Voordat Gao Gao werd, was er Kukiya, een naam die in de meeste populaire geschiedenisboeken stilletjes wordt overgeslagen en toch onmisbaar is, want zonder Kukiya laat Gao zich niet begrijpen.
Kukiya wordt door de overlevering beschouwd als de oorspronkelijke vestigingsplaats van de Za-dynastie, de vroegste heersers van wat later het Songhay-gebied zou heten, en de stad lag nabij het huidige dorp Bentiya op de oostelijke oever van de Niger, ongeveer 134 kilometer ten zuidoosten van Gao.
Daar, op die oever, vonden de Sorko, de Gow en de Gabibi voor het eerst hun samenwerking, toen de vissers, de jagers en de boeren ontdekten dat hun specialisaties elkaar nodig hadden. Uit die samenwerking groeide een politieke structuur, en uit die structuur een bestuurlijk centrum, en uit dat centrum uiteindelijk een verlangen naar een grotere, strategischere hoofdstad, en die hoofdstad werd Gao.
Twee Steden, Eén Macht
Gao was niet één stad maar twee, want tegen de tiende eeuw bestond de hoofdstad uit twee nederzettingen, ieder met een eigen functie. Gao-Ancien was de koninklijke residentie, de zetel van de macht, terwijl Gao-Saney het commerciële centrum was, de plek waar de handelaren hun pakhuizen bouwden en de markten draaiden.
De geograaf al-Muhallabi ﵀, gestorven in 990 van de Christelijke jaartelling, beschreef het al: hij sprak van een heerser die aan de westoever woonde, omringd door zijn vertrouwelingen, terwijl op de overzijde de markten en handelshuizen lagen waar mensen van alle kanten naartoe kwamen.
Wat al-Muhallabi ﵀ Zag
Onze oudste Arabische beschrijving van Gao komt van al-Muhallabi ﵀, een geograaf die schreef in de tiende eeuw en stierf in 990 van de gewone tijdrekening.
Hij beschreef een grote stad aan een rivier, met twee nederzettingen die door de stroom van elkaar werden gescheiden, aan de ene oever de koning en zijn hof, aan de andere oever de markten en de handelaren. De koning, schreef hij, was een moslim, of zou het worden, en zijn paleis stond afgezonderd van de gewone bevolking.
Wat al-Muhallabi ﵀ in zijn studeerkamer in het Abbasidische rijk wist over een stad in de Sahel, wist hij omdat de handelaren die de Sahara overstaken hun ogen meebrachten, want op de markten van Sijilmasa en Tahert vertelden zij over wat zij hadden gezien, terwijl geleerden het noteerden en andere geleerden die notities lazen en er nieuwe verslagen op bouwden.
Veertien Koningen Vóór de Islam
Onze belangrijkste geschreven bron voor het vroege Gao zijn de kronieken van Timboektoe, en de Tarikh as-Sudan, geschreven door al-Sa’di ﵀ rond 1655, bevat een koningslijst van de Za-dynastie die teruggaat tot de legendarische stichter Za Alayaman. Volgens deze overlevering regeerden de eerste veertien koningen vanuit Kukiya, en de kroniekschrijver, zelf moslim, noemt hen jahiliyyah: zij die in onwetendheid leefden, dat wil zeggen voor de Islam.
Dit is een opmerkelijke woordkeuze, want met dit ene woord erkent al-Sa’di ﵀ dat er een volwaardige politieke orde bestond in Gao voordat de Islam arriveerde, een orde met een eigen legitimiteit, een eigen continuïteit en een eigen lijn van koningen die niet uit niets opdoken op de dag dat een handelaar uit Sijilmasa met de eerste profeetsverhalen aan de oever afmeerde.
De koningen behoorden tot een dynastie genaamd de Qanda en droegen de titel Za, en hun macht rustte op cavalerie en kameelruiters. Zij waren waarschijnlijk oorspronkelijk gevestigd stroomafwaarts in Kukiya en verplaatsten hun zetel pas in de vroege tiende eeuw naar Gao: veertien heersers, een aaneengesloten bestuurslijn, een hoofdstad die meeschoof met de handel.
De Stem van de Bodem
Wat archeologie niet uit boeken haalt maar uit de aarde zelf, vult de leegte op die de geschreven bronnen achterlaten.
