De Broer Die Stopte Bij Kano: Abdullahi dan Fodio en het Geweten van de Jihad
Hij schreef de juridische handleidingen. Hij droeg de qasidas voor. En hij besloot zijn leger niet langer te volgen toen hij zag wat zijn jonge commandanten in naam van de Islam deden. Abdullahi dan Fodio ﵀ was geen pamflettist. Hij was de stem die zei: dit is niet meer waarvoor wij uit Degel vertrokken.
Twee Broers, Eén Beweging
Het familieportret begint in Degel, een dorp in Gobir, zuidelijk van het huidige Sokoto, waar in 1754 Usman dan Fodio ﵀ wordt geboren en twaalf jaar later, in 1766, zijn jongere broer Abdullahi, uit dezelfde vader Muhammad Fodio en dezelfde Fulbe-Toronkawa-lijn. Zij groeien op als broers in een geleerde familie, want hun vader is malam en hun moeder Hauwa komt uit een Fulbe-clan met haar eigen ulama-traditie, terwijl hun oom studeerde onder Jibril ibn Umar in Agades.
Zij lezen samen, bidden samen en studeren samen, en hun intellectuele vorming loopt parallel: Maliki-fiqh bij dezelfde leermeesters, tasawwuf in de Qadiriyya-tariqa, Arabische grammatica volgens het Ajurrumiyya en tafsir op de klassieke manier. Maar zij ontwikkelen zich anders.
Usman ﵀ wordt de prediker, de visionair, de man die volgens zijn eigen geschriften in 1794 of 1795 in Degel een visioen krijgt waarin hij door de Profeet ﷺ, via de tussenkomst van 'Abd al-Qadir al-Jilani ﵀, wordt aangesteld als hervormer, als mujaddid van zijn tijd, en waarin hij het sayf al-haqq overhandigd krijgt, het zwaard der waarheid. Dat is het charisma-moment, het ogenblik waarop een gewone leraar bewegingsleider wordt.
Abdullahi ﵀ is daar niet bij, niet omdat hij afwezig was, want hij woonde gewoon in Degel, maar omdat hij een andere geest had. Hij was de schrijver, de jurist, de systematicus, iemand die in hoofdstukken dacht en niet in visioenen, en die werkte met commentaren en super-commentaren, met Maliki-fiqh-compendia als de Mukhtasar van Khalil ﵀ en de Risala van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀, met tafsir-werken als al-Baydawi ﵀ en al-Qurtubi ﵀. Hij was wat in een meer klassieke Arabische wereld de faqih-mudarris zou zijn: de jurist-docent, de man die de juridische infrastructuur van een beweging bouwt terwijl een ander de vlam draagt.
Beide rollen waren nodig, want geen jihad-beweging in de Islamitische geschiedenis heeft gefunctioneerd zonder die combinatie: Muhammad ﷺ had zijn Abu Bakr ﵁ en zijn Umar ﵁, 'Abd al-Qadir al-Jazaʾiri ﵀ had zijn juridische adviseurs, en de jihad van Shaykh Ahmadu in Massina, waarover wij nog zullen spreken, zou een vergelijkbaar broederspaar opleveren. In Fodio-land waren Usman ﵀ en Abdullahi ﵀ dat paar.
De Hijra Naar Gudu
In februari 1804 lopen de spanningen met de Hausa-sultan Yunfa van Gobir hoog op, want Yunfa heeft de volgelingen van Usman ﵀ openlijk bedreigd en er zijn schermutselingen geweest rond Degel, en daarom besluit de shehu tot een hijra, een migratie naar veiligheid, bewust gemodelleerd naar de hijra van de Profeet ﷺ van Mekka naar Medina in 622. De hele gemeenschap, ulama, vrouwen, kinderen en Fulbe-kudden, trekt weg uit Degel naar Gudu, een dorp op enkele dagen afstand.
Abdullahi ﵀ is erbij, en later schrijft hij in zijn Tazyīn al-Waraqāt met zichtbare emotie over die tocht, waarbij hij het stof beschrijft, de dorst, de oude mannen die niet snel genoeg liepen en de kinderen die werden gedragen. Hij beschrijft het moment waarop zijn broer als amir al-muʾminin, als bevelhebber der gelovigen, werd gekozen onder een boom in Gudu, en hij beschrijft zijn eigen bayʿa, zijn trouweed, aan zijn broer, evenals de gedichten die hij onderweg componeerde: een qasida die begint met het beeld van de reiziger die verlangt naar de umma, en een tweede over het zwaard van de waarheid dat niet roest.
