InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Jaar van As (Ramadah) & Pest van Amwas

Het Jaar van As en de Pest van Amwas

Een jaar waarin de hemel zweeg

In het achttiende jaar van de Hijra, dat in de Gregoriaanse jaartelling op 638 en 639 valt, beleefde de Hijaz een beproeving die de gemeenschap der moslims tot in haar diepste vezels zou raken. Het was niet de beproeving van een veldslag, niet de spanning van een belegering, niet de twijfel die volgt op een nederlaag. Het was de beproeving van het uitblijven. Van de regen die niet kwam. Van het gras dat niet groende. Van de bronnen die droogvielen. Van de dieren die op de open vlakten gingen liggen, omdat zij geen kracht meer hadden om weg te zoeken naar weiden die toch nergens meer te vinden waren. De aarde rond Medina veranderde dat jaar van geel naar zwart, en de mensen begonnen haar te noemen wat zij zou blijven heten in de boeken van de geschiedschrijvers: ʿĀm ar-Ramadah, het Jaar van As.

Tegelijk, in Syrië en in Palestina, waar de moslimlegers nog maar enkele jaren tevoren Yarmuk hadden gewonnen en de provincies van het Romeinse keizerrijk binnen het kalifaat van Medina hadden gebracht, sloeg een tweede beproeving toe. Niet van droogte, maar van pestilentie. De plaag van Amwas, naar het kleine plaatsje tussen Jeruzalem en Ramla waar zij voor het eerst zichtbaar werd, zou in de bronnen voortleven als de eerste grote epidemie die de islamitische geschiedenis raakte. Suyuti ﵀ verzamelt beide gebeurtenissen onder hetzelfde jaartal in zijn beknopte kroniek, en daarmee laat hij zien dat de gemeenschap onder ʿUmar ﵁ niet door één front werd beproefd, maar door twee. Het ene front was de hemel boven Medina die zweeg. Het andere front was de adem van de zieken in Syrië die het hele bevelhebberscorps van het noorden zou wegnemen.

Wij volgen in dit artikel de beknopte aanwijzingen van Suyuti ﵀, vermijden wat hij niet zegt, en blijven dicht bij de woorden die hij geeft. Wie de namen zoekt van de specifieke shuhada onder de plaag, wie de exacte cijfers wil van de doden, wie de gedetailleerde diplomatieke correspondentie wil tussen Medina en de bevelhebbers in Syrië, zal in Suyuti’s beknopte registratie van het jaar 18 AH niet vinden waar hij naar zoekt. Wat Suyuti ﵀ wel doet, is twee zinnen geven, en in die twee zinnen ligt een wereld van betekenis.

Het achttiende jaar volgens Suyuti

In de chronologische tabel die Suyuti ﵀ van het kalifaat van ʿUmar ﵁ aanlegt, krijgt het achttiende jaar van de Hijra een korte vermelding. Hij schrijft dat in dat jaar Jundaysabur door verdrag werd geopend en Hulwan met geweld. Hij noemt de plaag van Amwas in dezelfde adem als de overgave van Urfa, van Sumaysat, van Harran, van Nasibin, van een deel van Mesopotamië, van Mosul en zijn omgeving. Het is de manier waarop Suyuti ﵀ zijn jaarregisters voert: één jaar krijgt enkele zinnen, soms een halve bladzijde, soms minder, en in die spaarzame regels staan de openingen, de verdragen en de catastrofes onverbloemd naast elkaar. De pest staat tussen de veroveringen alsof de kroniekschrijver wil zeggen dat in dezelfde maanden waarin de adelaars van de islam over de Tigris vlogen, de adem van de pestilentie over de heuvels van Palestina ging.

Het achttiende jaar opende, zo geven de kronieken, niet ongunstig. De legers van de moslims hadden de jaren daarvoor Damascus geopend, Homs, Baalbek en grote delen van Jordanië. Jeruzalem was in handen van de moslims, en de Khalief ﵁ had er persoonlijk de overdracht ontvangen, gekleed in zijn gestopte mantel, op een kameel die hij om de beurt met zijn dienaar bereed. De geschiedenis bewoog zich, het leek erop, in een lijn van overwinning op overwinning. En toen, te midden van die opmars, sloeg de aarde zelf de stilte aan.

Het zwart van de Ramadah

Kaart laden...

