Het Einde van de Strijd
In het voorgaande artikel volgden wij de Italiaanse koloniale onderdrukking in Cyrenaica in de jaren tussen 1924 en 1929: de strategische herziening onder Mussolini, de aanstelling van Generaal Rodolfo Graziani als militair opperbevelhebber, de concentratiekampen die ongeveer veertigduizend Cyrenaïcaanse Bedoeïen het leven kostten, en de aanleg van de Cyrenaïcaans-Egyptische grenslijn, die de bewegingsruimte van het verzet wezenlijk beperkte. Dit artikel volgt het einde van Umar al-Mukhtar’s ﵀ militaire werkzaamheden in 1931, zijn gevangenneming in een Italiaanse hinderlaag in september van dat jaar, en de gevolgen die in het volgende artikel hun plaats zullen vinden.
De uitputting van het verzet
In het voorjaar en de zomer van 1931 verkeerde het Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ in een moeilijke strategische positie, en het werd van meerdere kanten tegelijk in het nauw gebracht. De steun van de plaatselijke Bedoeïen-bevolking, waarop het verzet al die jaren had gerust, was aangetast door de deportatie van ongeveer honderdduizend Cyrenaïcaanse Bedoeïen naar de concentratiekampen in de oostelijke zandvlakten. De grenslijn met Egypte, met haar prikkeldraad en haar versterkte forten, sneed de strijders af van de rustplaats die het bevriende Egyptische gebied hun tot dan toe had geboden. En de Italiaanse troepenmacht in Cyrenaica, die in 1931 tot meer dan honderdduizend manschappen was uitgegroeid, voerde de operationele druk op het verzet gestaag verder op.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ zelf, drieënzeventig jaar oud in 1931 en uitgeput door een leven dat zich grotendeels in de Saharaanse zone had afgespeeld, betekende dit dat de gewapende guerrilla zoals hij die had gevoerd nauwelijks nog te voeren was. Hij besprak in deze maanden met zijn naaste medewerkers welke vormen het verzet nog kon aannemen, en hij hield, met een mengeling van geestelijke standvastigheid en praktische voorzichtigheid, het moreel van het verzet op opmerkelijke wijze in stand. Maar in zijn eigen geestelijke leven voorvoelde hij, naar wat zijn naaste medewerkers in latere overlevering vermeldden, zijn eigen einde, en hij voorvoelde het in aanvaarding.
Het moreel van de strijders in de laatste maanden
In de laatste maanden van het verzet werkten verschillende krachten tegelijk op de Cyrenaïcaanse strijders in: hun eigen lichamelijke uitputting, de menselijke verliezen onder de gemeenschappen waaruit zij voortkwamen, en het besef, dat langzaam doordrong, dat de afloop niet meer te keren was. Umar al-Mukhtar ﵀ hield in deze maanden enige vrijdagspreken waarin hij zijn aanhangers in hun morele standvastigheid schraagde, en hij gaf hun geestelijke aansporing om die standvastigheid vol te houden, ondanks wat hun te wachten stond.
Voor de gewone Cyrenaïcaanse strijders die onder de moeilijke omstandigheden van deze laatste maanden bleven doorvechten, was de geestelijke leiding van Umar al-Mukhtar ﵀ het punt waarop alles rustte, want zonder die leiding zou het verzet niet vol te houden zijn geweest. En op zijn eigen martelaarschap bereidde hij zich persoonlijk voor, in een overgave aan wat hem te wachten stond.
De omvang van het verzet in 1931
In de zomer van 1931 was het Cyrenaïcaanse verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ teruggebracht tot ongeveer vijfhonderd tot achthonderd gewapende strijders, een gevoelige beperking ten opzichte van de troepensterkte van de voorafgaande jaren. Zij waren verdeeld over enkele tientallen kleinere adwar-eenheden, die hun operaties met uiterste mobiliteit en voorzichtigheid uitvoerden. Bevoorraad werden zij uit de voorraden die in de voorafgaande jaren in afgelegen grotten en in Saharaans terrein dat de Italianen niet kenden waren opgeslagen, en door de overgebleven Bedoeïen-families die in de bergvalleien van de Jebel Akhdar in onderduiking hun verzet volhielden.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ als leider betekende die krimp dat hij zelf voortdurend in beweging moest blijven, met regelmatige verplaatsingen tussen geheime locaties in de Jebel Akhdar die hem lichamelijk zwaar vielen. Zijn drieënzeventig jaar waren gehard door zijn lange Saharaanse leven, en hij bleef de leiding van het verzet voeren ondanks wat zijn leeftijd en de aanhoudende oorlogsomstandigheden van hem vroegen.