Die qasidas zijn nog steeds aanwezig in het Sokoto-repertoire, want de Tazyīn al-Waraqāt bewaart ze, omdat Abdullahi ﵀ zijn eigen poëzie op strategische momenten in zijn autobiografie citeert om de emotie van een gebeurtenis te verankeren. Dit is geen ijdelheid, maar vakmanschap, want de vroeg-Islamitische traditie van de sira, de levensbeschrijving, werkt op dezelfde manier: de Sira van Ibn Ishaq over de Profeet ﷺ citeert voortdurend gedichten van Hassan ibn Thabit ﵁ om de emotionele lading van gebeurtenissen te dragen, en Abdullahi ﵀ werkt in die lijn.
De Veldtochten En Het Commando
Vanaf 1804 tot 1807 staat Abdullahi ﵀ in het veld, waar hij een leger commandeert aan de rechterflank van de jihad terwijl zijn neef Muhammad Bello ﵀, nog jong en begin twintig, de linkerflank voert en de shehu zelf het geestelijk commando houdt. Zij vechten in 1804 tegen het leger van Yunfa bij Tabkin Kwotto en winnen, zij trekken plunderend door Gobir, Kebbi en delen van Zamfara, en zij bouwen een coalitie van Fulbe-clans, werven Hausa-boeren die genoeg hebben gehad van de belastingen van Yunfa, en breiden hun gezag gestaag uit.
Maar wat gebeurde er in de Fulani-legers terwijl zij vochten? Dat is de vraag die Abdullahi ﵀ later dapper zou stellen, want onder de banier van de jihad verzamelden zich niet alleen geleerde strijders met zuivere motieven. Er kwamen ook Fulani-jongeren die de oorlog aangrepen om hun eigen clan-rijkdom te vergroten, opportunisten die in elke boer een kafir zagen zodra de jihad hun plundering legitimeerde, commandanten die slaven namen van moslim-dorpen onder het voorwendsel dat deze dorpen “syncretistisch” waren, en rangen en commandostructuren die op Fulbe-clan-solidariteit waren gebaseerd in plaats van op Islamitisch gemeenschapsrecht.
Abdullahi ﵀ zag het, en hij werd er ziek van, niet dramatisch-ziek, niet spectaculair, maar in de langzame manier waarop een geleerde man ziek wordt als hij dag na dag merkt dat wat hij had geholpen lanceren niet meer is waarvoor hij had getekend.
De Weigering Bij Kano
In 1807 trekken de Fulani-legers noordwaarts voor een beslissende campagne tegen Alkalawa, de hoofdstad van Gobir, waar Yunfa met zijn laatste troepen zit; als Alkalawa valt, valt Gobir, en als Gobir valt, wordt de jihad een voltooid project.
Abdullahi ﵀ moet mee, want hij is de rechterhand, hij is bevelhebber, hij is de broer van de shehu, en zijn afwezigheid zou opgemerkt worden. Maar hij keert om, arriveert in Kano, de stad die net door de jihad-strijders is ingenomen onder het emiraat van Sulaimanu, en hij stopt daar: hij trekt niet verder noord, maar vestigt zich in Kano voor een periode die enkele maanden duurt, volgens sommige bronnen een jaar.
Waarom? De Tazyīn al-Waraqāt is expliciet, want Abdullahi ﵀ schrijft dat hij in de laatste campagne iets had gezien wat hij niet langer kon verdragen: dat sommige jihad-commandanten ondanks de geboden van de shehu de buit ongelijk verdeelden, moslims als kuffar behandelden wanneer het hun uitkwam, vrouwen roofden die volgens shariʿa niet geroofd mochten worden, en fitnah zaaiden binnen de eigen gelederen. Hij schrijft dat hij zich geleidelijk realiseerde dat hij zelf geen scherp genoeg woord had gesproken om dit te stoppen, dat zijn juridische adviezen aan de commandanten waren genegeerd, dat zijn broer, de shehu, inmiddels te ziek en te ver was om elke actie van zijn afgezanten te controleren, en dat de jihad in zijn spiritueel-hervormende kern werd verraden door de mensen die haar uiterlijk aanvaardden.