De droogte rond Medina was niet de eerste die de Arabieren zich konden herinneren. Het Arabisch schiereiland kent zijn cyclus van vette en magere jaren. Maar deze droogte was anders. Zij hield aan. De voorraad die wijze families voor zulke jaren aanhielden, raakte op. De karavanen die graan vanuit Syrië of Egypte zouden moeten aanvoeren, vonden de wegen onbegaanbaar door de hongerige Bedoeïenen. Op de open vlakten rondom Medina werden de stoffen van de tenten dofbruin, dan grijs, en uiteindelijk zwart van het stof dat met de droge winden alle kanten op vloog. De mensen begonnen het jaar bij zijn naam te noemen, niet uit dichterlijke ingeving, maar uit nuchtere waarneming: het zag eruit alsof het hele land verbrand was, alsof er een grote vuurzee overheen was getrokken die alleen as had achtergelaten.

De Khalief ﵁ leefde dat jaar als zijn volk leefde. Wie Suyuti ﵀ leest over de levensstijl van ʿUmar ﵁, weet dat dit voor hem geen verandering betekende; hij at altijd al wat de armste arbeider at en kleedde zich altijd al in het ruige weefsel waarin de armste van zijn onderdanen zich kleedde. Maar in dat jaar van as voegde hij iets toe aan zijn gewone soberheid. Hij zwoer geen vet, geen vlees, geen melk te zullen aanraken zolang zijn mensen in honger waren. Hij zou eten wat zij aten en geen mondvol meer. De overlevering zegt dat zijn maag zo in zonk dat zijn ribben telbaar werden onder zijn mantel, en dat zijn stem zwakker werd op de minbar, zodat hij in zijn khutbah de mensen toesprak met een schrijnen in de keel.

Hij riep tot Allah ﷻ om regen, in een openbaar smeekgebed dat de mensen tot tranen bracht. Hij stuurde brieven naar de bevelhebbers in Syrië en in Egypte, naar Abu ʿUbaydah ﵁ in het noorden en naar de gouverneurs in de pas geopende provincies, om voorraden naar Medina te zenden. Hij organiseerde zelf de verdeling van wat binnenkwam, zorgde dat geen weduwe en geen wees zonder voedsel bleef, en stelde de regel vast dat eerst de vreemde Bedoeïenen die naar Medina waren toegevlucht in hun nood, hun deel kregen, voordat hij of zijn eigen huis iets aanraakte. Wie naar Medina kwam in die maanden, vond een stad waarvan de Khalief ﵁ zelf met de zakken graan langs de wegen liep om te zien dat ieder die liep, ook iets in handen had.

De vele die wegvielen in het zuiden

In de hardheid van die droogte vielen mensen weg. Wie precies, wij weten het uit de beknopte registratie van Suyuti ﵀ in dit jaar niet. Hij geeft de gebeurtenis als een feit. Hij benoemt de plaag niet als oorzaak van de honger, en de honger niet als oorzaak van de plaag; hij plaatst beide naast elkaar als twee beproevingen die in hetzelfde jaar over de gemeenschap kwamen. De namen die latere boeken aan de doden van die maanden hechten, vinden in Suyuti’s tabel van jaar 18 AH geen plek, en wij houden ons aan wat hij geeft. Vele sahabah ﵁ vielen weg in die maanden, vele families verloren hun voorzieners, vele jonge weduwen voegden zich bij de vrouwen die de Khalief ﵁ door de jaren heen al onder zijn directe zorg had genomen. Het verlies werd in stilte gedragen.

Wat door de mond van de mensen ging in die maanden, was niet klacht, maar smeekgebed. ʿUmar ﵁ leerde de gemeenschap, zoals de Profeet ﷺ haar in soortgelijke maanden in Medina had geleerd, dat de droogte een teken was, geen straf zonder reden, maar een oproep om terug te keren naar de smeekbede, naar het vasten, naar de vrijgevigheid tegenover wie zelfs hun laatste dadel niet meer hadden. De Khalief ﵁ vroeg de mensen elkaar te voeden voordat zijzelf aten. Hij vroeg hen geen dier te slachten dat nog een melkdruppel kon geven, geen graan op te slaan dat de buur nog nodig had, geen mantel weg te bergen die een rillende vluchteling kon warmen.

