Onder de zon van de westelijke Sahara liggen platen rots-zout in de bodem als vergeten letters van een uitgedroogde zee, en eeuwenlang was juist dit zout het ware fundament van de West-Afrikaanse handel. Waar goud de begeerte van de wereld trok, hield het zout het lichaam in leven, en de mensen die wisten hoe je tussen die twee werelden moest reizen droegen een eigen naam: de Imazighen, de vrije mensen.
De Vrije Mensen
De wereld kent hen vandaag onder een naam die niet de hunne is, want Berber is een vreemde stempel, gedrukt op een volk dat zichzelf nooit zo heeft genoemd. Zij noemen zichzelf Imazighen, in enkelvoud Amazigh: de vrijen. Zij waren er vóór Rome en Carthago, vóór de Arabische opmars langs de Maghreb, en zij waren er reeds toen de Soninke aan de Senegal hun eerste muren van droge steen optrokken. Hun grondgebied strekte zich uit van de Canarische Eilanden in het westen tot de oase van Siwa in het westen van Egypte, een wereld die de moderne kaart in stukken heeft gehakt maar die voor hen één geheel was.
De vroegste vermelding van hun voorouders staat in oude Egyptische papyri, en vanaf ongeveer 2000 voor de Christelijke jaartelling verspreidden de Berberse talen zich westwaarts vanuit de Nijlvallei, over de noordrand van de Sahara, tot diep in de Maghreb. Dit is geen volk met een korte herinnering, maar een volk met een geheugen dat dieper reikt dan de meeste rijken die het zou zien komen en gaan.
De Sahara als Thuis
Voor de meeste mensen is de Sahara een grens, een leegte die overgestoken moet worden, een straf; voor de Imazighen was zij een land, een netwerk van oases, sterrenroutes en seizoenswinden, doorgrond door eeuwen van geleefde ervaring. Als pastoraalisten op de rand van de woestijn volgden zij hun kuddes waar het gras kwam en gingen zij waar het water was, en zij temden de kameel en bouwden hem om tot wat de Arabieren later het schip van de woestijn zouden noemen. Zij verbeterden het zadel en vonden de juiste tuigage, want zij wisten hoe je een dier dagen zonder water moest belasten zonder het te breken.
Een enkele kameel kon over lange afstanden bijna 180 kilo dragen, over kortere afstanden zelfs het drievoudige, maar het dier alleen verklaart niets, want de kameel zonder de Amazigh was een beest dat in zijn eigen sporen verdwaalde. Het waren de gidsen, de routekenners, de waterzoekers en de sterrenlezers die het schip stuurden, en wie de Sahara zonder hen wilde oversteken, stierf.
Het Witte Goud
Zout staat vandaag op iedere tafel en wij denken er nauwelijks over na, maar in de wereld van pre-islamitisch West-Afrika was zout een kwestie van leven en dood, omdat het menselijk lichaam er niet zonder kan. In de hitte van de savanne, waar het zweet de zoutreserves uit het lichaam wist, was tekort dodelijk, vlees bedierf en voedsel werd flauw, en de bossen en savannes ten zuiden van de Sahara hadden bijna geen zout, terwijl het in de woestijn bij vrachten in de grond lag.
Onder de zandvlakten van wat nu Mauritanië en noord-Mali heet lagen reusachtige afzettingen van rots-zout, residu van zeeën die hier ooit klotsten en zijn weggebrand door de zon. Voor de Amazigh was dit geen verrassing, maar de erfenis die zij van hun vaderen hadden gekregen, en in de zuidelijke markten kon dit zout, kilo voor kilo, zijn gewicht in goud waard zijn. De zouthandelaar was de evenknie van de goudhandelaar, soms zelfs zijn meerdere.
Het Getuigenis van Ibn Battuta ﵀
Van deze wereld hebben wij een ooggetuige, want Ibn Battuta ﵀, de grote rechter en reiziger uit Tanger, stak in 1352 zelf de westelijke Sahara over op weg naar het Mali-rijk, verbleef in Taghaza en schreef neer wat hij zag in zijn Rihla. Zijn beschrijving is droog en daarom des te overtuigender: hij vertelt over een dorp zonder boom of vrucht, alleen zand en zoutmijnen, over de huizen en de moskee, opgetrokken uit blokken zout en gedekt met kameelhuiden, en over de slaven van de Massufa-Imazighen die het zout uit de aarde hieuwen, terwijl het brood, de gierst en de dadels van zes weken reizen verderop kwamen. In zijn beschrijving komt het besef boven dat geen mens hier vrijwillig leeft; men leeft hier omdat het zout dat onder de voeten ligt, in het zuiden zwaarder weegt dan goud.