Bij Gao-Saney zijn glaskralen gevonden afkomstig uit Egypte, aardewerk uit de Maghreb en sporen van Arabisch schrift op grafstenen, een aanwijzing dat de islamitische gemeenschap in de stad ouder was dan eerder werd gedacht. Op één steen is de naam Aboe Bakr Muhammad bin 'Abdoellah te lezen, met een datum die in de elfde eeuw valt: een handelaar, of een geleerde, gestorven en begraven in deze stad ver van de oorden waar zijn voorouders rusten.
Er zijn sporen van koper en resten die wijzen op invoer uit zo ver als Mesopotamië, en munten uit de Aghlabidische tijd, geslagen in Tunis en Ifriqiya, vonden hun weg langs de karavaanroutes naar deze stad aan de Niger. Iedere scherf vertelt hetzelfde verhaal vanuit een andere hoek, want Gao was geen geïsoleerde nederzetting maar een knooppunt.
Gao als Model voor de Sahel
Wat Gao bijzonder maakt, is dat zij niet zomaar een stad was maar een prototype.
Zij was de eerste stedelijke nederzetting in West-Afrika die in externe bronnen werd beschreven als de hoofdstad van een groot koninkrijk dat kon wedijveren met Wagadou, het oude Ghana-rijk, en eeuwenlang bekleedde de stad een strategische positie in het politieke en culturele landschap van West-Afrika, een kosmopolitisch centrum bevolkt door handelaren, geleerden en krijgselites uit een regio die zich uitstrekte van de Atlantische kust tot het Tsjaadmeer.
Drie elementen kwamen in Gao samen op een manier die elders zeldzaam was.
-
Water en voedsel: de Niger leverde vis, irrigatie en vruchtbare oevers, en de gemeenschappen van Sorko, Gow en Gabibi hadden al een systeem van gespecialiseerde voedselproductie ontwikkeld dat een grotere bevolking droeg dan landbouw of visserij alleen ooit zou hebben gekund.
-
Positie: Gao was een van de vroegste locaties van significante trans-Saharaanse handel in de achtste eeuw, eerder dan onderzoekers lange tijd aannamen, en karavanen vanuit Egypte, vanuit de Maghreb en vanuit de centrale Sahara kwamen samen op deze ene bocht in de rivier.
-
Bestuur: de Za-dynastie ontwikkelde een model waarin de politieke macht in Gao-Ancien gescheiden bleef van de commerciële activiteit in Gao-Saney, en die scheiding was geen zwakte maar een kracht, want de koning heerste en de markt handelde, en beide hielden hun eigen ruimte.
Wat al-Sa’di ﵀ Vertelt
Al-Sa’di ﵀, schrijvend in de zeventiende eeuw op basis van mondelinge overleveringen, geeft ons de meest gedetailleerde beschrijving van de vroege Zuwa-koningen, want hij somt tweeëndertig heersers op en stelt dat in 1009 of 1010 van de gewone tijdrekening de vijftiende heerser, Zuwa Kusoy, de eerste was die de Islam aannam.
Veertien koningen vóór hem hadden geregeerd zonder Islam, veertien generaties van bestuur, rechtsorde, belastinginning, diplomatie en handel, en dat is geen voetnoot bij de islamitische geschiedenis van West-Afrika maar het fundament waarop die geschiedenis is gebouwd. De Tarikh al-Fattash voegt eraan toe dat Gao in de tiende eeuw gesitueerd was op de westoever van de Niger, aan de Gourma-zijde van de rivier, en hoewel geleerden nog steeds discussiëren over de precieze locaties en de volgorde van dynastieën, staat de continuïteit vast: Gao was generaties lang een stabiel politiek centrum voordat de Islam haar karakter zou vernieuwen.
Het Netwerk Buiten de Stad
Wat de archeologie nog toevoegt aan dit beeld is wat aan de oppervlakte is gevonden in de buitenwijken van Gao-Saney.
Glaskralen uit Egypte, aardewerk uit de Maghreb, sporen van koper en resten die wijzen op invoer uit zo ver als Mesopotamië, en daarnaast munten uit de Aghlabidische tijd, geslagen in Tunis en Ifriqiya, die hun weg vonden langs de karavaanroutes naar deze stad aan de Niger.
