De Sabel En De Rozenkrans: De Jihad Van Umar Tall ﵀ En De Scheuring Van De Tariqas
Tussen 1852 en 1864 trekt een Toucouleur-geleerde met een Tijani-wird in zijn geheugen en geweren uit Saint-Louis in zijn bagage door West-Afrika. Hij overwint Bambara-steden zowel als moslim-steden, hij doodt evenveel geloofsgenoten als heidenen, en hij sterft in een grot onder een berg. Zijn naam is Umar Tall ﵀, en zijn erfenis verdeelt tot op vandaag de Westafrikaanse oemma.
Een Jongen Uit Futa Toro
Zijn begin ligt in Futa Toro, langs de middenloop van de Senegal-rivier, in het huidige Noord-Senegal, ergens rond 1794 of 1797, want de bronnen verschillen. Het dorp is Halwar, dicht bij de stad Podor, en het volk is Toucouleur, of Tukulor zoals de Franse bronnen hen zullen noemen: een Fulani-sprekende groep die sterk islamitisch-geletterd is, met generaties clerici in vrijwel elke familie. In Futa Toro had een Islamitische imamat sinds 1776 geregeerd, gesticht door Sulayman Bal in de eerste van de West-Afrikaanse jihads van de moderne eeuw, vóór Usman dan Fodio ﵀ in Sokoto en vóór Seku Amadu ﵀ in Massina.
De jongen die wij als Umar kennen werd geboren als Umar ibn Said ibn Usman, zoon van Saidu Tall, een Fulani-cleric met een doorsnee maar respectabele reputatie. Hij was het zevende of achtste kind, een laatkomer, klein van gestalte, maar volgens overlevering buitengewoon snel in het leren, zodat hij tegen zijn veertiende de Qur’an had voltooid en tegen zijn twintigste door Futa Jallon en Futa Bundu reisde om bij de grote clerici van de Senegal-bovenloop fiqh en tafsir te studeren.
En rond 1825 begint hij aan de reis die hem fundamenteel zal veranderen: de Hajj. Maar zijn Hajj is niet één reis; het is een vijf jaar durende odyssee die hem langs Sokoto leidt, door Borno, door Egypte, naar de Hijaz, en die hem bij terugkeer een andere man zal hebben gemaakt.
De Lange Weg Naar Mekka
De route van Umar Tall naar Mekka tussen 1825 en 1830 is in de Rimāh Hizb al-Rahīm, zijn eigen latere handboek van de Tijaniyya, slechts fragmentair gedocumenteerd, maar uit zijn correspondentie en uit hagiografische bronnen van zijn volgelingen kunnen wij de hoofdpunten rapporteren.
Eerst is er Futa Jallon, waar hij bij de Fulbe-ulama van Timbo en Labé verder studeert, en dan gaat het oostwaarts door de savanne van het huidige Burkina Faso naar de Hausa-stadstaten. In Sokoto, de hoofdstad van het kalifaat dat Usman dan Fodio ﵀ twintig jaar eerder had gesticht, blijft hij enkele jaren; hij ontmoet daar Muhammadu Bello ﵀, de tweede amir al-mu’minin van Sokoto, en wordt met grote eer ontvangen. Er wordt een huwelijk gearrangeerd, want Umar Tall ﵀ trouwt een dochter van Bello ﵀, waarmee hij niet alleen spirituele maar ook genealogische banden met het Sokoto-kalifaat aangaat.
Van Sokoto trekt hij verder oostwaarts door Borno en het Tsjaadbekken naar het bovenste Nijldal, en via Nubië bereikt hij Egypte. In Cairo bezoekt hij de grote moskeeën en bibliotheken, en hoewel hij niet aan al-Azhar gaat studeren, bewondert hij de geleerden daar, waarna hij de Hajj volbrengt, ergens in de jaren 1828 of 1829.
