InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Vestiging van het Sokoto Kalifaat
Islam in West-AfrikaHet Sokoto Kalifaat

Vestiging van het Sokoto Kalifaat

Vestiging van het Sokoto Kalifaat (1809 tot 1817)

Alkalawa brandde nog na, en Usman dan Fodio ﵀ deed iets wat weinig veroveraars doen, want hij trok zich terug van de macht. In plaats van op de troon van Gobir te gaan zitten liet hij een nieuwe stad tekenen in het zand, verdeelde hij het rijk in tweeën en gaf hij de pen voorrang boven het zwaard. Tussen 1809 en 1817 ontstond zo, bijna achteloos, wat binnen één generatie de grootste prekoloniale staat van sub-Saharisch Afrika zou worden.

Waarom Niet in Alkalawa Gaan Zitten

In oktober 1808 lagen de muren van Alkalawa open, was Yunfa dood en stond het paleis van Gobir leeg. Duizend jaar koningstradities, de sarauta die teruggaat op de Hausa Bayajidda-sagen, de gouden troonzalen, de ijzersmeden-rituelen en de hoofse musici met hun lange trompetten werden in één middag onthoofd. Voor een veroveraar in klassieke zin was dit het moment om de trap op te lopen, op de kussens te gaan zitten en zichzelf te kronen.

Dan Fodio ﵀ deed het niet, en ook Muhammad Bello ﵀, die Alkalawa met de punt van zijn eigen speer had ingenomen, deed het niet. In plaats daarvan werd de oude hoofdstad niet bezet maar opgegeven, zodat zij een ruïne bleef. Vandaag is het een archeologische site, een verspreide pottenbakkerij van scherven in het zand van Sokoto-staat, bezocht door een enkele historicus en niet door een hofhouding.

Waarom? Drie redenen die in elkaar grijpen, de eerste ideologisch. In Alkalawa gaan zitten zou betekenen dat de jihad in feite een dynastieke machtsovername was, een vervanging van de ene sarki door de andere, en dat is precies wat dan Fodio ﵀ in zijn Kitāb al-Farq had ontkend. De jihad was geen troonroof, maar een hervorming van het wilāyāt, van het gezag zelf, en een nieuwe stad, gesticht op maagdelijke grond, onderstreepte dat.

De tweede reden was strategisch. Alkalawa lag in Gobir-hartland, tussen restanten van de Hausa-bevolking die haar verlies niet snel zouden vergeten, terwijl een nieuwe hoofdstad, iets zuidelijker en buiten de oude Gobir-grenzen, makkelijker te verdedigen was en de politieke as niet op de lijkwijde van een verslagen koninkrijk legde.

De derde reden was juridisch, want de shari’a erft niet via verovering. Een stad die door jihad was gevallen, was fay’, gemeenschappelijk oorlogsbezit, terwijl een nieuwe stichting vanaf de eerste dag als dar al-Islam kon worden getekend, met moskee in het hart, markten volgens de regels en een Qadi-rechtbank aan de hoofdstraat.

Dus tekende Bello ﵀ in 1809 de contouren van een stad aan de samenvloeiing van de Sokoto-rivier en de Rima, op ongeveer 13,06 graden noorderbreedte en 5,24 graden oosterlengte, en hij noemde haar Sokoto, naar het Fulfulde-woord sokkugo, “bijeenvouwen”. Zo kreeg een kalifaat zijn naam van een stad die bij het begin van de jihad nog niet eens bestond.

De Shehu Zet Zichzelf Af

Tussen 1810 en 1812 gebeurde iets dat zelfs in de warme Fulani-historiografie niet helemaal gladgestreken is, want dan Fodio ﵀ trok zich vrijwel volledig terug uit het dagelijkse bestuur. Hij was de Amīr al-Muʾminīn, de Bevelhebber der Gelovigen, hij had de vlag geheven en zijn woord had een leger in beweging gezet, en nu, met de veldslagen gewonnen en de vlaggen uitgedeeld, ging hij terug naar wat hij altijd al had willen doen: lezen, schrijven en onderwijzen. Hij verhuisde van Sokoto naar Sifawa, een kleinere plaats op enkele tientallen kilometers afstand, en daarna weer terug, werkte aan zijn Ihya’ al-Sunna, aan zijn Tanbih al-Ikhwan en aan Bayān Wujūb al-Hijra, gaf awrad-instructie aan zijn muridin, hield mawlid-preken, ontving delegaties uit Kano en Gwandu en schreef fatwa’s wanneer er een theologische vraag was, terwijl hij het administratieve werk zichtbaar overdroeg.

