De Verovering van Egypte
Het twintigste jaar
In het twintigste en eenentwintigste jaar van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling valt op de jaren 640 tot en met 642, kwam een land binnen de grenzen van de islamitische staat dat sinds de tijd van de farao’s, sinds de tijd van Yusuf ﵇ en zijn broeders, sinds de tijd van Musa ﵇ en Aaron ﵇, een eigen plek had in het geheugen van de mensheid. Egypte. Het land van de Nijl. De graanschuur die het Byzantijnse Rijk had gevoed, de provincie waaruit Constantinopel haar tarwe had betrokken sinds de dagen dat een keizer met de naam Augustus de regio aan zijn rijk had toegevoegd. Een land met een eigen geschiedenis, een eigen bevolking van Kopten die het christelijke geloof beleden in een vorm die in de Constantinopolitaanse hoofdstad als ketters werd beschouwd, een eigen taal die nog de echo van het oude Egyptisch in zich droeg, een eigen kerkelijke patriarch in Alexandrië die zich in het hart van zijn gemeenschap geliefder wist dan in het paleis aan de Bosporus.
In dit land, in deze maanden, en onder bevel van een man wiens naam in de mond van de Quraish van Mekka eens een naam was geweest die ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ als jongere had gekend in de vergaderingen van Dar an-Nadwah, opende de islam haar derde grote provincie. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, de tacticus die de Profeet ﷺ had erkend toen hij met zijn handelskaravanen uit Egypte naar Mekka was teruggekeerd, leidde het leger dat in twee jaren wat onmogelijk had geleken, mogelijk maakte. Suyuti ﵀ geeft het in één regel, en in die ene regel zit een geschiedenis die wij in dit artikel zorgvuldig zullen openvouwen, zonder uit zijn beknopte registratie weg te dwalen.
Suyuti’s regels
Suyuti ﵀ schrijft dat in het twintigste jaar van de Hijra Egypte met geweld werd geopend. Hij voegt toe dat ook gezegd is dat heel Egypte met verdrag werd geopend, behalve Alexandrië, dat met geweld werd geopend. En in het eenentwintigste jaar van de Hijra werd Alexandrië met geweld geopend, samen met Nahawand en Barqah en andere plaatsen.
Twee regels, drie jaartallen, en de hele verovering van een rijk dat zes eeuwen onder Romeins en Byzantijns gezag had gestaan. Wij zien hoe Suyuti ﵀ zijn pen ingehouden hanteert. Hij benoemt niet de slag bij Heliopolis, hij benoemt niet de zeven maanden van belegering rond het fort van Babylon, hij benoemt niet de onderhandelingen met de Koptische patriarch Benjamin, hij benoemt niet de paniek in Constantinopel toen de berichten daar aankwamen. Hij geeft de uitkomst: Egypte geopend, Alexandrië door geweld, jaar 20 en 21 AH. Daarom blijven wij in dit artikel dicht bij die uitkomst en bouwen wij de betekenis uit Suyuti’s eigen voortdurende manier van overleveren over deze maanden: een verovering die door de wijsheid van een bevelhebber en de leiding van een Khalief ﵁ werd voltooid in twee jaren wat het Byzantijnse keizerrijk in zes eeuwen had opgebouwd.
ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ als figuur
ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ was, voordat hij metgezel werd, een Qurayshiet uit Mekka die de oudere generaties in de stad respecteerden voor zijn intelligentie en zijn handelsvermogens. Hij had karavanen geleid naar de Yemen, naar Syrië, naar Egypte. Hij kende de talen, hij kende de wegen, hij kende de gewoonten van de Romeinse legioenen die hij in zijn handelsjaren in Caesarea, in Damascus, in Alexandrië had ontmoet. Toen hij in het achtste jaar van de Hijra in Medina kwam om zich tot de islam te bekeren, ontving de Profeet ﷺ hem met een hartelijkheid die de andere metgezellen verbaasde; hij wist wat hij in hem zag. ʿAmr ﵁ werd bij belangrijke missies betrokken, en in de jaren na het overlijden van de Profeet ﷺ kreeg hij het bevel over een van de drie legers die Abu Bakr ﵁ naar Syrië zond. Hij was bij Yarmuk. Hij voerde mannen aan. Hij wist hoe een Byzantijns leger zich opstelt, en hij wist nog beter hoe een Arabisch leger om hen heen kan worden bewogen.
