De Instelling van het Diwan
Muharram, het twintigste jaar van de Hijra
In Muharram van het twintigste jaar van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling overeenkomt met januari van het jaar 641, deed ʿUmar ibn al-Khattab ﵁ iets dat de bestuurlijke geschiedenis van de moslimwereld voorgoed zou veranderen. Hij stelde een register in. Hij liet schrijven. Hij maakte een lijst van wie wat ontving uit de schatkist van de gemeenschap der moslims. De handeling klinkt klein, alsof het slechts een administratieve maatregel betreft. Maar wie naar de breedte van haar gevolgen kijkt, ziet dat met deze eenvoudige beslissing iets fundamenteels veranderde in de manier waarop de Khalief ﵁ de groeiende rijkdom van een staat in expansie verdeelde over haar burgers. Het bait al-mal, dat onder Abu Bakr ﵁ in zijn kleine huisje in as-Sunh nog leeg gevonden werd op de dag van zijn overlijden, was onder ʿUmar ﵁ uitgegroeid tot een orgaan met vertakkingen in Damascus, in Kufa, in Basra, in Fustat. De inkomsten uit de pas geopende provincies stroomden binnen in een tempo dat de eenvoudige verdeling die Abu Bakr ﵁ had gehanteerd, niet meer bijhield.
Suyuti ﵀ legt het bondig vast. In een passage waarin hij de bestuursdaden van ʿUmar ﵁ opsomt, schrijft hij dat in dit jaar de Khalief ﵁ regelmatige soldijen instelde voor de strijders, registers aanlegde, en toelagen toekende naar voorrang. Op een latere bladzijde, in een aparte overlevering, geeft hij de context van de beraadslaging die aan deze beslissing voorafging. En in die overlevering staat een dialoog die wij in dit artikel als het hart van de zaak zullen plaatsen, omdat zij ons in de raadkamer van de Khalief ﵁ binnenleidt en ons toont hoe de grote vragen van een groeiende staat in die jaren werden besproken.
De vraag op tafel
De vraag op tafel was niet abstract. Zij was concreet. De inkomsten uit de provincies kwamen binnen. Het rijksinkomen uit kharaj, de grondbelasting van de pas geopende gebieden, uit jizyah van de niet-moslimse bevolking, uit zakat van de moslims, uit de aandelen van de buit, was sterk gegroeid. Het bait al-mal in Medina ontving zakken zilver, zakken goud, voorraden graan, voorraden olie, voorraden stoffen, in een omvang die de gewone verdeling van de eerdere jaren niet meer aankon. Wat te doen. De Khalief ﵁ zat met een raad van zijn naaste metgezellen, en hij stelde de vraag in directe woorden. Moeten wij dit alles dadelijk verdelen, zoals wij dat de jaren daarvoor hebben gedaan, of moeten wij iets anders. Moeten wij sparen of moeten wij blijven uitdelen. Moeten wij de mensen aan vaste toelagen wennen of moeten wij hen aan onregelmatige uitkeringen blijven onderwerpen.
Suyuti ﵀ geeft de dialoog door middel van Jubayr ibn Mutʿim ﵁, een metgezel die bij het overleg aanwezig was. Jubayr ﵁ overlevert dat ʿUmar ﵁ de mening van de moslims vroeg over het aanleggen van een register. Twee adviezen werden vooral gegeven, van twee mannen wier woord in de raad altijd zwaar woog: ʿAli ibn Abi Talib ﵁ en ʿUthman ibn ʿAffan ﵁. Het zijn deze twee adviezen, en het besluit dat ʿUmar ﵁ daaruit nam, die wij in dit artikel zorgvuldig zullen openvouwen, want zij vormen samen het bestuurlijke moment waarin het Diwan tot stand kwam.
De dialoog in de raad
De overlevering van Jubayr ﵁, gegeven door Suyuti ﵀, plaatst de raad van de Khalief ﵁ voor onze ogen. Wij horen drie stemmen. De Khalief ﵁ die de vraag stelt. ʿAli ﵁ die de eerste richting geeft. ʿUthman ﵁ die de tweede richting geeft. In de woorden van Suyuti ﵀:
ʿUmar ﵁: Wat is uw mening, beste metgezellen, over wat ieder jaar aan bezit voor ons binnenkomt. Moeten wij het verdelen, of moeten wij een register aanleggen.
