InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Het Complot in Dar al-Nadwa
Siera van de Profeet ﷺDe Mekka Periode

Het Complot in Dar al-Nadwa

Terwijl de ene na de andere moslim Mekka verliet richting Medina, groeide de paniek onder de leiders van de Quraish. Wat begonnen was als een handjevol vertrekkenden werd al snel een stroom, een uittocht die niet meer te stoppen leek. De Quraish kregen steeds meer door dat zij, ondanks hun geweld en intimidatie, niet in staat waren om de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ ervan te weerhouden naar Medina te emigreren. Die angst richtte zich voornamelijk op twee punten:

  1. Dat de moslims in Medina de handelskaravanen van de Quraish, die langs Medina zouden gaan, in gevaar zouden brengen.
  2. Dat zij de politieke macht en het aanzien op het Arabisch Schiereiland zouden kwijtraken waar zij zoveel jaren van hadden genoten.

Om die redenen kwamen de leiders van de Quraish samen in Dar Al-Nadwah om te overleggen welke oplossing zij nodig hadden voor hun problemen. De volgende aya heeft betrekking op deze ontmoeting:

وَإِذۡ يَمۡكُرُ بِكَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِيُثۡبِتُوكَ أَوۡ يَقۡتُلُوكَ أَوۡ يُخۡرِجُوكَۚ وَيَمۡكُرُونَ وَيَمۡكُرُ ٱللَّهُۖ وَٱللَّهُ خَيۡرُ ٱلۡمَٰكِرِينَ

En weet toen de ongelovigen tegen jou samenspanden om jou gevangen te nemen of om jou te vermoorden of om jou te verdrijven; zij spanden samen en Allah maakte plannen en Allah is de Beste van de Plannenmakers.

Soera al-Anfaal: 30

Wat dit complot nog kwaadaardiger maakte was het feit dat zij ervoor kozen om een sterke jonge man van iedere clan te kiezen. Zou één man de Profeet ﷺ doden, dan zou de clan van de Profeet ﷺ, Banu Hashim, deze actie vergelden en dit zou consequenties hebben voor de gehele clan van die man. Er zou dan een grootschalige oorlog uitbreken. Met dit plan zou de schuld verdeeld worden over de diverse clans van Quraish en zou Banu Hashim niet in staat zijn om hen allen te bevechten. Zij zouden dan genoegen moeten nemen met het accepteren van bloedgeld en de kwestie daarbij laten.

Ali ﵁ in het bed van de Profeet ﷺ

De nacht viel over Mekka en de sluipmoordenaars namen hun posities in rond het huis van de Profeet ﷺ. Uit iedere clan was een gewapende man gekozen, jong en sterk, klaar om gezamenlijk toe te slaan zodra de Profeet ﷺ zijn huis zou verlaten. Zij wachtten in de schaduwen, zwijgend, hun zwaarden gereed.

Binnen in het huis openbaarde Allah ﷻ aan Zijn Boodschapper ﷺ wat de Quraish beraamden. De Profeet ﷺ wendde zich tot Ali ibn Abi Taalib ﵁ en droeg hem op om die nacht in zijn bed te slapen, gehuld in zijn groene mantel. Ali ﵁ begreep wat dit betekende. De moordenaars die buiten stonden verwachtten de Profeet ﷺ in dat bed aan te treffen. Toch aarzelde hij geen moment. Geen vraag, geen voorwaarde, geen spoor van twijfel. Hij legde zich neer en trok de mantel over zich heen, wetende dat dit zijn laatste nacht kon zijn.

De Profeet ﷺ verliet het huis terwijl hij de openingsverzen van Soera Ya-Sin reciteerde. Hij liep tussen de sluipmoordenaars door, maar Allah ﷻ nam hun gezichtsvermogen weg zodat zij hem niet zagen. Hij passeerde hen ongehinderd, greep een handvol stof van de grond en wierp het in hun richting. Geen van hen merkte iets.

Toen de dageraad aanbrak stormden de mannen het huis binnen. Zij trokken de mantel weg en vonden niet de Profeet ﷺ, maar Ali ﵁, die hen kalm aankeek. Over dit offer van Ali ﵁ openbaarde Allah ﷻ:

وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَشۡرِى نَفۡسَهُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِۚ وَٱللَّهُ رَءُوفُۢ بِٱلۡعِبَادِ

En onder de mensen is er wie zijn leven verkoopt om het welbehagen van Allah te zoeken. En Allah is Zachtmoedig jegens de dienaren.

Soera al-Baqarah: 207

In zijn uitleg over het vers uit Soera al-Anfaal zei Ibn Abbaas ﵁:

De leiders van Quraish: “Waar is jouw metgezel?”

Ali ﵁: “Ik weet het niet.”

Waarop zij zijn ﷺ sporen begonnen te volgen.