Toen het idee in zijn hoofd opkwam dat na Syrië Egypte aan de beurt moest komen, was de gedachte niet wild. Hij wist dat de Byzantijnse macht in Egypte op het breukvlak stond. De Kopten waren over het algemeen vervreemd van Constantinopel; de patriarch was in ballingschap; de garnizoenen waren overbelast door de oorlogen tegen de Sassaniden die de regio in de voorafgaande decennia leeg hadden geput; de Nijl-bevolking betaalde zware belastingen aan een verre keizer met wie zij weinig sympathie deelde. ʿAmr ﵁ legde de zaak voor aan ʿUmar ﵁ in Medina. De Khalief ﵁ aarzelde. Hij wist dat een veldtocht naar Egypte ver weg was, dat zijn legers in Syrië nog niet helemaal vrij waren van de plaag van Amwas die in jaar 18 AH had toegeslagen, dat een uitbreiding op nog een ander front grote risico’s bracht. Hij raadpleegde zijn raad. Hij dacht er lange dagen over na.
De overlevering geeft dat ʿUmar ﵁ uiteindelijk instemde, maar onder voorbehoud. Hij gaf ʿAmr ﵁ een beperkt contingent mannen mee, vier duizend volgens de meerderheid van de bronnen, met de instructie dat indien een tweede brief uit Medina zou komen voordat ʿAmr ﵁ de grens van Egypte zou hebben overschreden, hij zou moeten terugkeren. Indien de brief hem zou bereiken na de overschrijding, zou hij mogen doorgaan. ʿAmr ﵁ stelde zijn troepen op in de Sinai, in een tempo dat de tweede brief moest voorblijven. Toen de boodschapper uit Medina hem inhaalde, vroeg hij zonder de brief te openen waar hij zich precies bevond. De boodschapper antwoordde naar waarheid: op Egyptisch grondgebied. ʿAmr ﵁ las de brief, glimlachte, en gaf zijn troepen het bevel verder te gaan. Zo, met de spitsvondigheid van een handelaar en de moed van een soldaat, zette de verovering van Egypte zich in beweging.
De geestelijke betekenis
Wij moeten, voordat wij verder gaan, even stilstaan bij wat de moslims onder ʿUmar ﵁ in deze veldtocht eigenlijk wilden bereiken. Het was niet, zoals latere imperiale verklaringen het zouden voorstellen, een verovering om de verovering. Het was niet de uitbreiding van een rijk om de rijkdom van een rijk. Suyuti ﵀ schrijft het kort, maar zijn beknoptheid heeft een eigen geluid: hij vermeldt openingen, niet veroveringen, in zijn karakteristieke woord fatḥ dat een open deur betekent. De islam opende Egypte. Zij brak de poort niet open uit hebzucht; zij vond de poort op de kier en stootte haar verder open omdat de mensen aan de andere kant van die poort, de Kopten van de Nijl-vallei, in groten getale onderdrukt en vergeten waren door een verre keizer die hen vooral tot ketters had verklaard.
De spirituele betekenis van deze opening, zoals Suyuti ﵀ haar elders in zijn lezing van het kalifaat van ʿUmar ﵁ aangeeft, ligt in de continuïteit van de boodschap die de Profeet ﷺ in zijn dagen had gegeven. De islam is geen geloof voor één stam, voor één taal, voor één land. Zij is een boodschap van tawhid die overal heen moet, en die overal waar zij komt de poort open laat voor wie haar willen aannemen, en de bescherming geeft aan wie haar niet aannemen maar onder haar gezag rechtvaardig willen leven. De jizyah, de belasting die de niet-moslims in ruil voor militaire vrijstelling en bescherming betaalden, was geen straf maar een verdrag. De Kopten zouden, naar het oordeel van de meerderheid van hen, dit verdrag inruilen voor de zware belasting die zij aan Constantinopel hadden betaald, en zij zouden in de eeuwen daarna in de islamitische staat hun kerken, hun patriarch en hun taal in vrede behouden.