In één overlevering die latere geschiedschrijvers bewaard hebben, riep hij tot Allah ﷻ door de hand van zijn oom al-ʿAbbas ﵁ als bemiddelende verwant van de Profeet ﷺ, en de overlevering zegt dat de regen daarop binnen dagen terugkwam over de Hijaz. Maar deze passage staat niet in de korte regels van Suyuti ﵀ over jaar 18 AH, en wij vermelden haar slechts in algemene zin, zonder haar als onze hoofdbron te gebruiken. Voor ons artikel blijft de beknopte registratie van Suyuti ﵀ de norm. Hij geeft het feit van de Ramadah, hij geeft het feit van Amwas, hij geeft de openingen van Jundaysabur en Hulwan, en hij laat het verder aan de andere boeken om wat hij in deze regels weglaat, uit te diepen.

De plaag van Amwas

Kaart laden...

Aan de andere kant van het kalifaat, in de heuvels tussen Jeruzalem en de Middellandse Zee, sloeg de plaag toe. Amwas was geen grote stad, maar een dorp aan de oude weg tussen Bayt al-Maqdis en Lydda. Het lag in een vallei waar twee waterwegen samenkwamen, en het was een knooppunt van de bevoorrading van de moslimlegers die de pasgevallen Syrische provincies bewaakten. De plaag werd het eerst zichtbaar in dat dorp, en zij verspreidde zich vandaar over de garnizoenen, over de dorpen, over de heuvels. Suyuti ﵀ noemt haar in één regel, samen met de openingen van Urfa en Sumaysat, en daarmee voert hij haar in de annalen van de islam in als een gebeurtenis die zich op dezelfde voet bevindt als de grote veroveringen.

Wat een pest in de zevende eeuw was, wisten alleen zij die haar overleefden. Een man stond op, voelde 's middags een hardheid in zijn keel, kreeg in de loop van de avond koorts, ontwikkelde zwellingen onder de oksels of in de lies, ijlde in de nacht, en was bij de Fajr verstijfd. Anderen rekten het uit tot twee dagen, drie dagen. Een handvol overleefde. De meesten niet. De arts van toen kon weinig doen; de gewoonten van afzondering die de Profeet ﷺ in zijn ahadieth over de pest had bevolen, waren de enige effectieve bescherming, en zelfs die kwam laat. Hele garnizoenen werden gehalveerd. Hele dorpen werden ontvolkt. De bevelhebbers die in Syrië het roer in handen hadden, zagen de helft van hun officieren ineenstorten.

Vele sahabah ﵁ vielen onder die plaag. Suyuti ﵀ noemt in zijn beknopte registratie van jaar 18 AH geen namen, en wij houden ons aan zijn stilte. Wij weten dat er onder hen waren die de Profeet ﷺ persoonlijk in zijn dagen hadden gediend, die bij Badr hadden gestaan, die bij Uhud hadden bloed gestort, die bij Khaybar hadden gevochten, die bij Yarmuk de adelaars van Heraclius hadden zien wijken. Zij vielen niet onder het zwaard, maar onder de adem. Zij stierven niet in het strijdperk, maar op de matten waar zij waren neergelegd door de mannen die enkele uren later zelf werden neergelegd. De gemeenschap rouwde diep, en de Khalief ﵁ in Medina ontving de berichten op een wijze waarop hij gewoon was te ontvangen wat hem als zware tijding bereikte, met innā lillāhi wa-innā ilayhi rājiʿūn, met een neergeslagen blik, en met een lange beraadslaging over wat te doen.

ʿUmar ﵁ en de adviezen in Syrië

Toen de berichten over de plaag in Medina aankwamen, was ʿUmar ﵁ op weg naar het noorden. Hij had besloten Syrië in eigen persoon te bezoeken, om de toestand van de provincies te zien, met de bevelhebbers te spreken, en de mensen die in de pas geopende gebieden onder islamitisch bestuur waren gekomen, te beraden over hun behoeften. Toen hij de buurt van Sargh bereikte, een grenspost op de weg naar Syrië, ontving hij de officiële melding dat de plaag in Amwas onder zijn troepen woedde. Hij belegde een raad. De vraag die op tafel kwam was eenvoudig en zwaar: doorgaan of terugkeren. De Muhajirun aan zijn zijde gaven hun mening, daarna de Ansar, daarna de oudere Quraish die met hem op deze reis waren. De adviezen waren verdeeld. Sommigen meenden dat de Khalief ﵁ de troepen niet in de steek mocht laten in hun zwaarste uur. Anderen meenden dat hij niet zelf in de epidemie hoorde te lopen wanneer hij de leiding had over de hele ummah.

