InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Soninke
Islam in West-AfrikaWest Africa Before Islam

De Soninke

Achter ieder groot rijk staat een volk, en achter Wagadou, het oude Ghana, de eerste grootmacht van West-Afrika, staan de Soninke. Maar wie waren zij, en hoe klommen zij naar de positie van waaruit zij een rijk konden bouwen dat de wereld zou veranderen? Dat verhaal begint niet in de middeleeuwen, maar duizenden jaren eerder, op een rotsklif in een land dat toen nog niet uitgedroogd was.

De Kliffen van Tichitt

Ergens in de tweede helft van het derde millennium voor de Christelijke jaartelling, in wat nu het droge zuidoosten van Mauritanië is, leefde een opmerkelijk volk dat zijn huizen van droge steen bouwde op de rotskliffen boven een keten van meren en moerassen. Zij verbouwden gierst en hielden vee, zij visten in de meren en jaagden in het savanneland eromheen, en zij bouwden op een manier die archeologen vandaag nog verbaast. De Tichitt-cultuur, gelokaliseerd langs Dhar Néma, Dhar Tagant, Dhar Tichitt en Dhar Walata, kende een viergelaagde sociale structuur, graanbouw, metallurgie, talloze grafheuvels en een eigen rotstekening-traditie, en meer dan vierhonderd nederzettingen zijn teruggevonden over een gebied van achthonderd kilometer. De Tichitt-traditie is waarschijnlijk de vroegste grootschalige, complex georganiseerde samenleving van West-Afrika ten westen van de Nijlvallei, en dit waren de voorouders van de Soninke.

Het gebied werd permanent bewoond door agro-pastoralistische gemeenschappen na 2200 tot 1900 voor de gewone tijdrekening. Deze groepen, geïdentificeerd als proto-Soninke-sprekers van de Mandé-taalfamilie, leefden in droge-stenen woonkernen, hielden runderen, schapen en geiten, verbouwden parelgierst en smolten ijzer. Zij waren geen nomaden en geen verspreide stammen, maar een samenleving met dorpen, opslagplaatsen, handel en bestuur, millennia voordat de eerste islamitische reiziger over hen zou schrijven.

De Woestijn Rukt Op

Dezelfde uitdroging die eerder de bewoners van de Groene Sahara naar het zuiden had gedreven, kwam nu aan de Tichitt-gemeenschappen toe, en gedurende het eerste millennium voor de gewone tijdrekening verdwenen de meren een voor een, zodat de ene Dhar na de andere moest worden verlaten. Veldwerk in Dhar Tichitt, Dhar Néma en Dhar Walata heeft aangetoond dat de lokale groepen, naarmate de woestijn oprukte, naar het zuiden trokken, naar de nog goed bewaarde watergebieden van wat nu noord-Mali heet, en zij namen hun kennis, hun sociale structuren en hun talen mee. Ondertussen kwam er druk vanuit het noorden, want rond 700 voor de gewone tijdrekening verwoestten Libisch-Berberse aanvallers de opkomende staat, maar de opening van die noordelijke route veranderde uiteindelijk de economische berekening van roven naar handelen. De inheemse Soninke herbevestigden zichzelf rond 300 voor de gewone tijdrekening, en trans-Saharaanse handel en de introductie van ijzerbewerking waren cruciaal in de ontwikkeling van de staat.

Wie Zijn de Soninke

De Soninke zijn een West-Afrikaans Mandé-sprekend volk dat vandaag nog leeft in Mali, zuid-Mauritanië, oost-Senegal, Gambia en Guinee, en hun taal heet Soninke, ook bekend als Serakhulle of Azer. Archeologisch bewijs weerlegt de latere verhalen over een buitenlandse oorsprong, want het bewijs ondersteunt een evolutie van het Ghana-rijk en andere Mandé-staten vanuit wortels in voorafgaande lokale Soninke-culturen, zoals die van Dhar Tichitt. Niet vanuit Noord-Afrika en niet vanuit het Midden-Oosten, maar vanuit hun eigen bodem: de Soninke zijn een inheems West-Afrikaans volk, en hun beschaving groeide op uit hun eigen aarde, hun eigen tradities en hun eigen ervaring van het land.

De Soninke waren nooit één enkelvoudige gemeenschap, want uit hun midden kwamen subgroepen voort die ieder een eigen rol zouden spelen in de West-Afrikaanse geschiedenis. De Wangara werden de grote handelaren van het goud, terwijl de Jakhanke later bekend zouden staan als Islamitische geleerden en vredeshandelaren, mannen die het zwaard niet droegen maar het boek. De Maraka werden landbouwers en handelsboeren in de binnenlandse delta, en de Sosso zouden, in een latere fase, het zwaard juist wel oppakken en kortstondig over de regio heersen voordat Sundiata Keita hen op de vlakte van Kirina zou breken.