Taghaza, Awlil en Idjil
Drie namen dragen de last van deze handel.
- Awlil lag aan de Atlantische kust van het huidige Mauritanië en was een van de vroegste leveranciers aan de markten van het oude Ghana, het Wagadou-rijk dat vanuit de Sahel zijn spinnenweb spande over de zuidelijke karavaanwegen.
- Idjil, dieper landinwaarts in de Sahara, leverde nog tot in de vijftiende eeuw zijn platen zout aan dezelfde routes, en generaties bleven hier het zout uit de aarde scheuren omdat de zuidelijke vraag nooit verzadigd raakte.
- Taghaza was het hart. De zoutpan ligt 857 kilometer ten zuiden van Sijilmasa in Marokko, 787 kilometer ten noord-noordwesten van Timboektoe en 731 kilometer ten noord-noordoosten van Oualata, drie kompasrichtingen die niets verzwijgen over de prijs van de reis. Midden in de woestijn, ver van iedere oogst en ver van iedere stad, lag een nederzetting waar slaven en arbeiders rechthoekige platen zout uit de woestijnvloer hieuwen, waar de huizen van zout waren en de moskee van zout, en waar het brood van buiten werd gebracht.
Wie het zout van Taghaza naar het zuiden droeg, vroeg een transportvergoeding van bijna tachtig procent van de waarde van het goed, een getal dat niets verzwijgt, want niemand anders kon de reis maken. De Amazigh hadden een monopolie dat niet door een wet werd beschermd, maar door de Sahara zelf.
Een Karavaan in Beweging
Zo’n karavaan telde duizend kamelen, en iedere kameel was beladen met balen, kruiken, leren zakken, platen zout en in het seizoen ook ladingen graan en gedroogd vlees voor de reis, een lijn dieren die zich kilometers ver uitstrekte over een dunne stippellijn van vastgetreden zand tussen de duinen.
Vooraan liep de gids, een Imazighen die de route in zijn hoofd droeg zoals een kapitein zijn zee-route, en naast hem twee of drie helpers die de eerste tekenen van afwijking moesten opmerken, de eerste duinen die niet meer in de juiste hoek lagen, de eerste sterren die net iets te ver naar het zuiden stonden. In het midden reisden de handelaren zelf, sommigen op kameel en sommigen lopend naast hun dieren, mannen uit Sijilmasa, uit Fez, uit Tahert, uit Tlemcen, soms een Andalusische koopman die zelf wilde zien waar zijn goud vandaan kwam, soms een geleerde die meereisde om zuidelijk van de woestijn een leerstoel of een rechterspositie te bekleden. Achteraan volgden de bewakers, bewapend en alert, verantwoordelijk voor de zwakste schakels in de keten.
In de oases werd halt gehouden, want daar werden de waterzakken bijgevuld, de dieren gerust, de last gecontroleerd en het brood gekocht, terwijl dorpelingen kwamen aanzetten met dadels, gerstemeel en wol. Voor de duur van een nacht werd een nederzetting van veertig of vijftig huizen omgetoverd tot een tijdelijke marktplaats, en dan ging de karavaan weer verder, terwijl de dieren steunden onder hun lading, de zon opkwam en de gids naar de duinen keek. Een paar weken later, als alles goed ging, werd in een zuidelijke stadspoort een vermoeide groep mannen verwelkomd door familieleden die het overleven al jaren niet meer als vanzelfsprekend hadden beschouwd.
De Logistiek van de Karavaan
Een trans-Saharaanse karavaan was geen toevallige stroom van handelaren, maar een georganiseerd lichaam met seizoenen, protocollen en stille wetten. Karavanen vertrokken in de koelere maanden, van oktober tot maart, en zij reisden in de koelste uren van de dag en lagen stil in de schaduw wanneer de zon haar dodelijkst was. Een gemiddelde karavaan telde, volgens Ibn Battuta ﵀ die haar een eeuw later met eigen ogen zou zien, ongeveer duizend kamelen, en sommige telden er tienduizend.