Dit is geen abdicatie in Europese zin, want hij bleef Amīr al-Muʾminīn, bleef de geestelijke autoriteit van het kalifaat, en zijn naam werd in de khutba van elk vrijdaggebed genoemd. Maar de praktische scheiding tussen hem als shehu en de uitvoerende macht werd volgens Infāq al-Maysūr in 1812 formeel geregeld, toen hij twee onderkalifen aanwees. Zijn zoon Muhammad Bello ﵀ kreeg het oosten, Sokoto zelf, met de Hausa-kern-emiraten Kano, Katsina, Zaria, Bauchi en Adamawa, terwijl zijn broer Abdullahi dan Fodio ﵀ het westen kreeg, met Gwandu als hoofdstad en met Kebbi, Nupe, Ilorin en de lagere Niger-uitloopgebieden.

Abdullahi ﵀ schrijft hierover zelf, met de droge eerlijkheid die zijn Tazyīn al-Waraqāt kenmerkt. Hij vertelt dat hij al tijdens de opmars naar Alkalawa, ergens in 1807, twijfels kreeg over de discipline van sommige jihad-commandanten, die plunderden op een manier die de Maliki-fiqh niet toestond. Hij schreef een gedicht, Qasida Tazyīn, waarin hij de beslissing neemt om zich uit de actieve campagne terug te trekken en naar Kano te gaan om hijra naar de Hidjaz te overwegen, maar onderweg wordt hij ingehaald door boodschappers van zijn broer en gevraagd om terug te keren. Hij keert terug, en toch was de scheur geslagen, want de verdeling in twee is, gedeeltelijk, een institutionalisering van die scheur, een manier om Abdullahi ﵀ zijn eigen domein te geven zonder hem te hoeven terugdwingen onder een nieuw centrum.

Dit is geen conflict zoals tussen Europese kroonprinsen, want er trekken geen legers tegen elkaar op en er vallen geen bloedsverwanten door elkaars zwaard, maar de spanning tussen Sokoto en Gwandu sluimert vanaf dat moment door elke generatie van het kalifaat heen. Abdullahi ﵀ sterft in 1829, twaalf jaar na zijn broer, op post in Gwandu, en tot aan zijn dood schrijft hij kritische traktaten die door latere Sokoto-geleerden met gemengde gevoelens worden ontvangen.

Het Vlaggenstelsel als Constitutie

Wat Bello ﵀ en zijn vader hadden bedacht was, juridisch gezien, eerder een federatie dan een eenheidsstaat, want het droeg wel de naam khilafa, kalifaat, maar het functioneerde via een aloud Islamitisch instrument dat in Hausaland een nieuwe, geniale vorm kreeg: de bay’a verbonden aan een tuta, een vlag.

De procedure was als volgt. Een Fulani-geleerde of jihad-commandant, een Kano-Fulbe die jarenlang in Gwandu had gestudeerd, reisde naar Sokoto, knielde voor dan Fodio ﵀, of later voor Bello ﵀, en legde de bay’a af, de eed van trouw, woord voor woord, volgens de formule die sinds de tijd van de Profeet ﷺ in de Islamitische traditie is overgeleverd. Hij zwoer gehoorzaamheid in wat goed is en verzet tegen wat kwaad is, en hij ontving uit de handen van de shehu of de kalief een groene vlag, een schriftelijke wathiqa en een formele volmacht om in zijn regio de jihad te voeren, een emiraat te stichten en het vervolgens in naam van Sokoto te besturen.

Zo ontstonden, tussen 1804 en 1817, de grote emiraten die de federatie zouden vormen. Kano viel toe aan Sulaimanu, opgevolgd in 1819 door Ibrahim Dabo, wiens dynastie regeert tot op de dag van vandaag, terwijl Katsina onder Umaru Dallaji en zijn Sullubawa-clan kwam en Zaria, het oude Zazzau, onder Mallam Musa van de Mallawa-Fulani. Bauchi kwam onder de geleerde Yakubu ﵀, wiens emiraat zich van de Plateau-hoogvlakte tot aan de Benue-rivier uitstrekte, en Gombe onder Buba Yero, die zich tot ver in de Gongola-vallei uitbreidde. Adamawa kwam onder Modibo Adama, een Yola-Fulbe die de vlag over de Faro- en Benue-rivieren meenam en een emiraat stichtte dat vandaag nog steeds over de grens tussen Nigeria en Kameroen loopt, en Ilorin, het zuidelijkste emiraat, onder de Yoruba-Fulbe-cleric Alimi, wiens zonen Abdussalami en Shitta het Yoruba-koninkrijk Oyo uiteen zouden breken en de noordergrens van Yorubaland tot Islamitisch maken. Nupe kwam onder Mallam Dendo en zijn zonen, rond de Niger-bocht, en Hadejia aan de noordoostelijke grens, waar Sambo Digimsa en later de beruchte Buhari de onrustige grens met Bornu bewaakten.

Tegen 1817, het jaar waarin dan Fodio ﵀ stierf, telde de federatie minstens dertien majeure emiraten en een dozijn kleinere, die samen een gebied bestreken van de Niger-bocht in het westen tot het Mandara-gebergte in het oosten en van de Sahel in het noorden tot diep in de subtropische savanne in het zuiden. Het Infāq al-Maysūr en de latere Rauḍ al-Jinān van Gidado dan Laima geven lijsten met de namen van de emirs en de jaartallen van hun installatie.

