De Vierde Kust
Voordat Umar al-Mukhtar ﵀ in 1858 in het Cyrenaïcaanse dorp Janzur werd geboren, voordat zijn naam in de droge bergen van de Jebel Akhdar zou rondklinken en voordat zijn ruiters de Italiaanse koloniale macht in de woestijn zouden uitputten, kende Libië al een lange en moeizame geschiedenis waarin de Mediterrane wereld, de Saharaanse handelsroutes en de Ottomaanse Hoge Porte elk hun eigen aanspraken op de kust en op het binnenland lieten gelden. Wie het leven van Umar al-Mukhtar ﵀ wil verstaan, moet daarom niet bij zijn geboorte beginnen maar bij Cyrenaica zelf, bij de Senussi-broederschap die in het binnenland haar geestelijke en politieke rol opbouwde, en bij de Italiaanse koloniale aspiratie die de Mediterrane noordkust van Afrika tot de zogeheten Vierde Kust van Italië wenste te maken. De gevolgen daarvan zouden zich in zijn eigen levensloop ten volle en tragisch tonen.
Cyrenaica in de negentiende eeuw
Het Ottomaanse Libië in zijn drie regio’s
Het Ottomaanse Libië bestond in de negentiende eeuw uit drie regio’s die geografisch en cultureel weinig met elkaar gemeen hadden. Tripolitania in het westen, met de hoofdstad Tripoli en met uitgestrekte landbouwgebieden langs de Mediterrane kust, was het meest verstedelijkte en bestuurlijk best geïntegreerde deel. Cyrenaica in het oosten, met de havensteden Benghazi en Derna, was overwegend Bedoeïens en veel losser aan de Ottomaanse opperheerschappij verbonden. En Fezzan in het zuiden, een uitgestrekte Saharaanse oasezone met de hoofdstad Murzuq, leefde van de Trans-Saharaanse handelsroutes en had daarmee een eigen cultureel en politiek karakter.
Voor het latere levenswerk van Umar al-Mukhtar ﵀ was juist Cyrenaica beslissend. De Senussi-broederschap koos bij haar verspreiding de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-stammen als haar eerste gemeenschap, en het verzet tegen de Italiaanse koloniale uitbreiding in de jaren twintig en dertig zou zich vooral in de Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar afspelen, op een wijze die de geografische en sociale verhoudingen van dat gebied nauwkeurig weerspiegelde.
Cyrenaica, in het Arabisch Barqa, is het oostelijke deel van het hedendaagse Libië en strekt zich uit van de Golf van Sirte in het westen tot aan de Egyptische grens in het oosten. Het valt uiteen in drie zones. Langs de Mediterrane noordkust ligt een smalle strook betrekkelijk vruchtbaar landbouwgebied met de havens van Benghazi, Derna en Tobruk. Direct daarachter verheft zich de Jebel Akhdar, de Groene Bergen, een laag plateau van enkele honderden meters hoog waarvan de noordhellingen dicht bebost zijn en de hogere delen ruime weidegebieden dragen. Daarachter begint de uitgestrekte Saharaanse woestijn, die doorloopt tot in Tsjaad en Soedan en die alleen wordt onderbroken door verspreide oasestadjes, plaatsen die in de geschiedenis van Cyrenaica altijd een eigen onafhankelijke positie hebben behouden.
De bevolking van Cyrenaica was in de negentiende eeuw in haar grote meerderheid Arabisch-Bedoeïens van afkomst. Negen grote stamverbintenissen, gezamenlijk aangeduid als de Saʿadi-stammen, waren in een web van bondgenootschappen en rivaliteiten over het gebied verdeeld; tot hen behoorden onder andere de Awaqir, de Magharba, de Bara’asa, de Hasa, de Abid en de Aulad Ali. In hun eigen weidegebieden oefenden zij een plaatselijke autonomie uit die de Ottomaanse opperheerschappij formeel erkende, maar die in de praktijk weinig directe Ottomaanse bestuurlijke aanwezigheid tegenover zich vond.
