De laatste Hajj van ʿUmar ﵁
Een Kalief die elke Hajj zelf had geleid
Na het schrijven van de brief aan Abu Musa al-Ashʿari ﵁ en na het instellen van het diwan in 20 AH, na de val van Alexandrië in 21 AH en de overwinning bij Nahavand in datzelfde jaar, na de uitbreiding van de Moskeeën in 17 AH, kwam er in de tiende en laatste herfst van zijn kalifaat een Hajj-seizoen dat ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ niet zou overslaan. Het was Dhul-Hijjah van het jaar 23 na de Hijra, het Gregoriaanse jaar 644. De Kalief had elke Hajj sinds zijn aantreden persoonlijk geleid. Hij was niet eenmaal in tien jaar in Medina gebleven wanneer het Hajj-seizoen aanbrak. Anders dan Abu Bakr ﵁, die in 11 AH ʿUmar ﵁ vooruit had gestuurd omdat de Ridda het hart van het kalifaat in handen kon nemen, had ʿUmar ﵁ zelf elk jaar de tocht naar Makkah gemaakt.
Hij had Medina verlaten in het jaar 14 met de eerste vrede van Damascus achter zich, in het jaar 15 met Yarmuk en Qadisiyyah net gewonnen, in het jaar 16 met Madāʾin Kisra gevallen, in het jaar 17 met Bayt al-Maqdis in zijn bewaring, in het jaar 18 met de Ramadah-droogte in de Hijaz en de pest van Amwas in Sham. In elk van die jaren was de Kalief de pelgrimsweg ingegaan met meer last op zijn schouders dan het jaar daarvoor. En in elk van die jaren had hij op ʿArafat gestaan in de eenvoudige doeken van de pelgrim, omringd door dezelfde mensen waarmee hij in Medina bad.
Het jaar 23 AH was anders. Hij was nu drieënzestig jaar oud. Zijn lichaam was niet meer wat het was geweest bij zijn aantreden. Hij had de hongerjaren mee gedragen, hij had de pestjaren overleefd, hij had de slapeloze nachten van het bestuur in zich opgenomen, hij had voor de daden van zijn gouverneurs over twee continenten heen verantwoording afgelegd. Sommige overleveringen die Suyuti ﵀ doorgeeft, vermelden dat hij in deze laatste maanden van zijn kalifaat tekens vertoonde dat het einde naderde. Anderen vermelden dromen. En één droom in het bijzonder zou in de overleveringen worden ingeschreven als de aankondiging van zijn dood.
De droom van Maʿdan ibn Abi Talhah
Toen ʿUmar ﵁ in de weken voor de Hajj zijn metgezellen onderhield over zaken van het kalifaat, sprak hij met sommigen onder hen ook over wat in zijn binnenste leefde. Eén van die metgezellen was Maʿdan ibn Abi Talhah ﵀, die hem nauw bijstond in de laatste maanden. Suyuti ﵀ bewaart de woorden die de Kalief tegen hem en tegen anderen zou hebben uitgesproken, in een passage die in feite een voorgevoel van het martelaarschap is.
ʿUmar ﵁: Ik zag (in een droom) alsof een haan mij één of tweemaal pikte, en ik kan alleen maar geloven dat het betekent dat mijn termijn is gekomen.
Hij heeft de droom uitgesproken met de kalmte van een man die de werkelijkheid ervan al heeft aanvaard. Hij heeft niet om vertroosting gevraagd. Hij heeft niet geprobeerd te ontkennen wat hij had gezien. Hij heeft de droom gezegd zoals hij was, en hij heeft daaruit zijn conclusie getrokken. Voor hem was de haan die hem pikte een uitnodiging om zijn zaken bij Allah ﷻ in orde te brengen, niet een aansporing tot bezorgdheid.
Het is in dat licht dat zijn Hajj van 23 AH moet worden verstaan. Hij ging niet als de man die uitziet naar nog vele jaren van bestuur. Hij ging als de man die wist dat hij wellicht voor de laatste keer ging, en die zijn afscheid daarop wilde afstemmen. Het zou geen Hajj zijn van een Kalief die zijn macht wilde tonen aan de pelgrims uit de provincies. Het zou een Hajj zijn van een dienaar die zich op de drempel van het Oordeel wist.
