Het Martelaarschap van de Leeuw
In het voorgaande artikel volgden wij hoe Umar al-Mukhtar ﵀ op 11 september 1931 in een Italiaanse hinderlaag in de buurt van Slonta gevangen werd genomen, hoe hij aan Benghazi werd overgedragen, waar het proces zou plaatsvinden, en hoe de Italiaanse leiding zich voorbereidde op een juridisch traject dat aan de executie van de gevangen Cyrenaïcaanse leider een internationale rechtvaardiging moest geven. Dit laatste artikel van de cyclus volgt het Italiaanse proces van 15 september 1931, het doodvonnis dat er dezelfde dag uit voortkwam, en ten slotte de executie van Umar al-Mukhtar ﵀ in een publieke ophanging op de volgende morgen op de heuvels van Solluq, een morgen die in heel de moslimwereld werd ontvangen als een gebeurtenis van gemeenschappelijke geestelijke betekenis en die in de decennia daarna de naam van de Leeuw van de Woestijn een blijvende plaats in de gemeenschappelijke herinnering van de moslimwereld zou geven.
Het proces
Op 15 september 1931 kwam in Benghazi het Tribunale del Corpo d’Armata territoriale di Bengasi bijeen om Umar al-Mukhtar ﵀ te berechten, en van de opening tot het vonnis nam die zitting slechts enkele uren in beslag. Wie de zitting voorzat is uit de overgeleverde stukken niet te achterhalen; wat wel vaststaat is dat Giuseppe Bedendo de aanklacht voerde en dat Giuseppe Franceschino het vooronderzoek had geleid. Naast de voorzitter zat een drietal Italiaanse militaire rechters in de samenstelling die een koloniaal krijgsrechtelijk proces placht te kennen, en enkele Italiaanse officieren traden op als getuigen voor de aanklacht. De verdediging was toegewezen aan een Italiaanse advocaat, Captain Roberto Lontano, die als difensore d’ufficio was aangewezen en zijn taak met zoveel vuur uitvoerde dat de koloniale rechtsbedeling hem er tien dagen eenzame opsluiting voor oplegde.
De aanklacht tegen Umar al-Mukhtar ﵀ luidde in haar formele bewoordingen “gewapend verzet tegen de soevereine Italiaanse staat”, en daarbij kwamen enige specifieke punten: de gevechten die in de voorafgaande jaren waren gevoerd, de executies van plaatselijke moslim-collaborateurs door zijn troepen, en de gewapende acties tegen Italiaanse militaire posten. Naar zijn uiterlijke vorm verliep het proces volgens de regels van de Italiaanse rechtsgang, en de aangeklaagde kreeg de gewone procedurele rechten formeel geboden, maar de uitkomst was door de Italiaanse leiding vastgesteld voordat de zitting begon.
Umar al-Mukhtar’s ﵀ uitspraak
Toen Umar al-Mukhtar ﵀ tijdens het proces in formele vorm werd gevraagd op de aanklachten te antwoorden, sprak hij een verklaring uit die in de Cyrenaïcaanse moslim-overlevering bewaard is gebleven. Hij sprak met waardigheid, en hij verwierp de Italiaanse koloniale soevereiniteit over Libië als een onrechtmatige heerschappij van een Europese mogendheid over een moslim-gemeenschap die in geestelijk opzicht aan geen aardse macht onderworpen kon zijn dan aan Allah ﷻ en aan Zijn Boodschapper ﷺ. Hij had, zo verklaarde hij, in zijn levenswerk geen eigen aspiraties gediend maar enkel de geestelijke en politieke verantwoordelijkheid die zijn Senussi-aansluiting hem had opgelegd, en hij aanvaardde iedere uitkomst die Allah ﷻ in Zijn wijsheid voor hem had bepaald.
