InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Hijra naar de Rechtvaardige Koning
Siera van de Profeet ﷺDe Mekka Periode

De Hijra naar de Rechtvaardige Koning

De vervolging van de moslims in Mekka nam toe naarmate de boodschap van Islam meer terrein won. Ondanks de bescherming die figuren als Hamza en 'Umar ﵄ boden, bleef het leven voor veel moslims ondraaglijk, vooral voor degenen zonder sterke stamverbanden. In het vijfde jaar van de Profetische Missie, toen de onderdrukking een hoogtepunt bereikte, adviseerde de Profeet ﷺ een aantal van zijn Metgezellen ﵃ om te migreren naar Abessinië (الحبشة), het land dat nu bekend staat als Ethiopië. Abessinië was een christelijk koninkrijk, geregeerd door een koning die bekend stond om zijn rechtvaardigheid, de Negus (النجاشي) of Najashi, wiens naam Ashamah was. Daarnaast was het land relatief eenvoudig te bereiken via de Rode Zee, maar toch ver genoeg van Mekka om buiten de directe invloedssfeer van de Quraish te vallen.

De eerste Migratie

De eerste groep moslims die gehoor gaf aan deze oproep bestond uit vijftien personen: elf mannen en vier vrouwen. Onder hen bevonden zich verschillende prominente metgezellen:

  • Uthman ibn Affan ﵁
  • Ruqayyah ﵂
  • Abu Hudhayfah ﵁ bin 'Utbah Zoon van 'Utbah ibn Rabi’ah, een leider van Quraish
  • Sahla bint Suhail ﵂ Echtgenote van Abu Hudhaifa, van de elite familie van Banu Amir
  • Al-Zubayr ibn Al-Awwam ﵁ Neef van de Profeet ﷺ
  • Mus’ab ibn Umayr ﵁ *Jonge bekeerling uit een welgestelde familie *
  • Abdur-Rahman ibn Awf ﵁ Eén van de rijkste, en vooraanstaande handelaren van Mekka
  • Abu Salama ﵁
  • Abdullah ibn Abdul-Asad ﵁
  • Umm Salama ﵂ Echtgenote van Abu Salama, later echtgenote van de Profeet ﷺ
  • Uthman bin Maz’oen ﵁
  • Amir bin Rabi’ah al-'Anzi ﵁
  • Layla bint Abu Hathma ﵂
  • Abu Sabra bin Abu Ruhm ﵁
  • Hatib bin 'Amr ﵁
  • Suhayl bin Bayda ﵁
  • Abdullah bin Mas’ud ﵁

Moge Allah ﷻ tevreden zijn met hen allen!

De migratie vond in het diepste geheim plaats. Zij vertrokken in kleine groepen om geen aandacht te trekken en reisden 's nachts naar de haven van Shu’aybah, nabij Mekka. De reis was gevaarlijk en uitputtend. Het gevaar kwam niet alleen van de zeereis zelf, maar ook van de vrees ontdekt te worden door de Quraish. Zij zouden zeker getracht hebben de migratie te verhinderen, aangezien ze de verspreiding van Islam buiten Mekka als een bedreiging zagen en vreesden dat de migranten buitenlandse steun zouden kunnen krijgen. Maar Allah ﷻ beschermde hen. Tegen de tijd dat de Quraish ontdekten wat er gebeurde, had het schip al de kust verlaten en koers gezet naar Afrika. De woede en frustratie van de Quraish was groot, maar ze konden niets doen om de migratie te stoppen.

Kaart laden...

De Tweede Migratie en de Confrontatie met Quraish

De vervolging van de moslims verergerde en de Profeet ﷺ gaf een tweede toestemming voor een migratie naar Ethiopië. De migratie was deze keer echter moeilijk vanwege de verhoogde alertheid van de Quraish. Desondanks slaagden de moslims erin de reis te maken doordat zij snel konden schakelen. De groep bestond uit 83 mannen en 18 vrouwen. Onder hen was ook Ja’far ibn Abi Talib ﵁, de neef van de Profeet ﷺ en broer van Ali ﵁. De Quraish konden het idee van een veilige haven voor moslims niet verkroppen en verkozen 'Amr ibn Al-'As en Abdullah ibn Abi Rabi’ah om de Negus te overtuigen de moslims weer terug uit te leveren. Ze namen kostbare geschenken mee voor de Negus en zijn hof, en toen ze voor de Negus verschenen bogen zij voor hem en verzochten ze hem om de moslims naar zijn hof te laten komen. 'Amr ibn Al-'As en Abdullah ibn Abi Rabi’ah claimden dat de moslims aan hen overhandigd zouden moeten worden omdat zij de religie van hun voorouders hebben verlaten en hun leider een religie beleed die anders was dan van hen en de Negus.

