InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Slag bij Nahavand - de opening der openingen

Nahawand, de Opening der Openingen

Het eenentwintigste jaar

In het eenentwintigste jaar van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling overeenkomt met de jaren 641 en 642, werd in de bergen van het westelijk Iraanse hoogland, ter hoogte van een stad genaamd Nahawand, een slag uitgevochten die in de annalen van de islamitische geschiedenis een eigen naam zou krijgen. Suyuti ﵀ noteert haar in één zin, en in die ene zin ligt het verdere lot van het Sassanidische rijk besloten. Hij schrijft dat in het jaar 21 na de Hijra Alexandrië met geweld werd geopend, en Nahawand, en Barqah, en andere plaatsen, en hij voegt aan Nahawand een korte typering toe die meer zegt dan een lange beschrijving. Na Nahawand, schrijft hij, konden de Perzen geen leger meer mobiliseren.

Dat is de zin waar het in dit artikel om draait. Want wat in die zes Arabische woorden besloten ligt, is het einde van een rijk dat sinds Cyrus de Grote, sinds Xerxes, sinds Darius, sinds de dynastie die de Achaemeniden werd genoemd, sinds de Parthen die hen opvolgden, sinds de Sassaniden die de Parthen op hun beurt opvolgden, een eigen plek in de wereld had gehad. Twaalf eeuwen Perzische macht had het Nabije Oosten gekend toen de moslims er in de jaren tien tot twintig na de Hijra hun eerste voet zetten. Twaalf eeuwen koningen, paleizen, legers, vloten, satrapen, schatkamers en hoofsteden. En in dat ene jaar 21 na de Hijra brak die macht. Niet omdat een laatste paleis werd ingenomen, niet omdat een laatste keizer werd gevangen, maar omdat een leger dat het Sassanidische rijk in een laatste poging had verzameld om de moslims terug te dringen, op het slagveld van Nahawand werd verslagen, en daarmee de capaciteit verloor om zich ooit weer als een gecoördineerde militaire kracht op te stellen.

De moslims zouden deze slag, en haar gevolgen, Fath al-Futuh gaan noemen, wat in het Arabisch betekent: de Opening der Openingen. De overwinning aller overwinningen. De opening die alle volgende openingen mogelijk maakte. Suyuti ﵀ zelf gebruikt de term niet in zijn beknopte jaarregistratie, maar de geest waarin hij Nahawand neerzet, met die ene typering dat de Perzen daarna geen leger meer konden mobiliseren, ondersteunt wat de moslims er sinds die dag zo zijn gaan noemen. De fase-narratief van de slag zelf, het uur-voor-uur verslag van de manoeuvres in de bergen rond Nahawand, vraagt om een eigen ruimte. Wij verwijzen daarvoor naar de battle-story die bij dit artikel hoort:

Veldslag laden...

In het vervolg van dit artikel volgen wij Suyuti ﵀ in wat hij geeft, en bouwen wij de geestelijke en bestuurlijke betekenis op die in zijn beknopte registratie besloten ligt.

De weg naar Nahawand

Om Nahawand te begrijpen, moeten wij terugkijken naar wat eraan voorafging. In het vijftiende en zestiende jaar van de Hijra was de slag bij al-Qadisiyyah gewonnen door de moslims onder bevel van Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁. De Perzische hoofdstad Madāʾin, het Ctesiphon van de Sassanidische keizers, was gevallen. De keizer Yazdegerd III, een jonge man die in de wanhoop van de val van zijn hoofdstad naar het oosten was gevlucht, had zich teruggetrokken naar de hooglanden. De moslims hadden in de jaren daarna gestaag gebied veroverd: Ahwaz, Hulwan, Jundaysabur, grote delen van Khuzestan en Mesopotamië waren binnen de grenzen van de islamitische staat gebracht. De Perzische edelen, de dehqans en de marzbans, hadden zich gedeeltelijk onderworpen, gedeeltelijk teruggetrokken, en gedeeltelijk in stilte hergroepeerd in de bergen waar Yazdegerd III zijn nieuwe hoofdkwartier had opgeslagen.