In de Cyrenaïcaanse overlevering wordt verder vermeld dat hij vlak voor de uitspraak zou hebben gezegd: “Wij zullen niet ophouden, onze plicht is langer dan ons leven.” Of deze specifieke woorden werkelijk tijdens het proces zijn uitgesproken of pas in een latere overlevering aan hem zijn toegeschreven, is in de Italiaanse rechtbankrapporten van de tijd niet eenduidig bevestigd; wat vaststaat is dat de Cyrenaïcaanse moslim-traditie ze heeft bewaard als de verwoording van zijn geestelijke standpunt op de drempel van zijn dood. Nadien werd de zin in heel de moslimwereld aangehaald als een geestelijke aansporing, omdat hij de overtuiging samenvat dat een rechtvaardige strijd zijn uiterlijke afloop geestelijk overstijgt.
Het doodvonnis
Aan het einde van het proces, na enige uren van formele behandeling, sprak de Italiaanse rechtbank gezamenlijk het doodvonnis over Umar al-Mukhtar ﵀ uit. Het vonnis werd naar de vaste vormen van de Italiaanse koloniale conventies uitgesproken, met als formele grond de aangeklaagde categorieën van gewapend verzet tegen de Italiaanse staat, en met als enige strafmaat de publieke ophanging op de volgende morgen. Umar al-Mukhtar ﵀ hoorde het vonnis aan met waardigheid en zonder uiterlijk vertoon van emotie, en hij sprak een laatste verklaring uit waarin hij de uitkomst geestelijk aanvaardde als de goddelijke beschikking die over hem was gekomen.
De laatste nacht
Tussen het einde van het proces in de middag van 15 september en de executie in de vroege morgen van 16 september zat Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn cel in de militaire gevangenis van Benghazi, en hij besteedde de uren die hem restten aan de persoonlijke geestelijke voorbereiding op zijn dood. Hij ontving in die uren enige bezoeken: een formeel bezoek van enige Italiaanse koloniale ambtenaren die volgens de bureaucratische gang van zaken nog enige laatste administratieve aangelegenheden moesten afhandelen, en een plaatselijke Italiaanse rooms-katholieke priester die naar de gewone koloniale conventie het aanbod van een laatste sacrament kwam doen.
Umar al-Mukhtar ﵀ wees het aanbod van de katholieke priester met beleefdheid af, en hij verklaarde dat hij als moslim zou sterven en dat zijn geestelijke toewijding enkel haar weg zou vinden in zijn eigen gebed tot Allah ﷻ. De voornaamste uren van de nacht wijdde hij aan het tahajjud-gebed en aan de Senussi-dzikr die hij zijn leven lang met discipline had volgehouden; het was die voorbereiding die aan de dood die hem wachtte haar geestelijke betekenis gaf.
Het laatste gebed
Van een gevangene in de laatste nacht voor zijn executie zou men gewoonlijk angst en geestelijke onrust kunnen verwachten, maar in de getuigenissen van zijn Italiaanse bewakers, voor zover die in latere koloniale rapporten zijn bewaard, toonde Umar al-Mukhtar ﵀ in die uren een kalmte die zelfs voor zijn vijanden opmerkelijk was. Hij verrichtte de gewone vijfmaal-daagse gebeden, hij reciteerde voor zichzelf passages uit de Quran, en in de uren daartussen sliep hij, met een rust die van zijn geestelijke voorbereiding en van zijn aanvaarding van de dood sprak.
De executie
In de vroege morgen van 16 september 1931 werd Umar al-Mukhtar ﵀ onder een omvangrijke Italiaanse militaire escorte vanuit zijn cel naar de plaats van de executie overgebracht. De Italiaanse leiding had daarvoor Solluq gekozen, een locatie in de Cyrenaïcaanse zandvlakten ten zuiden van Benghazi, en die keuze droeg in haar geografie een specifieke bedoeling in zich. Solluq was in de voorafgaande jaren een van de grootste concentratiekampen geweest waarin grote aantallen Cyrenaïcaanse Bedoeïen in gedwongen ontheemding waren samengebracht, en de Italiaanse leiding wenste de executie van Umar al-Mukhtar ﵀ als koloniale demonstratie vlak naast dat kamp te voltrekken, om daarmee de geestelijke onderdrukking van de Cyrenaïcaanse bevolking te bevestigen.