Zo ver het oog van de archeoloog reikt, reikte ook het netwerk van Gao, en het ging in twee richtingen, want wat hier binnenkwam was niet alleen luxegoed voor de koning maar ook werktuigen, gereedschappen en grondstoffen voor de smeden en pottenbakkers van Gao-Saney zelf, terwijl wat hier wegging geen ruwe grondstof was maar afgewerkte producten, gesmeed of gevormd door vakmensen die hun stiel van generatie op generatie hadden geleerd.
Een stadstaat is niet alleen een paleis met daaromheen wat hutten, maar een netwerk van werkplaatsen, markten, scholen, godshuizen en bestuursgebouwen, samengebracht door een gemeenschappelijke politieke orde, en Gao was dat in de tiende eeuw al.
Wie aan de aanlegplaats van Gao stond, zag de hele Sahel langskomen: zwarte Soninke-handelaren in lange gewaden, Imazighen-gidsen met hun litham om mond en neus, Songhai-vissers die hun vangst losten, en geleerden die uit Sijilmasa waren gekomen en weer doorreisden naar de stadsmoskee voor het gebed.
Boven dit alles, op de zuidoever, stond het paleis, terwijl onder de bomen op de noordoever de handelshuizen stonden, en tussen beide oevers gleed dag en nacht het verkeer van de rivier, even rustig en onverbiddelijk als de stroom zelf.
Kaart laden...
Een Stad die de Wereld Verbond
Eeuwen later zou een Marokkaanse rechter en reiziger met eigen ogen zien wat Gao was geworden.
Ibn Battuta ﵀ bezocht Gao in 1353, toen de stad onder het gezag van het Mali-rijk viel, en hij beschreef haar als een grote stad aan de Niger, een van de schoonste en vruchtbaarste van de Sahel, met rijst, melk, kippen, vis en komkommers zoals hij nergens anders had gezien, terwijl de inwoners handelden met kaurischelpen als betaalmiddel.
Ibn Battuta ﵀ keek naar het islamitische Gao, maar de markten die hij doorliep, de handelshuizen waar hij onderdak vond en de stadsstructuur die hem omhulde stonden op een fundament dat eeuwen eerder was gelegd, gelegd door de Sorko op het water, door de Gabibi op de akkers, door de Gow in de wildernis en door de Za-koningen op de troon.
Gao was het bewijs dat de Sahel steden voortbracht, niet uit gebrek aan beschaving maar juist uit een diep begrip van de omgeving, van wat de rivier gaf, van wat de woestijn vroeg en van hoe twee werelden samen iets groters konden worden dan elk afzonderlijk.
Dat is de erfenis die de Islam aantrof toen zij hier voet aan wal zette. Geen leegte. Een waardig thuis.
Bronnen
- Al-Hasan ibn Ahmad al-Muhallabi ﵀, Kitab al-ʿAzizi (geschreven tussen 975 en 985, overgeleverd bij Yaqut ﵀), de beschrijving van Kawkaw als twee steden: de stad Sarnah op de oostoever met markten en handelshuizen, de koningsstad ten westen van de rivier en het paleis dat niemand met de koning deelt behalve een eunuch, zoals aangehaald in Gomez, pp. 21, 23.
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, hoofdstuk 1 over de Zuwa-dynastie: de tweeëndertig heersers vanaf Zuwa Alayaman, de veertien koningen van Kukiya die vóór de Islam stierven en de bekering van Zuwa Kusoy in het jaar 400 AH, in de vertaling van Hunwick, pp. 3–6.
- De anonieme Notice historique, als aanhangsel bij de Tarikh al-Fattash uitgegeven, over Gao dat in 350 AH aan de gurma- of rechteroever van de Niger lag, zoals besproken in Gomez, p. 378, en in de inleiding van Shariʿa in Songhay.
- Ibn Battuta ﵀, Rihla, het verslag van zijn bezoek aan Gao in 1353: de grote stad aan de Niger, een van de mooiste, grootste en vruchtbaarste van de Sudan, met haar rijst, melk, kippen, vis en komkommers en de kaurischelpen als betaalmiddel, zoals aangehaald in Gomez, p. 135.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 17–18, 21–26, 108, 135, 137, 377–378.
