InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Fulani Jihad
Islam in West-AfrikaHet Sokoto Kalifaat

De Fulani Jihad

De Fulani Jihad (1804)

Op 21 februari 1804 werd in een dorp aan de noordwestgrens van Gobir een groene vlag geheven, en binnen vier jaar lag de oude Hausa-hoofdstad Alkalawa in as, was haar sarki gedood en stond een nieuw Islamitisch rijk uit het stof op. Dit is het verhaal van een beweging die zich beriep op Allah ﷻ, op de shari’a en op dertig jaar wachten, maar het is evenzeer het verhaal van een bittere waarheid, want het was een oorlog van moslims tegen moslims, gerechtvaardigd door takfīr, uitgevochten met musket en sabel en gewonnen met de meedogenloze zekerheid die alleen ideologische overtuiging kan leveren.

Gudu, een Kaal Dorp in de Vroege Lente

Gudu ligt op ongeveer 12,75 graden noorderbreedte en 4,50 graden oosterlengte, en vandaag is het een gehucht in de staat Sokoto, een handvol compounds rond een moskee die is herbouwd en nog eens herbouwd, een plek die geen toerist bezoekt. In februari 1804 was het nog minder dan dat, niet meer dan een paar Fulani-kampen, wat verspreide lemen huisjes, een bron en enkele akkers.

Het was een vlak landschap, hier en daar getekend door een dum-palm of een acacia met platte kruin, terwijl de Harmattan net de lucht vol stof had geblazen, zodat de horizon in een oranje waas verdween. De nachten waren kil en de dagen droog en stoffig, maar helder genoeg om kilometers ver te zien wie er aankwam.

Hierheen trok Usman dan Fodio ﵀ met zijn jama’a op 10 Dhu al-Qa’da 1218, 21 februari 1804. De karavaan telde, volgens de Fulani-bronnen, enkele honderden mensen direct, misschien zeshonderd en waarschijnlijk meer als de kinderen en de bedienden worden meegerekend, en zij kwamen aan met wat zij op hun kamelen en ezels hadden kunnen laden. Het waren vooral boeken, want de shaykh ﵀ reisde nooit zonder zijn kleine privébibliotheek, aangevuld met textiel, gereedschap en voedsel voor enkele weken, naast de wapens die zij bij elkaar hadden geschraapt, grotendeels speren en boogschutters-uitrusting, een paar zwaarden en slechts een handjevol oude vuurwapens die jaren niet waren afgevuurd.

Dertig jaar van prediking had hen tot hier gebracht, en nu moest iets anders beginnen.

Het Heffen van de Vlag

Wat in Gudu gebeurde is overgeleverd in Infāq al-Maysūr, de kroniek die Muhammad Bello ﵀, de zoon van dan Fodio ﵀, later zou schrijven, en het is het beste verslag van binnenuit, geschreven door iemand die bij de gebeurtenissen aanwezig was. Bello ﵀ was op dat moment ongeveer negentien jaar oud en op weg om het eigenlijke militaire brein van de hele campagne te worden.

In Gudu werd dan Fodio ﵀ door zijn aanhangers formeel tot Amīr al-Muʾminīn uitgeroepen, Bevelhebber van de Gelovigen, een van de zwaarste titels in de Islamitische traditie, oorspronkelijk gedragen door Umar ibn al-Khattab ﵁, de tweede kalief, en sindsdien gereserveerd voor de rechtmatige leider van een Islamitische gemeenschap. Dat dan Fodio ﵀ hem aanvaardde, aanvankelijk met tegenzin volgens zijn eigen werken, was een formele verklaring dat hij de politieke autoriteit van Yunfa’s Gobir niet langer erkende, want een nieuwe bay’a, een eed van trouw, was nu verschuldigd, niet meer aan de sarki maar aan hem als Islamitische leider.

Dit was een juridische stap met gevolgen die niet meer ongedaan gemaakt konden worden, want wie de bay’a aan dan Fodio ﵀ aflegde, verklaarde de bay’a aan Yunfa daarmee nietig. Voor Yunfa was dit rebellie, terwijl het voor de jama’a van dan Fodio ﵀ een wederopstanding was.

Toen werd de vlag geheven, in de Fulani-overlevering een groen vaandel, en groen is de kleur van de Profeet ﷺ, de kleur die al sinds de Umayyaden-tijd de banieren van moslimlegers had gekleurd. Het werd gedragen door Muhammad Bello ﵀, of misschien door Abdullahi ﵀, de broer van dan Fodio ﵀, want de bronnen lopen op dit punt iets uiteen.

De shaykh ﵀ sprak, en wat hij precies zei is niet woord voor woord overgeleverd, maar de strekking is duidelijk genoeg: hij verklaarde de jihad tegen Yunfa en tegen de andere Hausa-vorsten die moslims belemmerden in hun geloofsbeoefening, en hij citeerde de Qur’an-passages die jihad fi sabil Allah toestonden wanneer moslims werden onderdrukt. Hij herinnerde zijn aanhangers aan de hijra van de Profeet ﷺ van Mekka naar Medina, aan de eerste bay’a onder de boom van Aqaba en aan de slag van Badr, waarin een klein leger gelovigen tegen een veel groter leger zijn geloof verdedigde, en hij beloofde hun niet de overwinning, want die hoorde Allah ﷻ toe, maar wel de juistheid van hun zaak.