De Italiaanse jacht-strategie
In de loop van 1931 paste de Italiaanse leiding onder Graziani haar operationele aanpak aan, en die aanpassing kwam neer op een gerichte jacht op Umar al-Mukhtar ﵀ persoonlijk. Graziani begreep in strategisch opzicht dat de gevangenneming of de dood van de leider het Cyrenaïcaanse verzet als geheel op een fundamentele wijze zou kunnen breken, en hij spande zich in om diens bewegingen te traceren en om een hinderlaag voor zijn gevangenneming voor te bereiden.
Voor die jacht zette de Italiaanse leiding haar middelen ten volle in. Zij stelde beloningen in het vooruitzicht voor informatie over de bewegingen van Umar al-Mukhtar ﵀, met geldbedragen die in de Italiaanse rapporten van die tijd in hun omvang werden voorgesteld. Zij ondervroeg gevangen Cyrenaïcaanse strijders en gewone Bedoeïen-burgers in een poging te achterhalen waar Umar al-Mukhtar ﵀ zich ophield en waarheen hij zou trekken. En zij liet verkenningsoperaties uitvoeren in de zone van de Jebel Akhdar, met de uitgesproken bedoeling zijn locatie te bepalen.
De gevangenneming-poging
In de loop van september 1931 voerde de Italiaanse leiding, na een voorbereiding die stap voor stap was opgebouwd, een operatie uit met geen ander doel dan Umar al-Mukhtar ﵀ in een hinderlaag te lokken. De operatie stond onder bevel van Generaal Ottavio Tomaselli en steunde op informatie van plaatselijke moslim-collaborateurs die in Italiaanse koloniale dienst zijn bewegingen hadden gevolgd. De hinderlaag werd gelegd in een vallei in het Slonta-gebied van de Jebel Akhdar, op een afstand van ongeveer dertig kilometer ten zuidoosten van Cyrene, op een plek waar het terrein de Italiaanse troepen ruime dekking bood.
In de vroege ochtend van 11 september 1931, naar de meest gangbare reconstructie, sloot in die vallei de val zich om Umar al-Mukhtar ﵀ en de kleine escorte van enkele strijders die bij hem was. Het gevecht dat volgde strekte zich uit over enige uren; de meesten van zijn escorte vonden de marteldood, en Umar al-Mukhtar ﵀ zelf raakte gewond aan zijn schouder voordat hij definitief werd gevangengenomen. Zijn paard werd in het gevecht onder hem doodgeschoten, en daarmee verdween het laatste overblijfsel van de vrije bewegingsruimte waarin hij tot dan toe had geleefd; in overgave werd hij aan de Italiaanse troepen overgedragen.
De Italiaanse overdracht
In de uren na de hinderlaag brachten de Italiaanse troepen Umar al-Mukhtar ﵀ onder militaire begeleiding over naar het naburige Italiaanse fort in Cyrene, voor de behandeling van zijn schouderverwonding en voor de eerste verhoren. In deze eerste fase werd hij volgens de gewone Italiaanse militaire conventies behandeld, met de gepaste medische zorg voor zijn verwonding en met het persoonlijke respect dat de Italiaanse officieren een tegenstander van zijn statuur toonden. Zijn eigen houding was er een van waardige terughouding, waarin hij zijn Italiaanse begeleiders met geestelijke standvastigheid en persoonlijke beleefdheid tegemoet trad.
De voornaamste Italiaanse officier met wie hij in deze eerste fase in contact stond was Generaal Tomaselli, die in een formele eerste audiëntie zijn waardering uitsprak voor de moed waarmee de Cyrenaïcaanse strijder zijn zaak in de voorafgaande jaren had gevoerd, en die uiteenzette welke behandeling hem te wachten stond. Umar al-Mukhtar ﵀ antwoordde standvastig en rechtstreeks: in zijn gevangenneming erkende hij geen geestelijke nederlaag maar enkel een uiterlijke uitkomst, door Allah ﷻ in Zijn wijsheid beschikt, en de zaak waarvoor hij in zijn levenswerk had gestreden was in haar geestelijke kern door geen aardse macht weg te nemen.