Hij schreef daarom, in Kano, een tekst die deels autobiografie is, deels klaaglied, deels zelfkritiek en deels zelfzoektocht: de Tazyīn al-Waraqāt bi-jamʿ baʿd ma li min al-ashʿar, “De versiering van de bladzijden door de bundeling van een deel van mijn poëzie”. Hij vertelt zijn leven tot aan dat moment, hij citeert zijn eigen gedichten, en hij bekent, met opmerkelijke oprechtheid, dat hij overwogen had om van de jihad weg te lopen om hijra naar Mekka te maken, om zijn leven verder te wijden aan gebed en studie in plaats van aan het commanderen van jonge mannen die zich niet lieten corrigeren.
Dit was, voor een ooggetuige en co-architect van een jihad, een buitengewone toewijding aan eerlijkheid, en er zijn weinig parallellen in de Islamitische hervormingstraditie. De Tazyīn is in dit opzicht vergelijkbaar met de Munqidh min al-Dalal van al-Ghazali ﵀, de spirituele autobiografie waarin die grote denker beschrijft hoe hij op het hoogtepunt van zijn juristencarrière in Bagdad alles achterliet om in Damascus en Jeruzalem zijn geloof opnieuw op te bouwen. Abdullahi ﵀ schrijft vanuit dezelfde traditie: een geleerde die bereid is zijn eigen positie te kritiseren, een faqih die genoeg tasawwuf in zich heeft om de afstand tussen de geleefde jihad en haar ideaalvorm te zien.
De shehu hoorde ervan, er gingen boden heen en weer, en uiteindelijk haalde Usman ﵀ zijn broer over om niet naar Mekka te vertrekken maar terug te keren naar de beweging, op één voorwaarde: Abdullahi ﵀ zou zich niet langer met het centrale bestuur bemoeien, maar een eigen sector krijgen, een eigen emiraat, waar hij zijn juridische en spirituele programma kon vormgeven zonder te hoeven bukken voor Fulbe-commandanten die hem negeerden. Die sector werd Gwandu.
Gwandu: Het Westelijke Emiraat
Gwandu ligt op ongeveer 12,69 graden noorderbreedte en 4,60 graden oosterlengte, zo’n honderd kilometer ten zuidwesten van Sokoto, aan de oostelijke rand van het dal van de Rima-rivier, en in 1808 wordt het formeel aan Abdullahi ﵀ toegewezen als emir-standplaats. Het emiraat dat hij bestuurt omvat de westelijke vazal-emiraten: Kebbi, delen van Nupe-land, Ilorin (Yoruba-gebied, later zelf een emiraat), Nikki, en het bovenloopgebied van de Niger tot aan wat vandaag noord-Benin en westelijk Niger is.
Het is een gebied zo groot als Nederland en België samen, met grote etnische variatie, want er wonen Fulani, Hausa, Kebbi, Zabarma, Nupe en Yoruba-groepen, en Abdullahi ﵀ moest er vanaf nul een Islamitisch bestuur opbouwen. Hij deed dat met zijn karakteristieke systematiek: hij stichtte madrasa’s, hij stelde Qadi’s aan, hij schreef bestuursadviezen, en hij trad persoonlijk op als jurist in complexe kwesties, bijvoorbeeld rond de behandeling van niet-moslim Nupe-boeren die onder het emiraat Ilorin vielen.
En hij schreef, want de Gwandu-jaren zijn de productiefste van Abdullahi ﵀, en het is hier dat hij zijn juridische magnum opus voltooide.
De Diya al-Hukkām: Een Handboek Voor Moslim-Bestuurders
Diya al-Hukkām fīmā la-hum wa ʿalayhim min al-aḥkām, “Het Licht van de Bestuurders Aangaande Wat Hun Rechten en Plichten Zijn Volgens Het Recht”: de titel is moeilijk en de inhoud ook, want Abdullahi ﵀ was niet het type jurist dat vereenvoudigde om een breed publiek te bereiken, maar schreef voor andere geleerden, voor Qadi’s, voor emirs met hun eigen juridische adviseurs.
Wat staat erin? Een systematische behandeling van bestuurlijk en strafrecht binnen de Maliki-traditie, toegepast op de specifieke omstandigheden van een pas gestichte Islamitische staat in Hausaland, met hoofdstukken over de rechten en plichten van de Amir al-Muʾminin, de kalief, over de aanstelling en het ontslag van Qadi’s, over de eisen die aan getuigen gesteld mogen worden in rechtszaken, over ḥudud-straffen en hun voorwaarden, over taʿzir-straffen en de discretie van de rechter, en over de oorlogvoering: welke oorlogen jihad zijn en welke niet, hoe buit verdeeld moet worden, welke gevangenen tot slaaf mogen worden gemaakt en welke niet, en hoe een bestand met een vijandige staat juridisch moet worden gesloten.