Toen kwam het werk.

De Kitab al-Farq, de Juridische Architectuur

Een zwaard zonder rechtvaardiging is banditisme, terwijl een rechtvaardiging zonder zwaard alleen een klaagschrift is, en de jihad van dan Fodio ﵀ had beide. Het juridische gedeelte ligt vastgelegd in een tekst die nog altijd omstreden is, het Kitāb al-Farq bayn Wilāyāt Ahl al-Islām wa Wilāyāt Ahl al-Kufr, “Het Boek over het Verschil Tussen Moslim- en Ongelovigen-Bestuur”.

Dan Fodio ﵀ had deze tekst al eerder geschreven, waarschijnlijk in de jaren 1790, al is de exacte datering omstreden, maar in de jihad-jaren werd hij het fundamentele manifest van de beweging. De vraag van de tekst is eenvoudig en vreselijk, want zij vraagt wanneer een bestuur dat zich Islamitisch noemt in feite niet-Islamitisch is, wanneer een heerser zijn status als legitieme moslim-autoriteit verliest, en wanneer de plicht van gehoorzaamheid, die moslims in beginsel aan hun heersers verschuldigd zijn, wordt omgedraaid in de plicht van verzet.

Het antwoord dat de Kitāb al-Farq geeft is systematisch. Een bestuur wordt wilāyāt ahl al-kufr, een ongelovig bestuur, wanneer het de shari’a niet toepast, wanneer het belastingen heft die niet in de fiqh zijn gefundeerd, wanneer het willekeurige terechtstellingen verricht, moslimbezit confisqueert en moslimvrouwen dwingt, en wanneer het niet-Islamitische rituelen aan het hof onderhoudt en moslims die daarmee breken vervolgt. En de scherpste lijn is dat een bestuur zulk een status krijgt wanneer het de openlijke belijdenis van het geloof bemoeilijkt of verbiedt.

Dan Fodio ﵀ somt deze criteria op, en dan, voorzichtig maar onmiskenbaar, projecteert hij ze op de Hausa-sarauta, want de sarki’s van Gobir, Kano, Katsina, Zaria en de rest voldoen in meerdere opzichten aan deze criteria. Zij heffen jangali die geen Maliki-basis heeft, zij onderhouden een hofcultuur waarin iskoki-rituelen naast Islamitische worden gepraktiseerd, en zij dwingen de jama’a van dan Fodio ﵀ tot terugtrekking en vervolgen haar leden, zodat hun gezag, niet in naam maar juridisch, geen legitiem Islamitisch gezag is.

Dit is de cruciale stap, want de Kitāb al-Farq is geen expliciete takfīr-verklaring tegen de Hausa-sarki’s als individuele moslims, en dan Fodio ﵀ is daarvoor te voorzichtig: hij verklaart het gezag ongeldig, niet noodzakelijkerwijs de persoon. Maar het gevolg is praktisch hetzelfde, want tegen zulk gezag is jihad niet alleen toegestaan, hij is verplicht.

Latere generaties zouden deze nuance vaak niet behouden. In de hitte van de oorlog, op de lippen van minder geleerde wa’iz-prekers die de Kitāb al-Farq slecht of helemaal niet hadden gelezen, werd de takfīr tegen het gezag al snel takfīr tegen de Hausa-bevolking zelf, zodat Hausa-moslims in sommige dorpen als murtaddun, als afvalligen, werden behandeld, hun bezit geconfisqueerd en hun kinderen tot slaven gemaakt. Dit was niet wat dan Fodio ﵀ juridisch had opgeschreven, maar het was wel wat op de grond gebeurde.

Dit moet direct gezegd worden, want de Fulani-jihad was in zijn doctrinaire structuur een oorlog tegen gezagsdragers, terwijl hij in zijn praktische uitvoering vaak een oorlog tegen bevolkingen werd, en de Hausa-bevolkingen tegen wie gevochten werd, waren zelf al moslims, vaak niet zo strak in de leer als dan Fodio ﵀ wenste, maar moslims in naam en in gebed. Dit is geen oorlog tegen ongelovigen geweest, maar in de scherpste termen een jihad van moslims tegen moslims, gebouwd op een takfīr-doctrine die, hoe juridisch onderbouwd ook, in de uitvoering door lagen van zelfbedrog en geweld heen liep.

Wie over de Fulani-jihad spreekt zonder deze waarheid te noemen, spreekt met een halve mond.

Tabkin Kwotto, het Keerpunt

De vlag was geheven, de Amīr al-Muʾminīn benoemd en de jihad verklaard, en Yunfa liet daarop geen seizoen voorbijgaan. Hij stuurde een leger uit Alkalawa naar het zuidwesten om de jama’a te verpletteren voordat zij zich kon vestigen, en op 21 juni 1804 vocht de beweging haar eerste veldslag, bij Tabkin Kwotto, “het Meer van Kwotto”, in de buurt van wat later Gwandu zou worden. De Hijri-datum die de overlevering aan deze slag hecht, 26 Rabi’ al-Akhir 1219, valt bij omrekening in augustus en laat zich met een zomerslag niet verzoenen, zodat de Gregoriaanse datering hier de betrouwbaarste is.