ʿAli ﵁: Verdeel ieder jaar wat aan bezit voor u binnenkomt, en houd er niets van achter.
ʿUthman ﵁: Ik zie veel bezit, dat genoeg is voor de mensen, en als het niet wordt geteld zodat wie neemt zich onderscheidt van wie niet neemt, dan vrees ik dat de zaak verward zal raken.
In deze enkele zinnen ligt het hele bestuurlijke probleem van de groeiende staat opengebarsten. ʿAli ﵁ houdt vast aan de eenvoud van de eerdere jaren. Wat binnenkomt, gaat uit. Niet ophopen. Niet bewaren. Verdelen. Het bait al-mal is niet een schat om aan te leggen, maar een leiding om door te laten stromen. Dit was de wijze waarop de Profeet ﷺ in zijn laatste jaren had gehandeld, dit was de wijze waarop Abu Bakr ﵁ had gehandeld, dit was de wijze die ʿAli ﵁ als de meest getrouwe aan de stijl van de Profeet ﷺ kende. ʿUthman ﵁ houdt vast aan een andere wijsheid. Wat binnenkomt, is zoveel geworden, dat de eenvoud van uitdelen zonder boekhouding tot verwarring leidt. Wie heeft al ontvangen, wie nog niet, wie meer, wie minder. Zonder register raakt de zaak in de war. Daarom: tel, schrijf, onderscheid. Niet om te bewaren, maar om eerlijk te verdelen.
ʿUmar ﵁ luisterde naar beide. Hij beraadslaagde dagen. En hij koos, naar Suyuti’s overlevering, voor de weg die in zijn praktische gevolgen het advies van ʿUthman ﵁ volgde, maar in haar geest het advies van ʿAli ﵁ vasthield. Hij stelde een register in om te verdelen, niet om op te potten. Hij hield de stroom open. Hij voegde alleen toe wat ʿUthman ﵁ had gevraagd: een telling, een onderscheid, een boekhouding. Het wat van ʿAli ﵁ bleef. Het hoe van ʿUthman ﵁ kwam erbij.
Wat het Diwan werd
Het woord diwan in het Arabisch betekent oorspronkelijk een verzameling, een register, een boek waarin namen worden opgenomen. Het werd in de Sassanidische staatsinrichting gebruikt voor de hoofse archieven, en de Arabische bestuurders namen het woord over voor de soldijregisters die zij nu gingen aanleggen. Wat ʿUmar ﵁ aanlegde, was in de eerste plaats een register van de strijders. Wie had gevochten op welke veldslag, wie was Muhajir, wie was Ansar, wie was van welk geslacht, wie was van welke stam, wie had hoeveel kinderen, wie had hoeveel vrouwen. Op basis van die gegevens werden de toelagen vastgesteld. Suyuti ﵀ schrijft het beknopt op pagina 135: ʿUmar ﵁ stelde regelmatige soldijen in voor de strijdende mannen, legde registers aan, en kende toelagen toe naar prioriteit.
De prioriteit volgde een vaste hiërarchie die haar wortels had in de eer die de Profeet ﷺ in zijn dagen aan de eerste gelovigen had gegeven. Aan de top van de schaal stonden de weduwen van de Profeet ﷺ, de moeders van de gelovigen, die jaarlijks de hoogste toelagen ontvingen. Daarna kwamen de strijders van Badr, die in hun heroïsche rol in de eerste grote slag van de islam recht hadden op een aanzienlijke uitkering. Daarna de strijders van Uhud, daarna die van Hudaybiyyah, daarna die van Khaybar, daarna die van Fath Mekka. Voor de bekeerlingen van na de Fath gold een lagere graad. Voor de Bedoeïenen die zich in latere jaren bij het leger hadden gevoegd, weer een lagere. Maar niemand werd uitgesloten. Iedere moslim, ongeacht zijn graad, ontving zijn toelage. De vraag was niet of, maar hoeveel.
