De Sultan Die Schreef: Muhammad Bello en de Bestuurlijke Consolidatie van Sokoto
Zijn vader had het vuur aangestoken. Zijn oom had de wetten geformuleerd. Aan Muhammad Bello ﵀ viel de moeilijkste taak: van een jihad-beweging een functionerend kalifaat maken, met inktpot en zwaard tegelijk. Hij deed het dertig jaar lang, en hij deed het grotendeels met zijn pen.
Een Zoon Die Zijn Vader Moest Opvolgen
Usman dan Fodio ﵀ stierf in 1817 in Sifawa, nog geen tien jaar nadat zijn leger de Hausa-vorst Yunfa bij Alkalawa had verslagen en het Sokoto-kalifaat een feit was geworden. Wat de shehu achterliet, was nooit eerder in West-Afrika beproefd: een geletterde, juridisch gefundeerde, Fulbe-geleide staat die zich uitstrekte van Gwandu in het westen tot Adamawa in het oosten, ruim duizend kilometer over Hausaland.
Zo’n staat erven is echter niet hetzelfde als zo’n staat besturen. De shehu was profeet geweest, mujaddid, vernieuwer, de man die volgens zijn eigen geschriften in visioenen door de Profeet ﷺ was ingewijd in de taak om de Islam in Hausaland te hervormen, terwijl zijn zoon Muhammad Bello ﵀, geboren in 1781 in Degel, iets veel saaiers moest doen. Hij moest het dagelijkse werk verrichten: emirs in het gareel houden, ribats bouwen, een belastingsysteem opzetten, correspondentie voeren, opstanden neerslaan en theologische debatten wegwerken. Hij moest van de vlam een huis maken.
Anders dan veel opvolgers in de geschiedenis was hij daarop voorbereid, want Bello ﵀ had al onder zijn vader commando gevoerd en campagnes tegen Gobir geleid, en in 1809 had hij de stad Sokoto zelf gesticht, letterlijk een stad in het zand afgetekend, aan de samenvloeiing van de Sokoto en de Rima, op 13,06 graden noorderbreedte en 5,24 graden oosterlengte. En hij had al geschreven, want de Infāq al-Maysūr fī Taʾrīkh Bilād al-Takrūr, zijn kroniek van de jihad, voltooide hij al in 1812, drieëndertig jaar oud, terwijl zijn vader nog leefde. Een zoon die zijn eigen beweging documenteert terwijl zijn vader nog preekt, is een zoon die weet dat geschiedenis geschreven moet worden voordat de ooggetuigen sterven.
De Infāq al-Maysūr
Dat boek verdient een moment aandacht, want zonder de Infāq al-Maysūr zou onze kennis van de Fulani-jihad en het vroege Sokoto-kalifaat arm zijn. Bello ﵀ schreef het in Arabisch, in de geleerde stijl van Hausaland, met zinnen die voortbouwen, met ingebedde citaten uit Qur’an en Hadith, met poëzie verweven met proza en met lijsten van steden, stamhoofden en ulama in minutieuze opsomming.
De titel zelf is een programma. Infāq al-Maysūr betekent zoiets als “Het bestede rijkdom” of “De gemakkelijke uitgave”, een verwijzing naar de Qur’anische term voor wat de gelovige uitgeeft in de weg van Allah ﷻ, terwijl Taʾrīkh Bilād al-Takrūr, “Geschiedenis van de landen van Takrur”, het oude geografische label gebruikt waarmee de Arabische wereld sinds al-Bakri in de elfde eeuw West-Afrika ten zuiden van de Sahara aanduidde. Bello ﵀ plaatst zijn vaders beweging dus bewust binnen een lang, Arabisch-geletterd historisch kader, en hij zegt tussen de regels dat dit geen lokaal, tribaal incident is, maar een hoofdstuk in de geschiedenis van de Islamitische beschaving.
Het boek biedt drie dingen. Ten eerste een kroniek van de jihad zelf, met de preken van Degel, de hijra naar Gudu in 1804, de veldslagen bij Tabkin Kwotto en Alkalawa en de campagnes tegen Gobir, Katsina en Kano. Ten tweede een geografie en etnografie van Hausaland en omliggende regio’s, inclusief de Fulani-migratiepatronen, de Kanem-Bornu-grenzen, de zeven oorspronkelijke Hausa-staten en de zeven banza-staten (“bastaard”). Ten derde een juridische verantwoording, waarin hij uitlegt waarom deze jihad rechtmatig was, tegen wie hij gericht was en welke Maliki-doctrines van takfīr en hijra eraan ten grondslag lagen.