De Ottomaanse aanwezigheid
De Hoge Porte had Libië in 1551 aan haar Rijk toegevoegd na de inname van Tripoli door Sinan Pasja, en zij regeerde er de drie volgende eeuwen indirect: plaatselijke heersersfamilies voerden als vazallen het dagelijks bestuur onder een nominale Ottomaanse opperheerschappij. Vanaf 1835, toen de Ottomaanse autoriteiten hun gezag over Libië alsnog rechtstreeks wilden vestigen, verschoof dat langzaam naar een directer bestuur, met de instelling van een wali in Tripoli en met een nevenadministratie in Benghazi voor het Cyrenaïcaanse oosten.
In de havensteden had dat bestuur vanuit Benghazi enig effect, maar in het binnenland, en zeker in de Bedoeïen-weidegebieden van de Jebel Akhdar en de aangrenzende Saharazone, bleef het grotendeels symbolisch. De plaatselijke Bedoeïen-stammen erkenden de opperheerschappij door jaarlijks een bescheiden belasting te betalen en door bij een Ottomaanse oproep tot militaire dienst enkele honderden ruiters te leveren, maar in alle praktische zaken behielden zij hun interne autonomie en spraken zij zelf recht, volgens een menging van plaatselijke gewoonten en Maliki-fiqh die de Ottomaanse autoriteiten duldden.
De ordening van de Saʿadi-stammen
De negen Saʿadi-stammen die het binnenland van Cyrenaica bevolkten, ontleenden hun gezamenlijke naam aan de Banu Saʿadi-traditie, waarin zij hun afstamming herleidden tot de Banu Hilal-Arabieren die in de elfde eeuw in een grote migratiebeweging vanuit het Egyptische gebied naar Noord-Afrika waren getrokken. Onderling waren zij door bondgenootschappen en huwelijksverbintenissen aan elkaar gebonden, en in de loop van de eeuwen was daaruit een vaste ordening gegroeid waarin elke stam haar eigen weidegebied bezat, haar eigen seizoenelijke verplaatsingsroutes volgde en haar eigen interne organisatie kende.
Naast hen leefden in Cyrenaica ook enige niet-Saʿadi-stammen, plaatselijk de Maradi-stammen genoemd, die in een ondergeschikte positie aan de Saʿadi-stamverbintenissen verbonden waren en die hun bestaan in de Bedoeïen-economie als cliënten voerden. De Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving was dus gelaagd, met vrije Saʿadi-stammen boven afhankelijke Maradi-stammen, en die gelaagdheid was in de dagelijkse omgang zichtbaar en werkte door in de rechtspraak van de plaatselijke shaykhs, die voor beide groepen niet dezelfde was.
De Senussi-broederschap
In dit politieke landschap begon vanaf 1843 een geestelijke beweging die Cyrenaica in de decennia daarna van binnenuit zou veranderen. Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, een Algerijnse geleerde die in 1787 nabij Mostaganem was geboren en die in zijn opleidingsjaren in Fez en in Mekka een grondige geleerdheid had verworven, stichtte in dat jaar in het Cyrenaïcaanse gebied de eerste zawiya van wat zou uitgroeien tot de Senussi-broederschap: een soefitische tarīqa die geestelijke discipline, economische zelfstandigheid en een politieke rol in één organisatie verenigde.
Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ had in zijn vroege jaren in Mekka gestudeerd onder de Idrisi-tarīqa van Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, en in zijn eigen werk bouwde hij op die erfenis voort met nadruk op enkele punten die in zijn latere broederschap centraal kwamen te staan. De Senussi-leer vroeg ten eerste om een rechtstreekse terugkeer naar de Quran en de hadith, zonder de tussenkomst van scholastieke commentaren; ten tweede om een strenge en gemeenschappelijk uitgevoerde dzikr-praktijk; en ten derde om zawiya-gemeenschappen die zichzelf konden onderhouden, doordat godsdienstige toewijding er samenging met eigen economische productie.