Het vertrek uit Medina
In Dhu’l-Qaʿdah verzamelden zich opnieuw, zoals elk jaar, de karavanen rond Medina. Pelgrims uit Sham, pelgrims uit Iraq, pelgrims uit Egypte, pelgrims uit Yemen. Wie de Kalief had willen zien, vond hem aan de poort van Medina waar hij persoonlijk een aantal van de aanvoerders uit de provincies welkom heette. Wie hem had willen meereizen, kon zich aansluiten bij zijn karavaan. Hij maakte geen onderscheid tussen wie naast hem reed en wie achter hem volgde. Voor de pelgrim was de pelgrim een pelgrim, en de Kalief tussen hen was niet meer dan de pelgrim die toevallig het ambt droeg.
Hij vertrok in eenvoud. Geen banier, geen erewacht in militaire opstelling. Een handvol Sahabah ﵃ rond hem, Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ als jongere bron voor wat hij later zou overleveren, Aslam ﵀ als zijn trouwe metgezel, ʿAbdullah ibn ʿAbbas ﵁ in de buurt, en zijn zoon ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁ die later de gehele Hajj minutieus zou kunnen vertellen aan wie hem ernaar vroeg. Suyuti ﵀ bewaart van die laatste een opmerkelijk financieel detail dat het hele karakter van de Hajj typeert. ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁ heeft overgeleverd, en Suyuti ﵀ neemt het op: “ʿUmar ﵁ verrichtte de Hajj in het jaar drieëntwintig (AH) en gaf zestien dinar uit aan zijn Hajj.”
Zestien dinar. Dat was de uitgave van de Kalief op de Hajj. Niet zestienduizend, niet zestienhonderd. Zestien dinar voor de gehele reis, van Medina naar Makkah en terug, voor de uitrusting, voor de proviand, voor wat hij onderweg of in Makkah aan giften gaf. De man die over de schatten van Madāʾin Kisra had beschikt en die over de tribuutgelden van Sham en Iraq oordeelde, gaf zestien dinar uit aan zijn eigen pelgrimage. Dit cijfer alleen al zegt over zijn karakter wat geen lange beschrijving zou kunnen overbrengen. De Kalief die niet bezat wat hij niet nodig had, gaf niet uit wat hij niet hoefde uit te geven. Wat overbleef in het bait al-mal kwam ten goede aan de gemeenschap.
Hij at op de tocht wat de gewone pelgrim at. Brood, dadels, water uit de putten langs de weg. Hij sliep waar zijn karavaan halt hield, op de grond of in de schaduw van een acaciaboom. Wanneer hij in een dorp passeerde, ontving hij wie hem aansprak. Wanneer hij in de woestijn was, mediteerde hij over de horizon. De tocht zelf was, in het laatste jaar van zijn kalifaat, een lange aanloop tot het gebed dat hij in Mina zou uitspreken.
De aankomst in Makkah
Toen de karavaan Makkah naderde, herkende hij, zoals elk jaar, de oude paden waarover de Profeet ﷺ in de Hajjat al-Wadaʿ van het jaar 10 was getrokken. Dhul-Hulayfah, ar-Rawhaʾ, al-Juhfah, ʿUsfan. Hij was er nu, in 23 AH, voor de tiende of elfde keer als pelgrim geweest sinds zijn bekering, en voor de tiende keer als de Kalief die de Hajj leidde. Op elk van die plaatsen was de herinnering aan de Profeet ﷺ nog vers in zijn geest. Hij had bij Dhul-Hulayfah de eerste keer de talbiyah uit de mond van de Profeet ﷺ horen klinken, voorzien van de zuivere formule die de erfenis van Ibrahim ﵇ herstelde. Hij had bij ʿUsfan in de schaduw gerust naast zijn metgezel ﷺ. Hij had bij al-Juhfah het ihram-kleed eens uit handen van een Yemeniet ontvangen.