Het cruciale moment van de reis vindt plaats in Medina. Daar treedt hij, al eerder in West-Afrika in de Tijaniyya-tariqa ingewijd, in de leer bij Muhammad al-Ghali al-Fasi ﵀, een Maghrebijnse shaykh die toen in Medina verbleef als vertegenwoordiger van de silsila van Ahmad al-Tijani ﵀. De Tijaniyya was toen een relatief jonge Soefi-orde, rond 1782 door al-Tijani ﵀ (gestorven 1815) in de Algerijnse Sahara gesticht en later vanuit Fez geleid, met drie kernpraktijken: het wird (dagelijks gebedslitanie met bepaalde adhkar), het wazifa (groepsrecitatie), en de hadra al-jum’a (vrijdagse Tijani-bijeenkomst). Haar meest onderscheidende leerstuk was dat Ahmad al-Tijani ﵀ claimde dat hij direct van de Profeet ﷺ in wakende toestand onderricht had ontvangen, en dat zijn wird door de Profeet ﷺ zelf geautoriseerd was, wat de Tijaniyya in de ogen van haar volgelingen hiërarchisch superieur maakte aan alle eerdere tariqas, inclusief de eeuwenoude Qadiriyya die in West-Afrika al sinds de veertiende eeuw domineerde.
Al-Ghali ﵀ benoemde Umar Tall ﵀ tot khalifa van de Tijaniyya voor bilad al-sudan, het hele zwart-Afrikaanse domein. Dit was geen ceremoniële functie, want het betekende dat Umar Tall ﵀ de hoogste Tijani-autoriteit voor West-Afrika was en dat hij het recht had om anderen in te wijden, om zaouia’s te stichten en om jihad te verklaren namens de tariqa.
Dit is een cruciaal moment, want de Tijani-khalifa-titel zou voor Umar Tall ﵀ niet alleen een spirituele positie zijn maar de legitimatie van alles wat hij later zou doen.
Terug Via Sokoto, En Het Ontstaan Van Dinguiraye
Rond 1830 vertrekt Umar Tall ﵀ vanuit Mekka terug naar West-Afrika. De terugreis gaat weer via Sokoto, waar hij zich opnieuw langere tijd ophoudt, volgens sommige bronnen zeven jaar. In deze periode (1830-1837) schrijft hij zijn belangrijkste theoretische werk, de Rimāh Hizb al-Rahīm 'ala Nuhur Hizb al-Rajim, “De Lansen van het Leger van de Genadige op de Kelen van het Leger van de Vervloekte”. De titel is niet subtiel.
De Rimāh is een Tijani-handboek in twee delen. Het eerste deel behandelt de praktijk van het wird, de Tijani-dhikr en de spirituele hiërarchie van de tariqa. Het tweede deel, en dit is waar het controversieel wordt, is grotendeels een verdediging van de superioriteit van de Tijaniyya boven de Qadiriyya. Umar Tall ﵀ argumenteert, met citaten uit de Jawahir al-Ma’ani van al-Tijani ﵀, dat wie het Tijani-wird eenmaal heeft ontvangen niet meer mag terugkeren naar een andere tariqa, dat de spirituele rang van een Tijani-initiate hoger is dan van een Qadiri-initiate zelfs wanneer de laatste duizendmaal meer studie heeft, en dat de bemiddeling van al-Tijani ﵀ tussen de moslim en de Profeet ﷺ directer is dan welke andere shaykh ook kan bieden.
Voor Qadiri-ulama, en de grote Kunta-clan van de westelijke Sahara, de geestelijke erfgenamen van de Qadiriyya in West-Afrika, was Qadiri van huis uit, waren deze claims onverteerbaar. Zij zagen in de Rimāh niet een spiritueel handboek maar een programma van religieuze usurpatie. Ahmad al-Bakkai ﵀ van Timbuktu, die wij in de vorige scène hebben leren kennen, zou later schrijven dat de Rimāh van Umar Tall ﵀ “de eerste steen was die de oude saamhorigheid van de Westafrikaanse oemma sloeg”.
Dit is niet overdreven, want de Tijani-Qadiri-spanning die Umar Tall ﵀ activeerde bestaat in West-Afrika tot op de dag van vandaag: niet gewelddadig meer, maar stevig, en in Senegal, in Mali en in noord-Nigeria zie je het in de architectuur van de moskeeën, in de netwerken van zaouia’s en in de genealogieën van de shaykhs. Umar Tall ﵀ was de man die het strijdpunt scherp stelde.
Rond 1837 verlaat hij Sokoto, trekt westwaarts, terug naar zijn eigen wereld, en vestigt zich eerst in Futa Jallon. Daar sticht hij rond 1840 in Jegunko een Tijani-zaouia en begint leerlingen op grote schaal in te wijden. Zijn roep als shaykh, de Tijani-khalifa, de man die bij al-Ghali ﵀ in Medina de bay’a had gegeven, de schoonzoon van Bello ﵀, de auteur van de Rimāh, maakt van zijn centrum een bedevaartsoord.