De Griots, het Geheugen van het Volk

Geen begrip van de Soninke is volledig zonder de griot, de professionele bewaarder van de mondelinge geschiedenis, de genealogieën, de mythen en de wijsheid, die in een samenleving zonder schrift het levende archief was. Hij onthield de namen van koningen en hun daden, hij kende de afstammingslijnen van de grote families en hij kon de oorsprong van een conflict terugvolgen over tientallen generaties, en hij gaf het door, van vader op zoon, van leermeester op leerling, in een ononderbroken keten van mondelinge overlevering. Wanneer al-Sa’di ﵀ en de auteur van de Tarikh al-Fattash eeuwen later in Timboektoe over de vroege Sahel schreven, putten zij grotendeels uit wat de griots hun hadden verteld, want de grondslagen van de West-Afrikaanse geschiedschrijving rusten op een systeem van kennisoverdracht dat de Soninke hadden geperfectioneerd lang voordat er ooit een Arabisch woord over hen werd geschreven.

Onze rijkste Arabische beschrijving van het Soninke-rijk komt uit de pen van al-Bakri ﵀, geograaf van Córdoba, die zijn werk voltooide in 1068 van de Christelijke jaartelling, en hij beschreef het hof van de koning van Ghana met een precisie die geen tweede maal in dit tijdvak werd geëvenaard. De stad bestond uit twee delen, schreef hij, op een afstand van zes mijl van elkaar: het ene deel werd bewoond door moslims en bezat twaalf moskeeën, terwijl het andere deel de koninklijke residentie was en al-Ghaba heette, het Bos, omdat zij omringd was door heilige bosjes waarin de vooroudergeesten werden geëerd en waar geen vreemdeling mocht binnenkomen.

Hij beschreef hoe de koning audiëntie hield, gezeten in een paviljoen, omringd door tien pagen die met zwaard en met goud bewerkte schilden bij hem stonden. Aan zijn rechterhand zaten de zonen van de vazalkoningen, met goud in het haar gevlochten, en voor hem zaten de gouverneur en de ministers in dezelfde houding, terwijl tegen de poort van het paviljoen tien paarden lagen, gedekt met goudbrokaat, en honden van uitstekend ras bij de deur stonden, hun nekbanden van goud en zilver. Wanneer een onderdaan de koning wilde groeten, knielde hij neer en strooide stof op zijn hoofd, en wanneer een moslim binnenkwam, klapte hij in zijn handen, want zo was de begroeting bij hen.

Al-Bakri ﵀ noteerde ook hoe de koning zijn rijkdom afroomde, want op iedere lading zout die het rijk binnenkwam betaalde de eigenaar één dinar en op iedere lading die uitging twee, terwijl de goudklompen die uit de mijnen kwamen eigendom waren van de koning en alleen het goudstof voor de mijnwerkers bleef. Zo, voegde hij eraan toe, behield de koning de waarde van zijn goud, want anders zou er zoveel in omloop komen dat het zijn waarde zou verliezen.

De Positie die Alles Mogelijk Maakte

Het Ghana-rijk, ook bekend als Wagadou, kwam op vanuit een confederatie van Soninke-clans, en het lag nabij de bovenloop van de Senegal en bloeide dankzij goud uit de nabijgelegen velden van Bambuk en Buré, zodat het een gecentraliseerde staat werd die door zijn controle over de gouddistributie aanzienlijke macht en rijkdom vergaarde.

Het oude Ghana strekte zich uit over het grensgebied tussen het huidige Mauritanië en Mali en in de noordelijke delen van het huidige Senegal, tussen de twee grote rivieren, de Niger en de Senegal, en net ten zuiden van de Sahelische marktplaatsen die de cruciale overslagpunten van de trans-Saharaanse karavaanroute waren. Dit was geen toeval, maar het resultaat van eeuwen inzicht in hoe de wereld om hen heen in elkaar stak, want de Soninke wisten wat de Sahara vroeg en wat de bossen van het zuiden boden, en zij positioneerden zich op de grens van die twee werelden, precies zoals de Sorko en de Gabibi zich op de oevers van de Niger hadden gepositioneerd, omdat zij begrepen dat de grens de meest waardevolle plek is.

Wagadou en de Slang

In de mondelinge overlevering van de Soninke leeft een mythe die ons iets vertelt over hoe het volk zelf de val van Wagadou begreep. In het hart van het rijk, zo ging de overlevering, leefde een grote slang, Bida geheten, die in een put woonde en, zolang het volk hem ieder jaar een jonge maagd offerde, regen aan de akkers en goud aan de aarde schonk, zodat Wagadou bloeide door de gunst van de slang. Op een jaar werd de mooiste maagd van het rijk uitgekozen om aan Bida geofferd te worden, maar haar verloofde, een dappere krijger, weigerde haar af te staan, en toen Bida zijn kop uit de put hief om het meisje te grijpen, sloeg de krijger het hoofd van de slang af. Drie keer groeide de kop weer aan, en drie keer sloeg hij het af. De zevende kop, zo zegt de overlevering in sommige varianten, vloog over Wagadou heen en vervloekte het rijk met zeven jaar zonder regen en zeven jaar zonder goud, en het rijk droogde uit, de handel viel stil en Wagadou stierf.