Dit stelsel was elegant omdat het de expansie sneller en goedkoper maakte dan een centraal leger had gekund, en het was kwetsbaar omdat het vanaf het begin dezelfde spanning droeg die alle federaties dragen: emirs die lokaal soeverein werden, die interne belastingen hielden, die eigen oorlogen voerden en die alleen via bay’a-loyaliteit, zakat-afdrachten en correspondentie aan het centrum verbonden waren. Dat dit stelsel tot 1903, de Britse verovering, overeind bleef, is een bewijs van zijn soepelheid, en dat de Britten het vervolgens letterlijk overnamen als basis voor hun indirect rule en er tot vandaag de noordelijke bestuursgeografie van Nigeria op bouwen, is een bewijs van zijn diepe wortel.

Tien Miljoen Onderdanen, Min of Meer

Hoeveel mensen woonden er eigenlijk onder deze vlag? Het eerlijke antwoord is dat wij het niet precies weten, en dat iedereen die een exact getal noemt zekerheid verkoopt waar er geen is. De historiografische schattingen lopen, voor het negentiende-eeuwse Sokoto op zijn hoogtepunt, tussen ongeveer zeven en tien miljoen inwoners, en Paul Lovejoy en Jan Hogendorn, de twee historici wier werk in Slow Death for Slavery (1993) en Transformations in Slavery (2011) het standaardkader heeft gezet, plaatsen het midden van die schatting rond 1850 op negen à tien miljoen.

Welke schatting men ook neemt, dit is een enorm getal voor een prekoloniale Afrikaanse staat. Songhay op zijn hoogtepunt in de zestiende eeuw en Mali onder Mansa Musa in de veertiende telden vermoedelijk ook miljoenen, maar geen moderne historicus plaatst hen boven de vijf miljoen, terwijl het Ashanti-rijk in dezelfde negentiende eeuw één tot drie miljoen telde, Zoeloeland onder Shaka enkele honderdduizenden en Abessinië onder Tewodros misschien vier à vijf miljoen. In een tijd dat de meeste Afrikaanse staten tussen 500.000 en drie miljoen mensen telden, stond Sokoto, eenvoudigweg door zijn demografische omvang, in een klasse apart.

De bevolking was niet etnisch homogeen, want de Fulbe vormden de heersende elite maar niet de meerderheid, terwijl de Hausa-bevolking numeriek dominant was op het platteland en in de oude steden. Daarnaast leefden in het rijk Kanuri in het oosten, Yoruba-moslims in Ilorin, Nupe in het zuidwesten, en verder Gwari, Plateau-groepen, Chamba, Mumuye en Mandara-volken: tientallen talen en tientallen etnische groepen, samengehouden door Islam als gedeelde institutionele taal en door Arabisch als administratieve taal.

Het was een staat ter grootte van Frankrijk en Duitsland samen, met een bevolking die meer dan het dubbele was van de Verenigde Staten op datzelfde moment, bestuurd in Arabisch door een Fulbe-elite die zelf Fulfulde sprak, over een meerderheid die Hausa sprak, verenigd in één juridisch systeem dat uit het Maliki-Andalus via Timbuktu was ingevoerd. Het is een staatkundig bouwwerk dat respect dwingt, ook, juist, als zijn donkere kanten niet worden weggepraat.

De Kitab al-Farq als Grondwet

Een rijk van deze omvang heeft een grondwet nodig, expliciet of impliciet, en Sokoto had een expliciete, of liever, een bibliotheek die samen als grondwet functioneerde. Het kernwerk was nog altijd de Kitāb al-Farq van dan Fodio ﵀, eerder besproken als aanklacht tegen Yunfa, dat na 1809 iets anders werd: een negatief grondwetsdocument, dat beschreef wat een Islamitisch bestuur niet mocht doen, en dus, bij spiegelbeeld, wat het wel moest doen. Geen willekeurige belastingen buiten zakat, jizya en kharaj, geen rechtspraak buiten de shari’a, geen hofrituelen vermengd met niet-Islamitische elementen, geen slavernij van moslims door moslims, geen vervolging van ulama, en geen sarauta-titels die Islamitische autoriteit naar zich toe trokken.

Naast de Kitāb al-Farq stond de Bayān Wujūb al-Hijra ʿalā al-ʿIbād, de tekst van dan Fodio ﵀ uit 1806 die de verplichting tot hijra uit een dar al-kufr-gebied juridisch uiteenzette, en deze tekst leverde de legitimatie voor de jihad-uittocht zelf en werd in het kalifaat gelezen als bewijs dat de stichting van Sokoto, letterlijk als hijra-doel, een Islamitische plicht was geweest en geen avonturistische verovering. Daarnaast circuleerden de handboeken van Khalil ibn Ishaq ﵀, de Mukhtasar als Maliki-referentie, van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀, de Risala als elementair juridisch handboek, en de vijftiende-eeuwse fatwa’s van al-Maghili ﵀, die Songhay-sultan Askia Muhammad twee eeuwen eerder had geadviseerd en wiens teksten in Sokoto als directe jurisprudentiële voorbeelden werden gebruikt.