Dat laatste hoofdstuk, over buit en gevangenen, is de plek waar Abdullahi ﵀ zijn Kano-ervaring omzet in juridische norm, en hij is scherp. Ghanima, oorlogsbuit, is alleen legitiem als aan strikte voorwaarden is voldaan: de oorlog zelf moet rechtmatige jihad zijn, de tegenstander moet niet-moslim zijn of een legitiem bestreden apostatische staat, en de verdeling moet volgens shariʿa gebeuren, met een vijfde voor de staat en vier vijfden voor de strijders. Vrouwelijke gevangenen mogen niet worden genomen als zij moslim zijn, moslim-eigendom mag niet worden geroofd onder welk voorwendsel ook, en elke schending maakt de buit haram en de strijder aansprakelijk in het hiernamaals.
Dit is, in codevorm, de klaagzang van de Tazyīn, want wat Abdullahi ﵀ in Kano pijnlijk had zien gebeuren, legt hij hier neer als juridische norm waaraan elke toekomstige jihad-commandant moet voldoen. Het is wetgeving door ervaring.
De Diya al-Hukkām werd het standaardwerk voor de Sokoto-Qadi’s en voor de bestuurders van Gwandu en Sokoto, en zij werd gekopieerd, gecommentarieerd en onderwezen, zodat Kano-Qadi’s nog in de late negentiende eeuw uit haar citeerden bij hun vonnissen. Zij is, samen met de Tāj al-dīn van al-Maghili ﵀ en het Bayan wujub al-hijra van Usman ﵀, een van de drie fundamentele juridische teksten van Islamitisch Hausaland, en er bestaan moderne uitgaven van, onder meer door de Nigeriaanse geleerde Shehu Yamusa.
Het Andere Werk
De Diya is niet het enige boek van Abdullahi ﵀, want hij schreef ook een tafsir, een Qur’an-commentaar getiteld Diya al-Ta’wil fi Ma’ani al-Tanzil, dat in vier delen loopt en in de Maliki-commentaartraditie staat, en daarnaast Sabil al-Najat, een handleiding over de basisverplichtingen van een moslim, bedoeld voor beginnende studenten. Hij schreef tientallen risala’s over specifieke juridische kwesties, hij schreef Kitab al-Niyya, een werk over intentie als basis van de shariʿa-handeling dat diep geworteld is in de tasawwuf-traditie, en hij bleef zijn leven lang poëzie schrijven, in Arabisch en in Fulfulde.
Telt men zijn geschriften bij elkaar op, dan beslaat het oeuvre naar schatting tussen de vijftig en zestig afzonderlijke werken, een productie die qua omvang met die van al-Suyuti ﵀ of al-Sakhawi ﵀ kan meekomen. Niet alles is bewaard gebleven en niet alles is uitgegeven, maar er is genoeg om te zeggen dat Abdullahi dan Fodio ﵀ een van de productiefste Islamitische geleerden is die West-Afrika ooit heeft voortgebracht.
De Spanning Met Sokoto
Hier komt een pijnlijk thema, want het hoort bij de waarheid over Gwandu: de relatie tussen Abdullahi ﵀ en zijn neef Muhammad Bello ﵀ was, na de dood van de shehu in 1817, niet altijd hartelijk, en zij is door moderne historici als Murray Last en Hamza Muhammad Maishanu zorgvuldig gereconstrueerd uit brieven, aantekeningen in de Tazyīn en aanvullende Gwandu-correspondentie.
Abdullahi ﵀ was de oudere, de oom, de broer van de shehu, de belangrijkste nog levende geleerde uit de jihad-generatie, en toen de shehu stierf, verwachtte een deel van de ulama dat hij, en niet Bello ﵀, de volgende kalief zou worden. Maar Bello ﵀ werd bevestigd, want de argumenten voor hem waren sterk: hij was de effectieve organisator, hij had het nieuwe Sokoto gebouwd, hij had de Infāq geschreven, en hij stond dichter bij het operationele centrum, terwijl de argumenten die in Gwandu-kring voor Abdullahi ﵀ hadden kunnen worden aangevoerd, zijn leeftijd, zijn intellectuele autoriteit en zijn directe band met de overleden shehu, van een andere orde waren.