Onder ieder van deze graden waren onderverdelingen. De familieleden van de Profeet ﷺ, de Banu Hashim, hadden een eigen plek in de schaal, omdat de Khalief ﵁ de bijzondere band van de Profeet ﷺ met zijn naasten in eer wilde houden. De Ansar, de helpers van Medina, hadden een eigen graad die hun rol bij de Hijra en in alle latere veldslagen erkende. De vrouwen van de gevallen martelaren, de wezen, de armen die niet konden vechten, allen werden in het register opgenomen, ieder volgens een eigen formule. Wat ʿUmar ﵁ had aangelegd, was niet alleen een soldijregister, maar een sociaal stelsel waarin de gehele moslimgemeenschap, van haar hoogste tot haar nederigste, een plek vond.
De redenering achter de prioriteit
De vraag rees, in de raad zelf en in latere generaties, of deze hiërarchie wel rechtvaardig was. Waarom kreeg een strijder van Badr meer dan een bekeerling van na de Fath. Waarom kreeg een Muhajir meer dan een Bedoeïen uit een afgelegen stam. Waarom kreeg de weduwe van de Profeet ﷺ meer dan de weduwe van een gewone martelaar. Was niet, in de openbaring, iedere gelovige gelijk voor Allah ﷻ.
ʿUmar ﵁ beantwoordde deze vraag, naar de overlevering die op meerdere plekken in de bredere bronnen voorkomt en die door Suyuti ﵀ in zijn brede beeld van de Khalief ﵁ wordt vastgelegd, met een redenering die zorgvuldig was. Hij zei dat de gelijkheid voor Allah ﷻ in het Hiernamaals onomstreden is. Maar in deze wereld, in de verdeling van een staat, gelden andere overwegingen. De eer die toekomt aan wie zich voor de Profeet ﷺ heeft ingezet voordat de zegevierende dagen waren aangebroken, is niet hetzelfde als de eer die toekomt aan wie zich heeft ingezet nadat de uitkomst al duidelijk was. Wie bij Badr had gestaan, toen niemand wist of de moslims de volgende dag nog zouden bestaan, droeg een verdienste die in het register niet werd genegeerd. Niet uit aanspraak, maar uit erkenning. Niet om de latere bekeerlingen minder te eren, maar om de vroegere niet te vergeten.
ʿAli ﵁ steunde deze redenering, ondanks dat hij in de eerste raad een eenvoudige gelijke verdeling had voorgestaan. Toen het register eenmaal was vastgesteld, viel hij niet terug op de oude positie maar erkende dat de gedifferentieerde verdeling die de Khalief ﵁ had aangelegd, in haar geest een eerbiediging van de geschiedenis van de islam zelf was. ʿUthman ﵁ steunde haar van het begin. De gemeenschap der moslims aanvaardde haar, en in de jaren die op de instelling volgden, werden de toelagen jaarlijks of halfjaarlijks uitbetaald aan ieder die op het register stond.
Het werk van het schrijven
Iemand moest het werk doen. Een register van duizenden namen, met hun verdiensten, hun families, hun stammen, hun graad, hun woonplaats, hun openheid voor een mogelijke verdere herziening. Dit was geen werk dat in een dag of in een week kon worden gedaan. Het was werk voor schrijvers, voor een groep van geletterde mannen die de pen konden voeren in een tijd dat de meerderheid van de Arabieren ongeletterd was. ʿUmar ﵁ stelde een paar mannen aan voor dit werk, en onder hen waren namen die in de geschiedenis van de islamitische administratie hun eigen plek hebben verworven. De namen verschillen per bron, en wij beperken ons hier tot de vermelding dat zij in opdracht van de Khalief ﵁ werkten en dat hun werk binnen enkele weken een eerste vorm had bereikt.
Het register werd ingericht stam per stam. De Quraish in hun verschillende geslachten kwamen eerst. De Banu Hashim, de Banu Umayya, de Banu Makhzum, de Banu Zuhra, ieder in zijn graad. Daarna de Ansar, in hun twee grote stammen Aws en Khazraj. Daarna de Bedoeïenenstammen, in de orde waarin zij zich bij de islam hadden gevoegd. De Khalief ﵁ stelde de stamhoofden in staat om de namen van hun mannen door te geven aan de schrijvers, en de schrijvers verifieerden de gegevens met de oudere metgezellen die de geschiedenis van de gemeenschap kenden. Waar onenigheid bestond over de graad van een bepaalde persoon, werd de zaak voorgelegd aan de Khalief ﵁ zelf, die naar de overlevering luisterde, raadpleegde wie nodig was, en een besluit nam.