En dan waren er de eigen werken van Bello ﵀, want de Infāq al-Maysūr, afgerond rond 1812, diende als historische én juridische zelfrechtvaardiging, terwijl de Diya’ al-Hukkām van Abdullahi ﵀, “Licht voor de Heersers”, een bestuursgids voor emirs was en de poëzie en didactische werken van Nana Asma’u ﵀ in Fulfulde, Hausa en Arabisch daarnaast circuleerden. Zij zou, na haar vaders dood, een scholastieke autoriteit in eigen recht worden, wier werken door haar broer Bello ﵀ verspreid werden als officiële staatsteksten. Samen vormden deze boeken wat Murray Last in zijn standaardwerk The Sokoto Caliphate (1967) “een theocratische grondwet door opeenstapeling” heeft genoemd, want geen enkel document was de grondwet, maar de hele bibliotheek was het.

De Waziri en zijn Inktpot

Een staat wordt niet door boeken geregeerd maar door beambten, en Bello ﵀ bouwde in Sokoto een administratieve structuur op die, voor zijn tijd en regio, verbluffend professioneel was. Centraal stond de Waziri, de grootvizier. Onder de Shaykh was die rol informeel gebleven en vooral vervuld door zijn broer Abdullahi ﵀; Bello ﵀ maakte er een formeel ambt van en gaf het in 1817 aan Gidado dan Laima. Hij was de rechterhand van Bello ﵀ in correspondentie met de emirs, hij hield toezicht op de zakat-inkomsten, hij formuleerde fatwa’s en hij onderhield de geleerden-netwerken met Egypte en de Hidjaz. De Rauḍ al-Jinān van Gidado dan Laima, die Bello ﵀ in 1817 tot zijn eerste waziri benoemde, beschrijft de taken van de waziri in detail: raʾīs al-kuttāb, hoofd van de schrijvers, ṣāḥib al-barīd, verantwoordelijke voor de correspondentie, en muḥāsib al-zakāt, controleur van de zakat-inkomsten.

Onder de waziri stond de Galadima, een Hausa-term die dan Fodio ﵀ en Bello ﵀ bewust uit het oude sarauta-vocabulaire hadden behouden, want niet alles van voor de jihad moest weg. De Galadima was een soort tweede minister, verantwoordelijk voor een specifieke geografische portefeuille, vaak de noordelijke grensgebieden. Voor de rechtspraak stond op elk niveau een Alkali, een Hausa-vervorming van het Arabische Qadi, en de Qadi van Sokoto was de hoogste rechter, een beroep in laatste instantie, met onder hem emiraat-Qadis in Kano, Katsina en Zaria, en onder hen weer districts-Qadis in kleinere steden en dorpen. Zij pasten Maliki-recht toe, met terugval op Mukhtasar, Risala en lokale fatwa-verzamelingen, en rechtsgevallen werden schriftelijk vastgelegd, een praktijk die in het prekoloniale West-Afrika zeldzaam was, zodat een deel van deze sijillat, rechterlijke registers, in Kano- en Sokoto-archieven bewaard is gebleven.

De belastingstructuur was Maliki-klassiek. Zakat werd geheven op kudden (jangali), landbouw (ushr, een tiende) en handelswaar van moslims, terwijl jizya de hoofdelijke belasting was op niet-moslim onderdanen die bescherming genoten als dhimmi, en kharaj de grondbelasting op land dat voorheen niet-moslim was geweest en nu onder Islamitisch bestuur viel. Daarnaast waren er tolgelden op de grote caravaanwegen, vooral de noord-zuid route van Agades naar Kano en de west-oost route van Timbuktu naar Bornu, en staatsmonopolies op bepaalde goederen zoals zout uit Bilma en kola uit Borgu.

Het was, met alle beperkingen, een functionerend fiscaal systeem. Europese reizigers zoals Hugh Clapperton in 1824 en Heinrich Barth in de jaren 1850, die tussen 1851 en 1854 door het kalifaat trok en in zijn Travels and Discoveries in North and Central Africa (1857) pagina na pagina aan de Sokoto-administratie heeft gewijd, schreven er met een mengeling van verbazing en bewondering over. Barth noteert dat de markt van Kano “de grootste van geheel Soedan” was, groter en beter geordend dan wat hij in Noord-Afrikaanse steden van vergelijkbare omvang had gezien.

De Schaduw Die Niet Mag Worden Weggepoetst

Bij dit hoofdstuk vraagt de geschiedenis eerlijkheid, want Afro-Caribische oren horen in dit verhaal iets dat hen persoonlijk raakt. Het Sokoto-kalifaat was een slavenmaatschappij, niet een maatschappij met wat slaven aan de rand, maar een slavenmaatschappij in de definitie van Moses Finley en Paul Lovejoy: een staat waarin slavenarbeid een structurele economische pijler is, waarin de slavenpopulatie in grote delen van het rijk dertig procent of meer van de totale bevolking uitmaakt, en waarin de reproductie van het systeem, door oorlog, door aankoop en door geboorte in slavernij, een continue staatstaak is.