De netwerk-uitbreiding
Onder de leiding van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ zelf tot zijn dood in 1859, en daarna vanaf 1859 onder zijn zoon Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, groeide de broederschap uit tot een netwerk van enkele honderden zawiya’s, verspreid over de uitgestrekte Saharazone tussen Marokko in het westen, het Tsjaadmeer-bekken in het zuiden en Egypte in het oosten. Het hoofdkwartier werd in 1856 verplaatst van het oorspronkelijke al-Bayda in de Jebel Akhdar naar Jaghbub, een oase in de zuidoostelijke Sahara aan de huidige Libisch-Egyptische grens; die keuze bracht de broederschap op grotere afstand van de Ottomaanse autoriteiten en gaf haar de ruimte om haar eigen organisatie ongestoord op te bouwen.
Voor de Bedoeïen-stammen van Cyrenaica werd de broederschap in de tweede helft van de negentiende eeuw de centrale geestelijke en sociale instelling. In elke grotere stamverbintenis stond een zawiya, en die zawiya was tegelijk Quran-school voor de kinderen, rechtbank voor de geschillen tussen de stammen, magazijn voor de gemeenschappelijke voorraden en plaats voor de gezamenlijke dzikr-bijeenkomsten. Daarmee voltooide de Senussi-broederschap in feite het bestuur van Cyrenaica: naar de vorm bleef de Ottomaanse opperheerschappij staan, maar in de praktijk werkte er een onafhankelijk Bedoeïen-Senussi-bestuur.
De Senussi-zawiya als organisatie-eenheid
De zawiya was in haar gewone vorm dus veel meer dan een geestelijk centrum; zij was de bestuurlijke en economische eenheid waarin de plaatselijke gemeenschap haar collectieve zaken regelde. Zij omvatte een centrale gebedszaal waarin de plaatselijke djamaat ook bijeenkwam, een Quran-school voor de kinderen van de naburige Bedoeïen-families, een gastenhuis voor reizigers die door het gebied trokken, een ruim magazijn voor de gemeenschappelijke graanvoorraden in geval van droogte of crisis, een eigen kleine moskee voor de gewone gebeden, en een aparte zaal waarin de gemeenschappelijke dzikr volgens de bijzondere Senussi-discipline werd gehouden.
Aan het hoofd stond een ikhwan, een plaatselijke broederschapsleider die door het Senussi-hoofdkwartier in Jaghbub was aangewezen en die de zaken van de gemeenschap samen met de plaatselijke stam-shaykhs behartigde. Hij werd in het hoofdkwartier opgeleid voordat hij zijn aanstelling kreeg, en zijn werk bestond uit geestelijke onderwijzing, rechtspraak in plaatselijke geschillen volgens de Maliki-fiqh, en het beheer van de gemeenschappelijke voorraden. Voor de Bedoeïen-bevolking was hij daardoor in het dagelijks leven een vertrouwde figuur, iemand met geestelijk gezag en met praktisch bestuurlijk verstand tegelijk.
De Italiaanse koloniale aspiratie
Terwijl dit in Cyrenaica gebeurde, groeiden in het Italiaanse staatsverband van de tweede helft van de negentiende eeuw de koloniale ambities die in 1911 op de Italiaans-Turkse oorlog zouden uitlopen. Italië had in 1861 onder Victor Emmanuel II en Camillo Cavour zijn nationale eenheid verworven en stapte in de decennia daarna in de Europese koloniale wedijver, met een eerste experiment in Eritrea en Somalië in de jaren tachtig en negentig en met de katastrofale nederlaag van Adwa tegen Ethiopië in 1896, die de Italiaanse koloniale aspiraties tijdelijk voorzichtiger maakte.
Vanaf 1908, toen Italië onder premier Giovanni Giolitti een eerzuchtiger koloniale agenda ging voeren, kregen de Italiaanse aspiraties op Libië vaste vorm langs drie wegen tegelijk: economische penetratie, diplomatieke voorbereiding en militaire planning. De Banco di Roma opende in deze jaren handelskantoren in Tripoli en Benghazi, Italiaanse zendelingen begonnen scholen in de havensteden, en het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhandelde langdurig met de Europese mogendheden over een toekomstige Italiaanse koloniale aanwezigheid in Libië.