ʿUmar ﵁ wist dit, en ʿAmr ﵁ wist het van zijn Khalief ﵁ in Medina. De marsroute door de Sinai werd niet gevoerd in de stijl van een plunderend leger. De steden die de moslims passeerden, kregen het standaardverdrag aangeboden: de keuze tussen het aannemen van de islam, het aannemen van de jizyah en de bescherming, of de gewapende confrontatie. De Khalief ﵁ had aan zijn bevelhebber meegegeven dat geen kerk vernield mocht worden zonder reden, geen monnik gedood, geen weeskind gevangen genomen, geen voorraad zonder betaling meegenomen. Dat was de stijl. Dat was de erfenis van de Profeet ﷺ in de mond van de Khalief ﵁ doorgegeven aan de bevelhebber.
De marsroute en de eerste slagen
ʿAmr ﵁ trok met zijn vier duizend man de Sinai over en bereikte de oostgrens van Egypte. Hij sloeg neer bij al-ʿArish, hij trok dwars door de woestijn waarin de Israëlieten onder Musa ﵇ veertig jaren hadden gewandeld, en hij hield zich aan het zuidelijke pad waar het wateronthoud beheersbaar bleef. Bij Bilbays, een vesting aan de oostgrens van de Nijldelta, kwam het tot een eerste echte schermutseling. De vesting werd na een korte belegering ingenomen. Het bericht van de val ging het land in, en de Byzantijnse bevelhebber, een Romein met de naam die de Arabische bronnen als al-Muqawqis weergeven (in de Griekse bronnen Cyrus, de prefect van Alexandrië en patriarch van de Melkitische kerk), schrok daarvan.
ʿUmar ﵁ in Medina ontving de eerste berichten van de overwinningen. Hij was opgelucht maar ook bezorgd dat ʿAmr ﵁ met te weinig mannen te ver was doorgedrongen. Hij stuurde versterkingen onder az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, die persoonlijk vanuit Medina vertrok met enkele duizenden mannen, en die zich bij het leger van ʿAmr ﵁ bij het fort van Babylon zou voegen. Met die versterking telde het leger ongeveer twaalfduizend man, een aanzienlijke macht maar nog steeds een breukdeel van wat de Byzantijnse keizer in het land beschikbaar had, en een minuut percentage van de Egyptische bevolking die in totaal in de miljoenen liep.
Bij Heliopolis, ten noordoosten van het huidige Cairo, kwam het tot de eerste open veldslag. ʿAmr ﵁ stelde zijn troepen op in een wijde halve cirkel, lokte de Byzantijnse cavalerie tot een uitval, en sloeg toe op de flanken. De Byzantijnen werden teruggedrongen naar het fort van Babylon, een Romeinse vesting aan de oostoever van de Nijl waar nu het oude Caïro ligt. Daar begon een belegering die zeven maanden zou duren. Suyuti ﵀ benoemt de belegering niet expliciet, maar plaatst de “opening met geweld” van Egypte in jaar 20 AH; dat is, naar de meerderheid van de bredere overlevering, het jaar waarin de val van Babylon plaatsvond, in april 641 in de christelijke jaartelling.
Het fort van Babylon
Kaart laden...
Het fort van Babylon, niet te verwarren met de Babylon van Mesopotamië, was de strategische sleutel tot Egypte. Wie Babylon hield, hield de oostelijke poort tot de Nijldelta, hield de scheepvaart op de zuidelijke arm van de rivier, hield de wegen die naar Memfis en verder naar het zuiden voerden. De Byzantijnen wisten dit, en zij hadden er hun beste troepen ingelegd, met al-Muqawqis als hoogste autoriteit, met de uit Constantinopel teruggekeerde patriarch Cyrus in onderhandelingsbevoegdheid, en met versterkingen die over de Nijl werden aangevoerd zolang dat mogelijk bleef.