De toeschouwers bestonden uit ongeveer twintigduizend gedwongen aanwezige Cyrenaïcaanse Bedoeïen uit het naburige concentratiekamp, aangevuld met Italiaanse militaire ambtenaren en met enige uitgenodigde Italiaanse pers-vertegenwoordigers. Die gedwongen aanwezigheid was een doelbewuste Italiaanse strategische keuze, waarmee de morele en geestelijke onderdrukking tot een hoogtepunt moest worden gebracht. Voor de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen die gedwongen aanwezig waren was wat komen ging een geestelijke beproeving, en die morgen zou in hun gemeenschappelijke herinnering een onuitwisbare plaats krijgen.
Het moment van de dood
Op het ingerichte schavot, waarop naar Italiaanse koloniale conventie een eenvoudige galg was opgericht, werd Umar al-Mukhtar ﵀ onder formele militaire begeleiding gebracht. Hij droeg zijn gewone Senussi-kleding, de witte djellaba en de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-hoofddoek, en hij sprak in zijn laatste ogenblikken met waardigheid een reciterend gebed waarin de namen van Allah ﷻ en van de Profeet ﷺ klonken.
Volgens de getuigenissen van de aanwezige Cyrenaïcaanse toeschouwers, die in latere overlevering gemeenschappelijk zijn bewaard, sprak Umar al-Mukhtar ﵀ ten slotte de Shahada uit, de getuigenis waarin de moslim de ene God, Allah ﷻ, en het profeetschap van Muhammad ﷺ erkent. Zijn laatste woorden waren, naar de gangbare lezing van de overlevering, een Quran-citatie: “Inna lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn”, de gewone moslim-uitspraak waarmee de goddelijke beschikking in haar volheid wordt aanvaard: “Wij behoren aan Allah ﷻ en tot Hem keren wij terug.”
Daarna werd hij volgens de Italiaanse executie-conventie aan de galg gehangen, en hij stierf met dezelfde waardigheid, die de aanwezige Cyrenaïcaanse Bedoeïen als een gemeenschappelijke geestelijke ervaring ondergingen. Wat onder hun ogen gebeurde was geen Italiaanse demonstratie van koloniale autoriteit geworden maar een moslim-getuigenis dat gemeenschappelijk werd ontvangen, en het bracht de aanwezige gemeenschap tot een vernieuwde geestelijke standvastigheid.
De Italiaanse propaganda en de wereldpers
In de Italiaanse pers van 1931 en 1932 liep een brede propagandistische campagne waarin de executie van Umar al-Mukhtar ﵀ als een Italiaanse koloniale overwinning werd voorgesteld. De Fascistische pers, aangestuurd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en door de Fascistische propaganda-apparatuur, publiceerde in die jaren een reeks artikelen waarin Umar al-Mukhtar ﵀ in een negatief daglicht werd geplaatst: als rover, als onverdraagzame fanaticus, en als bedreiging voor de beschaving-brengende missie van het Italiaanse koloniale project. In dat beeld werd het Italiaanse koloniale optreden in Libië in zijn geheel aan de eigen bevolking gepresenteerd.
In de bredere internationale pers was de ontvangst gemengder. In de Britse, de Franse en de Duitse bladen van die tijd verschenen beschouwingen van uiteenlopende strekking over de menselijke gevolgen van de Italiaanse koloniale onderwerping van Cyrenaica, al bleef de internationale aandacht voor de Cyrenaïcaanse zaak beperkt. In de Arabische en de moslim-pers was de reactie daarentegen breed: het tragische einde van Umar al-Mukhtar ﵀ werd er gepresenteerd als het einde van een moslim-martelaar, en zijn naam werd aan de bredere moslim-Oemma voorgehouden als een voorbeeld van anti-koloniale standvastigheid.