In Muharram van het twintigste jaar van de Hijra was het werk in zijn eerste vorm klaar. Suyuti ﵀ legt het vast in de woorden van al-Hasan al-Basri ﵀ : ʿUmar ﵁ stelde het register in al-Muharram van het jaar twintig na de Hijra in. Een korte zin van een latere geleerde, die het feit op de tijdsbalk plaatst en daarmee voor de generaties die zouden komen, vastlegt wanneer een van de fundamentele bestuurlijke instellingen van de islamitische staat haar oorsprong vond.
De uitvoering en de continuïteit
Met het register in handen kon de Khalief ﵁ overgaan tot de uitkering. De halfjaarlijkse of jaarlijkse betaling van de toelagen aan de strijders van Badr, aan de Muhajirun, aan de Ansar, aan de weduwen van de Profeet ﷺ, aan de wezen, aan de armen, werd vanaf nu een vaste cyclus. De provincies wisten dat zij op vaste tijden hun aandeel moesten doorsturen naar Medina, en Medina wist dat zij op vaste tijden haar uitkeringen moest doen aan de namen op het register. Geen ad-hoc verdeling meer wanneer er buit binnenkwam. Geen onregelmatige scheppen vol munten uit een kruik. Een systeem.
De Khalief ﵁ bleef zijn eigen toelage op een bescheiden hoogte vastleggen, in lijn met de eenvoud die hij van Abu Bakr ﵁ had geërfd. Hij stond zichzelf niet meer toe dan wat een gewone metgezel ontving, en in sommige overleveringen minder. Hij dronk geen luxe, hij at geen luxe, hij kleedde zich niet in luxe. Het register was er voor de gemeenschap, niet voor de Khalief ﵁. Hij beschouwde zichzelf in dezelfde positie als ieder ander op de lijst, met een graad die zijn werk verdiende maar niet meer.
In de jaren die op de instelling volgden, werd het Diwan een onmisbaar instrument van het bestuur. Onder ʿUthman ﵁ werd het uitgebreid, onder de Omajjaden werd het verder verfijnd, onder de Abbasiden werd het de basis voor een uitgebreid bureaucratisch stelsel met aparte registers voor verschillende functies. Maar de oorsprong lag in deze ene Muharram van het twintigste jaar van de Hijra, in de beslissing van een Khalief ﵁ die op een vraag van zijn raad twee adviezen had gewogen en daaruit een derde weg had gevonden.
De spirituele dimensie
Het Diwan was niet alleen een bestuurlijk instrument. Het was een geestelijke verklaring. Door de gemeenschap der moslims in te schrijven in een register, door iedere gelovige bij naam te erkennen, door iedere strijd en iedere offer een plek in de boekhouding te geven, gaf de Khalief ﵁ uitdrukking aan de overtuiging dat de islamitische staat geen onverschillige machine was die rijkdom inde en uitdeelde, maar een gemeenschap waarin ieder lid persoonlijk werd gekend. De wezen van Uhud, de weduwen van Yarmuk, de oude strijders van Badr die niet meer konden vechten, vonden in het Diwan hun naam ingeschreven. Zij wisten dat de Khalief ﵁ hen niet vergat. Zij wisten dat hun verdienste niet werd weggespoeld door de tijd.
Wij moeten ook erkennen wat het Diwan niet was. Het was niet een aristocratisch stelsel. Het was niet een onderscheid van rang dat de gelijkheid voor Allah ﷻ ontkende. Het was niet een privilegering van een klasse boven een andere. Iedere graad bleef open voor opname; iedere nieuwe bekeerling werd ingeschreven; ieder kind dat in een moslimgezin werd geboren, kreeg automatisch een plek in het register. De gradatie was niet bevroren maar dynamisch. En de Khalief ﵁ zelf stond niet aan de top van de schaal maar ergens midden in, op de positie van een gewone metgezel die het ambt droeg zonder daaruit voordeel voor zichzelf te trekken.