ʿAmr ﵁ omsingelde het fort. Hij sneed de toegangswegen af. Hij liet de schepen op de Nijl niet meer aanmeren bij de muren. Hij wisselde patrouilles af zodat zijn mannen rust kregen. Hij voerde gesprekken met al-Muqawqis door middel van afgezanten, sommige overgeleverd in bronnen die buiten Suyuti ﵀ liggen en die wij hier samenvattend aanduiden. De Byzantijnse bevelhebber bood eerst geldsommen, daarna eerbiediging, daarna een verdrag. ʿAmr ﵁ hield zich aan de drie keuzes die hij van zijn Khalief ﵁ had meegekregen: islam, jizyah, of het zwaard. Al-Muqawqis koos uiteindelijk voor onderhandeling over de jizyah voor het binnenland, terwijl Alexandrië in het noorden zich nog afzonderlijk zou verdedigen.
De val van Babylon kwam in het voorjaar van het twintigste jaar van de Hijra. De moslims trokken in zonder slachting; zij namen de garnizoenen gevangen, lieten hen onder bewaking afmarcheren naar de noordkust, en stelden een eigen bestuur in. Op de plek waar ʿAmr ﵁ zijn tent had opgeslagen voor de belegering, op de oostoever van de Nijl, zou hij in de komende maanden de stad Fustat stichten, de eerste islamitische hoofdstad van Egypte, die in de eeuwen daarna zou uitgroeien tot wat wij kennen als Cairo. Een moskee werd er gebouwd, een eenvoudige constructie met palmstammen en kleinleem, die de naam Masjid ʿAmr ibn al-ʿAs zou dragen en die tot op de dag van vandaag op die plek staat, in een vorm die door talloze generaties is hersteld en verbreed maar die nog steeds de plek markeert waar de eerste moslims hun tenten in Egypte hadden opgeslagen.
De delta en het zuiden
Met Babylon gevallen, opende heel de Nijldelta zich. De steden van de delta, een voor een, openden hun poorten voor de moslims. Sommigen op verdrag, sommigen na korte tegenstand. Suyuti ﵀ noteert dat ook gezegd is dat heel Egypte met verdrag werd geopend, en die overlevering komt uit de meerderheid van de bevolking die zonder slag overging. De Kopten, lang vervreemd van Constantinopel, vonden in de moslims een verovering die hun kerken en hun patriarch met meer respect benaderde dan de keizer in de Bosporus had gedaan. Patriarch Benjamin, die jaren in ballingschap had geleefd, keerde terug naar Alexandrië onder bescherming van ʿAmr ﵁ en hervatte zijn ambt, een gebeurtenis die de Koptische literatuur tot op heden in dankbare termen herinnert.
Het zuiden van Egypte, het Boven-Egypte van de oude faraonische steden, opende zich in de maanden daarna. Memfis viel zonder slag, Akhmim en andere centra volgden, en het islamitische bestuur strekte zich uit tot aan de eerste cataract van de Nijl. De grens met Nubië werd voor het ogenblik aangehouden; daarop zou ʿAmr ﵁ in een later jaar een aparte expeditie sturen die in een verdrag werd vastgelegd, het Baqt, dat de Nubische gebieden gedurende eeuwen in een vreedzame verhouding met de islamitische staat zou houden.
Alexandrië
Kaart laden...
Eén stad bleef over. Alexandrië. De grote havenstad aan de Middellandse Zee. De stad van Alexander de Macedoniër ﵇ (volgens de overlevering die hem als Dhul-Qarnayn identificeert; deze identificatie is onder geleerden omstreden), de stad van de Ptolemeën, de stad van de befaamde bibliotheek, de stad van de Alexandrijnse patriarchen, de stad die met haar muren, haar haven, haar vloot, haar voorraden, haar gemeenschap van Grieken en Joden en Kopten een echo van de hele antieke wereld in zich droeg. Hier zouden de Byzantijnen, dachten zij in Constantinopel, hun laatste verdediging organiseren. Hier zouden de versterkingen die over zee uit Anatolië en uit Cyprus en uit Constantinopel zelf kwamen, kunnen aanmeren. Hier zou de verovering tot stilstand komen.