De Gobir-cavalerie was professioneel, want de Hausa-sarki’s hadden sinds de vijftiende eeuw cavalerie-eenheden onderhouden, met Arabische paarden uit de trans-Saharaanse handel, met wapenrusting van lokaal gesmeed ijzer en met commandostructuren die generaties oud waren, en daartegenover stond een beweging die nauwelijks een leger mocht heten.

Het Gobir-leger greep aan, in combinatie met troepen uit Kebbi, en de verhouding was volgens Fulani-bronnen ongeveer één op tien in het nadeel van de jama’a, want Infāq geeft twintigduizend Hausa-strijders tegenover tweeduizend Fulani, een verhouding die ongetwijfeld retorisch is opgevoerd maar die de algehele onderdogpositie weergeeft.

En de Fulani wonnen.

Hoe dat kon, laat zich op verschillende manieren verklaren, en alle verklaringen moeten waarschijnlijk gedeeltelijk juist zijn. De Fulani-strijders waren lichter bewapend en mobieler, en zij vochten in een terrein, semi-bebost en met water dichtbij, dat hun infanterie-met-boogschutters-tactiek beter paste dan de Gobir-cavalerie, terwijl zij bovendien de moraal aan hun kant hadden, omdat deze slag voor hen letterlijk een overlevingsstrijd was. Zij hadden een du’a van hun shaykh ﵀, die volgens de overlevering die nacht bij het strijdveld had gebeden voor de overwinning, en zij hadden, misschien het belangrijkste, een veldcommandant, Abdullahi dan Fodio ﵀, die de tactische knopen wist door te hakken waar de bredere jama’a zou hebben geaarzeld.

De slag duurde een dag, waarin de Gobir-cavalerie brak op de Fulani-boogschuttersslinies, hun aanvoerders vluchtten en het restant van het leger werd uiteengeslagen.

Voor de jama’a was Tabkin Kwotto het teken dat Allah ﷻ hen niet had verlaten en dat de jihad legitiem was en zou worden voortgezet, en aanhangers die nog hadden geaarzeld, stroomden toe, terwijl kleine heersers in Zamfara en Kebbi, die lange tijd op de grens hadden gebalanceerd, zich nu openlijk voor de shaykh ﵀ verklaarden.

Politiek was de overwinning nog belangrijker dan militair, want Tabkin Kwotto veranderde de jama’a van een bedreigde vluchtelingenbeweging in een erkende, strategisch relevante macht, en vanaf dat moment waren de Hausa-sarki’s in de verdediging.

Veldslag laden...

Tsuntua, de Ramp voor de Muren van Alkalawa

De overwinning bracht de verleiding mee die overwinningen doorgaans meebrengen, en de jama’a gaf eraan toe. Nog in hetzelfde jaar keerde zij zich naar Alkalawa zelf, de ommuurde hoofdstad van Gobir, en probeerde in november 1804 wat zij nog helemaal niet kon, namelijk een stad nemen. De beweging was gegroeid in dorpen en op open veld, zij had geen belegeringsmateriaal, geen ervaring met muren en geen tijd om een stad uit te hongeren, en de bestorming werd voor de wallen afgeslagen.

Wat daarna kwam, kwam te snel. Abdullahi ﵀ trok kort na de mislukte bestorming opnieuw uit, ditmaal tegen de Tuareg-bondgenoten die Yunfa naar zich toe had gehaald, en bij Tsuntua, een dorp vlak buiten de muren van Alkalawa, werd zijn strijdmacht ingehaald en uiteengeslagen.

De ruiterij waar de jama’a nu tegenover stond, Gobir-cavalerie aangevuld met Tuareg, trof een strijdmacht die van de bestorming was uitgeput en die op open veld geen dekking had, en het werd een slachting.

De Fulani-bronnen zelf erkennen het, want Muhammad Bello ﵀ schrijft in Infāq al-Maysūr dat de beweging bij Tsuntua tweeduizend van haar aanhangers verloor, een enorm getal in verhouding tot een jama’a die mogelijk slechts enkele duizenden strijdbare mannen kon uitrusten. Onder de doden waren ongeveer tweehonderd mannen die om hun geleerdheid en hun memorisatie bekendstonden, en of zij allen de hele Qur’an van buiten kenden, laat de overlevering in het midden, maar het verlies was voor de Fulani-traditie symbolisch bijna niet te dragen, want er waren studenten van dan Fodio ﵀ bij, eminente talaba, mannen die zijn boeken hadden overgeschreven. Met name worden de opperrechter Muhammadu Sambo ﵀ en de vaandeldrager Sa’adu genoemd.

In andere bewegingen zou Tsuntua het einde zijn geweest, omdat een nederlaag van deze omvang, zo vroeg en met zulke verliezen, de jama’a had moeten laten uiteenvallen, en toch viel zij niet uiteen, om twee redenen.