De Profeet ﷺ bereidt zich voor op de migratie

In een overlevering zei Aisha ﵂ dat de Profeet ﷺ naar het huis van Abu Bakr ﵁ kwam tijdens één van de twee einden van de dag, dan wel in de ochtend als in de avond, tot de dag dat de Boodschapper van Allah ﷺ toestemming kreeg om te migreren en Mekka en haar inwoners te verlaten. De Boodschapper van Allah ﷺ kwam in de middag bij ons aan gedurende een tijd waarin hij ﷺ niet gewoon was om ons te bezoeken (mensen namen toen een dutje). Toen Abu Bakr ﵁ hem zag zei hij: De Boodschapper van Allah komt niet naar ons op dit uur behalve als er iets belangrijks is gebeurd. Toen de Profeet ﷺ binnenkwam, stond Abu Bakr ﵁ op en gaf hem ruimte en liet hem op zijn bed zitten. De Boodschapper van Allah ﷺ zat en op dat moment was er niemand met Abu Bakr ﵁ behalve mijn zus, Asmaa bint Abu Bakr en ik. De Boodschapper van Allah ﷺ zei: Verwijder van mijn aanwezigheid degene die met jouw zijn. Abu Bakr zei: O Boodschapper van Allah ﷺ zij zijn niemand minder dan mijn dochters. Wat is er aan de hand? Moge mijn vader en moeder voor jou opgeofferd worden! (een uiting van extreem respect jegens iemand). Hij zei ﷺ: Voorwaar, toestemming is mij gegeven om te vertrekken en te migreren. Abu Bakr ﵁ zei: Gezelschap, o Boodschapper van Allah ﷺ (d.w.z. zal ik u vergezellen tijdens de migratie?). Toen zei de Profeet ﷺ: Gezelschap (d.w.z. dat hij bevestigde wat Abu Bakr vroeg). Voor ik Abu Bakr ﵁ die dag zag huilen had ik nooit gedacht dat iemand uit blijdschap kon huilen. Abu Bakr ﵁ zei toen: O Profeet van Allah, waarlijk hier zijn twee rijtuigen die ik heb voorbereid voor deze gelegenheid. Ze huurden Abdullah ibn Uraiqit van Banu Ad-Dail ibn Bakr clan (een veelgodenaanbidder) en wiens moeder van Banu Sahm ibn 'Amr was als gids voor hun reis. Ze gaven hem hun rijtuigen om bij zich te houden terwijl zij voorbereidde tot de aanwezen tijd (waarop Abu Bakr ﵁ en de Profeet ﷺ de rijtuigen zouden komen halen). In een andere hadith van Aisha ﵂ worden meerdere details van hun voorbereiding overgeleverd:

Toen gingen Boodschapper van Allah ﷺ en Abu Bakr ﵁ naar een grot in de berg Thawr waar zij 3 nachten verbleven. Abdullah, de zoon van Abu Bakr, toen nog een jonge jongen, begiftigd met intelligentie en begrip bracht de nacht daar door. Hij vertrok tijdens de ochtendgloren zodat de Quraish zou denken dat hij al die tijd in Mekka was. Hij hoorde van al hun complotten tegen hen en bracht dit in de nacht naar hen (de Profeet ﷺ en de Abu Bakr ﵁). Aamir ibn Fuhaira, de dienaar van Abu Bakr ﵁, hoedde een kudde Minha (refereert naar dieren die in bruikleen waren voor hun melk) en bracht de kudde 's nachts naar hen. Zij konden daardoor de Risl (de melk van deze kudde) nuttigen tot Aamir ibn Fuhaira hen weer wegdreef aan het einde van de nacht. Hij deed dit iedere van de 3 nachten. De Boodschapper van Allah ﷺ en Abu Bakr ﵁ huurde een man van Banu Ad-Dail in als gids. Ondanks dat hij een veelgodenaanbidder was vertrouwden zij hem en gaven ze hem hun rijtuigen en maakten de afspraak elkaar bij At-Tahwr te ontmoeten na 3 nachten.

De grot van Thawr

Toen de Quraish het spoor van de Profeet ﷺ volgden, naderden zij de berg Thawr. Binnen in de grot was het donker en stil. Het rook er naar vochtige aarde en de koele lucht drong door de kleding heen. Abu Bakr ﵁ hoorde de voetstappen en stemmen van de zoekgroep die dichterbij kwamen, steeds luider, tot zij vlak boven hen stonden. Zijn hart bonsde. Hij fluisterde tegen de Profeet ﷺ: “Als één van hen naar beneden kijkt, ziet hij ons.” De Profeet ﷺ antwoordde met de woorden die de Koran voor altijd vastlegde:

لَا تَحۡزَنۡ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَنَا

Treur niet, voorwaar Allah is met ons.