Toen het twintigste jaar van de Hijra naderde, kwam vanuit Medina het bericht binnen dat de keizer in het oosten een nieuw, groot leger had opgeroepen. De geruchten varieerden in omvang: dertig duizend, vijftig duizend, honderdduizend. De moderne historicus zou zeggen dat de werkelijke omvang waarschijnlijk in de tienduizenden lag, ergens tussen veertig duizend en zeventig duizend man. Voor de moslims, die hun garnizoenen in Iraq verspreid hadden over Kufa, Basra en de pas geopende grensposten, was elke schatting reden voor zorg. ʿUmar ﵁ ontving het bericht in Medina, riep zijn raad samen, en woog de opties.

In de raad lag de vraag voor: moet de Khalief ﵁ zelf naar Iraq gaan, om de troepen daar persoonlijk te leiden, of moet hij een bevelhebber aanwijzen. ʿUmar ﵁ neigde aanvankelijk naar de eerste optie. Hij dacht aan zichzelf op een paard, voor zijn troepen uit, en hij voelde de plicht van een Khalief ﵁ om in zware uren niet achter zijn mannen aan te zitten. ʿUthman ibn ʿAffan ﵁ en ʿAli ibn Abi Talib ﵁ rieden hem af. ʿAli ﵁ wees erop dat indien de Khalief ﵁ zelf zou vallen, de hele gemeenschap zou wankelen, terwijl indien een bevelhebber zou vallen, de Khalief ﵁ een nieuwe bevelhebber kon aanwijzen en de slag zou doorgaan. ʿUthman ﵁ ondersteunde deze redenering. De Khalief ﵁ luisterde en koos voor de tweede weg. Hij stelde an-Nuʿman ibn Muqarrin al-Muzani ﵁ aan, een metgezel van wijsheid en moed, en gaf hem het opperbevel.

De voorbereidingen

an-Nuʿman ﵁ kreeg een troepenmacht van rond de dertig duizend man, getrokken uit de garnizoenen van Kufa, Basra en de bredere Iraakse grens. De troepen werden opgeroepen door de Khalief ﵁ in een schrijven dat hen herinnerde aan de plicht van de gelovige in tijden van beproeving, en aan de belofte van Allah ﷻ aan wie standhoudt. an-Nuʿman ﵁ ontving van zijn Khalief ﵁ in Medina de instructies om naar Nahawand te marcheren, daar de Perzen op te zoeken, en de slag aan te gaan onder de zegen van Allah ﷻ. Hem werd ook meegegeven dat indien hij zou vallen op het slagveld, de bevelvoering moest overgaan op Hudhayfah ibn al-Yaman ﵁, en indien Hudhayfah ﵁ zou vallen, op Jarir ibn ʿAbdullah ﵁. De Khalief ﵁ regelde de successielijn vooraf, zodat het bevel geen moment onbeheerd zou zijn op het slagveld.

De voorbereidingen verliepen over weken. De troepen werden bevoorraad uit de schatkist van Kufa en Basra, die in de afgelopen jaren door de groei van de provincies waren gegroeid. De wapens werden gecontroleerd, de paarden gedrenkt en gevoerd voor de lange mars, de proviand werd in voldoende hoeveelheid meegevoerd voor wat een veldtocht van weken zou kunnen worden. an-Nuʿman ﵁ verdeelde zijn leger in drie hoofdvleugels, met een centrum, een rechter- en een linkerflank, en hij wees onder zijn ervaren metgezellen de subbevelhebbers aan.

De Perzische opstelling onder hun bevelhebber, een edelman wiens naam in de Arabische bronnen verschillend wordt weergegeven en wiens identificatie in de Persische bronnen Mardanshah of Firuzan luidt, kwam in de buurt van Nahawand tot stand. Een leger van enige tienduizenden, met zware cavalerie, met olifanten zoals de Perzen die in eerdere slagen hadden ingezet, met krijgers die onder de paniek van de vorige nederlagen nu een laatste gemeenschappelijke poging deden om de moslims uit het hooglands te verdrijven. De Perzen kozen hun positie zorgvuldig, in een dal omringd door heuvels, waar zij meenden de moslims te kunnen vangen in een tang die geen ontsnapping zou bieden.

De slag

Kaart laden...