Ten eerste was de ideologische overtuiging stevig genoeg dat een nederlaag niet als teken van afkeuring door Allah ﷻ werd gezien, maar als een beproeving die moslims in de hele jihad-geschiedenis hadden doorstaan, zoals de slag bij Uhud, die met een nederlaag eindigde en toch werd gevolgd door verdere overwinningen.

Ten tweede was de organisatorische structuur van de jama’a, dankzij dertig jaar rustige opbouw, diep verankerd in dorpsgemeenschappen over een groot gebied, zodat Tsuntua slechts één veldslag was, want de jama’a was geen leger maar een beweging, en haar kern zat niet op één plek: dorpen in Zamfara, in Kebbi en verder weg in Adamawa waren al lang voorbereid op het moment dat zij de hijra zouden moeten doen of zich bij de strijd zouden moeten aansluiten.

Dan Fodio ﵀ zelf, volgens zijn eigen geschriften, werkte in die maanden vooral door op zijn pen: hij schreef Wathīqat Ahl al-Sudān, een rondzendbrief aan de aanhangers, waarin hij de nederlaag plaatste in het grotere juridische en spirituele kader, hij liet Abdullahi ﵀ en Bello ﵀ het veld houden als de werkelijke militaire leiders, en hij herschikte.

Alkalawa hield stand, en de stad die de jama’a in november 1804 niet had kunnen nemen zou pas vier jaar later vallen.

Veldslag laden...

De Golfbeweging, Vlag Voor Vlag

In de jaren 1804 tot 1808 deed zich iets opmerkelijks voor, want de jama’a was geen centraal geleid leger dat als één blok door Hausaland trok, maar, net zoals de beweging onder dertig jaar prediking was opgebouwd, een netwerk van lokale knooppunten, en in elk knooppunt stond een Fulani-figuur klaar die door de shaykh ﵀ formeel zou worden aangesteld als amīr over een gebied.

Dan Fodio ﵀ vaardigde “vlaggen” uit, letterlijke groene vlaggen, aangevuld met schriftelijke bay’a-documenten en een juridische volmacht. Een Fulani-geleerde die in Kano sinds lange tijd predikte, Mallam Jamo, zou de vlag ontvangen en in zijn streek een opstand tegen de Hausa-sarki van Kano beginnen, terwijl Buba Yero de vlag in Gombe zou opnemen, Usman Nagwamatse haar in Kontagora en Modibo Adama haar in Fumbina, het toekomstige Adamawa.

Op deze manier verbreidde de jihad zich als een golf en niet als een leger, want elke vlag was een lokale revolutie, en de centrale Amīr al-Muʾminīn, dan Fodio ﵀ zelf, was geen veldmaarschalk maar een murshid, een uitgever van legitimering, die in of nabij Gudu bleef, dan later in Sifawa en dan in Sokoto, en die brieven schreef, raad gaf en bad.

Het is een organisatievorm die in de moderne literatuur soms met de term “flag-jihad” wordt aangeduid, en zij heeft een bijzondere eigenschap, want zij verspreidde de beweging sneller dan een traditionele militaire campagne had gekund, maar zij droeg tegelijk het zaad in zich van toekomstige interne fragmentatie. De emir-gebieden werden in essentie autonoom, want zij erkenden de khalīfa van Sokoto wel formeel, maar functioneerden in de praktijk grotendeels op eigen houtje, en deze structuur zou tot diep in de negentiende eeuw duren, tot de Britse verovering in 1903 de hele federatie onder koloniaal gezag overnam en, ironisch genoeg, diezelfde emir-structuur behield, nu als indirect bestuur.

Alkalawa, de Val van de Hoofdstad

Terug in de kerndriehoek Gobir, Kebbi en Zamfara kwam de oorlog in 1808 tot zijn climax. Alkalawa, de hoofdstad van Gobir, lag op ongeveer 13,2 graden noorderbreedte en 5,5 graden oosterlengte, een ommuurde stad die, zoals de meeste grote Hausa-steden, binnen tien of twintig kilometer van water lag, met een koninklijke compound en met wijken voor de ulama, voor de handelaren, voor de slaven en voor de landerijen.

Yunfa had zich na Tabkin Kwotto in Alkalawa teruggetrokken en had contact gezocht met Borno in het oosten, het eeuwenoude Kanem-Borno-sultanaat, met het verzoek om militaire hulp tegen de Fulani, maar Mai Ahmad, de Sayfawa-heerser, had wel gezonden wat hij kon zenden, terwijl Borno zelf in die jaren was verzwakt en geen beslissend leger in het veld kon brengen.

Gedurende 1805 tot 1807 zaten de Fulani Alkalawa stapsgewijs in, zij belegerden haar in fasen, trokken zich terug wanneer zij moesten en kwamen weer terug, zodat de stad verzwakte door voedseltekort, door het afsnijden van haar toevoerroutes en door het wegvallen van de kleinere Gobir-dorpen die haar bevoorraadden. Voor de verdedigers werd elke oogst moeilijker binnen te halen, terwijl voor de aanvallers, gevestigd in het landschap, de tijd juist in hun voordeel groeide.