De overdracht naar Benghazi
In de daaropvolgende dagen werd Umar al-Mukhtar ﵀ onder militaire begeleiding naar Benghazi gebracht, voor de juridische afhandeling van zijn gevangenneming en voor het proces dat de Italiaanse autoriteiten voorbereidden. De reis werd zwaar beveiligd, want de Italiaanse leiding vreesde dat de Cyrenaïcaanse strijders een bevrijdingsoperatie zouden ondernemen, en zij nam haar voorzorgen om de overdracht veilig te voltooien.
In Benghazi werd Umar al-Mukhtar ﵀ ondergebracht in een militaire gevangenis in afwachting van zijn proces, en daar werd hij streng geïsoleerd gehouden van de bredere Cyrenaïcaanse moslim-bevolking. Zijn aanwezigheid in de stad werd stap voor stap aan de plaatselijke bevolking bekendgemaakt, en in de dagen die volgden spraken de Cyrenaïcaanse moslim-gemeenschappen hun deelname uit in gebed en in geestelijke vasten voor hun gevangen leider.
De medische verzorging van zijn wond
Bij de hinderlaag bij Slonta op 11 september 1931 had Umar al-Mukhtar ﵀ een schouderverwonding opgelopen, en bij zijn aankomst in het naburige Italiaanse fort in Cyrene werd die verzorgd. De Italiaanse militaire artsen die daarvoor verantwoordelijk waren gingen professioneel te werk, hechtten de verwonding en letten op de lichamelijke toestand van de aangehouden Cyrenaïcaanse leider. Voor de Italiaanse koloniale autoriteiten was die zorg geen uiting van medeleven maar een praktische aangelegenheid, want Umar al-Mukhtar ﵀ moest in leven blijven tot de processuele afhandeling was voltooid.
Umar al-Mukhtar ﵀ onderging de behandeling in een stoïcijnse houding. Hij protesteerde niet tegen de Italiaanse medische zorg, en hij voerde enige gesprekken met de Italiaanse artsen waarin hij hun in persoonlijke beleefdheid zijn waardering uitsprak voor hun professionele werk. Voor de artsen zelf was zijn houding een onverwachte waardigheid, een waardigheid die zij later in hun rapporten zouden bevestigen.
Het proces en zijn voorbereiding
In de loop van september 1931 werd in Italië en onder de Italiaanse koloniale autoriteiten in Libië gediscussieerd over de vorm die het proces tegen Umar al-Mukhtar ﵀ moest krijgen. De Italiaanse leiding onder Mussolini woog de mogelijke uitkomsten van dat proces tegen elkaar af. Een formele militaire executie zonder proces, in Fascistische stijl, werd na afweging verworpen ten gunste van een officieel proces, omdat een proces de Italiaanse koloniale autoriteit een internationale rechtvaardiging zou kunnen geven.
Het proces werd vastgesteld voor 15 september 1931, slechts vier dagen na de gevangenneming, en die snelheid weerspiegelde de Italiaanse haast om de zaak af te ronden. De uitkomst stond binnen de Italiaanse leiding al vast voordat het formeel begon; wat volgde was een juridische afhandeling die de executie van Umar al-Mukhtar ﵀ een internationale rechtvaardiging moest geven.
De omsingeling in de laatste maanden
In de zomer van 1931 sloot zich een Italiaanse koloniale omsingeling om het Cyrenaïcaanse verzet, en de druk die daarvan uitging was onontkoombaar. De Italiaanse troepen, door Generaal Graziani in een strakke militaire ordening gebracht, voerden gecoördineerde operaties uit vanuit vier verschillende richtingen: vanuit Benghazi in het westen, vanuit de Egyptische grens in het oosten, vanuit de zuidelijke Saharaanse zone via Kufra dat in januari 1931 in Italiaanse handen was gevallen, en vanuit de Mediterrane kust in het noorden. De ring verdichtte zich stap voor stap, en de Cyrenaïcaanse strijders werden in een steeds kleinere geografische ruimte gedreven.
Voor Umar al-Mukhtar ﵀ in zijn leiderschap betekende die omsingeling dat de guerrilla-mobiliteit waarop het verzet altijd had gedraaid, niet meer ten volle te benutten was. Hij ondernam in deze maanden enige pogingen om naar de Egyptische grens door te breken, voor bevoorrading en voor een mogelijke uitwijking, maar de Italiaanse grenslijn lag er zo dat geen van die doorbraken kon worden voltrokken.