De fase-narratief van de slag zelf, met haar manoeuvres, haar wisseling van het bevel, haar nachtelijke aanval en haar finale doorbraak, behoort in de battle-story die hierboven is aangewezen. Wat wij hier vermelden, blijft binnen de ruimte die Suyuti ﵀ ons in zijn beknopte registratie geeft. De slag duurde meerdere dagen. De Perzen, in hun gekozen positie, verdedigden zich met de hardnekkigheid van mannen die wisten dat dit hun laatste kans was. De moslims, onder an-Nuʿman ﵁, hielden zich aan een strategie van geduldig drukken, van het aftasten van de Perzische lijnen, van het zoeken naar de zwakte. an-Nuʿman ﵁ viel op het slagveld in het kritieke uur van de doorbraak, en zoals de Khalief ﵁ had voorzien, nam Hudhayfah ﵁ het bevel over zonder dat de moslimlijn ook maar een ogenblik in verwarring kwam. De doorbraak voltrok zich. De Perzische lijn brak. De cavalerie sloeg op de vlucht. Het leger viel uiteen in fragmenten die de heuvels in vluchtten, achtervolgd door de moslims tot de avond viel.

De buit was enorm. De Perzische schatten die in het kamp waren achtergelaten, de wapens, de paarden, de tenten, het zilver, het goud, de zijde: alles viel in de handen van de moslims. Hudhayfah ﵁ stelde de verdeling op volgens de regels die de Khalief ﵁ had vastgelegd, en het bericht ging op naar Medina. an-Nuʿman ﵁ werd begraven op het slagveld waar hij was gevallen, en zijn naam werd ingeschreven in het Diwan dat ʿUmar ﵁ in dezelfde periode in Muharram van het voorgaande jaar had ingesteld, in de graad van de gevallen martelaren wier verdiensten in eeuwigheid zouden worden gedragen.

Wat Nahawand werkelijk was

De slag was geen technische overwinning. Zij was een kantelmoment van een wereldorde. Twaalf eeuwen Perzische staatsmacht had het Nabije Oosten gekend. Het Sassanidische rijk had zich in de zesde eeuw weten op te werken tot een macht die met het Romeinse keizerrijk op gelijke voet stond, en in de oorlogen onder Khusraw II had het zelfs Jeruzalem en Egypte ingenomen, voor de Byzantijnse keizer Heraclius die in een laatste opmars die gebieden terugwon. Dit was een rijk met een lange traditie van staatsinrichting, van leger, van schrift, van religie. En dit rijk werd in één slag van zijn militaire ruggengraat ontdaan.

Suyuti ﵀ vat het samen in zijn beknopte zin: na Nahawand konden de Perzen geen leger meer mobiliseren. Dat was de spirituele en strategische kern. Niet dat de keizer Yazdegerd III was gestorven, dat zou pas in het tweeëndertigste jaar van de Hijra gebeuren in het verre Marw. Niet dat alle Perzische steden waren ingenomen, dat zou in de jaren na Nahawand stap voor stap gebeuren. Maar dat de gecoördineerde Perzische militaire macht ophield te bestaan. Vanaf Nahawand zou de moslimopmars in Iran zich voltrekken stad voor stad, provincie voor provincie, zonder dat een centrale tegenkracht ooit nog in staat was om de opmars op een slagveld om te keren. De Perzische edelen onderhandelden lokaal of trokken zich terug naar afgelegen vestingen, maar van een leger dat de moslims op een open veld weer zou kunnen ontmoeten, was geen sprake meer.

Daarom is de aanduiding Fath al-Futuh, die de moslims sindsdien aan deze slag hebben gegeven, gerechtvaardigd. Het was niet een opening tussen andere openingen. Het was de opening die alle volgende openingen mogelijk maakte. Wie Suyuti’s voorzichtige formulering goed leest, ziet dat hij in zijn beknoptheid precies deze betekenis ondersteunt. Hij geeft Nahawand niet meer ruimte dan andere openingen in zijn jaarregister, maar hij voegt aan haar een kwalificatie toe die hij aan andere openingen niet geeft: de Perzen konden daarna geen leger meer mobiliseren. Dat is de implicit Fath al-Futuh-erkenning vanuit de meest beknopte van alle chroniqueurs.