In oktober 1808, volgens Infāq al-Maysūr op 3 Sha’ban 1223, werd de beslissende aanval ingezet, en Bello ﵀ leidde de Fulani-troepen, zodat na dagen van belegering de muren werden bestormd, gebroken en overschreden.

Yunfa vocht volgens de bronnen persoonlijk tot het einde en stierf met zijn wapen in de hand, en zijn vingers, die na het pistool-incident hem al waren ontnomen, zouden hem in deze laatste strijd niet meer hebben gehinderd.

De slachting in Alkalawa was omvangrijk, en hier moet eerlijk worden gesproken, want de Fulani-bronnen zelf, verschillend in toon, zwijgen niet over het aantal doden. Het hele koninklijke hof werd gedood of gevangengenomen, mannelijke verdedigers van de stad die zich niet overgaven werden over het zwaard gelaten, en vrouwen en kinderen werden voor een groot deel in slavernij gesteld, waarbij in het gelegitimeerde kader van de jihad-doctrine de regel gold dat vrouwen en kinderen van een verslagen vijand tot raqīq konden worden gemaakt indien de vijandige mannen waren gedood.

Dit klinkt hard, en het is ook juist hoe het volgens de overgeleverde fiqh ging, want de Maliki-fiqh stond, op gezag van de grote juristen van de school, deze behandeling toe in het geval van een legitieme jihad tegen erkende vijanden, en de Fulani-commandanten pasten haar toe zoals de klassieke teksten haar hadden uiteengezet.

Maar terugkijkend valt de vraag niet te ontwijken of de Hausa van Gobir in deze juridische categorie thuishoorden, want zij waren, de meesten van hen, moslims: zij hadden de shahada beleden en de salah verricht, en de takfīr-redenering die hen tot legitieme jihad-doelen had gemaakt was, hoe juridisch ook opgebouwd in de Kitāb al-Farq, in haar uitwerking een proces dat mensen die wij vandaag zonder aarzeling als medegelovigen zouden beschouwen, tot vijanden verklaarde.

De val van Alkalawa vierde de jihad-beweging als een triomf, want Yunfa was dood en Gobir was verslagen, zodat het oude systeem van de Hausa-sarauta in Gobir had opgehouden te bestaan en op het puin een nieuwe orde zou worden gebouwd.

In de rook van Alkalawa hing ook iets zwaarders, want een rijk dat begint met het uitroeien van een andere Islamitische hoofdstad, met de slavenmarkten die de volgende weken zouden volgen en met de duizenden Hausa-vrouwen die in Fulani-huishoudens werden ingelijfd, droeg die startvoorwaarden mee, en zij zouden niet in één generatie worden gezuiverd.

Het Strijdveld Buiten de Slag

Er is een andere kant aan de jihad die niet gemist mag worden, en zij vertelt iets over wat de beweging wel probeerde te zijn.

In de veroverde gebieden stelde de jama’a direct een nieuwe bestuursorde in, waarin qadi’s werden benoemd, geleerden uit de eigen kring van dan Fodio ﵀ of aanverwante Fulani-ulama, waarin rechtbanken werden opgericht en shari’a-gebaseerde rechtspraak werd hersteld, waarin de markten werden heropend, zij het onder gecontroleerde omstandigheden, en waarin zakat volgens Maliki-criteria werd geïnd in plaats van via het oude jangali-systeem, terwijl moskeeën werden opgericht of gerenoveerd en leerkringen werden gestart.

Dit was, hoe bevlekt door de manier van verovering ook, een reëel bestuursproject, want het was niet gewoon een verhuizing van macht van de ene dynastie naar de andere, maar een poging om een Islamitisch gereguleerde staat op te bouwen in een regio waar zulke staten, sinds de val van Songhay in 1591, alleen in fragmentarische vorm hadden bestaan. De Qur’an-school werd een primaire maatschappelijke instelling, het kitab, het boek, werd een centraal symbool van het nieuwe bestuur, en de teksten van dan Fodio ﵀ werden vermenigvuldigd en verspreid.

Voor moslimvrouwen van de veroverde gebieden was de situatie dubbelzinnig, want velen werden in slavernij gesteld, maar voor de moslimvrouwen die tot de jama’a zelf behoorden, en voor vrijgeborenen in de nieuwe gebieden, was de toegang tot onderwijs groter dan onder de oude sarauta. Nana Asma’u ﵀ bouwde een netwerk van vrouwelijke geleerden en vrouwelijke leerkringen op, de jaji-vrouwen, die Islamitische kennis van dorp tot dorp brachten, een waarneembare en vrijwel unieke prestatie in de Islamitische wereld van die tijd.

De morele complexiteit is dus in elke richting reëel, want dezelfde beweging die vrouwen onderdrukte als oorlogsbuit, emancipeerde andere vrouwen als dragers van geleerdheid, en zij was, zoals elke grote historische beweging, niet één ding.

