Een belofte uit Tabuk
Toen ʿUmar ﵁ in het twintigste jaar van de Hijra een beslissing nam die de samenstelling van de Hijaz voor altijd zou veranderen, deed hij dat niet uit eigen wijsheid en niet uit een verlangen naar etnische zuivering. Hij deed het, zo getuigt de overlevering, op grond van een uitspraak die de Profeet ﷺ aan het einde van zijn leven had achtergelaten. Een uitspraak die in de mond van de eerste Khalifah was blijven hangen en in de bezonkenheid van zijn opvolger werd uitgevoerd. Het schiereiland van de Arabieren, het Hijaz, het hart van de openbaring, zou een huis worden waarin niet langer twee religies naast elkaar woonden.
Wat Suyuti ﵀ over deze gebeurtenis vastlegt, is kort. Bij het opsommen van het twintigste jaar van de Hijra, in dezelfde adem waarin hij de instelling van het Diwan en de opening van Egypte vermeldt, schrijft hij: “In dat jaar verdreef ʿUmar ﵁ de Joden uit Khaybar en uit Najran, en hij verdeelde Khaybar en Wadi al-Qura onder hen die bij de oorspronkelijke veldslagen van de Profeet ﷺ daar aanwezig waren geweest.” Een zin. Een enkele zin in de droge chronologie van de jaartabellen. Maar achter die zin lag een hele geschiedenis van verdragen, van geduld, van uitstel, en van een belofte die nu werd nagekomen.
Om die zin te begrijpen, moeten wij teruggaan naar de tijd van de Profeet ﷺ zelf, naar de overwinningen op Khaybar in het zevende jaar van de Hijra en naar het verdrag met de Christenen van Najran in het negende of tiende jaar. Wij moeten begrijpen wat de Profeet ﷺ had ingericht, en waarom de Khalifah na hem die inrichting moest herzien.
Khaybar en de regeling onder de Profeet ﷺ
Kaart laden...
Khaybar was in het jaar 7 van de Hijra door de Profeet ﷺ veroverd. De Joodse gemeenschappen die daar in versterkte forten woonden en die de stammen van de Arabieren in opstand tegen Medina hadden gemobiliseerd, waren na een belegering ondergeschikt geworden aan de heerschappij van de Islam. Toen de overwinning eenmaal voltrokken was en de Profeet ﷺ ﷺ op het punt stond hen te verdrijven, kwamen de Joden van Khaybar bij hem en vroegen hem om een uitzondering. Zij waren landbouwers; zij kenden de dadelpalmen van Khaybar zoals niemand anders ze kende; zij vroegen of zij mochten blijven om het land te bewerken in ruil voor de helft van de oogst.
De Profeet ﷺ stemde daarmee in. Hij liet hen blijven op het land, met de helft van wat het voortbracht, “zolang Allah ﷻ wenst dat jullie blijven.” Die laatste clausule, overgeleverd door verschillende metgezellen ﵃, was geen vrijblijvende vriendelijkheid. Het was een tijdsbepaling met een open einde. De Profeet ﷺ had de mogelijkheid van een toekomstige uitzetting in de letter van het verdrag zelf opgenomen.
Vele jaren later zou ʿUmar ﵁ zich op precies die clausule beroepen. Hij had de moslims die in Khaybar werkten zien lijden onder de hardheden van het werk en onder geschillen met de Joodse landbouwers die er met hen op het land stonden. Eén van zijn eigen zonen, ʿAbdullah ibn ʿUmar ﵁, was bij een van die geschillen aangevallen door joodse bewoners van Khaybar in een nachtelijk handgemeen waarin zijn handen werden ontwricht. Toen die geweldsincident hem ter ore kwam, samen met de bredere klachten van de moslims die uit Khaybar terugkeerden, herinnerde ʿUmar ﵁ zich de woorden van de Profeet ﷺ.
De uitspraak van de Profeet ﷺ aan het sterfbed
Aan de basis van wat ʿUmar ﵁ in het twintigste jaar uitvoerde, lag een uitspraak die de Profeet ﷺ in de laatste dagen van zijn leven had gedaan. De overlevering ervan was bewaard gebleven onder de Sahabah ﵃ en werd in de tijd van Abu Bakr ﵁ niet uitgevoerd omdat de jonge staat zich nog moest bewijzen in de oorlogen tegen de afvalligen. Maar nu, in de stabiliteit van het twintigste jaar, was het tijd. De uitspraak was eenvoudig:
De Profeet ﷺ: Twee religies zullen niet samenwonen op het schiereiland van de Arabieren.