Bello ﵀ is een zorgvuldige verteller maar geen onpartijdige, want hij is de zoon van de shehu en schrijft voor een publiek dat de legitimiteit van het kalifaat moet blijven accepteren. Zijn kroniek minimaliseert daarom de conflicten binnen de Fulani-coalitie, vergroot de theologische excessen van Yunfa uit en presenteert de campagnes tegen Gobir als reactief waar zij in feite vaak preventief waren. Moderne historici als Murray Last en Mervyn Hiskett gebruiken zijn tekst als primaire bron, maar lezen haar tegen de Bornu-correspondentie en de Tazyīn al-Waraqāt van zijn oom Abdullahi ﵀ in om een evenwichtiger beeld te krijgen. Toch blijft de Infāq onmisbaar, want zonder haar ontbreekt een hele binnenkant van de beweging.
De Stad Die Uit Niets Werd Getekend
In 1809 was Sokoto nog niets dat een stad heet, slechts lage huizen van verdroogd leem, Fulani-kampementen en zongo’s, handelsverblijven waar karavanen uit Kano of Agades even rustten. Bello ﵀ koos die plek bewust, want zij lag op een strategisch kruispunt, ver genoeg van Gobir om veilig te zijn, dicht genoeg bij de Niger-bocht om handel te kunnen voeren, en met voldoende waterbronnen om een groeiende bevolking te dragen.
Hij liet muren trekken met een omtrek van tien kilometer en zeven poorten, elk met een Fulani-naam, en hij liet de masallacin juma’a, de vrijdagsmoskee, bouwen met plek voor duizenden gelovigen, en het paleis, gidan shehu, later gidan sarki, neerzetten met een binnenplaats voor audiënties en een privévertrek voor het studeren. En hij liet wat misschien zijn belangrijkste instelling was neerzetten, hoewel de minst zichtbare: een kanselarij, met secretarissen die muragabah voerden over de correspondentie, met kopieerders die uitgaande brieven vermenigvuldigden en inkomende archiveerden, en met een bibliotheek waarin de Qur’an-codices, de tafsir-werken van al-Qurtubi ﵀ en al-Baghawi ﵀, de Maliki-handboeken van Khalil ﵀ en Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀, en de geschriften van de shehu zelf werden bewaard.
Voor een stad die pas in 1809 uit de grond werd gestampt, was dat een verbluffend tempo, want binnen een generatie zou Sokoto de intellectuele hoofdstad van West-Afrika zijn. Timbuktu leefde nog, de bibliotheken van de Aqit-familie waren er nog, en de Tarikh as-Sudan werd er nog gekopieerd, maar Timbuktu was een erfenis-stad, een stad die uit haar zestiende-eeuwse glans teerde, terwijl Sokoto een werkend centrum was, een plek waar nieuwe teksten werden geproduceerd en waar juristen schreven over actuele zaken. Het was een levend hart, geen museum.
De Ribats: Grenssteden Voor Verdediging En Geleerdheid
Een van de meest doordachte beleidsinstrumenten van Bello ﵀ waren de ribats, grenssteden die tegelijk militaire vooruitposten en religieuze leercentra waren. Het woord ribat heeft een lange geschiedenis in de Islamitische wereld, want het verwijst naar de versterkte kloosters langs de vroege grenzen van de Maghreb en al-Andalus, plekken waar strijders en sufi’s samen woonden en waar gebed en waakzaamheid naast elkaar bestonden, en dat concept reanimeerde Bello ﵀ voor zijn eigen grenzen.
Hij stichtte er meerdere, want Sifawa, waar zijn vader gestorven was, werd uitgebouwd tot een ribat met garnizoen en madrasa, terwijl Wurno, noordoostelijk van Sokoto, een tweede residentie werd waar Bello ﵀ zelf vaak verbleef om dichter bij de Gobir-grens te zijn, en Gandi, Dange, Kware, Salame en Chimmola werden allemaal kleinere grensnederzettingen die Fulani-strijders, Hausa-handwerkers en geleerden combineerden.