In het eenentwintigste jaar van de Hijra, schrijft Suyuti ﵀ , werd Alexandrië met geweld geopend. De moslimlegers, onder ʿAmr ﵁, belegerden de stad voor maanden. De Byzantijnen verdedigden haar met alle middelen die zij hadden. Versterkingen kwamen over zee. Een aanvankelijke onderhandeling onder al-Muqawqis liep stuk omdat Constantinopel haar verwierp en haar onderhandelaar terugriep. ʿAmr ﵁ wachtte, sloeg toe waar de muren zwak waren, blokkeerde de haven met een eigen vloot die hij in de delta had laten bouwen, en uiteindelijk vielen de muren in het najaar van 641 in de christelijke jaartelling, wat overeenkomt met het einde van het twintigste en het begin van het eenentwintigste jaar van de Hijra.
De inname van Alexandrië was niet zonder pijn. Er werd gevochten, mensen vielen, sommige delen van de stad werden beschadigd. Maar ʿAmr ﵁, getrouw aan de instructies van zijn Khalief ﵁ in Medina, hield zijn mannen onder strikte discipline. Geen plundering, geen slachting van burgers, geen vernieling van kerken. De stad werd onder islamitisch bestuur gebracht, de patriarch behield zijn ambt, de gemeenschap van Kopten en Grieken behield haar tempels en synagogen, en de haven bleef geopend voor de handel. De legende dat ʿAmr ﵁ de bibliotheek van Alexandrië in brand zou hebben gestoken, is een latere fictie die door noch Suyuti ﵀ noch een andere vroege bron wordt gestaafd; de bibliotheek was eeuwen voor de moslimverovering al meerdere keren vernield door interne onlusten en branden, en wat de moslims aantroffen was een vergankelijke rest die zij in stand lieten in handen van haar Koptische en Griekse bibliothecarissen.
De brief van ʿAmr ﵁ aan ʿUmar ﵁
Toen de stad gevallen was, schreef ʿAmr ﵁ een brief aan ʿUmar ﵁ in Medina. Hij beschreef wat hij had genomen, hij beschreef de stad, hij vroeg om instructies voor het bestuur. De brief is in latere bronnen meermaals weergegeven, en zelfs als Suyuti ﵀ haar niet woordelijk citeert, is haar inhoud bekend uit het gehele corpus van overleveringen rond de Egyptische verovering. ʿAmr ﵁ schreef ongeveer in deze geest dat hij voor de Khalief ﵁ een stad had genomen waarvan de beschrijving onmogelijk was zonder die met eigen ogen te zien, met vierduizend paleizen, vierduizend baden, vierhonderd theaters, twaalfduizend groentenhandelaars en veertigduizend Joodse onderdanen die jizyah betaalden. De getallen zijn naar latere normen wellicht overdreven, maar zij geven aan dat ʿAmr ﵁ in zijn rapport aan zijn Khalief ﵁ niet de grootheid van het verworvene wilde verzwijgen.
ʿUmar ﵁ las de brief. Zijn antwoord, zoals het door meerdere bronnen wordt overgeleverd, was niet euforisch maar nuchter. Hij vroeg ʿAmr ﵁ geen woning te nemen die de Khalief ﵁ niet ook kon nemen, geen kleding te dragen die de mensen niet ook konden dragen, geen tafel aan te leggen die de Bedoeïenen zou doen huiveren als zij erbij zouden komen. Hij bevestigde dat de hoofdstad van het nieuwe bestuur in Fustat zou liggen, niet in Alexandrië. Hij bevestigde dat Alexandrië als zeehaven behouden moest blijven maar dat het bestuurlijke centrum aan de Nijl moest staan, dichter bij de bron van de bevolking en het land. ʿAmr ﵁ aanvaardde de instructies en richtte zijn werk verder op de organisatie van het bestuur van Fustat en de bredere provincie.
De wijsheid van een Khalief ﵁ en de hand van een bevelhebber
Wat in deze twee jaren gebeurde, zou de geschiedenis van Egypte voorgoed veranderen. Voor de Egyptenaren betekende het een wisseling van een verre en vaak vijandige Byzantijnse heerschappij voor een nabije en doorgaans rechtvaardige islamitische heerschappij. Voor de moslimwereld betekende het de verovering van een graanschuur die de hoofdstad Medina en de andere provincies in jaren van droogte zou voeden. Voor de islam betekende het de uitbreiding van een geloofsboodschap naar een land dat sinds de tijd van Yusuf ﵇ in het geheugen van de gelovigen had geleefd, en waarop de Koran zelf in talloze verzen verwijst.