Deze woorden, die de Profeet ﷺ als een laatste bestuurlijke aanwijzing had gegeven, vormden de juridische grond waarop ʿUmar ﵁ stond toen hij de verbanning gelastte. Het was niet zijn eigen oordeel, geen vernieuwing, geen wijziging van de inrichting van de Profeet ﷺ. Het was de uitvoering van wat de Profeet ﷺ in zijn laatste maand zelf had ingesteld. Suyuti ﵀ verwijst hiernaar impliciet door de gebeurtenis zonder verdere toelichting in zijn jaartabel op te nemen: de redenering was binnen de gemeenschap van de Metgezellen ﵃ vanzelfsprekend en behoefde geen uitleg.
Najran en de Christenen
Kaart laden...
In Najran, ver in het zuiden van het schiereiland, op de hoogvlakte die naar Jemen overgaat, leefde een gemeenschap van Arabische Christenen die in het tiende jaar van de Hijra een delegatie naar Medina had gestuurd. Die delegatie had met de Profeet ﷺ over de aard van ʿIsa ﵇ gedebatteerd en had uiteindelijk een verdrag gesloten. In ruil voor een vaste jaarlijkse betaling en het recht hun eredienst te behouden, mochten zij op hun land blijven en zouden zij onder de bescherming van Allah ﷻ en Zijn Boodschapper ﷺ staan. Het verdrag van Najran was beroemd geworden vanwege zijn mildheid: kerken zouden niet worden afgebroken, geestelijken niet worden vervangen, eigendom niet worden onteigend.
Maar het verdrag van Najran kende, net als dat van Khaybar, geen eeuwigheidsclausule. Het bond de Christenen aan de moslims onder voorwaarden, en het stond toe dat de Khalifah de regeling zou herzien wanneer er aanleiding voor was. Toen ʿUmar ﵁ de uitspraak van de Profeet ﷺ over het schiereiland uitvoerde, kwam ook Najran in aanmerking voor verplaatsing. De Christenen van Najran werden niet onteigend in de zin van een straf. Zij werden verplaatst naar landen die de moslims inmiddels hadden geopend, naar Iraq, naar het noorden, naar gebieden die buiten het schiereiland van de Arabieren lagen en waar zij hun gemeenschap onder dezelfde voorwaarden van bescherming konden voortzetten. Hun verdrag werd niet verbroken; het werd verplaatst.
Compensatie en herverdeling
Wat ʿUmar ﵁ deed, was niet zonder zorgvuldigheid. Suyuti ﵀ vermeldt in dezelfde zin waarin hij de verbanning noemt, dat ʿUmar ﵁ Khaybar en Wadi al-Qura “verdeelde onder hen die bij de oorspronkelijke veldslagen van de Profeet ﷺ daar aanwezig waren geweest.” Dat detail is veelzeggend. Het land dat de Joodse landbouwers verlieten, werd niet leeg achtergelaten en niet aan een willekeurige nieuwe groep gegeven. Het werd toebedeeld aan de Sahabah ﵃ die in het zevende jaar van de Hijra met de Profeet ﷺ naar Khaybar waren opgetrokken en die op grond van die deelname recht hadden gekregen op een aandeel in de buit.
Voor de Joden zelf werd de waarde van wat zij in Khaybar achterlieten, vergoed. Hun palmgaarden, hun gereedschappen, hun voorraden werden door de Khalifah geschat en de tegenwaarde werd hun uitbetaald uit de schatkist van Medina, of hun werd land in vervangende streken toegewezen waar zij hun werkzaamheden konden voortzetten. Het was geen verbanning in armoede en het was geen onteigening zonder vergoeding. Het was een geordende verplaatsing onder rechterlijke begeleiding, met een tijdslijn en met een compensatieregeling.
