De Sanussi Orde
In het voorgaande artikel stond de West-Afrikaanse fitna van 1861 en 1862 centraal, en wat zij betekende voor de Senussi-respons in Cyrenaica: wij zagen hoe de broederschap zich geestelijk en strategisch rekenschap gaf van wat een conflict tussen moslims onderling met haar eigen werk deed. Dit artikel pakt de chronologische lijn van Umar al-Mukhtar’s ﵀ leven weer op bij het jaar 1876, toen hij achttien jaar oud was, en bij de plaats Jaghbub, waar de Senussi-broederschap onder leiding van Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ haar grootste organisatorische omvang had bereikt. Het beschrijft de broederschap zoals zij in die jaren werkte, en het volgt Umar al-Mukhtar ﵀ bij zijn eerste aankomst in de zawiya van Jaghbub, waar de formele Senussi-opleiding begon die hem tot gevormd murid en ten slotte tot ikhwan-leider zou maken.
Jaghbub als hoofdkwartier
Jaghbub was een oasestad in de zuidoostelijke Sahara, bij de huidige Libisch-Egyptische grens, op een afstand van ongeveer tweehonderdvijftig kilometer ten zuiden van de Mediterrane kust, en zij dankte haar bestaan aan waterbronnen en palmtuinen die een oase-economie droegen. Sinds 1856 was zij het hoofdkwartier van de Senussi-broederschap. Die keuze was een strategische beslissing van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀: zij hield de broederschap op veilige afstand van de Ottomaanse autoriteiten in Benghazi en Tripoli en zette haar tegelijk midden op de Trans-Saharaanse karavaanroutes, die de Senussi-organisatie internationaal verbonden.
In 1876 was de stad uitgegroeid tot een nederzetting van enkele duizenden inwoners. De centrale zawiya was het grootste gebouw van het complex, met aanpalende vertrekken voor de murid-opleiding, een bibliotheek, magazijnen voor de gemeenschappelijke voorraden en werkplaatsen voor de plaatselijke ambachten; daarbij hoorden de palmtuinen en groentetuinen waarvan de gemeenschap zichzelf voedde, en aparte vertrekken voor de wijdvertakte Senussi-familie, die in deze jaren als clan de geestelijke leiding van de broederschap voerde.
Het stadsplan van Jaghbub
Het stadsplan bracht de geestelijke, bestuurlijke en economische taken van de broederschap op één plek bijeen. Om het centrale plein stonden de moskee aan de oostelijke zijde, het Senussi-residentie-complex aan de noordelijke zijde, de bibliotheek met de scriptorium-zaal aan de zuidelijke zijde en de gebouwen voor de bestuurlijke aangelegenheden aan de westelijke zijde, en vanaf dat plein liepen de straten naar de buitenwijken, waar de gewone Bedoeïen-families en de Senussi-leerlingen hun gemeenschappelijke verblijfplaatsen hadden.
Gebouwd werd er op Saharaanse wijze, met dikke leemwanden die de hitte van het klimaat op natuurlijke wijze temperden, met de platte daken die in de Noord-Afrikaanse bouwkunst gewoon waren, en met een binnentuin in het midden van elk gebouw waar men verbleef en elkaar ontmoette. Wie Jaghbub voor het eerst binnenkwam, zag onmiddellijk dat dit geen Cyrenaïcaans dorp was zoals het zijne, maar een geestelijk en bestuurlijk centrum.
Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀
Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ was in 1876 negenenveertig jaar oud en leidde de Senussi-broederschap sinds 1859, toen hij het hoofdleiderschap had overgenomen na de dood van zijn vader Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀. Hij was een geleerde van uitzonderlijke welbespraaktheid en van diepe geestelijkheid, en onder zijn leiding kreeg de broederschap haar grootste internationale uitbreiding en haar diepste organisatorische vorm. Het zawiya-netwerk groeide zo ver dat het zich in 1876 uitstrekte van Marokko in het westen tot de Tsjaadmeer-gebieden in het zuiden, met enkele honderden zawiya’s in één samenhangende organisatie.
Voor de gewone Senussi-leerling in 1876 was Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ in zijn dagelijkse aanwezigheid een figuur van geestelijke autoriteit die in zijn welbespraaktheid en in zijn persoonlijke vroomheid de broederschap belichaamde. Hij hield in de centrale moskee de vrijdagspreken waarin de leer van de broederschap werd uitgelegd, en hij ontving in afzonderlijke audiënties de pelgrim-bezoekers en de plaatselijke ikhwan voor persoonlijke leiding. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die in 1876 in Jaghbub aankwam, zou de eerste ontmoeting met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ een blijvende plaats in zijn leven krijgen.