Lopers werden vooruitgestuurd naar oases, waar zij de waterzakken klaarmaakten en de plaatselijke bewoners het water tegemoet reden de karavaan in, zodat de dorst de dieren nog niet had geveld voor de bron in zicht kwam. Dit was geen nomadische zwerftocht, maar logistiek op een niveau dat het middeleeuwse Europa niet kende.
De Sanhaja
Niet iedere Amazigh-stam droeg dezelfde last, want binnen de brede Amazigh-wereld leefden tientallen confederaties, ieder met zijn eigen weidegrond, zijn eigen route en zijn eigen specialisatie. Voor de westelijke zoutroute waren de Sanhaja bepalend, een confederatie van Amazigh-stammen die de westelijke Sahara beheersten, het gebied tussen Marokko in het noorden en de Niger-bocht in het zuiden. Zij controleerden de oases, de zoutmijnen en de poorten van Sijilmasa, Awdaghust en de zuidelijke handelssteden, en zij waren de onmisbare schakel tussen de goudvelden van de Soninke en de markten van de Maghreb.
Eeuwen later zouden uit hun midden de Almoraviden voortkomen, een beweging die de Maghreb en Andalusië zou hervormen, maar dat was de toekomst; in de pre-islamitische periode waren zij vooral handelaren en karavaanleiders, meesters van een onbarmhartige route.
Wat al-Bakri ﵀ Zag
In de elfde eeuw schreef al-Bakri ﵀, geograaf in het Andalusische Córdoba, het meest gedetailleerde verslag over deze noordelijke wereld dat wij bezitten. Hij beschreef Awdaghust, de Sanhaja-stad ten zuiden van Taghaza, met haar markten, haar moskeeën, haar huizen van leem en de gewoonten van de inwoners, en hij beschreef de palmboomgaarden en de waterputten. Ook beschreef hij de Sanhaja zelf, hun gewoonten, hun huwelijken en hun gebruik van de gezichtssluier voor de mannen, een gebruik dat de Tuareg tot op de dag van vandaag kennen. Het opmerkelijke aan al-Bakri ﵀ is dat hij Awdaghust nooit zelf heeft gezien, want hij verzamelde zijn informatie in Córdoba, uit de monden van handelaren die de reis hadden gemaakt, en toch is zijn beschrijving zo precies dat moderne archeologie haar grotendeels heeft kunnen bevestigen.
Dat zegt iets over de dichtheid van het netwerk, want een geleerde aan het westelijk uiteinde van de islamitische wereld kon, zonder zijn bibliotheek te verlaten, een nauwkeurig portret schrijven van een Sanhaja-stad aan de zuidelijke rand van de Sahara. De Imazighen droegen niet alleen zout en goud over hun routes, maar ook woorden, namen, beschrijvingen en kennis.
Kaart laden...
Twee Werelden, Eén Systeem
Er waren twee werelden die elk op zichzelf rijk waren maar zonder de ander niet konden bloeien: in het zuiden de Soninke met hun goud, hun handelssteden en hun gespecialiseerde gemeenschappen langs de Niger en de Senegal, en in het noorden de Imazighen met hun zout, hun kamelen en hun kennis van de woestijn, en tussen hen in de Sahara, een muur die voor ieder ander dan de Amazigh ondoordringbaar was. Zout uit de Sahara werd op kameelruggen naar het zuiden gedragen, en vanaf de Niger en de Senegal werd het in kano’s en pirogues verder verspreid naar Koumbi Saleh, Niani en Timboektoe, en vandaaruit dieper de bossen in. De gangbare ruil was zout tegen goudstof, een gewicht voor een gewicht, een schaarste voor een schaarste, en dit systeem stond al overeind lang voordat de naam van Allah ﷻ langs deze routes werd uitgesproken, gebouwd op wederzijdse behoefte, op complementaire rijkdommen en op de bereidheid van een volk om de gevaarlijkste reis ter wereld keer op keer te maken.
Toen de Islam later met haar handelaren en haar geleerden over deze routes binnenkwam, vond zij geen lege vlakte, maar een snelweg die de Imazighen in eeuwen hadden uitgezet, klaar om een nieuw woord te vervoeren.