In 1848 verhuist hij naar een nieuwe locatie, strategisch gekozen: Dinguiraye, op ongeveer 11,3° noorderbreedte en 10,72° westerlengte, in het hoogland van het huidige noordoost-Guinee. Dinguiraye wordt gebouwd als fort, als onderwijscentrum en als aanmonsteringsbasis, en rond 1850 heeft Umar Tall ﵀ hier een gemeenschap van enige duizenden volgelingen, Fulani, Toucouleur, Soninke en Mandinka, die actief in wapens worden geoefend. En in 1852 verklaart hij de jihad.
De Militaire Innovatie: Geweren Uit Saint-Louis
Voordat wij de campagnes beschrijven, moeten wij één dimensie van de oorlogsvoering van Umar Tall ﵀ benadrukken, omdat zij zijn successen verklaart. Umar Tall ﵀ voerde zijn jihad met vuurwapens, in grote aantallen, en hij verkreeg die vuurwapens, via tussenhandelaren, van Franse handelsposten aan de Senegal-rivier.
Saint-Louis, het Franse fort aan de monding van de Senegal, was in de jaren 1850 in rustige expansie. Franse handelaars verkocht tegen goede prijzen geweren, voornamelijk fusils de traite, simpele voorlader-geweren, aan binnenlandse heersers en aan clericaal-militaire leiders zoals Umar Tall ﵀. De koloniale autoriteiten wisten dit en tolereerden het, want een gedeelte van hen zag de jihad van Umar Tall ﵀ tegen de Bambara-Ségou als geopolitiek gunstig, omdat zij hun Bambara-rivaal zou verzwakken.
Dit is een ongemakkelijke waarheid. In zijn eigen geschriften presenteert Umar Tall ﵀ zijn jihad als een zuivere strijd voor Islam, maar het logistieke feit is dat zijn cruciale wapenvoorraad via Franse kooplui bij hem kwam. Hij was, of hij het nu wilde of niet, ingebed in een pre-koloniaal economisch systeem waarin Franse handelaren op de winstmarge van zijn campagnes konden inzetten. Toen Louis Faidherbe in 1854 gouverneur van Senegal werd en een hardere anti-Umar-koers ging varen, zou dit veranderen, maar de eerste campagnes (1852-1855) werden mede mogelijk gemaakt door Franse geweren.
De combinatie was nieuw in deze regio. Kanonnen of ruiterij alleen hadden de Sahel gevormd, maar een gecoordineerde jihad-beweging met duizenden geweren, strak religieus georganiseerd, dat was een militaire formule waar Bambara-faamas en Fulani-ardos geen antwoord op hadden.
Eerste Campagne: Tamba En Kaarta, 1852-1855
De jihad begint in september 1852 met een aanval op de Bambara-dorpen van Tamba, ten zuiden van Dinguiraye. Dit zijn niet-moslim gemeenschappen, zodat de campagne klassiek binnen het jihad-kader past, en Tamba valt snel.
Daarna richt Umar Tall ﵀ zich noordwestwaarts, tegen Kaarta, de kleinere van de twee Bambara-staten die wij in Scene 27 hebben besproken. De Kaarta-faama’s, de Massassi-Coulibaly’s, hebben niet de militaire kracht om vuurwapens op dezelfde schaal te velde te brengen, en in vier jaar (1855-1859) verovert Umar Tall ﵀ heel Kaarta. De hoofdstad Nioro valt in 1855, de faama wordt gedood, en de bevolking wordt gedwongen zich te bekeren of te vluchten. Wie bekeerde werd moslim “onder het zwaard”, zodat in één generatie een overwegend niet-moslim gebied overwegend Toucouleur-gestuurd moslim werd.
Tot zover is het verhaal relatief rechtlijnig: een jihad tegen een niet-moslim Bambara-staat, met dwangbekering tot gevolg. Ongemakkelijk naar eenentwintigste-eeuwse normen, maar binnen de klassiek-Islamitische juridische kaders van de tijd verdedigbaar. Het wordt ingewikkelder vanaf 1860.