De opbouw van het Senussi-netwerk
De Senussi-broederschap had in 1876 een organisatie die de afzonderlijke zawiya’s tot één geheel bond onder de centrale leiding in Jaghbub. Zij was gebouwd op een vierdelige structuur waarin elke laag haar eigen taken vervulde.
Aan de top stond het hoofdkwartier in Jaghbub, met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ als leider en met een Senussi-raad van naaste familieleden en gevormde ikhwan die samen de strategische en geestelijke koers bepaalden. Daaronder kwamen de zogeheten qutb-zawiya’s, ongeveer twintig in aantal, gevestigd in de regionale hoofdsteden van het netwerk en elk met een eigen gebied van directe zawiya’s onder zich. Daaronder stonden de gewone zawiya’s, ongeveer honderdvijftig in aantal in 1876, die hun geestelijke werkzaamheden voerden in de dorpen en in de uitgestrekte Bedoeïen-weidegebieden. Op de onderste laag ten slotte de plaatselijke murid-kringen: Bedoeïenen en stedelijke moslims die aan de broederschap verbonden waren zonder een formele functie in haar organisatie te bekleden.
De ikhwan-vorming
De ikhwan-vorming, de opleiding van de leiders van de broederschap, bestond uit studie en geestelijke discipline en duurde gemiddeld vijf tot acht jaar. Wie tot de opleiding in Jaghbub was toegelaten, kreeg in het eerste jaar les in de klassieke Arabische grammatica volgens de Ibn Malik-traditie, in de basisteksten van het Maliki-recht volgens Khalil ibn Ishaq ﵀ en al-Dasuqi ﵀, in de fundamenten van de Quran-recitatie in de Warsh-overlevering die in Noord-Afrika gangbaar was, en in de basisteksten van het Idrisi-tasawwoef waaraan de Senussi-traditie haar eigen geestelijke karakter ontleende.
In de jaren daarna kwamen daar de hadith-wetenschap bij, de werken van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ zelf in een grondige fiqh- en tasawwoef-uitleg, de praktische scholing in het bestuur van een zawiya, en de dzikr-praktijk waarin de geestelijke discipline stap voor stap werd verdiept. Aan het einde ontving de gevormde ikhwan een formele ijaza, waarmee hij in het Senussi-netwerk als leider werd erkend en waarmee hij aan het hoofd van een eigen zawiya kon worden gesteld.
Mukhtar’s aankomst
In het najaar van 1876, naar de meest gangbare reconstructie, kwam de achttienjarige Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub aan, na een reis van enkele weken vanuit zijn ouderlijk Cyrenaïcaanse dorp. De ikhwan die de nieuwe leerlingen onder zijn hoede had ontving hem in de zawiya, en hij kreeg, zoals voor een nieuwe Senussi-leerling gewoon was, een plaats in de gemeenschappelijke slaapzaal voor de jongere studenten. Zijn aankomst werd eenvoudig gevierd met een gemeenschappelijke maaltijd waarbij de nieuwelingen aan de gevormde ikhwan werden voorgesteld.
Voor de jonge Umar was het een grote overgang van het Bedoeïen-leven van zijn ouders naar het geleerde milieu van het Senussi-hoofdkwartier. In zijn dorp en in de plaatselijke al-Bayda-zawiya had hij al een basisopleiding gekregen in de Quran-recitatie en in de eerste Arabische letteren, maar wat hij in Jaghbub aantrof overtrof dat in omvang en in diepte. Naar wat de Senussi-overlevering van zijn jongelingsjaren vermeldt, wijdde hij zich met discipline aan het nieuwe studiewerk, en al in zijn vroege Jaghbub-jaren toonde zich de verbinding van geestelijke ernst en praktische bekwaamheid die hem later zou onderscheiden.
De reis vanuit Cyrenaica
De tocht van zijn ouderlijk dorp in Cyrenaica naar Jaghbub was een gewone Bedoeïen-reis door het uitgestrekte Saharaanse binnenland, met een afstand van ongeveer vierhonderd kilometer die in twee tot drie weken werd afgelegd. Umar reisde in het gezelschap van zijn vader Mukhtar ibn Umar al-Manifi ﵀ en van een kleinere familiale escorte die de tocht ondernam in een combinatie van geestelijke ondersteuning en praktische beveiliging. Zij trokken als karavaan, met enkele kamelen voor het transport van hun bezittingen en met de gewone Bedoeïen-uitrusting voor de Saharaanse omstandigheden: waterzakken, droge voorraden en de nodige tenten voor de overnachtingen onderweg.