Er was geen openlijk conflict, want Abdullahi ﵀ deed bayʿa aan Bello ﵀ en erkende hem als Amir al-Muʾminin, maar de relatie was ongelijk en het ongelijk deed zeer, en brieven uit de eerste jaren na 1817 laten Abdullahi ﵀ zien als iemand die de formele correctheid bewaarde terwijl hij duidelijk op afstand opereerde. In 1820 of 1821 brak een kortstondige onlusten tussen Sokoto-troepen en Gwandu-troepen uit over een grensdispuut bij Kalambaina, nooit werkelijk een oorlog maar wel genoeg om diplomatieke bemiddeling van andere emirs te vereisen, en Abdullahi ﵀ schreef naderhand dat hij geschokt was dat bloed tussen mujahidin was gevloeid.
En er was een dieper thema, want Abdullahi ﵀ was vanaf Kano 1807 altijd een jurist van strengheid geweest, die vond dat de jihad te ver was afgedreven van haar oorspronkelijke zuivere idealen, terwijl Bello ﵀ pragmatischer was, compromissen in de bestuurspraktijk accepteerde, met de slavenhoudende economie onderhandelde en de Clapperton-handelsopeningen aanstuurde. Voor Abdullahi ﵀ was dit te ver meegaan met de wereld, en voor Bello ﵀ was de strengheid van zijn oom onhoudbaar in de dagelijkse bestuurspraktijk.
Wij reconstrueren dit hier vanuit fragmenten, en wij mogen niet overdrijven, want de twee mannen hielden van elkaar, zoals uit hun brieven blijkt, en zij respecteerden elkaar. Maar zij waren het niet eens over hoe de jihad na zijn militaire overwinning moest worden geconsolideerd, en dat meningsverschil werd een structurele spanning tussen Sokoto en Gwandu die lang na hun dood zou voortleven.
Gwandu Na Abdullahi
Abdullahi ﵀ stierf in 1828 of 1829, want de bronnen verschillen over de exacte datum, en hij stierf in Gwandu op tweeënzestigjarige leeftijd; zijn graf is daar nog steeds, een bedevaartsplek voor studenten en geleerden. Zijn zoon Muhammad Buhari ﵀ volgde hem op als emir van Gwandu, en de dynastie van Gwandu-emirs bleef tot aan de Britse kolonisatie in 1903 de westelijke pijler van het kalifaat en bestaat ceremonieel nog steeds, met een huidige emir van Gwandu die een directe afstammeling is.
De specifieke culturele identiteit van Gwandu, zoals Abdullahi ﵀ haar vormde, bleef herkenbaar, want Gwandu was strenger dan Sokoto, leunde zwaarder op juridische geleerdheid en minder op diplomatieke flexibiliteit, en produceerde in de decennia na Abdullahi ﵀ meer Qadi’s en minder militaire commandanten. Dat paste bij zijn stichter, want elke gemeenschap draagt iets van de persoonlijkheid van haar grondlegger, en Gwandu droeg de persoonlijkheid van een gewetensvolle jurist.
Wat Hij Achterliet
Waarom besteden wij zoveel aandacht aan Abdullahi dan Fodio ﵀, een figuur die voor velen in het Nederlandse publiek onbekend is? Om twee redenen.
De eerste is dat een volwassen relatie met onze Islamitische geschiedenis vereist dat wij zien hoe de ulama van binnenuit hun eigen bewegingen bekritiseerden, want de Islamitische traditie is niet alleen een traditie van overwinningen, maar ook een traditie van eerlijk zelfonderzoek, van juristen die de moed hadden om tegen de eigen beweging in te schrijven, van hervormers die zagen dat hun hervorming zelf hervormd moest worden. Abdullahi ﵀ is daarvan een voorbeeld, de interne corrector en niet de externe criticus, en die rol is in elke Islamitische beschaving nodig geweest en bestaat ook vandaag, zowel in Noord-Afrika als in de Nederlandse moskeeën waar de discussies over fiqh, gender en governance zich voltrekken.