De Val Van Ségou, 1861: Een Bambara-Staat Valt
In maart 1861 bereikt het leger van Umar Tall ﵀ Ségou-Koro, de hoofdstad van de grote Bambara-staat waarvan Biton Coulibaly ooit de stichter was. De Bambara-faama Ali Diara probeert een laatste verzet te organiseren, maar de slag bij Woyowayanko in februari 1861 vernietigt zijn leger, en op 10 maart 1861 capituleert Ségou-Koro. Umar Tall ﵀ laat de bolis en de traditionele religieuze voorwerpen van de Bambara-staat verzamelen, honderden altaarbeelden, krachtobjecten en komo-maskers, en symbolisch verbranden in een grote brandstapel voor de moskee.
Ségou wordt geïslamiseerd, of meer precies: de Bambara-elites die zich niet bekeerden, werden vervangen. Veel van de Mandé-bevolking vluchtte zuidwaarts, en de Bambara-taal en -cultuur bleven lokaal bestaan en komen later weer boven, maar als staatsvorm is Ségou als Bambara-koninkrijk met de val van 1861 voorbij.
Tot op dit punt is de jihad van Umar Tall ﵀ conceptueel samenhangend: hij heeft twee grote niet-moslim staten omvergeworpen en islam opgelegd, zodat een klassieke Maliki-jurist hem nog kon verdedigen. Wat nu volgt, deed die juridische basis wankelen.
De Inval In Massina, 1862: Moslim Tegen Moslim
In het voorjaar van 1862 richt Umar Tall ﵀ zijn leger noordoostwaarts, met als doel Hamdullahi, het kalifaat van Amadu Amadu, de kleinzoon van Seku Amadu ﵀.
Hamdullahi was, zoals wij in Scene 48 hebben gezien, een Islamitische staat, gebouwd op jihad-fundamenten, met een sharia-regime, Qur’an-scholen en een majlis van veertig geleerden. Het was een van de meest intentioneel-Islamitische polities van negentiende-eeuws Afrika.
De rechtvaardiging van Umar Tall ﵀ voor de aanval op Hamdullahi was tweeledig. Ten eerste had Amadu Amadu, volgens de lezing van Umar Tall ﵀, hulp verleend aan de vluchtende Bambara van Ségou, met name door de gevluchte Ségou-faama Ali Diara asiel te bieden, wat hem in de ogen van Umar Tall ﵀ een nasir al-kafirin maakte, een hulp van ongelovigen, en daarmee zelf de jihad-status waardig. Ten tweede, en breder, beschouwde Umar Tall ﵀ de Qadiriyya-oriëntatie van de Hamdullahi-ulama, hun alliantie met de Kunta en hun band met al-Bakkai ﵀ in Timbuktu, als een spirituele tekortkoming die corrigeerbaar was onder Tijani-leiding.
Ahmad al-Bakkai ﵀ reageerde vanuit Timbuktu met een van de krachtigste fatwas van de negentiende-eeuwse West-Afrikaanse geschiedenis. Hij verklaarde de aanval van Umar Tall ﵀ op Hamdullahi tot haram, verklaarde Umar Tall ﵀ zelf tot baghi, een rebel die oorlog voert buiten de grenzen van de sharia, en riep alle moslims van de Sahel op zich tegen hem te verzetten. Hij schreef aan Umar Tall ﵀ persoonlijk, in brieven die deels in het Arabisch, deels in het Fulfulde bewaard zijn:
Ahmad al-Bakkai ﵀: “Gij zegt dat gij de Tijani-khalifa zijt, maar welke khalifa doodt zijn eigen geloofsgenoten? Gij zegt dat uw wird van de Profeet ﷺ komt, maar welke Profeet ﷺ juichte toe wanneer moslims moslims naar het graf droegen? Keer terug, oh Umar, of kom aan Allah ﷻ uitleggen wat gij in Zijn naam gedaan hebt.”
Umar Tall ﵀ antwoordde, volgens kopieën die in de Ségou-archieven zijn overgeleverd, met een rechtvaardiging op basis van Maliki fiqh: Amadu Amadu had zich gedisqualificeerd als amir al-mu’minin door zijn steun aan de Bambara, dus Hamdullahi was niet meer een legitieme Islamitische staat, dus aanval daarop was geen moslim-op-moslim fitna.
Dit was juridisch strekken tot op de grens. De beleg en val van Hamdullahi in mei 1862, die wij in Scene 48 al hebben beschreven, met de moord op Amadu Amadu, het plunderen van de majlis-archieven en het verbranden van de bibliotheek van Seku Amadu ﵀, waren de concretisering van die stretching. Ahmad al-Bakkai ﵀ noemde het, zonder overdrijving, “het zwartste uur in vijf eeuwen Sahel-Islam”.