De Maliki-fiqh, zoals door dan Fodio ﵀ en Bello ﵀ werd toegepast, stond slavenhandel en slavenhouderij toe mits aan bepaalde voorwaarden werd voldaan. Moslims mochten niet tot slaaf worden gemaakt, slaven moesten menselijk behandeld worden, mochten niet gescheiden worden van hun kinderen onder een bepaalde leeftijd, moesten bij ziekte verzorgd worden, hadden recht op één dag rust per week, en konden door mukataba hun vrijheid kopen of door ʿitq worden vrijgelaten als vrome daad. De ʿaqida van de shehu was duidelijk, want een moslim-eigenaar die deze regels overtrad, beging zonde.

Wat legitiem was binnen het juridisch kader, werd ondertussen op industriële schaal uitgevoerd. De campagnes tegen niet-moslim populaties, en “niet-moslim” was in de Sokoto-praktijk een rekbare categorie, leverden jaarlijks duizenden slaven op, terwijl de zuidelijke grenszones, wat men de dar al-harb-randen noemde, permanent onder ghazwa-druk stonden: de Cross-River-volkeren, de Plateau-heidenen (Angas, Berom, Jukun-restanten), de Mumuye en Bata in Adamawa, en de Gwari ten zuiden van Zaria. Elk droogseizoen trokken cavalerie-eenheden uit Bauchi, uit Adamawa en uit Yola op slavenraid, en zij brachten honderden tot duizenden gevangenen terug, die werden verkocht op de markten van Kano, Sokoto, Yola en Ilorin.

Waar gingen deze slaven heen? Er waren drie routes. Ten eerste bleven zij binnen het kalifaat zelf, op de plantages rond Kano (indigo, graan, katoen) en Sokoto, als huishoudelijke slaven in de elite-compounds, en als sarkin dogarai, slavensoldaten in de legers van de emirs. Ten tweede gingen zij noord, trans-Saharaans, met karavanen via Agades, Ghat en Murzuq naar Tripoli, Tunis en Caïro, langs een oude route, eeuwen oud, die in Sokoto-tijd juist een piek bereikte omdat Europese afschaffing van de Atlantische handel de Sahararoute relatief aantrekkelijker maakte voor Noord-Afrikaanse kopers. Ten derde gingen zij zuidelijk, via Aro-Chukwu, Bonny en Lagos naar de Atlantische kust, en hier raakt het de Caribische familiegeschiedenis. Deze route was vóór 1809 al actief geweest, via Hausa-tussenhandelaren en Yoruba-netwerken, en zij nam in de negentiende eeuw af maar verdween pas volledig in de jaren 1860 en 1870. Honderdduizenden West-Afrikanen die Suriname, Trinidad, Curaçao, Brazilië en Haïti bereikten, kwamen uit gebieden die tijdens hun jeugd onder Sokoto-invloed stonden of weggevoerd waren door Sokoto-gelieerde raids, niet direct uit Sokoto zelf, want de grote dhimma-gebieden produceerden weinig Atlantische slaven, maar uit de randen, uit Adamawa, uit de Nupe-Yoruba-grens en uit de Benue-vallei.

Dit hoort ronduit gezegd te worden. De wortels van onze aanwezigheid in de Cariben liggen deels in de oorlogen die onder deze groene vlag werden gevoerd, en de jihad die Maliki-geleerden als rechtmatig beschreven heeft, via vele tussenschakels en langs vele andere dadertypes, ook onze voorouders in de scheepsruimen gebracht. Dit is geen aanklacht tegen dan Fodio ﵀ persoonlijk, want hij veroordeelde Atlantische slavernij expliciet en schreef dat moslims hun geloofsgenoten nooit aan christen-kopers mochten leveren, maar het is wel een feit dat de economie die onder zijn politieke erfenis bloeide een slavenhoudende economie was, en dat de demografische druk die de raids naar het zuiden veroorzaakten, mensen in de handen van Atlantische opkopers bracht.

Lovejoys cijfer, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw het Sokoto-kalifaat een van de twee à drie grootste slavensamenlevingen ter wereld was, naast het Amerikaanse Zuiden en Brazilië, is een cijfer dat onze geschiedkundige rijpheid vraagt. Wij dragen de trots op de geleerdheid van dan Fodio ﵀ én de wond van wat in zijn rijk gebeurde, beide tegelijk.

April 1817, de Shehu Sterft

Usman dan Fodio ﵀ stierf op ongeveer 3 Jumada al-Thaniya 1232, begin april 1817, in Sifawa, nadat zijn gezondheid de laatste twee jaar geleidelijk was verslechterd. De Rauḍ al-Jinān van Gidado beschrijft hoe hij in de laatste maanden nauwelijks meer in staat was tot schrijven, hoe Bello ﵀ en Nana Asma’u ﵀ bij zijn bed zaten, en hoe hij tot het einde de dhikr op zijn lippen had.