De propaganda van de Vierde Kust
In de Italiaanse nationale propaganda werd Libië in deze jaren als de toekomstige Vierde Kust van Italië gepresenteerd, naar een woordgebruik dat de drie historische kusten van het Italiaanse schiereiland uitbreidde met een vierde kust aan de overzijde van de Middellandse Zee. Die propaganda leunde op historische argumenten over de Romeinse aanwezigheid in Libië in de oudheid, op nationale aspiraties naar een Italiaanse mediterrane suprematie in navolging van de Romeinse traditie, en op economische argumenten over een toekomstige Italiaanse landbouwkolonisatie in de Libische bergen en kustzones. Het nationaal-romantische en het economisch-pragmatische liepen daarin door elkaar heen, en samen maakten zij de Italiaanse openbare opinie rijp voor een koloniale onderneming.
Voor de Bedoeïen-Senussi-bevolking van Libië lag dit alles in 1858 nog in een verre fase, en van een directe Italiaanse koloniale dreiging was in dat jaar nog geen sprake. Het patroon van de Europese koloniale uitbreiding in Noord-Afrika tekende zich toen al wel af: de Fransen zaten sinds 1830 in Algerije, hun penetratie in Tunesië zou in 1881 in een protectoraat worden vastgelegd, en de Britse aanwezigheid in Egypte zou in 1882 in een onuitgesproken bezetting worden geformaliseerd. De Italiaanse onderneming in Libië paste in die bredere Europese uitbreiding, waarin geen enkele moslim-gemeenschap in haar oorspronkelijke autonomie kon blijven bestaan.
De Italiaanse openbare opinie
Tussen 1900 en 1911 werd de Italiaanse openbare opinie in de pers, in de literatuur en op de openbare bijeenkomsten van de tijd stap voor stap op die onderneming voorbereid. Giovanni Pascoli sprak in 1911 zijn beroemde rede La grande proletaria si è mossa uit, op de avond van de Italiaanse oorlogsverklaring tegen het Ottomaanse Rijk, en hij goot het koloniale plan in nationaal-religieuze en sociaal-economische taal tegelijk. Italië was in zijn lezing de grote proletarische natie, die niet de gewone roof van de oudere Europese koloniale machten zou herhalen maar een werkelijke beschaving-brengende onderneming zou uitvoeren, waarin de arme Italiaanse boeren in de Libische bergen hun toekomstige bestaan konden vinden.
De propaganda van de Vierde Kust werd gedragen door geletterde en politieke vertegenwoordigers van de Italiaanse staat en samenleving. Zij was geen marginaal verschijnsel maar een kernstuk van het Italiaanse nationaal-politieke leven in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw, en zij zorgde ervoor dat de Italiaans-Turkse oorlog en de uitbreiding van de Italiaanse koloniale dominantie in Libië op brede Italiaanse instemming konden rekenen. Voor het verzet van Umar al-Mukhtar ﵀ betekende dat, dat hij in zijn jarenlange strijd niet alleen tegen een militaire macht zou opereren maar ook tegen een Italiaanse openbare opinie die haar koloniale onderneming voor een rechtvaardige zaak hield.
De geboorte in een veranderde wereld
In 1858, toen Umar al-Mukhtar ﵀ in het Cyrenaïcaanse dorp Janzur ter wereld kwam, werkten er dus drie krachten op de wereld in die hem wachtte. De Ottomaanse opperheerschappij hield de Libische soevereiniteit formeel nog overeind, maar zij verzwakte van jaar tot jaar. De Senussi-broederschap bouwde met haar netwerk van zawiya’s en met haar groeiende organisatie precies het weefsel waarop zijn eigen latere leven en strijd zouden rusten. En de Europese koloniale uitbreiding, in het bijzonder de Italiaanse aanspraak op Libië, zou zijn levenswerk zijn tragische loop geven.