De logica was dubbel. Ten eerste was zij militair, want een ribat houdt een grens in gareel zonder dat een permanent leger in het veld hoeft te worden onderhouden, en ten tweede was zij cultureel, want een ribat maakt Fulbe-nederzettingen duurzaam in gebieden waar de Fulani voorheen als nomaden rondtrokken. Zo verdiepte de jihad zich in de bodem, werd zij territoriaal en groef zij zich in.
Dit had gevolgen die Bello ﵀ mogelijk niet volledig overzag, want de ribats zogen Fulani-bevolking naar specifieke kernen en lieten de tussenliggende gebieden relatief Hausa-dominant, zodat het kalifaat een lappendeken werd van Fulbe-elites in de steden en ribats, Hausa-meerderheden op het platteland, en een slavenbevolking, waarover zo meer, op de plantages en in de huishoudens. Deze etnisch-sociale stratificatie was niet door de shehu bedoeld, die in principe ummah-broederschap predikte, maar zij was de pragmatische uitkomst van het consolidatiebeleid van Bello ﵀, en honderd jaar later zouden de Britten onder Lugard deze lappendeken ontdekken en er hun “indirect rule” op baseren.
Honderd Brieven, Twintig Emirs
Wat Sokoto onder Bello ﵀ goed deed, en wat voorheen in West-Afrika zeldzaam was geweest, is schriftelijk bestuur, want rond honderd brieven van zijn hand zijn bewaard gebleven, sommige in het archief van de sultan van Sokoto, andere in regionale emiraat-archieven, en weer andere in de collecties van Noord-Afrikaanse en Egyptische bibliotheken waar karavaan-kopieën ooit aankwamen. Moderne uitgaven, zoals die van Bobboyi en Yamusa in Nigeria en van Hunwick in het Arabic Literature of Africa-project, maken deze brieven toegankelijk.
Wie er een paar leest, ziet een vorst die zijn rijk regeert via inkt, want hij schrijft aan de emir van Kano over belastingafdrachten en over de correcte toepassing van zakat op kudden, aan de emir van Bauchi over een dispuut over slavenprijzen, en aan Yakubu van Bauchi zelf, een geleerde emir en bijna een geestverwant, over een theologische kwestie rond het maken van amuletten, terwijl hij aan de emir van Zaria schrijft over grensconflicten met Katsina. Hij stuurt fatwa’s, risala’s, persoonlijke vermaningen en formele decreten, allemaal in hetzelfde heldere, aangrijpbaar-Maliki Arabisch.
Eén patroon valt op, want Bello ﵀ regeert met gezag maar zelden met dreiging, en zijn brieven klinken niet als bevelen van een despoot maar als adviezen van een oudere broer die ook de autoriteit heeft. Dit is geen toeval, want het vlaggenstelsel van Sokoto, waarbij het kalifaat zijn vazal-emirs via een formele bay’a en de overhandiging van een tuta, een vlag, erkende, creëerde meer een federatie dan een centrale staat. Bello ﵀ had immers geen staand leger dat hij naar Kano of Ilorin kon sturen om zijn bevelen af te dwingen, maar wel autoriteit, afhankelijk van respect en van zijn positie als zoon van de shehu en als geletterde gelijke van zijn emirs, en die autoriteit onderhouden vereiste voortdurende correspondentie, niet één brief per jaar maar een stroom.
En waar de correspondentie faalde, kwam het zwaard, maar altijd na het woord. Dat is zijn bestuursstijl in één zin samengevat.
De Epistolaire Oorlog Met al-Kanemi
Nu volgt een ongemakkelijk deel, want de eerlijkheid verplicht ertoe: het Sokoto-kalifaat werd niet door alle moslims in de regio erkend, en sterker nog, het werd door één van de meest gerespecteerde moslim-geleerden van West-Afrika van die tijd openlijk bestreden. Zijn naam was Muhammad al-Amin al-Kanemi ﵀, de shaykh die vanaf 1808 de effectieve heerser werd van het oude sultanaat Bornu, oostelijk van Hausaland, rond het Tsjaadmeer.
