken.
De Franse opmars in Tsjaad
Tussen 1890 en 1910 onderwierp Frankrijk het Tsjaad-Niger-gebied stap voor stap, militair en bestuurlijk, en de plaatselijke moslim-gemeenschappen die eraan werden onderworpen boden er weerstand tegen. Franse troepen onder generaals als Émile Gentil en later Henri Gouraud voerden in die jaren expedities uit die de plaatselijke politieke organisaties aantastten in de vorm waarin zij bestonden. Bij de Slag bij Kousseri in 1898, waar Rabih az-Zubayr ﵀ de marteldood vond, begon de definitieve Franse koloniale heerschappij over Tsjaad.
Voor de Senussi-broederschap in Wadai en in de zones daaromheen was die opmars een strategische uitdaging. Umar al-Mukhtar ﵀ hield in zijn Wadai-jaren de Franse militaire methoden nauwlettend in de gaten, hij verkreeg via plaatselijke Tubu- en Wadai-informanten inlichtingen over de Franse bewegingen die op til waren, en hij liet zijn rapporten daarover doorgaan naar de Senussi-centrale leiding in Kufra.
Het bezoek aan de Mahdi-overlevenden
In diezelfde Wadai-jaren ontmoette Umar al-Mukhtar ﵀ ook enige van de overlevenden van de Mahdiyya-beweging in Soedan, die in 1898 was gevallen onder de Britse-Egyptische troepen van Generaal Kitchener en wier overgebleven leden in de Saharaanse zone tussen Tsjaad en Soedan een vluchtelingengemeenschap vormden. Die ontmoetingen waren een leerschool in wat een gefaalde anti-koloniale onderneming een gemeenschap kost, en zij gaven Umar al-Mukhtar ﵀ een geleerd inzicht in wat koloniale militaire methoden aanrichten onder een moslim-gemeenschap die vanuit haar geestelijke overtuiging verzet heeft gevoerd.
In zijn gesprekken met de Mahdi-overlevenden, voor zover die in latere overlevering zijn bewaard, dacht Umar al-Mukhtar ﵀ door over de vorm die anti-koloniaal verzet in de negentiende eeuw had aangenomen. Wat hij daar begreep zou hem onderscheiden toen hij zelf als leider van het Cyrenaïcaanse verzet in de Italiaanse confrontatie kwam te staan.
Naar de Imam-positie van Zawiyat al-Qusour
In de jaren rond 1902, toen Umar al-Mukhtar ﵀ vierenveertig jaar oud was, kwam er een volgende stap in zijn verantwoordelijkheid binnen de Senussi-organisatie. In dat jaar ging het Senussi-hoofdleiderschap van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ over op zijn neef Sayyid Ahmad al-Sharif al-Sanusi ﵀, en werd hij aangesteld als imam van de Zawiyat al-Qusour, een zawiya in het Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar-gebied die een centrale plaats innam in het regionale Senussi-netwerk. Aan die aanstelling, en aan de wijze waarop zij hem voorbereidde op zijn leiderschap van het Cyrenaïcaanse verzet, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.
In dit artikel hebben wij gevolgd hoe de jonge Umar tussen 1894 en 1899 in de Senussi-onderneming in Wadai een praktische vorm van leiderschap ontwikkelde, hoe hij daar de eretitel “Leeuw van de Woestijn” verkreeg die zijn verdere leven en de Cyrenaïcaanse overlevering zou blijven vergezellen, hoe de Franse koloniale opmars in Tsjaad het Senussi-werk in zijn zuidelijke zone begon te raken, en hoe de terugkeer naar Cyrenaica in 1899 of 1900 zijn groei naar het Senussi-leiderschap in zijn eigen geboortegebied in een nieuwe fase bracht.
Bronnen
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 186–214.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge, Hurst (1995), pp. 334–376.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 158–198.
- Jean-Claude Zeltner, Pages d’histoire du Kanem: Pays tchadien, L’Harmattan (1980), pp. 156–214 [voor de Wadai-Senussi-context].
- Dennis D. Cordell, Dar al-Kuti and the Last Years of the Trans-Saharan Slave Trade, University of Wisconsin Press (1985), pp. 124–168.
- Pierre-Alban Thomas, Les rezzous Sénoussistes au Tchad, Karthala (1979), pp. 56–124.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 186–214.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 134–168.