Voor de gewone Bedoeïen-familie in Janzur, en voor de Mukhtar-clan binnen de Manifa-substam van de Hasa-bevolking waaruit het pasgeboren kind voortkwam, waren die drie krachten in 1858 nog niet in het dagelijks leven aanwezig. Het leven ging op de gewone Bedoeïense wijze voort: veeteelt, seizoenelijke verplaatsingen tussen de hogere weiden van de Jebel Akhdar in de zomer en de lagere weiden van de Saharazone in de winter, gemeenschappelijke maaltijden van gerstebrei en kameelmelk, en de vertrouwde band met de plaatselijke Senussi-zawiya die vlakbij de geestelijke leiding verzorgde. De krachten die zijn wereld zouden verbouwen waren er niettemin al, en zij lagen klaar voor een levensloop die zich op een eigen onnavolgbare wijze zou ontvouwen.
De ligging van Janzur
Janzur was oorspronkelijk een kleine Bedoeïen-nederzetting in de uitgestrekte zandvlakten ten zuidwesten van Tobruk, in het gebied waar de Cyrenaïcaanse Jebel Akhdar overgaat in de droge Saharavlakten van de zuidoostelijke Libische woestijn. In 1858 bestond zij uit enkele tientallen Bedoeïen-tenten van de Mukhtar-clan en van een aantal verwante Manifa-substam-gezinnen, gegroepeerd rond een gemeenschappelijke waterput en omringd door de uitgestrekte weidegebieden waarover de plaatselijke kuddes hun seizoenelijke ronde maakten. Het was een nederzetting van geringe omvang, geheel passend in het patroon van de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-samenleving.
Vlakbij lag een Senussi-zawiya, in het naburige al-Bayda-gebied dat in deze jaren tot een groeiend Senussi-centrum uitgroeide, en die nabijheid gaf de nederzetting een geestelijke verbondenheid die in het gewone dagelijks leven herkenbaar was. De Mukhtar-familie onderhield een verstandhouding met de plaatselijke ikhwan, en langs die weg zou de pasgeboren zoon in zijn vroege jeugd in de Senussi-traditie worden ingewijd, een inwijding die in zijn verdere levensloop een centrale plaats zou krijgen.
De Hasa-stamverbintenis
De Hasa-stamverbintenis, waartoe de Mukhtar-clan via de Manifa-substam behoorde, was een van de negen grote Saʿadi-stammen van Cyrenaica en had haar weidegebied in de oostelijke Jebel Akhdar en de aangrenzende Saharazone. Het was een gemiddeld grote Bedoeïen-stam van enkele duizenden gezinnen, met een grote veestapel van kamelen, schapen en geiten, en met een raad van stam-shaykhs die de plaatselijke aangelegenheden gezamenlijk bestuurde. De Hasa stonden in het algemeen in een vriendelijke verhouding met de Senussi-broederschap, en de zawiya in hun weidegebied was het geestelijke centrum waarheen veel Hasa-families hun kinderen voor de eerste opleiding zonden.
Binnen de Mukhtar-clan, en zeker in het gezin van het pasgeboren kind, nam die verbintenis in 1858 al een centrale plaats in. De vader, Mukhtar ibn Umar al-Manifi ﵀, was een gerespecteerde stam-shaykh in de Manifa-substam en onderhield een goede verstandhouding met de zawiya in de buurt; hij had er in zijn jongere jaren zelf een korte opleiding genoten. In zijn dagelijks leven was hij een vroom moslim in de Senussi-discipline, die de vijf gebeden geregeld verrichtte en die op vrijdagavond aan de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomsten deelnam.
De drie krachten tussen 1858 en 1911
In de halve eeuw tussen 1858 en 1911 werkten de drie krachten die wij in dit artikel hebben besproken door op een wijze die Cyrenaica van de grond af zou veranderen. De Ottomaanse autoriteiten probeerden hun directe heerschappij in deze decennia herhaaldelijk te versterken, met een ruimere administratie in Benghazi, met de ontwikkeling van de plaatselijke havenfaciliteiten en met de uitbreiding van het Ottomaanse onderwijs, door Constantinopel als modernisering opgezet. Die pogingen liepen echter vast op de toenemende interne moeilijkheden van het Ottomaanse Rijk, op de Russisch-Turkse Oorlog van 1877–1878, en op de geopolitieke verzwakking van de Hoge Porte in haar Mediterrane positie die daarop volgde.