Bij de poorten van Makkah deed hij wat hij elk jaar deed. Hij trad af van de kameel, kuste de drempel van zijn herinnering, en begon de tawaaf om de Kaʿbah die hij in de jaren 17 en 18 zelf had laten verbreden door het rondom liggende terrein van de oude huizen vrij te maken. De Kaʿbah zelf had hij niet aangeraakt. De pracht van haar muren, de bekleding van haar zwarte stof, de Zwarte Steen in haar oostelijke hoek, alles was zoals de Profeet ﷺ het had achtergelaten en zoals hijzelf het wilde achterlaten.
Hij verrichtte zeven rondes. Hij kuste de Zwarte Steen op de wijze die de Profeet ﷺ had voorgedaan, en sprak daarbij de bekende woorden die hij van zijn metgezel ﷺ had geleerd: Bij Allah ﷻ, ik weet dat jij een steen bent die niet baat en niet schaadt, en als ik niet had gezien dat de Boodschapper van Allah ﷺ jou kuste, zou ik jou niet kussen. Hij bewaarde de eerbied voor de soenna ﷺ, ook waar hij door zijn eigen redenering anders had geoordeeld. Hij was niet de Kalief die zichzelf hoger achtte dan zijn Profeet ﷺ. Hij was de Kalief die in elke handeling probeerde de Profeet ﷺ na te doen.
Daarna deed hij de saʿy tussen Safa en Marwa, zeven keer heen en weer over de oude paden waar Hajar ﵍ ooit had gerend om water voor Ismail ﵇ te zoeken. Hij dronk uit Zamzam. Hij sliep die nacht in Makkah, of in al-Abtah net buiten de stad. En in de ochtend van de achtste van Dhul-Hijjah, de dag van Tarwiyah, trok hij met de pelgrims naar Mina.
De avond van Tarwiyah in Mina
Kaart laden...
In Mina sloeg de Kalief zijn tent op naast de tenten van de Sahabah ﵃. Wie hem zocht, vond hem zonder moeite. Hij sprak met wie hem aansprak. Hij at in gezelschap. Hij verrichtte zijn vijf gebeden samen met de menigte, in de samengevoegde en verkorte vorm zoals de Profeet ﷺ die had voorgedaan in dezelfde vallei in 10 AH. Aslam ﵀ heeft later overgeleverd dat de Kalief die avond stil was, stiller dan in vorige Hajj-jaren. Hij sprak weinig, en hij keek vaak op naar de sterren die langzaam over de bergen klommen.
Toen de dageraad van de negende van Dhul-Hijjah aanbrak, stond hij op voor het Fajr-gebed, en daarna leidde hij de menigte de bergen uit, voorbij Muzdalifah en de Maschʿar al-Haram, op weg naar de vlakte van ʿArafat. Hij reed niet voorop op een paard met versieringen. Hij reed op zijn eigen kameel, in een eenvoudig wollen kleed dat hij voor de gelegenheid niet had vervangen. Wie hem niet kende, zou hem voor een gewone Sahabi ﵁ onder Sahabah ﵃ aanzien.
Op ʿArafat
Kaart laden...
ʿArafat in de ochtend van de negende. De zon over de zwarte ruggen van de bergen. Honderdduizenden pelgrims aan de voet van Jabal ar-Rahmah, de Berg van Barmhartigheid. Pelgrims uit Sham wier broers in de pest van Amwas waren omgekomen, pelgrims uit Egypte die uit Babylon en Alexandrië kwamen, pelgrims uit Iraq die in Kufa en Basra woonden in nieuwe steden die ʿUmar ﵁ zelf had laten stichten, pelgrims uit Khaybar en Najran die niet meer in hun oude land mochten wonen omdat hij de Joden en Christenen uit de Hijaz had verbannen op grond van de soenna ﷺ. Een gemeenschap die in tien jaar van bestuur was uitgegroeid tot een wereldgemeenschap, en die op die ochtend in één vlakte verzameld stond.
Hij sprak hen toe. Wat hij precies zei, geeft Suyuti ﵀ in deze passage niet woordelijk. Wij weten dat hij de talbiyah liet klinken, dat hij de samengevoegde gebeden leidde tussen middag en namiddag, dat hij de menigte rond zonsondergang naar Muzdalifah leidde, en dat hij in Mina de stenen wierp en het offer slachtte. Hij deed wat elke pelgrim doet. Hij liet zichzelf niet onderscheiden van de pelgrim naast hem.