Hij werd begraven in Sokoto en niet in Sifawa, zodat de stichter van het rijk begraven werd in de stad die hij had laten stichten maar waar hij zelf nauwelijks had gewoond. Zijn graf, de Hubbare, ligt vandaag nog in het hart van Sokoto, een bedevaartsplaats voor Yan Shehu uit heel Noord-Nigeria, Niger, Noord-Kameroen en Mali en, via de diaspora, uit Londen, New York en Amsterdam. Het is een eenvoudig graf in een witgewassen qubba, met een Qur’an-reciteur die dagelijks doorleest en met pelgrims die tahlil doen, geen monument maar een rustplaats.

Bello ﵀ legde de bay’a af als tweede kalief, en de overgang verliep soepel, zonder Abbasiden-broedermoord, zonder Umayyaden-putsch en zonder twijfel in Sokoto zelf. Maar in Gwandu wachtte Abdullahi ﵀ af, want hij had niet in Sokoto staan toezien op zijn broers dood en was niet naar de begrafenis gekomen in de eerste weken. Pas later in 1817 werd de formele relatie tussen Sokoto en Gwandu hersteld, toen Abdullahi ﵀ Bello ﵀ als Amīr al-Muʾminīn erkende en Bello ﵀ de autonomie van Abdullahi ﵀ over het westelijke domein erkende. De broeder-neefsituatie, waarin Abdullahi ﵀ in leeftijd boven Bello ﵀ was gesteld maar Bello ﵀ als zoon van de shehu dynastiek de hoofderfgenaam was, werd in zoverre opgelost dat beiden hun eigen sfeer behielden. De littekens bleven.

De Grootste Staat van Afrika

Voordat deze scène sluit, moet één ding nuchter worden vastgesteld. Tegen 1817, acht jaar nadat Sokoto als stad in het zand was getekend, bestreek het kalifaat ongeveer 400.000 vierkante kilometer, groter dan het huidige Duitsland, en het telde dertien grote emiraten en vele kleinere. Het had een gezamenlijke bevolking die tegen het midden van de eeuw negen à tien miljoen zou bereiken, meer dan welke andere sub-Saharisch Afrikaanse staat op dat moment, en het had een schriftelijk bestuur, een gecodificeerde rechtspraak, een federale grondwet door opeenstapeling van teksten, een diplomatieke positie tot in Istanbul en Caïro, en een bibliotheek waarvan delen tot in Rabat, Fes en Medina waren gekopieerd.

Was het “de grootste prekoloniale staat van Afrika”? Dat hangt van wat men meet, want in absolute oppervlakte was Songhay in de zestiende eeuw groter, in duur was het Ethiopische rijk ouder, en in militaire slagkracht waren de Mahdistische staat in Soedan en Shaka’s Zoeloeland van hun tijd indrukwekkend. Maar in de combinatie van oppervlakte, bevolking, bestuurlijke geletterdheid, economische complexiteit en juridische institutionalisering staat Sokoto in zijn negentiende-eeuwse vorm alleen, en dat is wat Last, Hiskett, Lovejoy, Bobboyi en de hedendaagse historiografie, Nigeriaanse en westerse, grosso modo bevestigen.

Dit is dan ook wat onze voorgeslachten ons hebben nagelaten, niet alleen dorpen en rituelen en verhalen, maar een staatkundig bouwwerk dat in zijn tijd tot de grootste ter wereld behoorde. Dat wij daar in onze scholen nooit van hebben gehoord, is een koloniale blindheid die wij zelf nu moeten ongedaan maken, en dat Bello ﵀ in 1824 met Clapperton in Arabisch over Napoleon sprak, over Britse marine-politiek en over wereldhandelsroutes, is geen exotisch detail, maar bewijs van een staatkundige rijpheid die wij als vanzelfsprekend moeten gaan beschouwen, zoals wij de rijpheid van het Frankrijk van Lodewijk XIV of het Ottomaanse Rijk van Süleyman als vanzelfsprekend beschouwen.

Veldslag laden...

Wat Nu Komt

De shehu is begraven, Bello ﵀ regeert, Sokoto groeit, en in de kanselarij begint het papierwerk dat de volgende dertig jaar het rijk bijeen zal houden. Het is nu aan Bello ﵀ om te laten zien wat het betekent om een jihad-beweging om te bouwen tot een functionerend kalifaat, en hij zal het doen met zijn pen, met zijn ribats, met zijn honderd brieven aan emirs en met een correspondentie met al-Kanemi ﵀ die het theologische fundament van de hele onderneming ter discussie stelt. Hij zal het doen als staatsman, als historicus, als dichter en, waar dat nodig is, als veldheer. De sultan die schreef.