Een Beweging in Een Kleine Driehoek

Het totale strijdtoneel van de Fulani-jihad, de hartregio zonder de satelliet-emiraten, bestrijkt niet meer dan tweehonderd tot driehonderd kilometer in beide richtingen, een gebied dat vandaag met een forse autorit is af te leggen. Van Degel naar Gudu is het een zestig kilometer naar het noordwesten, van Gudu naar Tabkin Kwotto nog eens zo’n honderd kilometer westwaarts in Kebbi-gebied, en dan terug, oostwaarts, in een brede boog naar Alkalawa.

In 1804 tot 1808 was dit een gebied waarin hele koninkrijken op hun knieën gingen en een nieuwe wereld werd gevestigd.

Dit is het eigenaardige van prekoloniale Afrikaanse geschiedenis, want zij speelt zich af in wat in absolute termen beperkte ruimtes zijn, maar zij speelt zich af met een intensiteit, een inzet en een theologische diepgang die even volwassen is als wat zich in die jaren in Europa, met de Napoleontische oorlogen op de achtergrond, afspeelde. De wereld van dan Fodio ﵀ en Yunfa is geen miniatuur van “grotere” Europese wereldgebeurtenissen, maar een eigen volwaardige geschiedenis, met eigen eisen en eigen prijzen.

De Jama’a-Structuur als Blijvende Erfenis

Voor de slotbeelden moet kort worden stilgestaan bij wat de Fulani-jihad als beweging onderscheidde van veel andere militaire opstanden in de West-Afrikaanse geschiedenis, en dat is de jama’a-structuur zelf.

Een jama’a, zoals dan Fodio ﵀ het woord gebruikte, is meer dan “gemeenschap” in de gewone zin, want het is een vrijwillige, door religieuze toewijding gebonden gemeenschap, waarin de shaykh het geestelijke middelpunt is en de leden zich verbinden tot onderlinge steun, tot onderwijs, tot het naleven van de shari’a en, wanneer het moet, tot de gewapende verdediging van elkaar.

Dit model had al voor 1804 bestaan, zowel in andere soefi-ordes als in eerdere Fulani-reformbewegingen, zoals de beweging van Karamoko Alfa in Futa Jallon in 1725 en de beweging van Sulayman Bal in Futa Toro in 1776. Wat de jama’a van dan Fodio ﵀ onderscheidde, was de schaal en de tekstuele rijkdom, want zij had een hele bibliotheek achter zich, een dynastieke structuur van zonen, broers en schoonzonen, en het dichtersnetwerk dat ongeletterden erbij betrok, en zij had, na 1808, een staat.

Die staat zal de volgende scène zijn, maar de jama’a-structuur die eraan ten grondslag ligt, zou blijven bestaan lang nadat het politieke centrum zijn glans had verloren. Vandaag, in het noorden van Nigeria, in delen van Niger, in Noord-Kameroen en tot in Mali, leven nog Shehu-volgelingen, mensen die hun silsila tot dan Fodio ﵀ herleiden, Yan Shehu, wier religieuze identiteit onlosmakelijk verbonden is met die groene vlag uit 1804. Dit is geen museumtijd, maar een levende traditie.

Het Hart van de Zaak

Eén ding moet, voor het sluiten van deze scène, nog eens duidelijk worden gezegd.

De Fulani-jihad was geen oorlog tegen ongelovigen, maar een oorlog tussen moslimgroepen, gerechtvaardigd door een doctrine van takfīr jegens het gezag van een andere moslimgroep, en zij werd juridisch zorgvuldig gebouwd door dan Fodio ﵀ in de Kitāb al-Farq, terwijl zij in de praktijk, onvermijdelijk, ruwer werd uitgevoerd dan haar juridische kaders beoogden. Zij bracht een reële hervorming met zich mee, betere rechtspraak, hogere geleerdheid en systematischer bestuur, maar zij bracht ook bloed, slavernij en een structurele haat tussen Fulani en Hausa die tot in onze tijd in delen van Noord-Nigeria naklinkt.

Dit is geen oordeel over dan Fodio ﵀ als persoon, want hij was, naar alle beschikbare tekens, een integer, geleerd en godvruchtig man, maar het is een oordeel over wat een jihad-beweging, zelfs onder zulk een leiding, doet wanneer zij aan de wapens raakt, want geen enkele heilige zaak kan zichzelf schoon oorlogen, en elke zaak draagt, eenmaal gewapend, het gewicht van wat in haar naam wordt gedaan.

De West-Afrikaanse Islamitische traditie is volwassen genoeg en intellectueel krachtig genoeg om haar eigen hoogtepunten en haar eigen donkerten onder ogen te zien, en zij hoeft niet verdedigd te worden tegen buitenstaanders door te pretenderen dat zij zonder smet was, want zij was mensenwerk, groots en beschadigd tegelijk.

Takfīr is een woord om te vrezen, want de geleerden die het gebruiken, beslissen over leven en dood. Dan Fodio ﵀ was voorzichtig, maar zijn aanhangers, en hun aanhangers, niet altijd, en tot vandaag verschijnen er takfīr-bewegingen in de moslimwereld die geen dan Fodio ﵀ als intellectueel fundament hebben, maar alleen een vreemdelingenhaat met een islamitisch laagje erover leggen. De les uit 1804 is dat takfīr als wapen, zelfs wanneer het theologisch is gebouwd door de meest zorgvuldige shaykh, in de praktijk buiten controle raakt, en die les is meer dan tweehonderd jaar oud en nog altijd relevant.