Maar wie hem die dag in zijn handen omhoog zag, zag een man die niet bad voor de gewone overwinning. Wie hem in de namiddag van ʿArafat zag staan in de schaduw van een rots, met zijn voorhoofd naar Jabal ar-Rahmah, voelde dat deze Kalief op deze ʿArafat anders bad dan in vorige jaren.
Het keren van Mina
Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ heeft later, in de generatie na de Sahabah, het beeld bewaard dat in alle overleveringen het centrale beeld van deze Hajj is geworden. Hij heeft het zelf gezien, of het overgeleverd van wie het had gezien, en Suyuti ﵀ bewaart het in de directe overlevering. Het is gebeurd nadat ʿUmar ﵁ Mina had verlaten en op de terugweg was naar Makkah voor de afscheidstawaaf, in de dagen na de tiende van Dhul-Hijjah.
De Kalief reed op zijn kameel een dal door. Hij was alleen met enkele van zijn naasten in de buurt. Toen hij in een ondiepe waterloop kwam tussen Mina en Makkah, hield hij zijn kameel in. Hij liet haar knielen. Hij steeg af. Hij wierp zich op de grond. Hij hief zijn handen op naar de hemel, en sprak de woorden die in de hele islamitische traditie als het keerpunt van zijn Hajj zijn bewaard:
ʿUmar ﵁: O Allah ﷻ. Ik ben gevorderd in jaren, mijn kracht is verzwakt, en mijn onderdanen zijn vermenigvuldigd. Neem mij dan tot U zonder dat ik verkwistend ben of tekort schiet.
Het is de duʿaʾ van een Kalief die afscheid neemt. Hij vroeg om de dood. Hij vroeg om de dood op een manier die zijn kalifaat niet zou bevlekken. Hij vroeg om te worden weggenomen voordat hij in luiheid of in overdaad zou vervallen, voordat hij door ouderdom of door pijn zijn ambt zou verzwakken, voordat zijn onderdanen onder een verzwakte hand zouden lijden. Hij vroeg om de waardige terugkeer naar Allah ﷻ.
Wie hem die middag in die waterloop zag, begreep wat hij had aangevoeld. De Kalief die in zijn droom de haan had gezien, vroeg in Mina aan zijn Heer om die droom snel waar te maken. Niet uit moedeloosheid. Niet uit een zucht om af te zien van het leven. Maar uit de wens om in volle kracht te sterven, niet in verzwakking. Uit de wens om zijn onderdanen niet langer te belasten dan hij hen goed kon dienen.
En Allah ﷻ heeft die duʿaʾ verhoord. Tussen de Hajj van Dhul-Hijjah 23 AH en de woensdag vier dagen voor het einde van diezelfde maand, lagen niet meer dan enkele weken. Hij keerde uit Makkah naar Medina, hij betrad zijn moskee, hij ging op de minbar, hij riep tot het Fajr-gebed, hij stond op in de eerste rij om het gebed te leiden, en daar in zijn eigen moskee, tussen de pelgrims die nog van zijn Hajj terug waren, kwam de slag van Abu Luʾluʾah. De duʿaʾ van Mina was verhoord in de moskee van Medina, in dezelfde maand waarin zij was uitgesproken.
De zestien dinar opnieuw
Het is na het verhaal van Mina dat het detail dat ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁ overlevert pas zijn volle gewicht krijgt. Zestien dinar. Dat was alles wat de Kalief op zijn laatste Hajj had uitgegeven. Hij wist niet, toen hij die zestien dinar besteedde, dat het zijn laatste Hajj zou zijn. Maar hij heeft zijn pelgrimage altijd al zo gegooid dat zij ook in eenvoud goed zou zijn als zij de laatste was. Hij heeft de Hajj nooit gezien als een gelegenheid om zijn rang te tonen, en hij heeft haar steeds gezien als een gelegenheid om zijn dienaarschap te beoefenen.