De juridische redenering van Suyuti ﵀
Voor de geleerden die na Suyuti ﵀ kwamen, en voor Suyuti ﵀ zelf, vormde de verbanning uit het twintigste jaar een belangrijk fiqh-precedent. Het bewees dat een verdrag dat de Profeet ﷺ had gesloten, niet voor altijd dezelfde uitwerking hoefde te hebben. Een verdrag kon door de Khalifah worden geherinterpreteerd, herzien of beëindigd, zolang dat gebeurde op grond van een hogere uitspraak van de Profeet ﷺ zelf en zolang de tegenpartij niet werd onteigend zonder compensatie. De Khalifah was geen wetgever; hij was uitvoerder van wat de Profeet ﷺ had ingesteld. Maar binnen die uitvoering had hij ruimte om regelingen te ordenen volgens de overkoepelende beginselen die de Profeet ﷺ had achtergelaten.
In de geleerdentradities van na Suyuti ﵀ is deze gebeurtenis vaak aangehaald als bewijs van de stabiliteit van het islamitisch bestuur. Niet alles wat ooit was vastgelegd, hoefde voor de eeuwigheid op precies dezelfde wijze te blijven bestaan. De bestuurder mocht herzien zolang hij binnen de richtlijnen van openbaring en overlevering bleef. Wat ʿUmar ﵁ in het twintigste jaar deed, werd de toetssteen waaraan latere bestuurders hun eigen herzieningen konden meten.
Wat de verbanning niet was
Het is belangrijk te begrijpen wat deze gebeurtenis niet was. Het was geen verdrijving van alle niet-moslims uit alle gebieden die onder islamitisch bestuur stonden. De Christenen van Syrië bleven Christenen, de Joden van Iraq bleven Joden, de Zoroastriërs van Perzië bleven in grote aantallen op hun land. Zelfs in Egypte, dat in dezelfde jaren werd geopend, bleven de Koptische Christenen op hun land onder de bescherming die de Khalifah aan hen door bemiddeling van ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ had toegezegd. Het ging om één specifiek gebied: het schiereiland van de Arabieren, en daarvan in de praktijk vooral de Hijaz, en daarvan in concreto vooral Khaybar en Najran als de twee plaatsen waar gemengde gemeenschappen nog substantieel aanwezig waren.
Het was geen straf. Niemand werd in gevangenschap gevoerd, niemand werd onteigend zonder vergoeding, niemand werd vervolgd om zijn geloof. De gemeenschappen die werden verplaatst, vonden in hun nieuwe woonplaatsen dezelfde bescherming, dezelfde belastingregelingen en dezelfde rechtspositie als zij in hun oude woonplaatsen hadden gehad. Wat veranderde was niet hun status als beschermde gemeenschappen onder islamitisch recht; wat veranderde was de plaats waar zij die status uitoefenden.
Het was ook geen plotseling besluit. De Profeet ﷺ had zijn uitspraak over de twee religies in zijn laatste maand gedaan. Abu Bakr ﵁ had die uitspraak in zijn korte khilafah niet kunnen uitvoeren omdat de Ridda-oorlogen zijn aandacht volledig opslokten. ʿUmar ﵁ wachtte tot het zesde jaar van zijn eigen khilafah, tot de buitenlandse fronten stabiel waren en de financiële infrastructuur van het Diwan was opgezet, voordat hij aan de uitvoering begon. Tussen de uitspraak van de Profeet ﷺ en de uitvoering door ʿUmar ﵁ lagen ongeveer tien jaar van geleidelijke voorbereiding.
Najran in zijn nieuwe huis
De Christenen van Najran werden voornamelijk verplaatst naar de streek rond Kufa, naar een plaats die in latere bronnen “an-Najraniyya” werd genoemd: het Najran van het noorden, gesticht door de geherhuisveste Christenen die hun stadsnaam meebrachten naar het nieuwe land. Daar bouwden zij hun kerken opnieuw, hervatten zij hun handel, en behielden zij onder Saʿd ibn Abi Waqqas ﵁ en zijn opvolgers de rechtspositie die zij in Najran zelf hadden gehad. Hun geestelijken bleven hun geestelijken, hun bisschop bleef hun bisschop, hun verdrag bleef in beginsel van kracht zij het in geografisch verplaatste vorm.