Bronnen
- Ibn Battuta ﵀, Rihla, het verslag van zijn reis door de westelijke Sahara naar Mali in 1352–1353: Taghaza als dorp waar niets goeds aan is en waar alleen de slaven van de Masufa wonen die het zout delven, zoals aangehaald in Gomez, pp. 113, 135, en in Hunwick, Shariʿa in Songhay, p. 16.
- Abu Ubayd al-Bakri ﵀, Kitab al-Masalik wa-l-Mamalik (460/1068), de beschrijving van Awdaghust met haar hoofdmoskee en vele kleinere moskeeën en van de zoutbron Tatantal, twintig dagreizen ten zuiden van Sijilmasa, zoals aangehaald in Gomez, p. 33, en in Hunwick, Shariʿa in Songhay, pp. 3, 16.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 17, 19, 26, 31–33, 36, 39–41, 113, 135, 152, 385.
- p. 17: de handel tussen de Middellandse Zee en de Sahel die ouder is dan de komst van de Islam in de Maghreb, en de kameel, tussen 100 v.Chr. en 100 n.Chr. in de Maghreb ingevoerd, als voorwaarde voor geregeld verkeer over de Sahara.
- p. 152: Imazighen, in het enkelvoud Amazigh, als de eigen naam van de Berbers; Cadamosto over de zeer grote hoeveelheid rots-zout die in Taghaza wordt gedolven en de jaarlijkse kameelkaravanen naar Timboektoe, veertig dagen verder.
- pp. 31–32, 385: de ruil van zout tegen goud die zich in de negende eeuw ontwikkelt en Kumbi Saleh in het land Wagadu; Awlil aan de Atlantische kust als zoutbron, Awdaghust als doorvoerpoort, en Ibn Hawqal ﵀ over Ghana dat sterk van dat zout afhankelijk was; de opgravingen van Tegdaoust als toets van de teksten.
- pp. 39–40: al-Idrisi ﵀ over de boten die in Awlil zout laden en de rivier opvaren naar Sila, Takrur en Ghana; Walata dat Awdaghust als poort voor het zout van Awlil vervangt.
- pp. 19, 33: de Arabische berichten die ver van de regio zijn geschreven op grond van verhalen van handelaren, met Ibn Battuta ﵀ als enige ooggetuige; al-Bakri ﵀ over de moskeeën van Awdaghust, een stad die meer was dan een Sanhaja-stad.
- pp. 26, 36, 41: de Masufa-Sanhaja als een van de Berberse confederaties in het huidige Mauritanië en Marokko; de Almoraviden die voortkomen uit de Sanhaja; Ibn Khaldun ﵀ over de gesluierde noorderburen van Ghana.
- pp. 113, 135: Taghaza als centrum van zoutwinning onder de Masufa met slavenarbeid, en Ibn Battuta ﵀ die er in 753/1352 alleen de slaven van de Masufa aantrof.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxvi, 11, 17.
- p. xxvi: de Sanhaja rond het jaar 1000 als kameelnomaden die het langeafstandsvervoer dragen; Sanhaja en Tuareg als dragers van de gezichtssluier en sprekers van Berberse dialecten.
- pp. 11, 17: de West-Afrikaanse reis van Ibn Battuta ﵀ van februari 1352 tot december 1353; de zoutpan van Taghaza op 23°28’ N, 5°00’ W, in 1352 door Ibn Battuta ﵀ bezocht en in de vijftiende eeuw door Cadamosto beschreven.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 3, 5, 14–16.
- pp. 3, 5: kooplieden die kort na de stichting van Tahert in 144/761 zuidwaarts handelen; zout dat in Sahel en Soedan door zijn schaarste vrijwel als munt gold en in steeds kleinere stukken werd gebroken.
- pp. 14–15: de route van Sijilmasa via de Adrar naar Awdaghust; de westelijke Sanhaja-stammen Goddala, Lamtuna en Masufa als kern van de Almoravidische beweging, en de Masufa als kenners van de routes door de lege westelijke Sahara.
- p. 16: Taghaza, wellicht al-Bakri’s Tatantal, twintig dagreizen ten zuiden van Sijilmasa; de zoutpan die door slaven voor de Masufa werd bewerkt, en het zout dat vanuit Timboektoe stroomopwaarts werd verhandeld en tegen goud geruild.