De Senussi-broederschap breidde in dezelfde decennia haar zawiya-netwerk verder uit, met de stichting van nieuwe centra in Kufra, in de Tsjaad-oasestadjes en in de uitgestrekte Saharazone tussen Libië en Sudan. Onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, die de broederschap van 1859 tot 1902 leidde, bereikte de organisatie haar grootste omvang en haar vastste vorm. In 1895 werd het hoofdkwartier van Jaghbub nog verder zuidwaarts naar Kufra gebracht, opnieuw een keuze die de broederschap buiten het bereik van de naderende Europese koloniale aanwezigheid hield, en daarmee legde zij het fundament waarop het verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ later kon worden gevoerd.
De Egyptische en Soedanese invloed
Bij haar uitbreiding kreeg de broederschap in deze decennia ook te maken met de geestelijke en politieke ontwikkelingen in Egypte en Soedan, en die werkten op Cyrenaica terug. De Mahdiyya-beweging in Soedan onder Muhammad Ahmad al-Mahdi ﵀ van 1881 tot 1885, en daarna onder zijn opvolger ʿAbd Allah ibn Muhammad ﵀ tot 1898, was een grote anti-koloniale beweging die men in Senussi-Cyrenaïcaanse kring met aandacht volgde. In hun publieke uitlatingen hielden de Senussi-leiders afstand tegenover de Mahdiyya, want de Mahdi-aanspraken van Muhammad Ahmad ﵀ achtten zij volgens de gewone soennitische leer juridisch niet houdbaar, maar in de praktijk ondersteunden zij de zaak van het Soedanese verzet tegen de Britse en Egyptische koloniale uitbreiding wel.
Voor het verzet dat Cyrenaica tegen Italië te wachten stond was de Mahdiyya een leerschool waarin zowel de mogelijkheden als de grenzen van een soefitisch geleid anti-koloniaal verzet zichtbaar werden. De val van het Mahdiyya-regime in 1898, onder de Britse-Egyptische troepen van Kitchener in de Slag bij Omdurman, en de Britse-Egyptische koloniale heerschappij over Soedan die daarop volgde, waren voor de Senussi-broederschap een waarschuwing over de Italiaanse koloniale dreiging, en in de jaren tussen 1898 en 1911 bereidden haar leiders zich geestelijk voor op de confrontatie die in het levenswerk van Umar al-Mukhtar ﵀ haar tragische beloop zou krijgen.
De Italiaanse uitbreiding tot 1911
De Italiaanse koloniale uitbreiding kwam in deze decennia stap voor stap dichterbij en zou haar beslag krijgen in de Italiaans-Turkse Oorlog van 1911–1912. Tussen 1880 en 1900 bleef het bij een diplomatieke en economische voorbereiding: langdurige onderhandelingen met Frankrijk en Groot-Brittannië over een toekomstige Italiaanse koloniale aanwezigheid in Libië, en een economische penetratie via de Banco di Roma en andere Italiaanse handelsondernemingen. Vanaf 1900 werd de toon assertiever, met de Italiaanse openbare opinie-campagne voor de Vierde Kust en met de militaire voorbereiding op de oorlog die eraan kwam.
In de Cyrenaïcaanse Bedoeïen-Senussi-kringen werd die koloniale onderneming daardoor aangevoeld lang voordat de eigenlijke oorlog in 1911 begon. Onder leiding van Sayyid Ahmad al-Sharif ﵀, de neef van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ die in 1902 de leiding van de broederschap overnam, bereidde de Senussi-organisatie zich tussen 1902 en 1911 op de confrontatie voor, met de versterking van haar interne organisatie en met de aankoop van wapens uit verschillende internationale leveringen via Egyptische en Turkse tussenhandelaren.