De context is belangrijk, want Bornu was geen heidens rijk, maar sinds de elfde eeuw een Islamitisch sultanaat, met een mai (sultan) uit de Sayfawa-dynastie, met een lange traditie van fiqh Maliki, met eigen ulama en met een kalender die met die van de umma klopte. Toen de Fulani-jihad zich vanuit Sokoto in 1808 tot Bornu uitbreidde en Fulani-strijders de Bornu-hoofdstad Birni Gazargamu plunderden, werd dat door de Bornu-elite ervaren als aanval van moslims op moslims, en al-Kanemi ﵀, die uit de Kanembu-aristocratie kwam en in Fez en Medina gestudeerd had, herorganiseerde het Bornu-leger, verdreef de Fulani, en stichtte uiteindelijk een nieuwe hoofdstad, Kukawa, waarvan hij de feitelijke heerser werd terwijl de Sayfawa-mai een ceremoniële figuur bleef.
En toen begon de briefwisseling, want al-Kanemi ﵀ schreef eerst, rond 1810 tot 1813, aan de shehu Usman dan Fodio ﵀ zelf, en later, na 1817, vervolgde hij met Muhammad Bello ﵀. De toon was scherp maar gedocumenteerd.
“Waarom worden Bornu-moslims door jullie aangevallen? Waarom verklaren jullie onze mai tot ongelovige? Op welke Maliki-basis rusten jullie takfīr? Onze moskeeën staan. Onze Qadi’s vonnissen. Onze Qur’an-scholen onderwijzen. Welk recht hebben jullie om ons als dar al-harb te beschouwen?”
Bello ﵀ antwoordde, en hij betoogde dat de Bornu-elite Islamitische praktijken vermengde met pre-Islamitische tradities, bijvoorbeeld rond de inauguratie van de mai, rond bepaalde hofrituelen en rond fiscale praktijken die hij als on-Islamitisch bestempelde. Hij citeerde fatwa’s van al-Maghili ﵀ uit de vijftiende eeuw die zulke vermengingen als grond voor takfīr hadden gezien, en hij wees op slavernij van moslims door moslims, wat naar Maliki-recht ontoelaatbaar was, en beschuldigde Bornu-strijders van het meevoeren van Fulani-moslimvrouwen als slavinnen.
Al-Kanemi ﵀ antwoordde weer, en zijn tegenargumenten zijn intellectueel indrukwekkend, en in sommige opzichten wonnen zij het debat. Hij betoogde dat rituele onregelmatigheden geen takfīr rechtvaardigen zolang de arkan al-iman, de geloofspijlers, intact waren, en hij wees erop dat de Fulani zelf, vóór de jihad, identieke hofpraktijken aan de Hausa-koningen hadden getolereerd, terwijl hij Sokoto beschuldigde van tribale agressie onder Islamitisch vaandel, van Fulbe-expansie gehuld in de taal van jihad.
Dit is de waarheid die niet mag worden weggemoffeld, want het Sokoto-kalifaat had een serieuze, geleerde, moslimse tegenstander die weigerde te erkennen dat het een jihad voerde. Die controverse is nooit opgelost, want Bornu bleef onafhankelijk van Sokoto, de oorlog tussen beide bleef sluimeren, en de beide shaykhs stierven zonder hun geschil te beslechten. Al-Kanemi ﵀ stierf in 1837, hetzelfde jaar als Bello ﵀, en hun correspondentie is bewaard gebleven in meerdere manuscripten, waaronder de bundel die door Bornu-historici als Risala en door moderne uitgevers als Letters of al-Kanemi bekend is gemaakt.
Voor wie eerlijk met onze geschiedenis omgaat, geldt dat de jihad van Usman dan Fodio ﵀ een authentieke hervormingsbeweging was die duizenden Hausa-boeren van roofzuchtige vorsten bevrijdde, die Maliki-recht in Hausaland verankerde en die geletterdheid uitbreidde, maar zij was ook een Fulbe-machtsovername die met theologische gereedschappen werd gerechtvaardigd en die door een andere grote moslim-geleerde expliciet werd afgewezen. Beide dingen zijn waar, en wie één ding ontkent, liegt tegen de feiten.