De weg voerde door uitgestrekte zandvlakten waarvan het aanzien met de seizoenen wisselde, en zij doorkruiste enige Senussi-zawiya’s waar het gezelschap enkele dagen bleef voor rust en voor geestelijke bijeenkomsten met de plaatselijke ikhwan. Zo maakte de jonge Umar voor het eerst kennis met de Saharaanse moslim-gemeenschap in haar volle uitgestrektheid, en bereidde hij zich onderweg geestelijk voor op het verblijf dat hem wachtte, een voorbereiding die in zijn studie-jaren herkenbaar zou doorklinken.
Het dagelijks ritme
Het dagelijks ritme van een Senussi-leerling in Jaghbub lag vast en verbond geestelijke discipline onafgebroken met geleerde studie. De leerling stond op voor de fajr en bad in de centrale moskee, gevolgd door een eerste sessie van persoonlijke dzikr volgens de Senussi-wird. Na het ontbijt, dat eenvoudig uit dadels en kameelmelk bestond, begon het ochtendprogramma met een les van een van de aangewezen leraren over het onderwerp van die dag. De ochtendlessen behandelden achtereenvolgens de Arabische grammatica, de Maliki-fiqh, de hadith-wetenschap en de tasawwoef-literatuur, en zij hadden de vorm van een discussie waarin de leerlingen actief deelnamen.
In de namiddag werkten de leerlingen mee in de economie van de zawiya: in de palmtuinen voor de gemeenschappelijke voorziening, in de scriptorium-zaal waar zij manuscripten kopieerden en zo de Senussi-bibliotheek uitbreidden, in de huishoudelijke taken van de gemeenschap, en in een aantal gevallen ook in het onderwijs aan jongere kinderen uit de plaatselijke Bedoeïen-gemeenschappen, die in de Jaghbub-Quran-school hun eerste opleiding ontvingen. Na het avondgebed kwam de gemeenschappelijke dzikr-bijeenkomst waaraan alle leerlingen en gevormde ikhwan deelnamen; zij was het geestelijke hoogtepunt van de dag, waarna men zich in de gemeenschappelijke slaapzalen voor de nachtrust terugtrok.
De uitreiking van de ijaza
De opleiding werd afgesloten met de plechtige overdracht van de ijaza, een formele machtigingsbrief in het Arabisch waarmee de gevormde ikhwan bevoegd werd verklaard de Senussi-wird in zijn eigen werk aan andere murids over te dragen. De uitreiking gebeurde in de centrale moskee van Jaghbub, in een plechtigheid waaraan de gehele gevormde gemeenschap deelnam en waarbij Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ zijn zegen gaf. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ zou dat moment komen in 1884 of 1885, op de leeftijd van ongeveer zesentwintig of zevenentwintig jaar, als de geestelijke voltooiing van zijn opleidings-fase.
De ijaza droeg ook de geestelijke overdracht-lijn over die de ontvanger verbond met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀, via hem met Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀, via hem met Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, en via hem met de reeks Idrisi-leraren tot in de gewone overdracht-keten met de Profeet ﷺ. Zij gaf de gevormde ikhwan de geestelijke autoriteit waarmee hij zijn taken in het Senussi-werk kon uitvoeren.
De Sanussi-leer
De Sanussi-leer, zoals zij in Jaghbub aan de leerlingen werd onderwezen, kende een aantal onderscheiden elementen die de broederschap haar eigen geestelijke karakter gaven. Ten eerste de directe terugkeer naar de Quran en de hadith als geestelijke autoriteit, zonder de tussenkomst van de scholastieke commentaren die in de andere soefitische broederschappen vaak een centrale plaats innamen. Ten tweede de uitgesproken nadruk op de salat ʿala al-nabi, de zegen op de Profeet ﷺ, in alle dzikr-formules van de tarīqa, een praktijk die in de Idrisi-erfenis was geworteld en die in de Senussi-traditie een kernplaats kreeg.