De gevolgen
In de uren en dagen na de executie kwam in heel Cyrenaica en in de bredere moslimwereld een geestelijke beweging op gang waarin de marteldood van Umar al-Mukhtar ﵀ in haar volle geestelijke betekenis werd ontvangen. In de plaatselijke Cyrenaïcaanse zawiya’s werden gemeenschappelijke janazah-gebeden in absentia voor de gevallen leider verricht, waaraan enkele duizenden moslims met hun aanwezigheid deelnamen. In Caïro, in Mekka, in Tunis, in Algiers en in vele andere moslim-steden volgden gaandeweg vergelijkbare plechtigheden, waarin de moslim-bevolking de marteldood ontving als een geestelijke bevestiging van de Senussi-zaak.
Voor het Cyrenaïcaanse verzet betekende de uitkomst dat de gewapende strijd gaandeweg tot stilstand zou komen. De geestelijke doorwerking hield daarentegen aan, en zij zou de Cyrenaïcaanse moslim-traditie in de decennia daarna in haar volle breedte bepalen. De naam Umar al-Mukhtar ﵀, de Leeuw van de Woestijn, werd tot een gemeenschappelijk symbool van moslim-verzet tegen koloniale onderdrukking, en hij zou in de decennia daarna in heel de moslimwereld herkenbaar blijven als een geestelijke aansporing.
De geestelijke uitkomst
Voor de Cyrenaïcaanse moslim-gemeenschap bracht de marteldood een geestelijke vernieuwing teweeg, en juist daarin doorkruiste zij de Italiaanse koloniale doelstellingen. De Italiaanse leiding had gehoopt dat de executie van de leider van het verzet de Cyrenaïcaanse weerstand zou breken; wat zij ontmoette was een verzet dat zich geestelijk vernieuwde en dat in de decennia daarna zijn kracht zou behouden. Het Cyrenaïcaanse moslim-bewustzijn zoals het zich na de marteldood ontwikkelde, tastte de Italiaanse koloniale legitimiteit steeds verder aan, en het zou zijn beslag krijgen in de Tweede Wereldoorlog en in de Libische onafhankelijkheid van 1951.
De familie na de executie
Voor de familie van Umar al-Mukhtar ﵀ brak na zijn executie een tijd van menselijke beproeving aan, die zowel het geestelijke als het praktische leven van het gezin raakte. Zijn vrouw Fatima en zijn kinderen verkeerden in een crisis waarin het verlies van de centrale figuur van de familie samenviel met de vraag hoe zij verder zouden leven onder de Italiaanse koloniale heerschappij. De Italiaanse koloniale autoriteiten hielden de familie onder scherp toezicht, uit vrees dat de nakomelingen van Umar al-Mukhtar ﵀ opnieuw een verzet tegen het koloniale bewind zouden voortbrengen.
Enige van zijn kinderen weken in de jaren daarna uit naar Egypte, waar zij hun plaats vonden binnen de Cyrenaïcaanse uitgewekenen-gemeenschap die daar was gevestigd. Zijn familiale lijn verspreidde zich in de decennia daarna in verspreide vestigingen over Egypte, Libië, Saudi-Arabië en andere moslim-gemeenschappen. Voor de Senussi-broederschap bleef het nageslacht van Umar al-Mukhtar ﵀ een blijvende verbintenis met het Cyrenaïcaanse verzet.