De Gaskiya: Poëzie In Twee Talen
Naast staatsman was Bello ﵀ ook dichter, want hij schreef in het Arabisch en in het Fulfulde, zijn moedertaal, en een deel van zijn poëzie wordt in de Sokoto-traditie onder de verzamelnaam Gaskiya (“waarheid”) aangehaald, hoewel deze term later breder is gebruikt voor het volledige Fulfulde-corpus van de familie dan Fodio.
Wat hij schreef, was veelvormig, want hij dichtte qasidas ter ere van de Profeet ﷺ, in de traditie van de Burdah van al-Busiri ﵀, en didactische gedichten over tawhid en over Maliki-fiqh, bestemd voor studenten van zijn madrasa, en persoonlijke klaagliederen, bijvoorbeeld bij de dood van het tweelingszoontje van zijn zuster Nana Asmaʾu ﵀, een gedicht waarin het staatsmansvuur kort opzij schuift voor menselijk verdriet. Daarnaast schreef hij politieke poëzie waarin hij emirs vermaant of overwinningen viert, en tabshir-gedichten, troostgedichten voor gelovigen in moeilijke tijden, die werden voorgelezen in moskeeën na het vrijdaggebed.
Zijn zuster Nana Asmaʾu ﵀ was zelf trouwens een dichter van internationaal formaat, en samen vormden broer en zuster een cultureel zwaartepunt dat West-Afrika niet meer had gehad sinds Ahmad Baba ﵀ in Timbuktu. Het yan-taru-netwerk van Asmaʾu ﵀, haar netwerk van vrouwelijke leerkrachten die van dorp tot dorp vrouwen onderwezen, was een educationeel project dat ver boven haar tijd uitstak, en dat zonder de logistieke bescherming van haar broer Bello ﵀ niet mogelijk zou zijn geweest.
De poëzie van Bello ﵀ is nog niet volledig vertaald naar Europese talen, en delen zijn door Hiskett, door Mukhtar Bunza en door Ibrahim Sulaiman in het Engels toegankelijk gemaakt, maar voor de madrasa-netwerken in Kano, Zaria, Yola en Gombe blijft zij dagelijks aanwezig, geciteerd in tafsir-lessen, gezongen in mawlid-vieringen en gereciteerd in het Fulfulde dat Bello ﵀ zelf sprak.
Campagnes, Opstanden, De Langzame Brand
De regeerperiode van Bello ﵀ was niet vreedzaam, want hij voerde voortdurend campagne, aangezien de Gobir-restanten onder verschillende Yunfa-opvolgers het noorden van het kalifaat bleven binnenvallen. In 1818 versloegen zij Bello ﵀ bij een veldslag en moest hij zich tijdelijk terugtrekken, terwijl hij in 1826 persoonlijk een grote expeditie tegen Gobir leidde, waarbij de uiteindelijke nederlaag van de laatste Gobir-vorst werd bezegeld. Daarnaast campagneerde hij tegen de Kebbi-vorsten, tegen restanten van het Zamfara-sultanaat en tegen Nupe-opstanden in het zuiden, terwijl de oostelijke grens met Bornu, zoals gezegd, een sluimerende crisis bleef.
Tegelijk moest hij interne spanningen beheersen, want tussen Sokoto en Gwandu, de westelijke tak van het kalifaat, onder leiding van zijn oom Abdullahi dan Fodio ﵀, groeide ongemak, waarover later meer. Tussen emirs onderling ontstonden bovendien conflicten, want Kano stond tegenover Katsina over grondgebied, Bauchi tegenover Adamawa over de behandeling van niet-moslim populaties, en Zaria kende intern strijd over opvolging, zodat Bello ﵀ bemiddelde, herverdeelde, straffede en beloonde en zo een soort Islamitische federale arbiter werd.