ʿUmar ﵁ luisterde, beraadslaagde, en besloot terug te keren naar Medina. Hij zou de provincies vanuit zijn hoofdstad blijven besturen, hij zou bevoorrading en versterking sturen, hij zou bidden voor zijn troepen, maar hij zou niet zelf in de plaag stappen wanneer de Profeet ﷺ in zijn ahadieth had geleerd dat wie zich in een land bevindt waar de pest is, daar moet blijven, en wie er buiten staat, niet in moet gaan. De Khalief ﵁ paste de hadith toe op zichzelf. Hij keerde, en de mensen begrepen dat de wijsheid van de Profeet ﷺ ook in de Khalief ﵁ niet werd verbroken door zijn ambt.

Onder de bevelhebbers in Syrië deed Abu ʿUbaydah ibn al-Jarrah ﵁ wat een bevelhebber doen kan. Hij organiseerde de afzondering van de zieken, hij verplaatste de gezonde troepen naar hoger en droger terrein, hij troostte de mannen die hun broeders verloren, hij regelde de begrafenissen volgens de Sunnah, en hij hield de discipline van de garnizoenen vast in een tijd waarin elke andere bevelhebber zijn troepen had zien wegsmelten. Wat verder van zijn lot werd, is door de bredere biografische literatuur opgenomen, en wij respecteren in dit artikel de stilte die Suyuti ﵀ in zijn jaarregister van 18 AH over die specifieke namen bewaart. Wij weten dat vele sahabah ﵁ in die maanden vielen, en wij dragen hun verlies in stilte. Een artikel over hen behoort niet hier, maar in de biografische schetsen die de overige bronnen aanbieden.

De openingen ondanks alles

In hetzelfde jaar waarin de Ramadah de Hijaz droogde en de plaag van Amwas de Syrische provincies dunde, openden de moslimlegers Jundaysabur door verdrag en Hulwan met geweld. Suyuti ﵀ noemt het ene zonder pathos en het andere zonder zegezang, alsof hij zeggen wil dat de uitbreiding van de islam in deze jaren niet ophield, ook niet wanneer de hemel boven de hoofdstad zweeg en de adem van de pest over de troepen ging. Jundaysabur, een Sassanidische stad in Khuzestan met een befaamde medische school, kwam in handen van de moslims door verdrag, wat betekende dat de bevolking haar levens, haar bezit en haar geloofsgemeenschap mocht behouden onder de bescherming van de islamitische staat, in ruil voor de jizyah. Hulwan, een bergstad aan de pas die de Iraanse hooglanden van Mesopotamië scheidt, viel met geweld; haar inwoners hadden geweigerd te onderhandelen, en de stad werd door de troepen ingenomen na een korte belegering.

Tegelijk bracht het jaar de openingen van Urfa en Sumaysat, van Harran, Nasibin en een deel van Mesopotamië, van Mosul en zijn omgeving. Sommige met geweld, andere met verdrag, en in sommige gevallen geeft Suyuti ﵀ de twee mogelijkheden naast elkaar als overlevering. Wat van belang is, is de bedding van het geheel: in een jaar waarin de droogte de Hijaz teisterde en de pest de Syrische troepen halveerde, bleven de grenzen van de islamitische staat naar buiten toe oprukken. De ene front faalde niet omdat het andere onder druk stond. De Khalief ﵁ wist deze fronten zo te orkestreren, dat verlies op de ene plaats geen verlies werd op de andere.

De spirituele rekening

Voor de gemeenschap der moslims was het achttiende jaar van de Hijra een rekening die zij in haar geheugen moest opnemen. De Ramadah leerde de mensen, op de manier waarop alleen de honger leert, dat de welvaart die zij sinds Badr, sinds Hudaybiyyah, sinds Yarmuk hadden gekend, niet vanzelfsprekend was. Allah ﷻ schenkt, en Allah ﷻ houdt in. De openingen van het noorden, hoe glansrijk ook, beschermden de hoofdstad niet tegen het zwart van een droge winter. De rijkdom die uit Syrië en Egypte begon binnen te stromen, was niet de fundering van de gemeenschap, maar haar gave. Wanneer de gave werd ingehouden, bleef de gemeenschap alleen met haar smeekbede en met de soberheid waarin de Khalief ﵁ haar zonder uitzondering voorging.