De Negus ontbood de moslims aan zijn hof en vroeg hen uitleg te geven over hun religie. Hij vroeg de moslim:

Wat is deze religie die jullie weerhoudt de religie van jullie volk of van mij te volgen?

Ja’far ﵁ antwoordde:

Ja’far ﵁: O Koning wij waren een onwetend volk. We aanbaden afgoden en aten het vlees van dode karkassen. We waren gewend aan schunnig gedrag, het breken van de familiebanden, het veronachtzamen van onze buren. De sterken van ons consumeerden de zwakkeren. Dit is hoe wij waren maar toen stuurde Allah een Boodschapper naar ons. We waren op de hoogte van zijn afkomst, zijn waarachtigheid en zijn zuiverheid. Hij nodigde ons uit tot Allah, dat we ons enkel tot Hem alleen zouden richten en dat we alleen Hem zouden aanbidden. Dus we verlieten de religie van onze voorouders, we verlieten het aanbidden van stenen en afgoden en alles naast Allah. Hij beviel ons om waarachtig te zijn in onze woorden, ons woord na te komen, familiebanden te onderhouden, goed te zijn voor onze buren en ons te onthouden van illegaal bloedvergieten. Hij verbood onzedelijk gedrag, schuine taal, het consumeren van de welvaart van de wees en het lasteren van kuise vrouwen. Hij beviel ons om enkel Allah te aanbidden zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen, om het gebed te verrichten, om in liefdadigheid te geven en te vasten…

Ja’far ﵁: Dus we vertrouwden en geloofden in Hem en volgden de religie van Allah die hij overleverde. We begonnen enkel Allah te aanbidden en kenden geen deelgenoten aan Hem toe. We onthielden ons van hetgeen Hij verboden had verklaard en stonden onszelf toe wat Hij had toegestaan. Om deze reden begonnen ons volk zich tegen ons te keren, ze straften ons en martelden ons opdat wij onze religie zouden verlaten en terug zouden keren tot het aanbidden van afgoden in plaats van Allah. Zij wilden dat wij alle onreine zaken weer zouden beschouwen als toegestaan zoals wij dit voorheen deden. Dus toen zij ons overmeesterden, onderdrukten en beperkten toen zij tussen ons en onze religie kwamen, kwamen we naar uw lan. Wij verkozen u boven anderen en verlangden wij ernaar om naast u leven in de hoop dat u, o koning, ons geen onrecht aan zou doen.

De Negus vroeg hem: “Is er iets daarvan bij jou waarvan hij je heeft gezegd dat het van Allah is?”

Ja’far ﵁ bevestigde en begon de eerste verzen van soera Maryam te reciteren. Deze ajaat vertellen het verhaal van de geboorte van Yahya en 'Isa tot aan Maryam. De koning en zijn bisschoppen toen zij dit hoorden waren ontroerd en de tranen rolden over hun wangen. De Negus zei:

Het lijkt alsof deze woorden en de woorden die geopenbaard werden aan Isa zonnestralen zijn welke voortkomen uit dezelfde bron. Tegen de gezanten van de Quraish zei hij dat hij de moslims niet kon uitleveren en dat zij vrij zijn om te leven en te aanbidden in zijn koninkrijk zoals zij willen.

De volgende dag keerden zij, 'Amr ibn Al-'As en Abdullah ibn Abi Rabi’ah terug naar de koning om te zeggen dat Muhammad ﷺ en zijn volgers heiligschennis pleegden jegens 'Isa. Wederom werden de moslims ontboden en gevraagd over wat zij dachten over Isa. Ja’far ﵁ stond op en gaf weer antwoord namens de moslims:

We zeggen over Isa wat wij hebben geleerd van onze Profeet ﷺ dat hij een dienaar van Allah is, Zijn Boodschapper, Zijn ziel en Zijn Woord ingeblazen in de Maagd Maryam. De koning merkte op dat zij dus hetzelfde geloofden. Hij gaf de cadeaus terug aan de gezanten van de Quraish en stuurde hen terug en gaf extra garanties dat de moslims volledige bescherming zouden genieten in zijn koninkrijk. De moslims zouden een aantal jaar in Ethiopië verblijven voordat zij terug zouden keren naar Medina.