Hier is een moment om bij stil te staan, want de jihad van Umar Tall ﵀ had nu meer Islamitische steden verwoest dan niet-Islamitische. Hamdullahi was Islamitischer dan Sokoto, gedreven door dezelfde jihad-traditie, en de enige reden om er oorlog tegen te voeren was tariqa-politiek en successie-politiek vermomd als juridische correctie. Of je dit accepteert als Islamitisch legitiem hangt af van welke jurist je volgt: de Kunta-ulama en hun Qadiri-erfgenamen tot op vandaag zeggen nee, de Tijani-lijn die Umar Tall ﵀ heeft opgebouwd meestal ja, maar met toenemend ongemak, en de moderne Westafrikaanse Islamitische historiografie in toenemende mate met openlijke kritiek op beide kanten.
De Val Van Umar Tall: Bandiagara, 1864
De bezetting van Hamdullahi kon Umar Tall ﵀ niet volhouden. De Fulani-bevolking van Massina kwam in opstand onder leiding van Bâ Lobbo, een neef van Amadu Amadu, terwijl al-Bakkai ﵀ fatwas en netwerksteun leverde. In 1863 sloot al-Bakkai ﵀ een formele alliantie tussen Massina-opstandelingen, Kunta-troepen uit de Azawad en overgebleven Ségou-Bambara, waardoor Umar Tall ﵀ werd teruggedrongen.
In het voorjaar van 1864 belegerde de alliantie Umar Tall ﵀ zelf in de Dogon-cliffen bij Bandiagara, in een vesting genaamd Déguembéré (ook wel Degembere). In een grot in die cliff bunkerde Umar Tall ﵀ met een kleine lijfwacht, en op een dag in februari of maart 1864, de precieze datum is 12 februari volgens sommige bronnen en 4 maart volgens andere, ontplofte een munitie-opslag in de grot. Of het een ongeluk was of een sabotage, de bronnen verschillen. Umar Tall ﵀ kwam om het leven, zijn lichaam werd nooit teruggevonden, en de explosie had de grot deels doen instorten.
Zo stierf de grote jihad-leider, niet in een glorieuze slag, niet in aanzichtige overwinning, maar in een grot onder een berg, door een vlam die hij waarschijnlijk zelf niet had voorzien.
Zijn zoon Ahmadu Sékou erfde de positie van khalifa, vestigde zich in Ségou, en hield de overgebleven Toucouleur-staat dertig jaar in stand, totdat de Fransen onder Louis Archinard hem in 1893 uiteindelijk zouden verjagen. Maar dat is de volgende fase van het verhaal, de Franse veroveringsfase, die straks aan de beurt komt.
Twee Kopstukken, Eén Les
Het verband tussen Seku Amadu ﵀ en Umar Tall ﵀ verdient hier aandacht. Beiden waren Fulani-clerici, beiden verklaarden jihad tegen niet-moslim staten, en beiden bouwden Islamitische shari’a-regimes. Beiden stierven op rijpere leeftijd, Seku Amadu ﵀ natuurlijk in zijn bed in Hamdullahi en Umar Tall ﵀ in een grot door een explosie, en beiden lieten een staat na die binnen een generatie zou eindigen.
En beiden vonden dat de ander niet ver genoeg ging.
Seku Amadu ﵀ vond dat de Kunta-ulama van Timbuktu te laks waren, en Umar Tall ﵀ vond dat Hamdullahi zelf te laks was, want elke volgende jihad-leider vond de vorige onvoldoende zuiver. Dit is, sociologisch, een klassieke dynamiek: wanneer een religieus-politieke beweging door zuiverheid gedefinieerd wordt, moet elke volgende generatie bewijzen nog zuiverder te zijn dan de vorige, en het eindpunt van die dynamiek is niet rust maar voortdurende fragmentering, totdat er een uitwendige kracht komt die iedereen tegelijk overwint.
Die uitwendige kracht, de Franse en Britse koloniale expansie, zit op dit moment al aan de horizon. Terwijl Umar Tall ﵀ Hamdullahi belegert in 1862, zet Louis Faidherbe in Saint-Louis al de eerste stappen voor de Franse opmars landinwaarts, en terwijl Ahmadu Sékou in Ségou zijn vaders rijk probeert te consolideren, worden in Londen al de contouren geschetst van wat de Royal Niger Company zal worden. Het volgende hoofdstuk is niet een moslim-tegen-moslim jihad, maar de koloniale hamer die ze allebei zal verpletteren.