Naar Sokoto

Alkalawa is gevallen, de laatste sarki van Gobir ligt in zijn eigen paleispuin, en de vlag staat waar zij staat.

Een vlag is geen staat, en de volgende vraag, die dan Fodio ﵀ in de daaropvolgende jaren zou moeten beantwoorden, is hoe je van een succesvolle jihad een duurzaam Islamitisch bestuur maakt, hoe je de vlaggenemirs onder centraal gezag houdt, en hoe je rechtvaardigheid toepast op de vrije Fulani-herders, op de veroverde Hausa-boeren, op de slaven en op de niet-moslim grensgemeenschappen die nu tot een Islamitische staat behoren, terwijl je tegelijk belasting int, recht spreekt en onderwijs vestigt.

Het is, kortom, de vraag hoe je Sokoto bouwt.

In 1809 werd de stad gesticht die haar naam aan het hele project zou geven, en haar verhaal, de vestiging van het Sokoto-kalifaat, het grootste prekoloniale Islamitische rijk van Afrika, is de volgende scène.

Bronnen

  • Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr, het verslag van binnenuit waarop de datering van de hijra, de sterkte van Yunfa’s ruiterij en het dodental van Tsuntsua teruggaan, zoals aangehaald in Last, pp. 23, 26, 32.
  • Usman dan Fodio ﵀, Kitāb al-Farq bayn Wilāyāt Ahl al-Islām wa Wilāyāt Ahl al-Kufr, de aanklacht tegen het Hausa-bestuur en het minimum aan ambten voor een moslimheerser, zoals aangehaald in Last, pp. lxviii, 57; Hiskett, p. 106.
  • Usman dan Fodio ﵀, Wathīqat Ahl al-Sūdān, de rondzendbrief die rond de hijra werd verspreid en de verplichting van een Amīr al-Muʾminīn stelt, zoals aangehaald in Last, pp. 16, 46; Sulaiman, pp. 203, 208.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. lxviii, 16, 23–24, 26–28, 31–32, 39, 41, 46, 53–54, 57, 66–67.
    • pp. 16, 23–24, 46: de Wathīqa die rond de hijra werd verspreid; de hijra naar Gudu, dertig mijl van Degel, op 10 Dhu al-Qaʿda 1218 (dinsdag 21 februari 1804) volgens Bello ﵀ en Abdullahi ﵀; de keuze van de Shaykh ﵀ tot Imam, met de huldiging eerst door Abdullahi ﵀ en dan door Bello ﵀, zijn aanvankelijke tegenzin en zijn vijftig jaar, terwijl de ooggetuigen de titel zelf niet noemen; de titels Amīr al-Muʾminīn en Khalīfa.
    • pp. 26–28: het leger van Yunfa, niet bijzonder groot, met volgens Bello ﵀ honderd zware ruiters; de moslims in de minderheid en aangewezen op hun bogen, gedekt door het meer en begunstigd door bebost terrein en hoger moreel, met de Shaykh ﵀ die voor hen bad; de vlucht van de Gobirawa op donderdag 21 juni 1804; de beide legers etnisch gemengd; de toeloop van de Sullebawa en van de emirs van Mafara, Burmi en Donko na Kwotto.
    • pp. 31–32: de Toeareg aan Gobirs zijde; Alkalawa dat pas bij de vierde poging viel; de tegenaanval bij Tsuntsua, twee mijl van de hoofdstad, in de Ramadan van december 1804, met volgens Bello ﵀ zo’n tweeduizend doden van wie tweehonderd de Koran uit het hoofd kenden, onder hen de Imam Muhammad Sambo ﵀; Bello ﵀ ziek en Abdullahi ﵀ gewond; het Bornu-contingent dat in 1808 in Alkalawa zou hebben gestaan.
    • pp. 39, 41: de val van Alkalawa op 3 oktober 1808 en de dood van de sultan; de stad die niet geheel werd verwoest en het jaar daarop een bestuurder kreeg; de val van Zaria drie maanden later; Sokoto als hoofdkwartier van Bello ﵀ vanaf het najaar van 1809.
    • pp. lxviii, 53–54, 57, 66–67: de leiders uit andere delen van Hausaland die met een door de Shaykh ﵀ gezegende vlag naar huis werden gestuurd; de lijst van Bello ﵀ uit 1812 met Sulaiman voor Kano, Yaʿqub ﵀ voor Bauchi en Buba Yero, en die van Gidado ﵀ met Adama; de aanklacht en de ambten van de Kitāb al-Farq; de klacht van Abdullahi ﵀ over de nieuwe gemeenschap tot en met de verkopers van vrije mensen op de markt; de wetteloosheid die vooral de onderworpen Hausa trof.
  • Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 14, 73–74, 83, 86–90, 96–97, 99–100, 106, 108, 141.