Het bericht in Medina

Wanneer het bericht van Nahawand in Medina aankwam, ontving ʿUmar ﵁ het in de Masjid an-Nabawi op de wijze die voor hem typerend was. Hij steeg de minbar, sprak een korte khutbah, dankte Allah ﷻ in eenvoudige bewoordingen, en herinnerde de gemeenschap aan de gevallenen. an-Nuʿman ﵁ werd bij naam genoemd, met de bede om genade voor zijn ziel. De andere shuhada werden gezamenlijk genoemd, met dezelfde bede. De Khalief ﵁ stond op de minbar in zijn gestopte mantel, en de gemeenschap zag dat de overwinning hem niet had veranderd. Geen euforie. Geen pronk. Geen aankondiging van een feest. Slechts dankbaarheid, en de berinnering van de plicht.

In dezelfde khutbah, zo overlevert de bredere traditie, sprak ʿUmar ﵁ over de verantwoordelijkheid die deze overwinning over de gemeenschap der moslims had gelegd. Hij waarschuwde dat een opening die zo groot was, een gevaar in zich droeg dat groter was dan welk Perzisch leger ook. Dat gevaar was de welvaart die nu zou binnenstromen, de luxe waaraan men gewend zou kunnen raken, de zachtheid die mannen vroeger of later zou doen vergeten dat zij hadden gevochten omdat zij in tawhid hadden geloofd, niet omdat zij rijkdom hadden gezocht. Hij sprak die zin, naar de overlevering, met tranen in zijn ogen. De gemeenschap luisterde, en zij wist dat de Khalief ﵁ in dat ogenblik niet alleen de bezorgdheid van een leider, maar de profetie van een ziener uitsprak. Wat hij vreesde, zou in de generaties die zouden komen tot werkelijkheid worden. Maar in zijn eigen dagen hield hij die gevaren onder controle door de soberheid die hij in eigen persoon ten toon spreidde.

De verdere openingen

In dezelfde adem waarmee Suyuti ﵀ Nahawand noemt, vermeldt hij ook Alexandrië, Barqah, en andere plaatsen. De gemeenschap der moslims opende in dit ene jaar 21 na de Hijra een groep van gebieden die elk op zichzelf een aanzienlijke uitbreiding zouden zijn geweest, maar die in de schaduw van Nahawand wat minder gewicht krijgen in de annalen. Barqah, een stad in het oostelijke deel van wat wij nu Libië noemen, kwam in handen van de moslims door verdrag, na de opening van Alexandrië die het westelijke front had vrijgemaakt. De andere plaatsen die Suyuti ﵀ in zijn beknopte zin noemt, omvatten enkele steden in Khuzestan, in Khorasan, in het hooglands van Fars, die in de directe nasleep van Nahawand zonder veel weerstand werden ingenomen.

Het patroon dat zich vanaf Nahawand vastlegt, is dat de Perzische steden zich een voor een aan de moslims aanboden. Sommigen op verdrag, sommigen na een korte belegering, sommigen door interne overdracht door hun lokale heersers die de hopeloosheid van verdere weerstand inzagen. Yazdegerd III bleef vluchten, van de ene stad naar de andere, van de ene gastvrije edelman naar de volgende, tot hij elf jaar later in Marw door zijn eigen onderdaan zou worden gedood. Maar de slag was al lang voor dat moment beslecht. Nahawand had haar beslecht. De rest was de afronding.

De geestelijke betekenis

Voor de moslims betekende Fath al-Futuh meer dan een militaire overwinning. Het betekende een bevestiging dat de belofte die in de Koran aan de gelovigen was gegeven, in deze wereld werkelijkheid werd. Allah ﷻ had in vele verzen aan de gemeenschap der gelovigen overwinning beloofd over de tirannen van de aarde. Hij had aan Musa ﵇ de farao overwonnen, Hij had aan David ﵇ Goliat overwonnen, Hij had aan Muhammad ﷺ de Quraish overwonnen. En nu, in de generatie die na het overlijden van de Profeet ﷺ de banier droeg, gaf Hij hen de overwinning over de Sassaniden van Iran en de Byzantijnen van Syrië en Egypte. Het was geen toeval, het was geen verdienste van de moslims in zichzelf, het was de vervulling van een belofte.