Niemand neemt deze mythe vandaag letterlijk, maar zij vertelt iets waarachtigs over hoe een volk zijn eigen ondergang verwerkt. Wagadou viel niet door één veldslag, maar door een combinatie van klimaatverandering, het opdrogen van waterputten, het uiteenvallen van handelsallianties en het oprukken van de Almoraviden vanuit het noorden.

Bronnen

  • Abu ʿUbayd al-Bakri ﵀, Kitab al-Masalik wa-l-Mamalik (460/1068), de beschrijving van de stad Ghana en het hof van de koning: de twee steden, de twaalf moskeeën, al-Ghaba, het paviljoen met de pages, de paarden en de honden, de begroeting met stof op het hoofd en de belasting op zout en goud, zoals aangehaald in Gomez, pp. 33–36, en in de aantekeningen van Hunwick.
  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan, en Mahmud Kaʿti ﵀ en Ibn al-Mukhtar ﵀, Tarikh al-Fattash, de kronieken van Timboektoe die voor de vroege Sahel op mondeling overgeleverde berichten steunen, zoals besproken in de inleiding van Hunwick.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 31–39, 64, 66–67, 84, 88, 157, 384.
    • pp. 31, 384: Dhar Tichitt in het zuiden van Mauritanië als bakermat van de latere Soninke; nederzettingen tegen 1500 v.Chr., de stadjes van de Tichitt-mensen tussen 600 en 300 v.Chr., Walata en Mema, en daarna Kumbi Saleh in Wagadu; de naam Serrakole; Holl over de overgang naar staatsvorming in de Dhar Tichitt-regio.
    • pp. 32, 39: de Wangara als Mande-sprekende handelsgemeenschappen en hun land van het goud, Bambuk; Dinga en de Soninke-clans, onder wie de Cissé, als heersers van Wagadu met een fado voor elk van de vier provincies; de slang Bida in Kumbi, die veiligheid, regen en goud schenkt in ruil voor een jaarlijkse maagd.
    • pp. 33–36: al-Bakri ﵀ over de stad Ghana als twee steden op een vlakte, de moslimstad met twaalf moskeeën en de koningsstad zes mijl verderop met de bosjes, de afgoden en de koningsgraven; de koning in het koepelpaviljoen, de zonen van de vazalkoningen met goud in het haar, de onderdanen die knielen en stof op het hoofd strooien en de moslims die in de handen klappen; de belasting op zout bij invoer en doorvoer.
    • pp. 37–38: het verslag van al-Bakri ﵀ dat in 460/1068 eindigt; de onenigheid onder geleerden over een Almoravidische verovering van Ghana in 469/1076–1077; de Bida-legende: de maagd gered door een jonge minnaar die de slang doodt, de vloek van droogte en hongersnood, het hoofd dat in Bure neerkomt en de Soninke-diaspora.
    • pp. 64, 66: de jeli als drager van het epos en de grenzen van het geheugen over generaties; de meester-griots als bewaarders van de overlevering; de Tichitt-mensen als begin van de Mande-migraties naar het zuiden en westen.
    • pp. 67, 84, 88: de Susu (Sosso) bij Ibn Khaldun ﵀ als oostelijke buren van Ghana die dat koninkrijk verslaan; de slag bij Kirina waarin Sunjata Sumaoro beslissend verslaat, gedateerd rond 630/1233.
    • p. 157: de Jakhanke als Mande-geleerdenstand, gesticht door al-hajj Salim Suware ﵀, die banden met politieke elites als geestelijk compromitterend meed; de Jula of Maraka verbonden met de klerikale gemeenschappen van Dia.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxvii, lxii, 13–14.
    • p. xxvii: Azer als Soninke-creool van de Saharaanse karavaansteden Shinqit en Tichitt, bewijs dat Soninke-sprekers ooit verder noordwaarts woonden.
    • pp. 13–14 (TS hfst. 4): al-Ghaba, het bos, als naam van de koningsstad bij al-Bakri ﵀; Kumbi Saleh in Zuidoost-Mauritanië als opgegraven handelsnederzetting uit de negende eeuw; de Soninke-overlevering die Ghana in Wagadu plaatst; de Kayamagha-dynastie met Soninke-vazallen en Tunka als Soninke-aanspreektitel voor vorsten; Dia (Diakha) als verspreidingspunt van de Jakhanke.
    • p. lxii: al-Saʿdi ﵀ en Ibn al-Mukhtar ﵀ die hun verhaal bouwden op mondeling en schriftelijk overgeleverde berichten.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 4, 8, 15.
    • p. 4: de goudvelden van Bambuk tussen Falémé en Bafing en van Bure aan de Boven-Niger als doel van de Noord-Afrikaanse kooplieden.
    • p. 8: al-Bakri ﵀ als Andalusische geograaf die in 460/1068 schreef.
    • p. 15: de Masufa en Lamtuna van de Almoravidenbeweging die jihad voerden tegen de gevestigde Soninke van het oude Ghana.