En hij droeg de last van het slavenhoudende karakter van zijn kalifaat, wat eerlijk gezegd moet worden, want Sokoto voerde, ondanks zijn hervormingsretoriek, een economie die in belangrijke mate op slavenarbeid draaide. De campagnes tegen niet-moslim populaties, tegen Kurfi, de Kebbi-dorpen, de zuidelijke Gwari en delen van de stammen op het Jos-plateau, leverden voortdurend nieuwe slaven op, terwijl de plantages rond Kano, Zaria en Sokoto zelf door slaven werden bewerkt, en de jangali-belasting op kudden, de zakat op graan en de slavenhandel de drie economische pijlers van het kalifaat vormden. Historici als Paul Lovejoy hebben berekend dat tegen het midden van de negentiende eeuw het Sokoto-kalifaat een van de grootste slavensamenlevingen van Afrika was, met miljoenen onvrijen, en Bello ﵀ was zich hiervan bewust en verdedigde de praktijk binnen de Maliki-grenzen, want niet-moslims in dar al-harb mochten tot slaaf worden gemaakt en moslims niet, mishandeling was verboden en vrijlating verdienstelijk. Maar de instelling zelf werd niet ter discussie gesteld, en wie over Bello ﵀ spreekt zonder deze economische realiteit te noemen, vertelt een half verhaal.
De Blik Van Een Europese Vreemdeling
In 1824 gebeurde iets bijzonders, want een Schot genaamd Hugh Clapperton, officier in de Britse marine en lid van een expeditie die vanuit Tripoli zuidwaarts was getrokken, bereikte Sokoto, en Bello ﵀ ontving hem persoonlijk, sprak met hem in het Arabisch via een tolk, en ondervroeg hem over Europese politiek, over Napoleon, over de relaties tussen Engeland en Frankrijk, en over de marine-technologie. Het Journal of a Second Expedition into the Interior of Africa van Clapperton (1829) is een onschatbaar buitenlandse blik op het hof van Bello ﵀.
Wat Clapperton zag, was een sultan die Arabisch las en schreef, die geografische kaarten begreep, die hem vroeg of Engeland Bornu zou willen steunen tegen Sokoto, waarop Clapperton weigerde politiek in te grijpen, en die hem boeken uit zijn bibliotheek toonde. Hij zag een stad waarin de markten geregeld waren en waarin vrouwen, althans de moslim-vrouwen van de Fulani-elite, binnen de purdah leefden, terwijl aristocratische vrouwen zoals Nana Asmaʾu ﵀ wel degelijk intellectueel actief waren. Hij zag moskeeën vol, madrasas vol en slavenkaravanen op weg noordwaarts, en hij zag, met andere woorden, een functionerende Islamitische staat in het hart van Afrika.
Clapperton keerde terug met de brieven van Bello ﵀ aan koning George IV, waarin Bello ﵀ vroeg om Britse diplomatieke betrekkingen en om de bevoorrading van Sokoto met boeken, medicijnen en vuurwapens, in ruil voor handelstoegang. Londen reageerde traag, en Clapperton stierf twee jaar later in de Fulani-kampen bij Sokoto, uitgeput door dysenterie, begraven in Jungavi met de zegen van Bello ﵀. De diplomatieke opening liep zo op niets uit, want pas een kwart eeuw later zouden Britse koloniale belangen Hausaland serieus benaderen, en dan onder heel andere voorwaarden.
Maar het episode is belangrijk, want het laat zien dat Sokoto onder Bello ﵀ niet het geïsoleerde binnenland was waarvoor negentiende-eeuwse Europese beschrijvingen het vaak versleten. Bello ﵀ wist van Napoleon, hij wist dat Engeland groot was, en hij wist dat Afrikaanse kuststaten onder toenemende Europese druk stonden, en hij probeerde, op zijn eigen manier, voor zijn rijk een diplomatieke positie te kiezen. Dat Europa niet antwoordde, is geen falen van Sokoto, maar de tragedie van Europa.
De Dood In Wurno, De Erfenis In De Pen
Muhammad Bello ﵀ stierf op 25 oktober 1837 in Wurno, de ribat die hij zelf had gesticht, zesenvijftig jaar oud, en zijn regeerperiode had twintig jaar geduurd, bijna even lang als die van zijn vader tijdens de jihad zelf en de korte kalifaatperiode samen. Hij liet een geconsolideerd kalifaat na, met dertig vazal-emiraten, een stabiele hoofdstad, een functionerende kanselarij en een intellectuele traditie die zijn opvolgers nog generaties lang zou voeden, maar hij liet ook een netwerk van onopgeloste spanningen na, want Bornu, Gwandu, de slavenkwestie en de toenemende technologische achterstand op een Europa dat zich industrialiseerde bleven onafgedaan.