Naar de geboorte zelf
Aan de geboorte van Umar al-Mukhtar ﵀ in 1858, aan zijn vroege jeugd in Janzur en aan zijn opvoeding in de Senussi-traditie, die van hem in zijn jongelingsjaren een gevormde leerling van de broederschap zou maken, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. Hier hebben wij de bredere historische achtergrond verkend waartegen dat leven zich zou afspelen: een Ottomaanse opperheerschappij die verzwakte, een Senussi-broederschap die groeide, en een Europese koloniale aspiratie die in haar Italiaanse vorm het kader zou vormen waarin zijn werk zijn tragische uitkomst zou ontvangen.
De Vierde Kust, zoals de Italianen Libië in hun nationale propaganda noemden, zou in de halve eeuw na 1858 het toneel worden van een geestelijke en politieke strijd waarin de naam Umar al-Mukhtar ﵀ uiteindelijk tot een internationaal symbool van moslim-verzet zou uitgroeien. Maar in 1858, op de dag van zijn geboorte in het kleine dorp Janzur in de Cyrenaïcaanse Saharazone, lag dat alles nog volledig in de toekomst verborgen, en zijn ouders konden niet weten dat het kind in hun armen op een dag in 1931, op de leeftijd van drieënzeventig jaar, in een Italiaans interneringskamp een martelaarsdood zou sterven die zijn naam tot in de eenentwintigste eeuw in de moslimwereld zou laten weerklinken.
Wat de geboorte voor de Oemma betekende
Toen in 1858 in een klein Bedoeïen-dorp aan de uitloper van de Cyrenaïcaanse Saharazone een kind werd geboren, in een familie van bescheiden stand en in een gemeenschap die de bredere geopolitieke krachten van haar tijd in het dagelijks leven nauwelijks voelde, kon niemand vermoeden dat zijn naam in de loop van de twintigste en eenentwintigste eeuw zou uitgroeien tot een geestelijke kracht die in heel de moslimwereld als een symbool van het rechtvaardig verzet tegen koloniale onderdrukking zou worden herkend. Voor de Mukhtar-familie was de geboorte een gebeurtenis van persoonlijke vreugde, verder verlopen als elke Bedoeïen-geboorte in haar tijd, en zij werd in de directe gemeenschap gevierd volgens de plaatselijke gewoonten.
Voor de geschiedenis van de moslimwereld in de halve eeuw die volgde was zij, achteraf gezien, de gebeurtenis die aan het anti-koloniale verzet van de eerste helft van de twintigste eeuw een blijvende geestelijke vorm zou geven. Naast Imam Shamil ﵀ in de Kaukasus, naast al-Hajj Umar Tall ﵀ in Senegambia, naast Abd al-Qadir al-Jazaʾiri ﵀ in Algerije, en naast tal van andere geestelijke leiders die in hun eigen regio’s en in hun eigen tijden tegen de Europese koloniale uitbreiding hadden gestreden, zou Umar al-Mukhtar ﵀ een eigen onderscheiden plaats innemen, waarin Senussi-discipline, Bedoeïens militair vakmanschap en geestelijke standvastigheid op unieke wijze samenkwamen.
Bronnen
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya: State Formation, Colonization, and Resistance, 1830–1932, State University of New York Press (2009), pp. 28–66.
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 88–156.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 1–62.
- Lisa Anderson, The State and Social Transformation in Tunisia and Libya, 1830–1980, Princeton University Press (1986), pp. 56–112.
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation: Colonial Legacy, Exile and the Emergence of a New Nation-State, Routledge (2010), pp. 23–62.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 1: Tripoli bel suol d’amore (1860–1922), Mondadori (1986), pp. 18–86.
- Nicola Labanca, Oltremare: Storia dell’espansione coloniale italiana, il Mulino (2002), pp. 56–112.
- Enzo Santarelli, Giorgio Rochat, Romain Rainero, en Luigi Goglia, Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 7–48.