ʿUmar ﵁ wist dit. Hij sprak het uit. Hij hield de gemeenschap in herinnering dat de overwinning geen recht was dat zij hadden afgedwongen, maar een gave die zij hadden ontvangen. En een gave, anders dan een verdienste, moet worden gedragen met dankbaarheid en niet met trots. Daarom de soberheid die hij van zichzelf en van zijn bevelhebbers eiste. Daarom de instructie aan an-Nuʿman ﵁ voor de slag dat hij niet voor zichzelf zou strijden maar voor Allah ﷻ. Daarom de bede in de moskee na de overwinning, in plaats van een triomftocht door de straten.

De positie van de Perzen die overbleven

Wat met de Perzen gebeurde die de slag overleefden, is in dezelfde geest belangrijk. De moslims namen geen wraak. De gevangenen werden volgens de regels van de oorlogswetgeving behandeld; de niet-strijders werden niet aangevallen; de Zoroastriaanse priesters werden niet vermoord; de tempels werden niet vernietigd. De Perzen die zich onderwierpen, kregen de jizyah als verdrag aangeboden en behielden hun gemeenschap, hun taal, hun gewoonten en hun ereniedienst. In de eeuwen die zouden volgen, zou een aanzienlijk deel van hen tot de islam toetreden, en uit hun midden zouden enkele van de grootste geleerden van de moslimwereld voortkomen: al-Bukhari ﵀, Muslim ﵀, Abu Hanifa ﵀, al-Ghazali ﵀, en talloze anderen. De erfenis van Nahawand was niet vernietiging maar opname. De Perzische beschaving, in haar wetenschap, in haar bestuurskunst, in haar literatuur, ging niet onder maar werd geïntegreerd in een grotere geheel waarin haar bijdragen werden bewaard en doorgegeven.

De spirituele rekening

Wij sluiten dit hoofdstuk met de waarneming die in elke serieuze beschouwing van Nahawand wederkeert. De slag heeft tweeërlei betekenis. De eerste is wereldlijk: zij maakte een einde aan een rijk dat twaalf eeuwen had geheerst, en zij opende de weg voor de uitbreiding van de islam in het hele oosten tot aan de grenzen van China. De tweede is geestelijk: zij was een belichaming van wat een gelovige gemeenschap, onder een rechtvaardige Khalief ﵁, in een tijd van standvastigheid kan bereiken wanneer zij op Allah ﷻ vertrouwt en in eenvoud blijft leven.

De moslims hebben deze slag sindsdien Fath al-Futuh genoemd. Wij in dit artikel hebben de term met de voorzichtigheid gebruikt die Suyuti’s eigen beknoptheid voorschrijft. Hij geeft de slag de typering die zij verdient zonder de term zelf te gebruiken; hij laat haar betekenis stralen uit de bewogen zin dat de Perzen na haar geen leger meer konden mobiliseren. Wij volgen die voorzichtigheid. Wat zij is geworden in de mond van de moslims, is wat zij is geworden. Wat Suyuti ﵀ erover schrijft, blijft de bron waarop ons artikel zich baseert.

Vooruitblik

In de jaren die op Nahawand volgden, zou de Khalief ﵁ nog enkele jaren zijn ambt uitoefenen. De pelgrimsroute naar Mekka werd uitgebreid, de Masjid al-Haram werd verbeterd, de Masjid an-Nabawi in Medina werd vergroot. De moslimlegers trokken verder Iran in, verder Centraal-Azië in, verder Egypte uit naar het westen van Noord-Afrika. Maar de centrale slag, de slag die de loop van de geschiedenis voorgoed had bepaald, was geleverd. Het was Nahawand. Het was de Opening der Openingen.

In het volgende artikel keren wij terug naar Medina en naar de uitbreiding van de twee grote moskeeën, de Masjid al-Haram in Mekka en de Masjid an-Nabawi in Medina, die ʿUmar ﵁ in de jaren tussen Yarmuk en zijn dood liet voltooien. Want zoals hij in de provincies de macht van de islam had uitgebreid, zo wilde hij in de hoofdstad de gebedshuizen ruimer maken om de groeiende gemeenschap der gelovigen ruimte te geven om voor Allah ﷻ neer te knielen.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk), p. 136 (jaar 21 AH: Alexandrië, Nahawand, Barqah en andere openingen, met de typering dat de Perzen daarna geen leger meer konden mobiliseren).
  • Aanvullende vermeldingen elders in dezelfde Suyuti ﵀-uitgave over de bestuursstijl van ʿUmar ﵁ en zijn instructies aan bevelhebbers, pp. 134–151.