De tweede reden is dat onze erfenis als Afro-Caribische moslims in Nederland niet tot één soort verhaal mag worden gereduceerd. Er is een triomfantelijk verhaal, waarin onze voorouders rijken regeerden, onze geleerden meesterwerken schreven en onze beschaving op haar hoogtepunt internationaal erkend was, en dat verhaal is waar en belangrijk. Maar er is ook een verhaal van gewetensworsteling, van juristen die weigerden mee te doen, van broers die elkaars project bekritiseerden, van heilige bewegingen die op hun eigen excessen stuitten, en dat verhaal is even waar en even belangrijk. Abdullahi ﵀ staat in die tweede traditie.
Onze voorouders, waar zij ook vandaan kwamen, uit Gwandu, uit Sokoto, uit Kano, uit Ilorin, uit de Volta-bocht, namen beide erfenissen mee naar de Atlantische overzijde, waarbij sommigen met de jihad in aanraking werden gebracht terwijl anderen door de slavernij eruit werden weggevoerd voordat haar geschriften hen bereikten. Wat in onze salafiyya- en madhhab-discussies in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag gebeurt, is de voortzetting van een eeuwenoud intern debat binnen de West-Afrikaanse Islam, en Abdullahi ﵀ zit in dat debat, ook al weten wij dat meestal niet.
Kaart laden...
De Overgang Naar Het Hoogtepunt
Abdullahi ﵀ stierf in 1828 en zijn neef Muhammad Bello ﵀ stierf in 1837, waarmee de generatie van de jihad-grondleggers van het toneel verdween. Wat volgde, in de decennia 1830 tot 1860, was het Sokoto-kalifaat op zijn hoogtepunt: een rijk van dertig emiraten, tien tot vijftien miljoen onderdanen, internationaal erkend, economisch gediversifieerd en cultureel productief, en tegelijk al de scheuren vertonend die in 1903 tot zijn val onder Britse koloniale vuurkracht zouden leiden.
Naar dat hoogtepunt, met zijn glans en zijn fragiliteit, gaan wij nu.
Bronnen
- Abdullahi dan Fodio ﵀, Tazyīn al-Waraqāt, de autobiografie met eigen gedichten, uitgegeven en vertaald door Mervyn Hiskett (Ibadan 1963): de bron voor de hijra, de bayʿa in Gudu, de slag bij Tabkin Kwotto, de klacht over de verwereldlijking van de strijders en het vertrek naar Kano; de bundel is gedateerd 1228/1813, zoals aangehaald in Last, pp. xxix, 208.
- Abdullahi dan Fodio ﵀, Ḍiyāʾ al-Ḥukkām, het handboek voor bestuurders en rechters, in Kano geschreven op verzoek van de gemeenschap daar, zoals aangehaald in Hiskett, p. 98.
- Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr, de kroniek van de jihad waarop de datering van de hijra en van de val van Alkalawa teruggaat, zoals aangehaald in Last, pp. 23, 39.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. xxix, 3–4, 6–7, 10, 23–24, 38–39, 41–43, 64, 66, 70, 153, 196, 208, 241, 243.
- pp. 3–4, 6–7: de geboorte van de Shaykh ﵀ te Maratta in Gobir op 15 december 1754 en de verhuizing van het gezin naar Degel; zijn vader Muhammad Fodiye ﵀ en zijn moeder Hawwa ﵀ uit de geleerde tak van de familie; Abdullahi ﵀ als jongere broer die rond 1193/1779 bij hem komt studeren en met hem rond 1200/1786 Jibril ibn ʿUmar ﵀ in Adar bezoekt.
- pp. 10, 23–24: de mystieke ervaring van midden 1208 (begin 1794) waarin de Shaykh ﵀ met het zwaard der waarheid wordt bekleed; de hijra naar Gudu, dertig mijl van Degel, op 10 Dhu’l-Qaʿda 1218 (21 februari 1804) volgens Bello ﵀ en Abdullahi ﵀; de keuze van de Shaykh ﵀ tot Imam, met de huldiging eerst door Abdullahi ﵀ en daarna door Bello ﵀.
- pp. 38–39: de Alkalawa-campagne van 1807, waarbij Abdullahi ﵀ het leger verlaat en met vijf metgezellen naar Kano gaat met Mekka als doel; de gemeenschap van Kano die hem laat blijven en waarvoor hij de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām schrijft; de val van Alkalawa op 3 oktober 1808.