Soera at-Tawbah: 40

Allah ﷻ had een spin gestuurd die haar web spon over de opening van de grot, draad na draad, totdat een fijn, ongeschonden web de ingang bedekte. Een duif had haar nest gebouwd bij de rand van de opening en zat daar rustig op haar eieren. Toen de achtervolgers de grot bereikten, keken zij naar de ingang. Het web was intact, het nest ongestoord. Geen mens kon hier naar binnen zijn gegaan zonder deze tekenen te verstoren. Zij keerden om en zetten hun zoektocht elders voort.

De Profeet ﷺ en Abu Bakr ﵁ verbleven drie dagen en drie nachten in de grot. Geen voedselvoorraad, geen wapenuitrusting, geen leger om hen te beschermen. Slechts het vertrouwen op Allah ﷻ, een spinnenweb en een duif.

Suraaqa ibn Maalik

De Quraish keerden terug naar Mekka met lege handen, maar zij waren niet bereid het hierbij te laten. Zij kondigden een beloning aan van honderd kamelen voor eenieder die de Profeet ﷺ zou terugbrengen, levend of dood. Honderd kamelen. Dat was een fortuin waarvoor menig man zijn eigen broeder zou verraden. Het bericht verspreidde zich als een lopend vuur door heel de Hijaaz.

Suraaqa ibn Maalik ﵁, een gerespecteerd man van de stam Banu Mudlij en een ervaren sporenzoeker, zat in een bijeenkomst van zijn stamgenoten toen een man binnenkwam met het nieuws dat hij twee reizigers had gezien op de kustroute richting Medina. Suraaqa begreep onmiddellijk dat dit de Profeet ﷺ en Abu Bakr ﵁ moesten zijn. Maar in plaats van deze informatie te delen, bagatelliseerde hij het bericht. “Dat zijn zij niet,” zei hij tegen de aanwezigen. “Dat zijn zus en zo, die ik eerder zag vertrekken.” Hij wilde de beloning voor zichzelf.

Hij wachtte tot de bijeenkomst uiteen ging, ging naar huis, beval zijn slavin om zijn paard in het geheim gereed te maken aan de achterzijde van het huis, en reed alleen de woestijn in. Hij was een jager die zijn prooi niet wilde delen.

Toen hij de twee reizigers in de verte kon onderscheiden, spoorde hij zijn paard aan. Maar het paard struikelde en Suraaqa viel op de grond. Hij trok pijlen uit zijn koker en wierp het lot, een gewoonte van de Arabieren om een voorteken te zoeken. Het lot viel tegen hem uit. Toch negeerde hij het. De honderd kamelen trokken harder dan het bijgeloof.

Hij steeg weer op en naderde de Profeet ﷺ tot hij diens recitatie van de Koran kon horen. De Profeet ﷺ keek niet om. Abu Bakr ﵁ keek wel, keer op keer, angstig. Toen Suraaqa dichtbij genoeg was om aan te vallen, zonken de poten van zijn paard weg in de grond, tot aan de knieën, alsof de aarde zelf het dier vasthield. Er steeg een stofwolk op als een zuil van rook. Suraaqa wist dat dit geen toeval was.

Hij riep uit: “O Muhammad! Ik vraag u om veiligheid!” De Profeet ﷺ stopte. Suraaqa kwam dichterbij, te voet nu, en vroeg om een schriftelijke garantie van veiligheid. De Profeet ﷺ beval dat deze voor hem geschreven werd. Toen Suraaqa op het punt stond te vertrekken, deed de Profeet ﷺ een uitspraak die Suraaqa verbijsterde:

De Profeet ﷺ: “Hoe zal het met jou zijn, o Suraaqa, wanneer jij de armbanden van Kisra draagt?”

Suraaqa ﵁: “Kisra? Kisra ibn Hurmuz, de koning van Perzië?”

De Profeet ﷺ: “Kisra ibn Hurmuz.”

Suraaqa staarde hem aan. Hier stond een man die op de vlucht was, wiens hoofd een prijs van honderd kamelen droeg, die geen leger had, geen stad, geen bondgenoten op dit moment. En deze man beloofde hem de armbanden van de machtigste keizer op aarde. Het was geen uitspraak van een wanhopige. Het was de kalme zekerheid van iemand die wist wat komen ging.

Suraaqa keerde om. Maar hij deed meer dan alleen vertrekken. Iedere zoekgroep die hij tegenkwam op de terugweg stuurde hij de verkeerde kant op. “Ik heb het hele gebied al doorzocht,” zei hij. “Hier is niets.” De jager was een bewaker geworden.

Jaren later, onder het kalifaat van Umar ibn al-Khattaab ﵁, viel het Perzische Rijk. De schatten van Kisra werden naar Medina gebracht, waaronder de koninklijke armbanden. Umar ﵁ liet Suraaqa ﵁ komen en deed hem de armbanden om. Een belofte gedaan in de woestijn, door een vluchteling zonder bezittingen, was vervuld. Geen toeval, geen geluk, geen menselijke berekening. Het was de bevestiging van wat de Profeet ﷺ altijd al had geweten.