De Rimāh Als Bron En Als Lading
Eén boek moeten wij nog een moment vasthouden, omdat het de primaire bron is die van de hand van Umar Tall ﵀ zelf is overgebleven: de Rimāh Hizb al-Rahīm. Geschreven in Sokoto in de jaren 1830, later in de Tijani-zaouia’s gekopieerd en verspreid, tot op vandaag in Tijani-kringen in Senegal, Mali, Niger en noord-Nigeria gelezen, en toegankelijk gemaakt voor buitenstaanders door de moderne vertaling van John Ralph Willis (1989).
Leest de Rimāh, en men ontdekt een dubbel karakter. De spirituele hoofdstukken zijn indringend, soms lyrisch, over de noodzaak van nabijheid tot Allah ﷻ, over de rol van de shaykh als spiegel, over het gevaar van spirituele zelfbedwelming, en wie het werk als Soefi-tekst leest, vindt waardevolle passages. De polemische hoofdstukken, de Tijani-supremacie-claims en de harde woorden tegen de Qadiriyya, zijn scherper dan wij vandaag comfortabel vinden, maar juist in die spanning ligt de figuur van Umar Tall ﵀: een echte Soefi-leraar én een sektarische tariqa-bewaker tegelijk.
Voor ons is dit een reminder dat een persoon niet één ding is. Umar Tall ﵀ was een geleerde; daarover geen twijfel. Hij was een Soefi; daarover ook niet. Hij voerde een jihad die volgens velen binnen zijn eigen tijd en binnen onze tijd rechtvaardigheid te boven ging, en ook dat is waar. Wie hem canonniseert als held of veroordeelt als fanaticus, mist de dubbelheid, want de Islamitische traditie heeft plek voor kritische verering, en de ulama erkennen al eeuwen dat zelfs grote meesters fouten maakten. Umar Tall ﵀ verdient die kritische verering: als een man van grote kennis, van oprechte spiritualiteit, en van politieke beslissingen die veel moslimlevens hebben gekost zonder dat zij de umma verenigden zoals hij hoopte.
Wij mogen dit zeggen zonder onze eigen Islam te ondermijnen. Integendeel, juist eerlijke omgang met onze geschiedenis versterkt haar, want de traditie die de mannen van haar verleden kan bespreken met zowel respect als kritiek, is een traditie die leeft, terwijl de traditie die alleen heiligen kent, verstart.
En Nu?
De West-Afrikaanse Islam is, na de dood van Umar Tall ﵀ in 1864, dieper verdeeld dan zij in vijfhonderd jaar was geweest. De Qadiri-lijn, geconcentreerd rond de Kunta en later rond de erfgenamen van Ahmad al-Bakkai ﵀, houdt Timbuktu, delen van Mauritanië, Niger en de oude Jakhanke-gebieden in Senegambia. De Tijani-lijn, via Umar Tall ﵀ en zijn zonen en via onafhankelijke Senegalese shaykhs zoals Malik Sy ﵀ en later Amadou Bamba ﵀ (die dat weer eigen maakt), wint Senegal, delen van Mali en de Hausa-middenklasse van noord-Nigeria. Andere tariqas, zoals de Shadhiliyya, de Sammaniyya en later de Mouridiyya van Bamba ﵀, krijgen lokaal hun invloed.
Maar terwijl deze religieus-organisatorische lijnen zich consolideren, zijn de staten die hen hadden kunnen beschermen aan het wegbreken. Het Toucouleur-rijk van Ahmadu Sékou is zwak, Sokoto is intern verdeeld, Massina, bezet en weer bevrijd, is een schim, en de Hausa-stadstaten functioneren maar wachten op een klap. De Samori Touré-staat in het zuiden, een moslim-gemeenschap die hier niet apart behandeld wordt maar die ook bestaat, zal in de jaren 1890 gedurende acht jaar het Franse leger weerstaan voordat hij valt.
En dan komen de Fransen van het westen en de Britten van het zuiden, tegelijk, met treinen, telegrafen en Maxim-machinegeweren. Dat is de laatste akte van onze opera, en dat is de volgende scène.
Bronnen
- al-Hajj Umar Tall ﵀, Rimah hizb al-rahim ʿala nuhur hizb al-rajim, in de handschriftenlijst gedateerd 1261/1845 en gedrukt in Caïro in 1345 AH, zoals opgenomen in Last, p. 253; de passage waaruit de Tijani’s afleidden dat Bello ﵀ hun orde was toegedaan, zoals besproken in Last, p. 216.