- pp. 17–18: Gao bewoond sinds de Late Steentijd, vijftienhonderd jaar of meer vóór Djenné-Djenno en Dia; koperbewerking, aardewerk en glas- en carneoolkralen in de Gao-regio tussen 700 en 1100.
- pp. 21–22: al-Yaʿqubi ﵀ die in 872–873 Kawkaw het grootste en machtigste rijk van de Sudan noemt; al-Idrisi ﵀ over krijgers op paarden en kamelen; Gao als stadstaat en model van staatsmanschap; de Sorko en de Gow die in de late zevende eeuw van Kukiya, bij het huidige Bentiya, naar Gao trokken; tegen 872 al twee eeuwen proto-Songhay-organisatie en de Gao-Kukiya-as van tweehonderd kilometer; al-Khuwarizmi ﵀ die Kawkaw in de negende eeuw noemt.
- p. 23: Gadei, Gao Ancien en Gao-Saney als de drie nederzettingen; Gao Ancien als koninklijke residentie met stenen bouwwerken uit de tiende eeuw; Gao-Saney als centrum van nijverheid en verdediging voor de handel naar Ifriqiya, Tripoli en Egypte; glazuuraardewerk en glas als luxe-import, de nijlpaardtanden en het zout als schat van de koning.
- pp. 24–26: Gao tegen de negende eeuw een politiek en commercieel knooppunt, een nederzetting van zesendertighonderd jaar; al-Ayaman als stichter van de Zuwa-dynastie en Kusoy als vijftiende in de opvolging, wiens voorgangers in onwetendheid stierven; de bekering van Kusoy in 400/1009–1010; al-Bakri ﵀ over de koning Qanda die moslim is; de inscripties op stèles in Gao-Saney en de marmeren grafstenen die alleen in Almería vervaardigd kunnen zijn.
- pp. 108, 135, 137: kaurischelpen naast koper en zout als betaalmiddel in de Sudan; Ibn Battuta ﵀ over Gao als een van de mooiste, grootste en vruchtbaarste steden van de Sudan, per boot bereikt vanuit Timboektoe door gebied onder Malinees gezag.
- pp. 377–378: de overlevering dat Kukiya zo oud is als het faraonische Egypte; Takezawa en Cissé over de residentie in Gao Ancien als het oudste middeleeuwse koninklijk paleis van West-Afrika; de Notice historique over het tiende-eeuwse Gao aan de gurma-zijde.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxv, xxxiii–xxxiv, lxiii, 3–6.
- pp. xxv, xxxiii–xxxiv: de Zuwa-dynastie die in Kukiya ontstond en later naar Gao verhuisde; Kukiya als Sorko-nederzetting boven de stroomversnellingen van Fafa en Labbezenga; de Songhay-hoofden die noordwaarts naar Gao trokken toen de Noord-Afrikaanse handelaren zich in de vroege negende eeuw in Sane vestigden; Gao tegen de tiende eeuw een klein koninkrijk op een kruispunt van routes.
- p. lxiii: al-Saʿdi ﵀ en zijn Tarikh al-Sudan tot het jaar 1655.
- pp. 3–6 (TS hfst. 1): de lijst van tweeëndertig Zuwa-heersers; de veertien koningen die vóór de komst van de Islam stierven; Zuwa Kusoy als eerste moslim in het jaar 400 AH, 1009–1010; de naam Alayaman als hij kwam uit Jemen en Kukiya aan de oever van de rivier als oudste zetel.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 3–5, 11.
- pp. 3–5: de handel vanuit het ibaditische Tahert naar de Niger kort na 144/761; de tiende- en elfde-eeuwse bronnen die Kawkaw als twee verbonden steden voorstellen, de koning op de west- of rechteroever en de moslims op de oost- of linkeroever; de Notice historique over Gao in 350 AH aan de gurma-oever; al-Khwarizmi ﵀ (813–842) die Kawkaw al kende; Bentia als de plaats van Kukiya, door al-Saʿdi ﵀ beschouwd als bakermat van de Za-dynastie; Gao begonnen als Sorko-vissersdorp op de rechteroever.
- p. 11: Ibn Battuta ﵀ die Gao in 1353 bezocht en de imam van de moskee van de bidan noemt.