Bronnen

  • Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr, in 1812 (1227) voltooid als het officiële verslag van de jihad, met de lijst van de eerste emirs, zoals aangehaald in Last, pp. xxxi, 54, 208.
  • Abdullahi dan Fodio ﵀, Tazyīn al-Waraqāt, de bron voor zijn vertrek uit het leger naar Kano in 1807 en voor zijn klacht over de verwereldlijking van de gemeenschap, zoals aangehaald in Last, pp. xxix, 65–66; Hiskett, p. 98.
  • Abdullahi dan Fodio ﵀, Ḍiyāʾ al-Ḥukkām, het bestuurshandboek dat in het hele kalifaat gezag kreeg en de taak van de vizier omschrijft, zoals aangehaald in Last, p. 47; Hiskett, p. 98; Sulaiman, p. 226; Adeleye, pp. 47–48.
  • Usman dan Fodio ﵀, Kitāb al-Farq bayn Wilāyāt Ahl al-Islām wa Wilāyāt Ahl al-Kufr, met het doel van moslimbestuur en de ambten van vizier, rechter, politiechef en belastingontvanger, zoals aangehaald in Last, p. 57; Hiskett, pp. 106, 138.
  • Usman dan Fodio ﵀, Bayān Wujūb al-Hijra ʿalā al-ʿIbād, gedateerd november 1806 en het hoofdwerk van na de jihad, zoals aangehaald in Last, p. 46; Hiskett, p. 119; Adeleye, p. 47.
  • Muhammad al-Maghili ﵀, de antwoorden aan Askia Muhammad, in John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, p. 47, door Bello ﵀ aangehaald in de Infāq; over de schatplichtigheid van de Shehu ﵀ aan al-Maghili ﵀ ook Hiskett, p. 120.
  • Hugh Clapperton, de reisverslagen van zijn verblijf in Sokoto in 1824 als gast van Gidado ﵀, zoals aangehaald in Last, p. 153; Adeleye, p. 120; Boyd, p. 54.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. xxix, xxxi, 39, 41–44, 46–47, 51, 53–54, 57–58, 60, 64–66, 148–149, 153, 208.
    • pp. 39, 41–44: Alkalawa dat niet geheel werd verwoest en het jaar na de val een bestuurder kreeg; Sokoto als hoofdkwartier van Bello ﵀ vanaf het najaar van 1809, ommuurd boven de samenvloeiing van Rima en Sokoto; de verhuizing van de Shaykh ﵀ naar Sifawa in 1809 of 1810; de verdeling van 1812 (1227), waarbij Abdullahi ﵀ in Bodinga bleef wonen, Gwandu pas na de dood van de Shaykh ﵀ zijn zetel werd, beiden vizier bleven en Abdullahi ﵀ op het kalifaat hoopte; het westen met het Nigerdal tot Nupe en Dendi, later Ilorin en Liptako; het oosten met Zamfara, Katsina, Kano, Daura, Bauchi, Gombe, Katagum en Oost-Bornu, plus Zaria, Hadejia en Adamawa; Masina dat een eigen kalifaat uitriep.
    • pp. 46–47, 51, 53–54, 57–58: de titels Amīr al-Muʾminīn en Khalīfa en de Bayān van november 1806; het argument uit de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām waarmee Masina het kalifaat van Sokoto afwees; de veebelasting jangali die officieel zakat of jizya heette; de vlaggen waarmee leiders naar huis werden gestuurd en die hen tot nuwwab of emirs maakten, met Abdullahi ﵀ en Bello ﵀ als tussenpersonen; de lijst van Bello ﵀ uit 1812 met Umar Dallaji, Sulaiman, Yaʿqub ﵀ en Buba Yero, en de vollere lijst van Gidado ﵀ met Musa, Dagimsa en Adama; de ambten van de Kitāb al-Farq en het verbod op koningstitels; de elf boeken en de donderdagavonden te Sifawa.
    • pp. xxix, xxxi, 60, 64–66, 208: de Infāq gedateerd 10 november 1812; de Shaykh ﵀ die omstreeks 1815 naar Sokoto verhuisde en daar op zondag 20 april 1817, tweeënzestig jaar oud, overleed, met Sokoto als voornaamste bedevaartsoord; Abdullahi ﵀ die uit Bodinga kwam en de poorten gesloten vond en zijn traktaat over het imamaat; zijn teruggetrokkenheid sinds Kano 1807 en de wrijving met Bello ﵀; de vlotte verkiezing van Bello ﵀; het overlijden van Abdullahi ﵀ in 1829/1245.
    • pp. 148–149, 153: Abdullahi ﵀ als oudste vizier in de Koranische zin van helper; Gidado dan Laima ﵀ als eerste vizier onder Bello ﵀ (1817–1842) en stamvader van de lijn; het gewaad dat Abdullahi ﵀ hem na Kalembaina overdroeg; Clapperton acht maanden onder de hoede van Gidado ﵀.
  • Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 14, 98–100, 106, 110–111, 113, 119–120, 138–139, 141–143, 150.