Ten derde de zelfvoorziening in de economie van de zawiya, waarin de plaatselijke gemeenschap in gemeenschappelijke arbeid haar eigen voedsel, kleding en onderhoud voortbracht zonder afhankelijk te zijn van steun van buiten. Ten vierde de geestelijke neutraliteit tegenover de andere soefitische broederschappen, zonder aanspraken van rivaliteit maar met behoud van het eigen karakter. En ten vijfde de voorbereiding op de omstandigheden waarin de moslim-gemeenschap zou komen te verkeren, zonder uitgesproken jihad-leer, maar met een aansporing tot persoonlijke en gemeenschappelijke ernst in de geestelijke en sociale verantwoordelijkheid.
De Senussi-economie
De Senussi-economie was op zelfvoorziening ingericht op een manier die in negentiende-eeuws Noord-Afrika nauwelijks haar gelijke had. Elke zawiya beschikte over eigen palmtuinen voor de dadels die in het Saharaanse klimaat een kern van de voedselvoorziening waren, over groentetuinen voor de aanvullende voeding, over kuddes schapen en geiten voor melk en vlees, over een eigen smederij voor het gewone gereedschap, en over een groep handwerkers die de plaatselijke ambachten uitoefende. Daarnaast onderhielden de zawiya’s handelsverbintenissen via de Trans-Saharaanse karavanen, voor de aanvoer van textiel, van zout, van metaalwaren en van andere goederen die zij zelf niet voortbrachten.
Zo’n economie had geen financiering van buiten en geen politieke patronage nodig, en dat gaf de broederschap een geestelijke en politieke onafhankelijkheid die ongewoon was. Voor het Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ zou die zelfvoorziening later van groot belang blijken, want het verzet steunde op de voedselvoorraden en op de infrastructuur van het Senussi-zawiya-netwerk en had daarvoor geen financiering van buiten nodig. De economie van de broederschap was, met andere woorden, de praktische grondslag waarop het verzet zijn eigen onafhankelijke gang kon gaan.
De afwezigheid van een directe jihad-leer
Wat de Senussi-broederschap onderscheidde van veel andere soefitische broederschappen van haar tijd, was dat zij geen uitgesproken directe jihad-leer kende. Anders dan de Naqshbandi-Khalidiyya in de Kaukasus onder Imam Shamil ﵀, en anders dan de Umarian-Tijani beweging in Senegambia onder al-Hajj Umar Tall ﵀, pleitte zij in haar oorspronkelijke leer niet voor een gewapende strijd tegen niet-moslim machten. Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ had in zijn eigen werk de geestelijke discipline en de opbouw van de gemeenschap benadrukt, en een gewapende jihad tegen niet-moslim machten had hij in zijn werken niet uitgesproken bepleit.
Pacifistisch in de gewone zin van het woord was de broederschap daarmee niet. Het betekende veeleer dat zij zich op de gemeenschapsopbouw en op de geestelijke discipline richtte, in de overweging dat bij een directe aanval op de moslim-gemeenschap de gewone fiqh-gronden van zelfverdediging zouden moeten worden geactiveerd. Voor het Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ in de jaren 1911 tot 1931 was die houding van centrale betekenis, want dat verzet werd gepresenteerd als een verdedigingsoorlog tegen de Italiaanse koloniale invasie, niet als een offensieve jihad in de gewone West-Afrikaanse zin.
De eerste jaren in Jaghbub
In de eerste twee tot drie jaren van zijn opleiding in Jaghbub legde Umar al-Mukhtar ﵀ de basis-vorming af die hem een vaste plaats gaf binnen de Senussi-traditie. Hij voltooide de bestudering van de Arabische grammatica en van de basisteksten van de Maliki-fiqh, hij verwierf een grondige kennis van de hadith-wetenschap zoals de Senussi-traditie die onderwees, en hij maakte zich in zijn persoonlijke discipline de Senussi-dzikr-praktijk eigen, die hem zijn leven lang een geestelijke grondslag zou geven.
Zijn leraren in die eerste jaren, voor zover die in de Senussi-overlevering bij naam zijn vermeld, waren onder anderen Sheikh Ahmad al-Mahdawi, die in Jaghbub het fiqh-onderwijs leidde, en Sheikh Muhammad al-Sharif al-Janzuri, die in deze jaren als specialist in de hadith-wetenschap optrad. Onder hun leiding kreeg de jonge Umar de geleerde basis die hem later de geestelijke en juridische autoriteit zou verlenen om de gewone Cyrenaïcaanse moslim-bevolking in het anti-koloniale verzet te leiden.