De plaag van Amwas leerde een andere les. Zij leerde dat de mensen die in de strijd niet vielen, op de mat konden vallen. Dat het zwaard niet de enige toets was waarop de gemeenschap werd geslagen. Dat het lot van een groot deel van de eerste generatie metgezellen, die de Profeet ﷺ hadden gediend, niet werd bezegeld op het slagveld maar op de ziekenmat, te midden van mensen die zij hadden bevrijd, in een vallei tussen Bayt al-Maqdis en de zee. De Khalief ﵁ rouwde, de gemeenschap rouwde, maar geen van beiden brak. Het bevel in Syrië werd opnieuw geregeld, de gaten in de garnizoenen werden opgevuld, de bevoorrading bleef komen, de bestuurlijke continuïteit bleef gehandhaafd.

Voor ʿUmar ﵁ persoonlijk was het jaar een uithoudingstoets. Hij die de gewoonte had snel te beslissen en helder te bevelen, moest dat jaar leren wachten. Wachten op de regen. Wachten op het einde van de plaag. Wachten op de berichten uit Syrië die hem zouden vertellen welke van zijn dierbare metgezellen die hij sinds Mekka had gekend, hij dat jaar zou verliezen. En wachten op de momenten waarop de smeekbede van de gemeenschap, waaraan hij voorging, het juiste antwoord zou krijgen van de hemel. Hij wachtte in soberheid. Hij wachtte in vasten. Hij wachtte zonder zijn vertrouwen op te geven dat dit alles te dragen was, omdat de Profeet ﷺ in zijn dagen had geleerd dat de gelovige door de beproeving alleen dichter bij zijn Heer wordt gebracht.

Het einde van het jaar

Tegen het einde van het achttiende jaar van de Hijra hadden de regens de Hijaz weer bereikt, hadden de garnizoenen in Syrië hun herschikking voltooid, was de pest van Amwas afgenomen tot een lokale rest, en stonden de openingen van Urfa, Sumaysat, Harran, Nasibin, Mosul, Jundaysabur en Hulwan als feiten in het register van Suyuti ﵀ ingeschreven. De gemeenschap had verloren, en zij had gewonnen, en zij had beide gedragen onder de leiding van een Khalief ﵁ die niet had geaarzeld om met zijn mensen mee te lijden, en die niet had geaarzeld om de wijsheid van de Profeet ﷺ over de pest op zichzelf toe te passen, ook al kostte hem dat persoonlijk de reis die hij had willen voltooien.

In het hoofdstuk dat hierop volgt, brengt Suyuti ﵀ ons naar Egypte. De legers van de Khalief ﵁ zouden in het negentiende, twintigste en eenentwintigste jaar van de Hijra de oude provincie van de farao’s binnen de grenzen van de islam brengen. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁, een van de scherpste tactici onder de metgezellen, zou de figuur worden om wie heel die geschiedenis draait. Maar voordat wij hem volgen, moeten wij stilstaan bij het jaar van as. Want wat in dit jaar gebeurde, was geen tussenstap, geen technische beproeving, geen vergetelijk hoofdstuk. Het was een schoolvoorbeeld van wat een islamitische gemeenschap is: een gemeenschap die haar Khalief ﵁ met haar ziet honger lijden, met haar ziet rouwen, met haar ziet bidden, en daardoor in staat is om door een jaar van as heen te komen zonder haar geloof te verliezen.

Suyuti ﵀ noteert het in twee zinnen. Maar achter die twee zinnen ligt een wereld die de gemeenschap der moslims tot op deze dag herinnert wanneer zij, in haar eigen jaren van droogte en pestilentie, naar het voorbeeld van ʿUmar ﵁ kijkt en zich afvraagt wat een rechtvaardige leider werkelijk is.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk), pp. 135–136 (jaar 18 AH: Jundaysabur, Hulwan, plaag van Amwas, Urfa, Sumaysat, Harran, Nasibin, Mesopotamië, Mosul).
  • Aanvullende biografische en bestuurlijke vermeldingen elders in dezelfde Suyuti ﵀-uitgave, pp. 143–151 (over de soberheid en het smeekgebed van ʿUmar ﵁).