    • pp. 73–74: het vertrek naar Gudu met de bibliotheek vooruit; de eed van trouw te Gudu, met Abdullahi ﵀ onder de kandidaten en de aarzelende Shehu ﵀ van vijftig jaar die aanvoerder van een opstandig leger werd.
    • pp. 83, 86–89: de veldcommandanten Bello ﵀, Abdullahi ﵀, Aliyu Jedo en Namoda; de Gobir-ruiterij, de Fulani-boogschutters en de musketiers van Gobir; de inname van Matankari en Konni; de opmars van Gobir in juni 1804; Abdullahi ﵀ die het gevecht bij het meer van Kwotto koos, het dageraadsgebed te Gurdam, de vlucht van de Gobirawa tegen de middag en Yunfa’s vlucht langs de Rima.
    • pp. 90, 96–97: Tsuntsua in Ramadan 1219 (december 1804) tijdens de insluiting van Alkalawa, met vele bekende geleerden onder de doden; Fafara als beslissende slag; Alkalawa dat bijna twee jaar standhield voor drie colonnes het in Shaʿban 1223 (oktober 1808) bestormden, waarbij Yunfa in zijn paleis sneuvelde; de brieven aan de gemeenschappen van Katsina, Kano en Daura, hun eed van trouw en de nabije komst van de Mahdi.
    • pp. 99–100, 141: de vlagdragers Mallam Dendo in Nupe, Buba Yero in Gombe en Yakubu ﵀ in Bauchi; Zaria, Hadejia en Adamawa onder Fulani-emirs; de verdeling van 1812; de jihad-plicht die de slavenvangst legitimeerde waarop de emiraten economisch dreven.
    • pp. 14, 106, 108: de vrouwen van de verslagen Hausa als oorlogsbuit en de verwijten van de Shehu ﵀; de Shehu ﵀ die opstandige moslims met heidense bondgenoten tot ongelovigen verklaarde, waar Abdullahi ﵀ tegenin ging; de Britse verovering van 1903.
  • Ibraheem Sulaiman, The African Caliphate: The Life, Works and Teaching of Shaykh Usman dan Fodio, The Norwich Press, 2008, pp. 190–191, 203, 208, 210–212, 219, 226.
    • pp. 190–191, 203, 208: de hijra op 10 Dhu al-Qaʿda 1218; de brief van Yunfa en de voorwaarden van de Shehu ﵀; de Shehu ﵀ die als Amīr al-Muʾminīn de vlag hees; de Wathīqa als manifest in zevenentwintig punten, met het verbod vrije moslims tot slaaf te maken.
    • pp. 210–212, 219, 226: Tabkin Kwatto op donderdag 12 Rabiʿ al-Awwal 1219 (21 juni 1804) onder bevel van Abdullahi ﵀, met een honderdtal gepantserde Gobirawa tegenover hoogstens twintig ruiters aan moslimzijde, in de woorden van Bello ﵀; de vergelijking met Badr door Abdullahi ﵀; Tsuntsuwa als het Uhud van de gemeenschap, met meer dan tweeduizend doden onder wie tweehonderd huffaz, de opperrechter en imam Muhammad Sambo ﵀ en de vaandeldrager Saʿad; de gezamenlijke aanval op Alkalawa in het vijfde jaar onder Bello ﵀, waarbij Yunfa sneuvelde.
  • R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), pp. 3, 14, 23–25, 28, 31, 46.
    • pp. 3, 14, 23–25: een gebied van ongeveer 250.000 vierkante mijl; de uittocht van 21 februari 1804 als hijra; twee maanden toeloop naar Gudu en de afgewezen vredesvoorstellen van Yunfa; de aanstelling tot Amīr al-Muʾminīn met de bayʿa; Matankari, Konni en Tabkin Kwotto tussen april en juni 1804 en de vergelijking met Badr; de mislukte bestorming van Alkalawa eind 1804 en Tsuntsua met tweeduizend doden; Alwasa; de val van Alkalawa bij de vierde poging in oktober 1808; Sokoto in 1809 gebouwd door Bello ﵀.
    • pp. 28, 31, 46: de vlaggen als teken van het gezag van de Shaykh ﵀; de val van Kano in 1807; Buba Yero, Yaʿqub ﵀ en Adama met vlaggen voor Gombe, Bauchi en Adamawa; de eerste emirs die de Shaykh ﵀ persoonlijk kenden of bij hem gestudeerd hadden.
  • Jean Boyd, The Caliph’s Sister: Nana Asma’u 1793–1865, Teacher, Poet and Islamic Leader, Frank Cass, Londen 1989, pp. 13, 23, 51–52: de slag van 21 juni 1804 terwijl de Shehu ﵀ met de vrouwen en kinderen in Gudu bleef; de slagorde van Bello ﵀ voor Alkalawa in 1808 en de dood van Yunfa met zijn lijfwacht; de jaji’s en de yan-taru van Nana Asma’u ﵀.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 44, 53: de theocratie van Karamoko Alfa ﵀ in Futa Jallon in 1725; het kalifaat dat honderd jaar standhield tot de Britten kwamen.