De vorming van zijn karakter
Naast de geleerde vorming kreeg in deze jaren ook het karakter van de jonge Umar zijn beslag, en daarmee het leiderschap dat hij zou uitoefenen. Hij toonde in zijn persoonlijke gedrag een uitgesproken bescheidenheid die hem in de Senussi-gemeenschap snel een respectvolle ontvangst bezorgde, hij ging met zijn medeleerlingen om in de geestelijke broederschap die de Senussi-houding weerspiegelde, en hij werkte met een discipline die zijn leraren in Jaghbub deed opmerken dat de jongen uit Cyrenaica voor een buitengewoon leiderschap voorbestemd was.
Zijn verhouding tot Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ groeide in deze jaren uit tot een persoonlijke vertrouwelijkheid, waarin de hoofdleider van de broederschap in de jonge Cyrenaïcaan een figuur van bijzonder belang voor de toekomst zag. In een aantal gevallen, naar de Senussi-overlevering vermeldt, nodigde Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ hem uit voor afzonderlijke audiënties waarin hij persoonlijk met hem sprak over de toestand van de broederschap en over de uitdagingen die haar in de komende decennia wachtten. Die gesprekken vormden voor hem een geestelijke voorbereiding op het leiderschap dat voor hem lag, en zij gaven hem een geestelijke diepte die zijn medeleerlingen niet in dezelfde mate bezaten.
De bibliotheek van Jaghbub
Tot de onderscheidende kenmerken van het Senussi-hoofdkwartier hoorde de bibliotheek, die in de loop van twee decennia was opgebouwd en die in 1876 al enkele duizenden manuscripten van klassieke islamitische geleerdheid telde. Zij was tot stand gekomen door directe aankopen via Trans-Saharaanse handelaren die in Marokko, in Egypte en in Mekka manuscripten verwierven voor de broederschap, door geschenken van bezoekende geleerden die uit geestelijke waardering hun eigen werken schonken, en door het kopieerwerk van de Jaghbub-leerlingen zelf, die in een georganiseerd scriptorium de handgeschreven afschriften vermeerderden.
De inhoud omvatte de klassieke werken van de Maliki-fiqh, de hadith-corpus, een brede verzameling tasawwoef-literatuur met onder andere de werken van Imam al-Ghazali ﵀, van Sjeik ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀ en van Sayyid Ahmad ibn Idris al-Fasi ﵀, de eigen werken van Muhammad ibn Ali al-Sanusi ﵀ in volledige vorm, en in een aantal gevallen ook bijzondere manuscripten uit het Andalusische en het Egyptische erfgoed die langs de handelsverbintenissen van de broederschap in Jaghbub waren beland. Voor de leerlingen was zij de dagelijkse werkomgeving waarin zij hun studie voortzetten en hun eigen geleerdheid uitbouwden.
De pelgrim-functie van Jaghbub
Jaghbub was in deze jaren ook een rustplaats voor moslim-pelgrims die op weg naar Mekka de Egyptische woestijn-route namen, en de gastvrijheid die de Senussi-broederschap hun verleende, hoorde bij haar strategie van internationale geestelijke verbintenissen. Pelgrims uit Marokko, uit West-Afrika, uit Mauretanië en uit het uitgestrekte Saharaanse binnenland verbleven er enige dagen; zij ontvingen onderkomen en voedsel, en in een aantal gevallen ook geestelijke begeleiding van de plaatselijke ikhwan met het oog op de hadj die voor hen lag.
Voor de broederschap leverde die gastvrijheid een internationale uitwisseling op waarin de pelgrims als verbindings-knooppunten werkten tussen Jaghbub en de moslim-gemeenschappen waaruit zij kwamen. Wie in Jaghbub in de Senussi-traditie was ingewijd, of daar geestelijke ondersteuning had ontvangen, droeg de Senussi-naam bij terugkeer in zijn eigen gemeenschap verder uit. Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀, die dit alles in de dagelijkse gang van zaken om zich heen zag, was de pelgrim-functie van het hoofdkwartier een les in het internationale karakter van de broederschap en in de reikwijdte van haar netwerk.