- pp. 41–43, 64, 66: de verdeling van het bestuur in 1812 (1227) tussen Abdullahi ﵀ (het westen) en Bello ﵀ (het oosten); Bodinga als zijn woonplaats en Gwandu pas na de dood van de Shaykh ﵀ als zetel; zijn hoop op het kalifaat; het westen met het Nigerdal tot Nupe en Dendi, later Ilorin en Liptako; de gesloten poorten van Sokoto in 1817 en zijn traktaat over het imamaat; zijn aanklacht uit de Tazyīn tegen de nieuwe gemeenschap die op heerschappij, buit en rang uit was.
- pp. 70, 153, 196: Kalembaina bij Gwandu als bolwerk van de volgelingen van ʿAbd al-Salam, twee jaar belegerd door Abdullahi ﵀ en ingenomen met de gezamenlijke macht van Bello ﵀; de inname als verzoening tussen oom en neef, waarna Abdullahi ﵀ zijn gewaad aan de vizier Gidado ﵀ overdraagt; zijn zoon Muhammad die in 1829 als Amir al-gharb, emir van het westen, schrijft.
- pp. xxix, 208, 241, 243: het overlijden van Abdullahi ﵀ in 1829/1245; de Tazyīn gedateerd 1228/1813 en de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām rond 1221; de bibliografie van zijn werken met Sabīl al-Najāt en al-Niyyāt.
- Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 17, 66–67, 88, 96–98, 105, 107–108, 113–115, 141.
- pp. 17, 66–67: de geboorte van de Shehu ﵀ in Maratta op 29 Safar 1168 (15 december 1754); het visioen van 1208/1794 uit zijn eigen Wird, met het groene gewaad, de tulband en het zwaard der waarheid uit de hand van ʿAbd al-Qadir al-Jilani ﵀; de Arabische bewerking door Abdullahi ﵀ van de Qadiriyya-ode van zijn broer, gedateerd Rabiʿ al-awwal 1212 (1797).
- pp. 88, 96–98, 141: Abdullahi ﵀ als bevelhebber van het moslimleger bij Tabkin Kwotto; de val van Alkalawa in Shaʿban 1223 (oktober 1808) na bijna twee jaar insluiting; de plundertochten die de moraal ondermijnden en zijn vertrek in Shaʿban 1222 (oktober 1807) met Mekka als doel; zijn halt in Kano en de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām als een van de hoofdbronnen van het recht in het kalifaat; Sulaimanu als eerste Fulani-emir van Kano (1807–1819).
- pp. 105, 107–108: zijn bittere verzen tegen de wereldsgezindheid van zijn medestrijders; de verdeling van 1812 in een westelijke en een oostelijke helft; zijn afwijzing van de takfir van opstandige moslims, tegen de opvatting van de Shehu ﵀ en Bello ﵀ in.
- pp. 113–115: de gesloten stadspoorten van 1817 en de bijna een jaar durende verwijdering; de slag bij Kalembina in 1820 en de verzoening waarbij Abdullahi ﵀ afstijgt en zijn mantel aan Gidado ﵀ geeft; zijn terugtrekking in onderwijs en schrijverschap tot zijn dood in 1245/1829; de dood van Bello ﵀ in 1253/1837, zesenvijftig jaar oud.
- Ibraheem Sulaiman, The African Caliphate: The Life, Works and Teaching of Shaykh Usman dan Fodio, The Norwich Press, 2008, pp. 49–50, 190, 210, 222, 224, 226.
- pp. 49–50: het leerplan van fiqh, van al-Akhdari ﵀ tot de Mukhtasar van Khalil ﵀, en van tafsir met de Jalalayn en al-Baydawi ﵀, waar de Ḍiyāʾ al-Taʾwīl van Abdullahi ﵀ later bijkwam.
- pp. 190, 210, 222, 224, 226: de hijra op 10 Dhu’l-Qaʿda 1218 (dinsdag 21 februari 1804) en de slag bij Tabkin Kwatto op 12 Rabiʿ al-awwal 1219 (21 juni 1804) onder zijn bevel, in de eigen woorden van Abdullahi ﵀; zijn reflectie in de Tazyīn op de tuchteloosheid van het leger en zijn vertrek uit de jihad richting het oosten en de bedevaart; de gemeenschap van Kano die hem laat blijven, de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām die het bestuurshandboek van het hele kalifaat werd en zijn terugkeer naar Gwandu.
- R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), p. 65: de opeenvolgende emirs van Gwandu, Abdullahi ﵀ (overleden rond 1828), Muhammad Wani (1828–1832) en Khalil (1832–1858).