- al-Hajj Umar Tall ﵀, Bayan ma waqaʿa, zijn verantwoording van de oorlog tegen Ahmad ibn Ahmad van Masina, waarin hij de argumenten van al-Maghili ﵀ tegen zijn tegenstander keert, zoals besproken in Shariʿa in Songhay, p. 47.
- ʿAli Harazim ﵀, Jawahir al-maʿani, het grondwerk van de Tijaniyya over Ahmad al-Tijani ﵀, dat de vizier Gidado aan Bello ﵀ voorlas en dat Bello ﵀ in 1836 aanhaalde, zoals besproken in Last, pp. 209, 216.
- John Ralph Willis, het in het artikel genoemde werk over Umar Tall ﵀ (1989); zijn proefschrift over de leerstellige grondslag van Umars beweging (Londen 1970) wordt aangehaald in Shariʿa in Songhay, p. 116, met de levensdata circa 1794–1864.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. xl–xli, 46, 209, 216, 218, 253.
- pp. xl–xli: Umar ﵀ die na Mekka en Medina, waar hij in april 1829 verbleef en tot muqaddam van de Tijaniyya voor de westelijke Soedan werd benoemd, ongeveer acht jaar in Sokoto bleef (1830–1838); zijn huwelijk met Mariam, dochter van Bello ﵀; zijn zoon Ahmad, omstreeks 1833 in Sokoto geboren, later bestuurder van Ségou en Amir al-muʾminin; de dood van Umar ﵀ in 1864, die men trachtte te verhullen.
- pp. 209, 216, 218: de Jawahir al-maʿani aan het hof van Bello ﵀; de Tijani-aanspraak dat Bello ﵀ Tijani was, gegrond op de Rimah en door de viziers weerlegd; de brief van Umar ﵀ over het bezoeken van het graf van de Shaykh ﵀, een strijdpunt in Sokoto in april 1836.
- pp. 46, 253: de titel Imam in Futa Toro en Futa Jallon, later ook door Samori gevoerd naast Amir al-muʾminin; de Rimah met de datering 1261 en de druk van Caïro 1345 AH.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 47, 116.
- pp. 47, 116: al-Hajj Umar ﵀ die de argumenten van al-Maghili ﵀ voor zijn eigen veroveringen gebruikt en de redenering van Ahmad III van Masina tegen hem keert; Willis over al-Hajj Umar al-Futi ﵀ (circa 1794–1864).
- Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, p. 62: de Tijaniyya, genoemd naar haar stichter Ahmad al-Tijani ﵀, die haar omstreeks 1780 begon en die nog tijdens het leven van de Shehu ﵀ Hausaland bereikte; de Qadiriyya, in de twaalfde eeuw gesticht door ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀.
- Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 46–47: Futa Toro als het land van de moslim-Tukulor en Fulani; Sulayman Bal en ʿAbd al-Qadir Kane die in 1776 de onafhankelijke theocratie van Futa Toro vestigden.
- Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. 168–169, 176–177.
- pp. 168–169, 176–177: Sulayman Bal aan het hoofd van de torodbe-beweging en ʿAbd al-Qadir Kane als eerste almamy na Bals dood in 1776; Umar Tall ﵀, geboren in Futa Toro, die in 1864 omkwam bij een ontploffing van zijn eigen buskruit na de vestiging van een Tukulor-rijk over delen van Senegal, Guinee en Mali; Futa Toro tegen 1891 onder Frans gezag, in het essay van Sylviane A. Diouf.
- R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), pp. 169–170: de omverwerping van het Tukulor-rijk van Ségou door de Fransen, waarna de Amir al-muʾminin Ahmad ibn Shaykh Umar ﵀ met een groot gevolg oostwaarts vluchtte en zich bij Say vestigde; zijn boden bereikten Sokoto in 1894.
- David Robinson, The Holy War of Umar Tal: The Western Sudan in the Mid-Nineteenth Century, Clarendon Press, Oxford 1985, hoofdstuk 2, noot 18: Umar ﵀ die in Timbo in Futa Jallon studeerde bij ʿAbd al-Karim ibn Ahmad al-Naqil ﵀ en door hem in de Tijaniyya werd opgenomen, voordat hij op pelgrimstocht vertrok.