De tarbiya-vorming
Naast de formele studie in fiqh, hadith en tafsir kende de Senussi-opleiding in Jaghbub de tarbiya, de geestelijke vorming van de murid onder de persoonlijke begeleiding van zijn aangewezen leraar. Zij bestond uit persoonlijke geleerden-gesprekken, uit gedeelde dzikr-bijeenkomsten in kleinere kringen, en uit geestelijke proeven waarin de leerling stap voor stap naar zuivering werd geleid. De gewone tarbiya omvatte oefeningen in zelfobservatie, in de muraqaba waarin de leerling zijn eigen innerlijke bewegingen leerde waarnemen, en in de toepassing van de Senussi-wird in het dagelijkse en wekelijkse ritme dat zijn geestelijk leven verdiepte.
Voor de jonge Umar al-Mukhtar ﵀ was deze tarbiya de innerlijke voorbereiding op het leiderschap dat hij zou dragen. Hij ontwikkelde in zijn jaren in Jaghbub een opmerkelijke zelfobservatie waarmee hij zijn eigen innerlijke bewegingen leerde herkennen en bijsturen, en hij verwierf als toekomstig ikhwan een geestelijke standvastigheid die in zijn latere werk herkenbaar zou blijven. In de verbinding van formele geleerdheid en tarbiya lag het eigene van de Senussi-opleiding, en daarin werd zijn rol voorbereid.
De gemeenschap van de zawiya-bewoners
De gemeenschap in en rond de Jaghbub-zawiya bestond uit verscheidene onderscheiden groepen die samen het gewone leven van het Senussi-hoofdkwartier gaande hielden. Bovenaan stond de wijdvertakte Senussi-familie zelf, met Muhammad al-Mahdi al-Sanusi ﵀ als hoofdleider en met zijn naaste familieleden in verschillende leidende posities. Daaronder bevonden zich de gevormde ikhwan, ongeveer tweehonderd in aantal in 1876, die hun verantwoordelijkheden droegen in het bestuurlijke, geestelijke en economische werk van de gemeenschap. Daaronder stonden de murid-leerlingen, in 1876 ongeveer driehonderd in aantal, die hun opleiding voltooiden voordat zij als ikhwan zouden worden aangesteld. In de buitenste laag ten slotte de gewone Bedoeïen-families en de handwerksgemeenschappen die in de stad en in haar directe omgeving woonden en die de economie van het geheel droegen.
Met al deze groepen kreeg de jonge Umar in zijn dagelijkse omgang te maken. Hij ontmoette de Senussi-familie bij de vrijdagsgebeden, hij studeerde onder de gevormde ikhwan, hij zat met zijn medeleerlingen in de tarbiya-bijeenkomsten, en in zijn praktische werkzaamheden in de zawiya-economie stond hij naast de werkers en de handwerkers. Zo vond hij stap voor stap zijn plaats als lid van de Senussi-gemeenschap, en die vorming bereidde hem voor op wat hij later als plaatselijke ikhwan-leider in de gemeenschap zou zijn.
Naar de politieke opleiding
Vanaf ongeveer 1879 of 1880 zou de opleiding van Umar al-Mukhtar ﵀ in Jaghbub in een meer politieke richting worden uitgebreid, in een vorming die hem stap voor stap voorbereidde op zijn rol als leider binnen de Senussi-organisatie. Aan die politieke opleiding, en aan de wijze waarop zij hem op het koloniale verzet voorbereidde, wijdt het volgende artikel zijn aandacht. In dit artikel hebben wij gezien hoe de jonge Cyrenaïcaan in 1876 in het hoofdkwartier van Jaghbub aankwam voor zijn formele Senussi-opleiding, hoe de broederschap in deze jaren al een internationale organisatie was geworden, en hoe in de eerste jaren van zijn vorming de basis werd gelegd van het levenswerk dat voor hem lag.
Bronnen
- Knut S. Vikør, Sufi and Scholar on the Desert Edge: Muhammad b. Ali al-Sanusi and his Brotherhood, Hurst (1995), pp. 214–272.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 62–124.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 66–112.
- Nicola A. Ziadeh, Sanusiyah: A Study of a Revivalist Movement in Islam, Brill (1958), pp. 56–124.
- B.G. Martin, Muslim Brotherhoods in Nineteenth-Century Africa, Cambridge University Press (1976), pp. 178–214.
- Mark Sedgwick, Saints and Sons: The Making and Remaking of the Rashidi Ahmadi Sufi Order, 1799–2000, Brill (2005), pp. 124–168 [voor de Idrisi-erfenis].
- Anna Baldinetti, The Origins of the Libyan Nation, Routledge (2010), pp. 62–98.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 48–88.