ʿUmar ﵁ heeft, naar de overlevering die in de bredere bronnen voorkomt, gezegd dat de opening van Egypte hem in zijn slaap was getoond. Hij wist, voordat de brief van ʿAmr ﵁ kwam, dat de stad gevallen was. Hij wist het in de stilte van zijn smeekbede. Wij respecteren de beknoptheid van Suyuti ﵀ door deze dimensie van de gebeurtenissen niet uit te bouwen tot een verhalend element van dit artikel, maar wij vermelden haar in de geest waarin Suyuti ﵀ zelf in zijn bredere werk over de Khalief ﵁ spreekt: een man die in alles wat hij deed, eerst aan Allah ﷻ vroeg, daarna aan zijn raad, en pas dan tot handelen overging.
ʿAmr ﵁ bleef gouverneur van Egypte gedurende het overige bewind van ʿUmar ﵁ en zou ook onder ʿUthman ﵁ enige jaren in dat ambt blijven. Hij bouwde Fustat uit, hij hield de bevolking in vrede, hij stuurde graan naar Medina wanneer de Hijaz het nodig had, hij organiseerde de jizyah naar de standaard die de Khalief ﵁ hem had aangewezen, en hij liet de Kopten in vrijheid hun erediensten verrichten. De moskee die zijn naam draagt staat er nog. De stad die hij heeft gegrondvest, is uitgegroeid tot het Cairo van vandaag. Maar de bron van zijn handelen lag niet in zijn vermogen tot stadsplanning of zijn militaire vaardigheid; zij lag in de Khalief ﵁ die hem had gestuurd, die hem had begrensd, die hem had geleerd dat een opening geen verovering is, en dat een verovering geen aanleiding is voor luxe maar voor rentmeesterschap.
De spirituele rekening
Toen het stof van Alexandrië was gaan liggen, toen Fustat was opgericht, toen de Nijldelta in vrede onder de moslims viel, kon de gemeenschap der gelovigen terugkijken op een tijdspanne van twee jaren waarin een land was geopend dat zes eeuwen had toebehoord aan een verre keizer. Geen euforie volgde in Medina. ʿUmar ﵁ besteeg de minbar in de Masjid an-Nabawi en sprak, naar de gewoonte van zijn khutbah, korte zinnen waarin de dankbaarheid niet werd gevoeld door wat hij zei maar door de manier waarop hij het zei. Hij verbood feestelijkheden, hij verbood overdreven prijsstellingen, hij verbood opzichtige kleding voor wie net uit het veld terugkwam. Hij ontving de buit volgens de regels van de Profeet ﷺ, hij verdeelde haar volgens de prioriteit die hij in het Diwan zou vastleggen, en hij stuurde een deel naar de armen van de Hijaz die nog altijd herstelden van de droogte van het Jaar van As.
Egypte was binnen. Dat was de uitkomst die in de twee regels van Suyuti ﵀ staat. Wat daar voor moest gebeuren, hadden duizenden mannen onder ʿAmr ﵁ in twee jaren geleverd, en wat daarvoor mogelijk was, had één Khalief ﵁ in Medina mogelijk gemaakt door de juiste mannen op de juiste plek met de juiste instructies te sturen. In het volgende jaar zou Suyuti ﵀ ons naar nog een opening voeren, die hij in dezelfde zin als Alexandrië noemt: Nahawand, in Perzië, de slag die de Perzen sinds die dag geen leger meer hebben kunnen mobiliseren. Maar voordat wij daarheen gaan, moeten wij in Medina even pauzeren. Want het twintigste jaar van de Hijra is niet alleen het jaar van Egypte. Het is ook het jaar waarin ʿUmar ﵁ in al-Muharram het soldijregister, het Diwan, instelde. En dat besluit, in zijn bestuurlijke gevolgen, was misschien wel zo verstrekkend als de opening van een rijk.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk), p. 136 (jaar 20 en 21 AH: opening van Egypte, opening van Alexandrië).
- Aanvullende kennis van de bredere Suyuti ﵀-passages over de bestuursstijl van ʿUmar ﵁ en de instructies aan zijn bevelhebbers, pp. 143–151.