Eén detail dat de geleerden van latere generaties hebben opgemerkt: de geletterde Christenen van Najran droegen bij aan de vroege wetenschappelijke cultuur van Kufa. Hun aanwezigheid in een stad die in dezelfde jaren door Saʿd ﵁ als militair kamp was opgericht, leverde een ontmoeting op tussen islamitisch bestuur en de Christelijke geleerden van het schiereiland. Dat de moslims in Kufa snel tot een culturele bloei kwamen die met de stichting van haar grote madrasahs gepaard ging, heeft mede te maken met de aanwezigheid van deze geletterde, Arabisch sprekende Christengemeenschap die uit Najran was overgekomen.
Khaybar onder de Metgezellen ﵃
De palmgaarden en akkers van Khaybar werden, zoals Suyuti ﵀ vermeldt, herverdeeld onder de Sahabah ﵃ die er in het zevende jaar bij de oorspronkelijke verovering aanwezig waren geweest. Voor sommigen van hen, die inmiddels in hoge functies in Medina, in Iraq of in Syrië dienden, was hun aandeel in Khaybar een vorm van pensioen geworden. Voor anderen werd het de basis van een familielandgoed dat generaties zou doorgaan. De namen van enkele bekende eigenaren van Khaybar-erven duiken in de juridische literatuur van de eerste eeuwen op als getuigen in geschillen over irrigatierechten of als donoren van waqf-stichtingen.
Hierin lag een rechtvaardigheid die in de logica van de tijd vanzelfsprekend was. Wie in het zevende jaar zijn leven had gewaagd om Khaybar te openen, had recht op een aandeel in de vruchten ervan. Dat dit aandeel pas dertien jaar later daadwerkelijk in eigen beheer werd ontvangen, omdat in de tussentijd de Joodse landbouwers het land op basis van een tijdelijk verdrag hadden bewerkt, deed niets af aan de geldigheid van de oorspronkelijke aanspraak. ʿUmar ﵁ herstelde wat in zijn ogen de oorspronkelijke verdeling van de Profeet ﷺ was geweest.
Eén schiereiland, één geloof
Wat ʿUmar ﵁ in het twintigste jaar tot stand bracht, was de inrichting van de Hijaz als het kerngebied van de Islam, het gebied waaruit de Boodschapper ﷺ was voortgekomen en waarin zijn graf en het Huis van Allah ﷻ zich bevonden. Voor de bestuurlijke logica van die tijd was het ondenkbaar dat het gebied rond Mekka en Medina, het gebied waar de openbaring was neergedaald en waar de eerste gemeenschap was gevormd, in de bestuurlijke samenstelling tweelagig zou blijven. Het land waarover de Profeet ﷺ had gepredikt, werd het land waarin zijn gemeenschap onverdeeld kon leven.
Dat besluit kan in de geleerde lezing van vandaag verschillende reacties oproepen. Voor de moslim die de overlevering aanvaardt, is het de uitvoering van een woord van de Profeet ﷺ door zijn meest verantwoordelijke opvolger. Voor de historicus die naar de feiten kijkt, is het een geordende verplaatsing met compensatie, niet een gewelddadige zuivering. Voor de jurist is het een precedent over hoe verdragen kunnen worden herzien onder hogere voorschriften van openbaring. En voor de bestuurder is het een voorbeeld van een Khalifah die geduld toonde door tien jaar te wachten voordat hij iets uitvoerde wat hij vanaf het eerste moment van zijn khilafah had kunnen uitvoeren.
Suyuti ﵀ vermeldt het in één zin, omdat in zijn tijd niemand vroeg of dit gepast was. Voor hem was het een feit zoals de opening van Egypte een feit was. Wat voor ons de moeite van de uitleg waard is, was voor de geleerden van de derde, vierde en vijfde eeuw van de Hijra een vanzelfsprekendheid waaraan zij hun fiqh-redenering rond verdragen, herziening en verbanning opbouwden.
In het volgende artikel volgen wij ʿUmar ﵁ naar het laatste hoofdstuk van zijn leven. Drie jaar nadat hij de verbanning had uitgevoerd, drie jaar nadat hij het Diwan had ingesteld, drie jaar nadat hij Egypte en Nahavand had zien openen, zou hij zelf in de ochtend van het Fajr-gebed door een vreemde hand worden getroffen. De Khalifah die zijn schiereiland had geordend, zou het verlaten op een wijze die hij niet had gekozen maar wel had voorzien.