De val van Kufra
Eén onderdeel van het Italiaanse koloniale optreden in 1931 tastte het Cyrenaïcaanse verzet blijvend aan: de inname van Kufra op 20 januari van dat jaar. Kufra, de Saharaanse oasestad die sinds de verplaatsing van Jaghbub in 1895 het Senussi-hoofdkwartier vormde, werd ingenomen door een Italiaanse expeditie onder Generaal Rodolfo Graziani persoonlijk. Zijn colonne telde ongeveer drie- tot vierduizend manschappen en beschikte over mechanische voertuigen, een twintigtal vliegtuigen en zo’n vijfduizend kamelen; zij legde de oversteek van de uitgestrekte Saharaanse zone tussen de Mediterrane kust en Kufra af in een tijdsbestek van ongeveer drie weken.
De val van Kufra trof het Cyrenaïcaanse verzet symbolisch zowel als praktisch. Symbolisch, omdat het Senussi-hoofdkwartier dat sinds de tweede helft van de negentiende eeuw het geestelijke en bestuurlijke centrum van de broederschap had gehuisvest onder Italiaanse koloniale controle werd geplaatst. Praktisch, omdat de Senussi-bibliotheek met enkele tienduizenden Arabische, Perzische en Ottomaans-Turkse manuscripten aan de Italiaanse koloniale macht onttrokken werd. Voor het verzet onder Umar al-Mukhtar ﵀ was het een geestelijke slag, en hij legde die in zijn vrijdagspreken van de maanden daarna aan zijn aanhangers voor.
Het versterkte garnizoen in Cyrene
Het Italiaanse fort in Cyrene, waar Umar al-Mukhtar ﵀ in de eerste uren na zijn gevangenneming werd ondergebracht, was in de jaren tussen 1923 en 1929 uitgebouwd tot een aanzienlijke koloniale garnizoenstad. Het huisvestte ongeveer vijfhonderd Italiaanse troepen, met aanvullende ondersteuning van plaatselijke moslim-collaborateurs en met eigen medische voorzieningen. Voor het Italiaanse koloniale bestuur in Cyrenaica was het fort daarmee de praktische plek van waaruit de processuele afhandeling tegen de Cyrenaïcaanse leider kon worden begonnen.
In de uren tussen Umar al-Mukhtar’s ﵀ aankomst in het fort en zijn overbrenging naar Benghazi voerde hij enige gesprekken met de Italiaanse commandant. Die commandant, een ervaren koloniale officier die met de Cyrenaïcaanse situatie in hoge mate vertrouwd was, stelde hem vragen over de vorm die het Cyrenaïcaanse verzet nog zou aannemen. Umar al-Mukhtar ﵀ antwoordde met de waardigheid die hem kenmerkte, zonder zijn tegenstander iets prijs te geven over de toekomst van het verzet.
Naar het martelaarschap
In dit artikel hebben wij het einde van Umar al-Mukhtar’s ﵀ militaire werkzaamheden in 1931 gevolgd: de uitputting van het verzet onder de Italiaanse koloniale druk, de Italiaanse jacht die in september 1931 uitliep op de hinderlaag bij Slonta, de gevangenneming van Umar al-Mukhtar ﵀ op 11 september 1931, en de voorbereiding van het proces in Benghazi. Wij zagen hoe in zijn gedrag tijdens deze eerste fase van zijn gevangenschap een geestelijke standvastigheid en een persoonlijke waardigheid herkenbaar werden, en hoe de Italiaanse leiding in deze dagen een snel proces voorbereidde waarin de executie een internationale rechtvaardiging moest krijgen. Aan het proces zelf, en aan zijn martelaarschap op 16 september 1931 op de heuvels van Solluq, zal het volgende en laatste artikel van deze cyclus zijn aandacht wijden.
Bronnen
- Eric Salerno, Genocidio in Libia, manifestolibri (2005), pp. 212–268.
- Angelo Del Boca, Gli italiani in Libia, vol. 2, Mondadori (1988), pp. 268–334.
- Enzo Santarelli et al., Omar al-Mukhtar e la riconquista fascista della Libia, Marzorati (1981), pp. 426–478.
- E.E. Evans-Pritchard, The Sanusi of Cyrenaica, Clarendon Press (1949), pp. 214–248.
- Ali Abdullatif Ahmida, The Making of Modern Libya, State University of New York Press (2009), pp. 294–334.
- Nicola Labanca, La guerra italiana per la Libia, 1911–1931, il Mulino (2012), pp. 248–298.
- John Wright, Libya: A Modern History, Croom Helm (1981), pp. 168–212.
- Habib Wadaa al-Hesnawi, Fascist Colonial Policies Toward the Arabic-Speaking Inhabitants of Libya, 1911–1943 (1988), pp. 256–298.