De gemeenschap onder een verzorgd dak
Toen het Diwan in werking was, kon de gemeenschap der moslims voor het eerst spreken van een staat die zorg droeg voor al haar leden. Geen oude weduwe stond in onzekerheid of zij die maand zou kunnen eten. Geen wees stond zonder iemand die hem ondersteunde. Geen strijder die in een veldtocht zijn ledemaat had verloren, stond zonder de zekerheid dat de Khalief ﵁ hem niet zou vergeten. De islamitische staat was binnen zes jaar van de overgang van Abu Bakr ﵁ tot ʿUmar ﵁ gegroeid van een kleine groep in de stad Medina tot een rijk dat de Sassanidische hoofdstad en de Egyptische delta omvatte, en de Khalief ﵁ had ervoor gezorgd dat de bestuurlijke vorm van die groei het verlies van haar oorspronkelijke karakter niet zou veroorzaken.
Wat oorspronkelijk de gemeenschap had gevormd, was de wederzijdse zorg tussen Muhajirun en Ansar in Medina, de ene zonder bezit en de andere die haar bezit deelde. Wat het Diwan deed, was die wederzijdse zorg formaliseren tot een institutie. Niet om haar te verstijven tot bureaucratie, maar om haar te bewaren tegen de erosie die de groei van de staat anders zou hebben veroorzaakt. ʿAli ﵁ had het gevoeld toen hij in de raad voor de eenvoudige verdeling pleitte. ʿUthman ﵁ had het gezien toen hij voor de boekhouding pleitte. ʿUmar ﵁ vond in deze twee adviezen samen de wijsheid die hem in staat stelde een instelling te scheppen die beide bewaarde: de geest van de eenvoudige uitdeling onder Abu Bakr ﵁, en de orde die een groeiende staat nodig had.
Het naast elkaar van bestuur en ootmoed
Wij sluiten dit hoofdstuk met een waarneming die in alle bronnen over ʿUmar ﵁ wederkeert. De Khalief ﵁ die het Diwan instelde, was dezelfde Khalief ﵁ die in dezelfde maanden in zijn gestopte mantel door de straten van Medina liep, die de melk uit de schaal van een weduwe niet zou aanvaarden zonder eerst gevraagd te hebben of haar kinderen al hadden gedronken, die in de nacht op patrouille ging om te zien of geen vreemdeling in de stad zonder onderdak was achtergebleven. Het bestuur en de ootmoed gingen in hem hand in hand. Het ene werd niet opgeofferd aan het andere.
Daarom kon hij een register aanleggen zonder dat het register een aristocratie werd. Daarom kon hij toelagen toekennen zonder dat de toelagen een afhankelijkheid kweekten. Daarom kon hij de gemeenschap onderverdelen in graden zonder dat de gradatie de eenheid van de gemeenschap brak. De Khalief ﵁ stond ergens in het midden van zijn eigen register, geen koning aan de top, geen bedelaar aan de onderkant, een metgezel onder metgezellen die het zware werk droeg van een ambt waarvoor hij zich nooit had aangeboden en dat hij nooit voor zichzelf had gewild.
In de jaren die zouden komen, zou het Diwan worden uitgebreid, zouden de toelagen worden verhoogd of verlaagd naar de stand van de schatkist, zouden nieuwe namen worden ingeschreven en oude namen worden uitgeschreven naarmate de generaties elkaar opvolgden. Maar de basisstructuur die ʿUmar ﵁ in Muharram van het twintigste jaar van de Hijra had gelegd, bleef intact. Een ieder bij naam. Een ieder volgens zijn graad. Een ieder verzorgd. En de Khalief ﵁ als degene die het systeem in stand hield, niet als degene die er zelf van leefde.
Het volgende artikel brengt ons naar Nahawand, naar de slag die in het eenentwintigste jaar van de Hijra de laatste rest van de Sassanidische macht zou breken. De gemeenschap die daar haar overwinning behaalde, werd betaald uit het Diwan dat zes maanden eerder in Muharram was ingesteld. Wat in de raadkamer van de Khalief ﵁ was beraadslaagd, droeg vrucht op de slagvelden van Perzië.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk), p. 135 (instelling van soldijregister), p. 150 (overlevering van Jubayr ibn Mutʿim ﵁ over de raad, en van al-Hasan al-Basri ﵀ over de datering in Muharram 20 AH).
- Aanvullende vermeldingen elders in dezelfde Suyuti ﵀-uitgave over de soberheid van ʿUmar ﵁ als Khalief, pp. 143–151.