    • pp. 98–100, 110–111, 113: de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām als hoofdbron van het recht; de vlagdragers Mallam Dendo in Nupe, Buba Yero in Gombe en Yakubu ﵀ in Bauchi, en Zaria, Hadejia en Adamawa onder Fulani-emirs; de verdeling van 1812 met Gwandu als zetel van Abdullahi ﵀; de verhuizing van 1809 van Gwandu naar Sifawa nabij de nieuwe stad van Bello ﵀; zes jaar Sifawa tot 1815, waarin Bello ﵀ en Abdullahi ﵀ na 1812 het dagelijks bestuur droegen en Gidado dan Laima ﵀ als tussenpersoon diende; de gesloten poorten en de bijna een jaar durende verwijdering.
    • pp. 106, 119–120, 138–139: het doel van moslimbestuur in de Kitāb al-Farq en de Tabbat hakika van 1809 tegen omkoping en ambtenhandel; de Bayān als werk van na de jihad; de schatplichtigheid aan al-Maghili ﵀; de vizier die de heerser wekt, de rechter, de politiechef en de belastingontvanger; Gidado ﵀ als vizier van Bello ﵀ na Abdullahi ﵀ als vizier tijdens de jihad; de opperrechter Abubakar Ladan ﵀ te Sifawa.
    • pp. 14, 141–143, 150: de jaarlijkse schatting van de emirs uit belastingen en buit, in feite de opbrengst van slavenroof; de Hausa-titels als Galadima die bleven; zakat, kharaj en jizya naar klassiek model en de jangali die onder een andere naam voortleefde; de verhuizing van 1815 naar Sabon Gari buiten de muren van Sokoto, het overlijden op 20 april 1817 en de begrafenis in Sokoto; de Britse verovering van 1903.
  • R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), pp. 3, 25, 28, 30–31, 34, 36, 45–48, 57, 120.
    • pp. 3, 25, 28, 30–31, 34, 36: een gebied van zo’n 250.000 vierkante mijl; Sokoto in 1809 door Bello ﵀ gebouwd en Wurno als latere tweede hoofdstad; de vlaggen als teken van gezag; Hadejia onder Bi-Abdur en daarna zijn broer Muhammad Sambo Digimsa; Gombe, Bauchi en Adamawa onder Buba Yero, Yaʿqub ﵀ en Adam; de westelijke emiraten onder Gwandu vanaf 1812 en Mallam Dendo die omstreeks 1810 in Nupe aankwam; Ilorin met Afonja, Alimi ﵀ en na diens dood rond 1823 zijn zoon Abd al-Salam met een vlag uit Gwandu.
    • pp. 45–48, 57, 120: het behoud van titels als Galadima; Suleiman als emir van Kano en de eerste emirs die de Shaykh ﵀ persoonlijk kenden; de Ḍiyāʾ als constitutioneel compendium; de verdeling van omstreeks 1812, de vizier als schakel met de emiraten en de huldiging van Bello ﵀ door Abdullahi ﵀ na een eerste geschil; Ibrahim Dabo in Kano omstreeks 1819; Clapperton in 1824 in Sokoto ontvangen, met het handelsakkoord en de brief van Bello ﵀ aan George IV.
  • Ibraheem Sulaiman, The African Caliphate: The Life, Works and Teaching of Shaykh Usman dan Fodio, The Norwich Press, 2008, pp. 226, 244, 277, 282: Bello ﵀ aan het hoofd bij Alkalawa en de Ḍiyāʾ al-Ḥukkām als bestuurshandboek van het hele kalifaat; de verdeling tussen de twee viziers en de Shehu ﵀ die te Sifawa onderwees en schreef; het overlijden op 20 april 1817 na dertien jaar kalifaat; Asma’u ﵀ als lerares en politieke stem.
  • Jean Boyd, The Caliph’s Sister: Nana Asma’u 1793–1865, Teacher, Poet and Islamic Leader, Frank Cass, Londen 1989, pp. 25, 27, 29–30, 54: de ribat van Sokoto die Bello ﵀ in 1809 met de gevangenen van Alkalawa bouwde en de verdeling zoals Asma’u ﵀ die beschreef; de schrijfjaren te Sifawa; de verhuizing naar Sokoto in 1815 en het overlijden in de nacht van 21 april 1817 volgens Asma’u ﵀; Clapperton als gast van Gidado ﵀ in 1824 en Bello ﵀ op zijn vierenveertigste.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 30, 53–55: Bello ﵀ die moslimgevangenen vrijliet; het kalifaat dat honderd jaar standhield; de overlevenden van de jihad die in Brazilië, Trinidad en Cuba eindigden; Ilorin onder de kalief van Sokoto en de krijgsgevangenen die naar de Amerika’s werden gedeporteerd, met Bahia dat jaarlijks zo’n achtduizend Afrikanen opnam.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, p. 345: de plantages van het Sokoto-kalifaat met slaven in eigen dorpen.