Hij heeft, in de tien Hajj-jaren onder zijn kalifaat, nooit een ander patroon gehad. Hij was, sinds het jaar 14 AH, elk jaar gegaan in dezelfde wollen kleed, in dezelfde matige uitrusting, met dezelfde matige uitgaven. Hij heeft, in geen van die tien jaren, een Hajj geleid waarvan de getuige later zou kunnen zeggen dat de Kalief het zich gemakkelijk had gemaakt. Hij ging als pelgrim. Hij at als pelgrim. Hij sliep als pelgrim. Hij keerde terug als pelgrim. En tussen de jaren door regeerde hij vanuit dezelfde geest. De Hajj was, voor hem, een uitdrukking in compact formaat van wat zijn hele kalifaat in uitgebreid formaat was.
Het laatste beeld op ʿArafat
Toen hij na de duʿaʾ in de waterloop terugkeerde op zijn kameel, en de Heilige Stad in de namiddagzon dichterbij zag komen, was hij innerlijk in vrede. Hij had geen onafgemaakte zaken meer met Allah ﷻ. Hij had geen rekeningen meer met de mensen die hij niet had kunnen uitwerken. Hij wist welke gouverneurs in welke provincies hij had aangesteld, welke maatregelen voor de pelgrims hij had genomen, welke wetten voor de rechters hij had geschreven. Hij had de Hijri-kalender ingesteld, de diwan opgericht, twee moskeeën verbreed, een wereldrijk in een tijdperk veranderd. En hij wist tegelijk dat dit alles niet de werkelijke maat van zijn leven was. De werkelijke maat was hoe hij voor zijn Heer zou verschijnen.
In Makkah verrichtte hij de afscheidstawaaf. Zeven rondes om de Kaʿbah, de laatste rondes om dat Huis dat hem zijn hele kalifaat de oriëntatie van het gebed had gegeven. Hij raakte de Zwarte Steen aan. Hij dronk nog eens uit Zamzam. Hij verrichtte twee rakaʿat achter de Maqam Ibrahim ﵇. En toen verliet hij Makkah voor de laatste keer als pelgrim en als Kalief.
De terugtocht naar Medina was sneller dan de heenreis. Hij reisde in eenvoud, sliep onderweg waar de karavaan halt hield, en kwam in Medina aan op een dag in de laatste week van Dhul-Hijjah van het jaar 23 AH. Hij betrad zijn stad, hij betrad zijn moskee, en hij wachtte op het volgende Fajr-gebed dat hij voor zijn gemeente moest leiden.
Het einde dat hij had gevraagd
Wat in dat Fajr-gebed gebeurde, wordt verteld in het volgende artikel. Wij willen hier alleen, in afsluiting van deze laatste Hajj, vasthouden wat zij van hem heeft getoond. ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ heeft de Hajj geleid zoals een dienaar zijn Heer dient. Hij heeft niet meer uitgegeven dan zestien dinar. Hij heeft in een waterloop geknield en zijn eigen overgang gevraagd. Hij heeft Mina verlaten als een man die zijn taak had volbracht.
In het volgende artikel keren wij met hem terug naar Medina, om hem te begeleiden naar het Fajr-gebed waarin de duʿaʾ van Mina werd beantwoord, en om afscheid van hem te nemen op de wijze waarop hij zelf afscheid heeft genomen. Maar voordat wij daarheen gaan, willen wij hem nog eenmaal zien zoals Saʿid ibn al-Musayyab ﵀ hem heeft gezien: in een waterloop tussen Mina en Makkah, op de grond, zijn handen omhoog, biddend om een waardige terugkeer. Een Kalief van een wereldrijk, in eenvoud, in ootmoed, in vertrouwen. Zoals hij in tien jaar van bestuur was geweest, zoals hij op zijn afscheidshajj was, zoals hij voor zijn Heer wilde verschijnen.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 136 (Saʿid ibn al-Musayyab over ʿUmars duʿaʾ in de waterloop bij Mina), p. 137 (Maʿdan ibn Abi Talhah over de droom van de haan), p. 148 (Ibn ʿUmar over zestien dinar op de Hajj van 23 AH).