Zijn graf ligt in Wurno, zijn boeken liggen in Sokoto, en zijn gedichten leven op de lippen van talibe’s in Kano. Hij was de sultan die schreef, de man die een beweging tot een staat maakte zonder de beweging te verraden, en in een tijd waarin de meeste staatshoofden van West-Afrika analfabeet regeerden, was hij een geleerde van internationaal formaat, terwijl hij tegelijk de vorst was van een rijk dat op slavenarbeid draaide en dat andere moslims als afvalligen behandelde.
Dat is de echte Bello ﵀, volwassen, ingewikkeld en historisch, geen heilige en geen tiran, maar een staatsman in de volle Islamitische traditie, met al het licht en alle schaduw die dat begrip toestaat.
Kaart laden...
Wat Volgt
Terwijl Bello ﵀ vanuit Sokoto regeerde, bouwde zijn oom Abdullahi ﵀ aan de andere kant van het kalifaat zijn eigen project, want Gwandu, het westelijke emiraat, was officieel aan Sokoto ondergeschikt maar in de praktijk semi-autonoom, en Abdullahi ﵀ was, anders dan zijn neef Bello ﵀, een geleerde van het twijfelende soort, een man die het jihad-project had helpen lanceren, maar die, toen het succes zich eenmaal had gevestigd, ging schrijven over wat er intern mis was gegaan.
Zijn autobiografie Tazyīn al-Waraqāt is een van de eerlijkste teksten uit de hele Islamitische hervormingstraditie, want hij spreekt openlijk over commandanten die plunderden in naam van de jihad, over buit-deling die Islamitische regels overtrad, en over zijn eigen besluit om de oprukkende legers niet tot aan Alkalawa te volgen. Naar die man, naar dat project, naar die kritiek-van-binnenuit, gaan wij nu.
Bronnen
- Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr fī Taʾrīkh Bilād al-Takrūr, de kroniek van de jihad, in een Sokoto-afschrift gedateerd dinsdag 5 Dhu’l-Qaʿda 1227 (10 november 1812), uitgegeven door C. E. J. Whitting (Londen 1951); zij bewaart ook de brieven van al-Kanemi ﵀, zoals beschreven in Last, pp. xxx–xxxi, 208.
- De briefwisseling tussen Sokoto en Shaykh Muhammad al-Amin al-Kanemi ﵀ van Bornu, gevoerd door de Shehu ﵀, Bello ﵀ en Abdullahi ﵀ en overgeleverd in de Infāq al-Maysūr, zoals samengevat in Hiskett, pp. 109–110.
- Hugh Clapperton, Journal of a Second Expedition into the Interior of Africa (Londen 1829), en het verslag van de eerste reis in Denham en Clapperton, Narrative of Travels and Discoveries in Northern and Central Africa (Londen 1826): de Europese ooggetuige van Sokoto in 1824 en 1826–1827, zoals aangehaald in Adeleye, pp. 119–120.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. xxx–xxxi, 41–42, 47, 53, 69, 71, 74–75, 77–81, 151–152, 183, 208.
- pp. xxx–xxxi, 208: de Infāq al-Maysūr als de meest gedetailleerde en feitelijke kroniek van de jihad, voltooid in 1812 (1227) nadat Bello ﵀ al-Kanemi ﵀ had geantwoord; de brieven van al-Kanemi ﵀ die erin zijn opgenomen; het officiële relaas van de jihad dat op verzoek van al-Kanemi ﵀ werd opgesteld.
- pp. 41–42, 183: het besluit van Bello ﵀ in het najaar van 1809 om Sokoto tot zijn hoofdkwartier te maken en de bouw van de ommuurde stad; de muren, rond 1818 herbouwd en ongeveer 24 voet hoog, met oorspronkelijk meer dan acht poorten; de moskee van Bello ﵀ en de huizen op het stadsplan.
- pp. 47, 53: het vlaggenstelsel, waarbij leiders uit Hausaland met een door de Shaykh ﵀ gezegende vlag naar huis werden gestuurd en als emirs hun eigen gebied kregen, met de viziers Abdullahi ﵀ en Bello ﵀ als tussenpersonen; de lijst van lieutenants die Bello ﵀ in 1812 geeft; de titel Amir al-muʾminin in de briefwisseling met al-Kanemi ﵀.