De erfenis
De erfenis van Umar al-Mukhtar ﵀ tekende in de decennia daarna de moslim-traditie van anti-koloniaal verzet, en zij gaf hem daarin een blijvende plaats. In Libië werd zijn naam na 1951 met staatszorg gehandhaafd, onder de Senussi-soevereiniteit die met de instelling van het Senussi-koninkrijk toeviel aan Sayyid Muhammad Idris al-Sanusi ﵀ als koning Idris I van Libië, met plaatselijke gedenktekens en met openbare instellingen die naar de gevallen leider werden genoemd. Onder het Gaddafi-regime na 1969 werd diezelfde naam hergebruikt in de revolutionaire propaganda, in een aanwending die zijn historische figuur in een eigen politieke lezing plaatste en die onder meer de Hollywood-film Lion of the Desert (1981) financierde, onder regie van Moustapha Akkad, waarin de Mexicaans-Amerikaanse acteur Anthony Quinn de rol van Umar al-Mukhtar ﵀ vertolkte en waarmee zijn verhaal een internationale verspreiding kreeg.
In de bredere moslimwereld, en in het bijzonder in de Arabische en Noord-Afrikaanse landen, werd de naam van Umar al-Mukhtar ﵀ in de loop van de twintigste eeuw tot een aansporing tot anti-koloniaal verzet en tot geestelijke standvastigheid onder uitwendige onderdrukking. Zijn portret, met de witte djellaba en met de gewone Cyrenaïcaanse Bedoeïen-hoofddoek, hing in vele moslim-huishoudens en moslim-instellingen, en dat gebruik draagt zijn geestelijke betekenis tot in de hedendaagse moslim-gemeenschappen.
Wat de woestijn niet verzwijgt
Aan het einde van deze cyclus van twaalf artikelen over al-Hajj Umar al-Mukhtar ﵀, de Leeuw van de Woestijn van Cyrenaica, valt in een korte slotbeschouwing op te merken dat zijn werk in zijn uiterlijke verloop op een nederlaag uitliep, met de Italiaanse koloniale onderwerping van Libië in een fase die tot in de Tweede Wereldoorlog zou voortduren, en met zijn eigen marteldood in een publieke ophanging op de heuvels van Solluq op 16 september 1931. In zijn geestelijke doorwerking daarentegen begon in de decennia daarna een geschiedenis die de moslim-traditie van anti-koloniaal verzet en geestelijke standvastigheid blijvend zou bepalen.
De woestijn van Cyrenaica, waarin hij in zijn drieënzeventig jaar van leven zijn werk had gevoerd, behield in haar zandvlakten en in haar Jebel Akhdar-bergen geen uiterlijke sporen van zijn aanwezigheid, want de Saharaanse wind verzwijgt in haar gewone gang alle menselijke werken. Maar in de gemeenschappelijke moslim-herinnering, in de Cyrenaïcaanse vrijdagspreken die nog in de hedendaagse Libische moskeeën klinken, en in de bredere internationale moslim-traditie die zijn naam als een geestelijke aansporing draagt, leeft hij voort op een wijze die de gewone Saharaanse wind met al haar verzwijgen niet kan overstemmen.
Moge Allah ﷻ hem en zijn medestrijders genadig zijn, en moge de zaak waarvoor zij in hun tijd hun leven hebben toegewijd, in de generaties die na ons komen geestelijk voortgaan.
Bronnen
- Eric Salerno, Genocidio in Libia, manifestolibri (2005), pp. 268–334.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 2, Mondadori (1988), pp. 334–398.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 478–542.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 248–278.
- Ali Abdullatif Ahmida, Genocide in Libya: Shar, a Hidden Colonial History, Routledge (2020), pp. 112–214.
- Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia, 1911–1931, il Mulino (2012), pp. 298–334.
- John Wright, Libya: A Modern History, Croom Helm (1981), pp. 212–268.
- Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies Toward the Arabic-Speaking Inhabitants of Libya, 1911–1943 (1988), pp. 298–356.
- Mahmoud Salem Elsheikh, Omar al-Mukhtar: The Lion of the Desert, in The Atlantic Monthly (Sept 2011), pp. 78–96.
- Moustapha Akkad (regisseur), Lion of the Desert (filmproductie, 1981), populair-culturele verfilming met Anthony Quinn in de hoofdrol.