- pp. 69, 71: de opstanden in Kebbi en Gobir van januari 1818; de Zamfarawa die pas in 1822–1823 beslissend werden verslagen; de zevenenveertig veldtochten van Bello ﵀; het beleg van Konya in 1826 dat Clapperton bijwoonde; de vrede met Kebbi rond 1830 en de slag bij Gawakuke in 1836.
- pp. 74–75, 77–80: de ribats, ommuurde grenssteden naar het voorbeeld van de vroege moslimveroveringen, op initiatief van Bello ﵀; Lajinge, Shinaka en Kware na Gawakuke in maart 1836, later Bakura en Gandi; Wurno als zijn eigen ribat, waar hij wilde sterven en begraven worden; Silame tegen Kebbi; ommuurde steden met moskeeën en scholen en het vestigen van de veehoudende Fulani; de zuidelijke nederzettingen rond Sifawa zonder grote ribat.
- pp. 81, 151–152: het overlijden van Bello ﵀ na een ziekte van zeven maanden op 26 oktober 1837 (25 Rajab 1253), zesenvijftig jaar oud, geboren in Dhu’l-Qaʿda 1195 (oktober–november 1781); de inname van Birnin Gazargamu in 1808 en de vizier Gidado ﵀ die de wapenstilstand met al-Kanemi ﵀ onderhandelde en de brieven overbracht.
- Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 109–110, 115, 141, 150.
- pp. 109–110: de Bornu-correspondentie: al-Kanemi ﵀ als feitelijke heerser van Bornu die de Fulani verwijt moslims aan te vallen; de briefwisseling die waarschijnlijk in 1810 begon en tot rond 1812 doorliep, deels gevoerd door Bello ﵀ en Abdullahi ﵀; het Sokoto-argument dat Bornu de ongelovige Habe had geholpen.
- pp. 115, 141, 150: de ribats, de vestigingspolitiek en het bestuursstelsel van Bello ﵀ en zijn dood in 1253/1837, zesenvijftig jaar oud, met het rijk op zijn hoogtepunt; de jaarlijkse schatting van de emirs uit belastingen en buit, in feite de opbrengst van de slavenjacht; de verhuizing van de Shehu ﵀ in 1815 van Sifawa naar Sabon Gari buiten de muren van Sokoto en zijn dood daar op 20 april 1817, begraven in Sokoto.
- R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), pp. 70, 119–120.
- p. 70: de aanvallen van Bornu op Katagum en Hadejia in 1824–1825; de opmars van al-Kanemi ﵀ tot bij Kano in 1826, verslagen door Yaʿqub van Bauchi terwijl Bello ﵀ Konya belegerde; de dood van al-Kanemi ﵀ in 1837.
- pp. 119–120: het hartelijke onthaal van Clapperton in Sokoto in 1824, het handelsakkoord en de brief van Bello ﵀ aan George IV van 18 april 1824; het tweede bezoek van 1826–1827 dat in vijandschap omsloeg toen Clapperton van hulp aan Bornu met vuurwapens werd verdacht.
- Jean Boyd, The Caliph’s Sister: Nana Asma’u 1793–1865, Teacher, Poet and Islamic Leader, Frank Cass, Londen 1989, pp. 42–43, 49, 54, 63, 69.
- pp. 42–43, 49, 54, 63, 69: Bello ﵀ die zijn zuster Nana Asmaʾu ﵀ koos om de vrouwen van het kalifaat te leiden en haar werk in het onderwijs aan vrouwen; Clapperton als gast van Gidado ﵀ in 1824 en zijn beschrijving van Bello ﵀ als man van vierenveertig; de ziekte van zeven maanden in Wurno en de dood op 25 Rajab 1253 (26 oktober 1837).
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, p. 47: Bello ﵀ die in de Infāq de uitspraken van al-Maghili ﵀ aanhaalt in zijn briefwisseling met al-Kanemi ﵀, en de Shehu ﵀ die in de Taʿlīm al-ikhwān op grond van al-Maghili ﵀ al-Kanemi ﵀ tot ongelovige verklaart.
