De Britse Verovering van Sokoto en de Franse Veroveringen
Tussen 1893 en 1903 vielen in snelle opeenvolging de laatste Islamitische staten van West-Afrika aan de Europese geweren, de Fransen uit het westen en de Britten uit het zuiden, terwijl de laatste Kalief van Sokoto hijra boven onderwerping koos en stierf aan de oevers van een rivier die Burmi heet. Zo eindigde een eeuw Fulani-staatsbouw met één kogel, één dag, en een dossier in een Londens archief.
Het Jaar Waarin de Landkaart Definitief Verandert
Tot in de jaren 1870 was West-Afrika voor Europeanen grotendeels een kustfenomeen, een reeks forten langs de Senegal, langs de Goudkust en langs de Beninbaai, terwijl het binnenland op de kaarten nog met lege vlakken en vraagtekens stond aangegeven, “Bilad es-Sudan”, “Soedanse Koninkrijken”, “Onbekende Rivier”. Afrikaanse vorsten onderhandelden in die tijd nog uit een positie van relatieve onafhankelijkheid met Europese handelaren.
Dit veranderde abrupt na de Berlijnse Conferentie van 1884 en 1885, waar, zonder dat één Afrikaanse vertegenwoordiger aanwezig was, de kaart van Afrika werd onderverdeeld in zones van invloed. Frankrijk eiste het grootste deel van het West- en Centraal-Soedan en Groot-Brittannië claimde het zuidoosten, Nigeria, de lagere Niger-vallei en het gebied noordelijk langs het Tsjaadmeer, terwijl Duitsland Togo en Kameroen nam, Portugal Guinee-Bissau behield, de Belgen Congo kregen en de Spanjaarden met kleine stukjes bleven zitten.
Deze claims waren op papier, want de concrete verovering kwam pas tussen 1885 en 1903, en zij kwam met een nieuwe generatie wapens: de Maxim-machinegeweer (patent 1884, veldgebruik vanaf circa 1890), de Martini-Henry repeteergeweer en de gepantserde stoomkanonneerboot. Tegen deze technologie had geen Afrikaans leger, ongeacht hoe goed getraind, hoe talrijk of hoe moedig, nog een houdbare tactiek, en hoewel de numerieke verhouding op slagvelden als Kousséri en Burmi soms honderd-tegen-één ten nadele van de Europeanen zou zijn, was de uitkomst toch altijd dezelfde. Deze laatste akte valt uiteen in drie delen: de Franse dans oostwaarts, de Britse dans noordwaarts, en de val van Sokoto als kroon op allebei.
De Fransen Eten de Westelijke Sudan
De Franse opmars begon al onder Louis Faidherbe (gouverneur van Senegal 1854 tot 1865), die de eerste systematische campagnes tegen de Toucouleur-staat van Umar Tal ﵀ voerde, terwijl de volle conquest-fase pas na de Berlijnse Conferentie kwam. In 1883 viel Bamako in Franse handen, in 1887 volgde Bafoulabé, en in 1890 werd Ségou, nu onder Ahmadu Sékou, de zoon van Umar Tal ﵀, door Louis Archinard veroverd. Ahmadu Sékou vluchtte met zijn hof oostwaarts naar Massina, waar hij in 1893 opnieuw door Archinard werd verslagen bij de inname van Djenné en Timbuktu, waarna hij nog verder oostwaarts naar Sokoto trok en daar in 1898 als balling zou overlijden, zodat het Toucouleur-rijk dat Umar Tal ﵀ had gesticht dertig jaar na zijn eigen dood niet meer standhield.
In het zuiden voerde Samori Touré, een Mandinka-moslim-krijger die tussen 1880 en 1898 een groot Islamitisch rijk had opgebouwd van de noordelijke Elfenbeenkust tot diep in het huidige Burkina Faso, een van de langste en meest vernuftige weerstanden tegen de Franse expansie, want toen de Fransen druk vanuit het westen uitoefenden verplaatste hij zijn hele almamyat oostwaarts, schaalde hij zijn eigen kruit-fabricage op en onderhield hij spionnen in de Franse forten. Maar in september 1898 werd hij uiteindelijk door kapitein Gouraud gevangengenomen in Guélémou, in ballingschap naar Gabon gezonden, en stierf daar in 1900, en met hem viel een van de laatste echt mobiele moslim-legers van het continent.
En intussen was er nog een andere speler, Rabih az-Zubayr, een voormalig officier uit het Mahdische Sudan die in de jaren 1880 met een slavenjagers-leger westwaarts was gemarcheerd, het oude Kanem-Bornu-rijk rond het Tsjaadmeer had veroverd (1893) en een op eigen voet staande militaire staat had gevestigd. Rabih is een ambivalente figuur, want hij was formeel moslim en voerde een zekere jihad-retoriek, maar zijn staat was in de kern een persoonlijk krijgsmans-imperium dat op slavenraids draaide, niet een strikt-religieus project zoals Sokoto of Hamdullahi. In april 1900, op 22 april bij de Slag van Kousséri (in het huidige Tsjaad), werd Rabih door een Franse kolonne onder commandant Lamy verslagen en gedood, en Kousséri kostte ironisch genoeg ook commandant Lamy zelf het leven, gezien het feit dat de toekomstige stad Fort-Lamy (nu N’Djamena) naar hem zou worden genoemd. Rabih was geen Sokoto, maar zijn nederlaag maakte de noordelijke flank van Britse Nigeria vrij, zodat de Britten volgens plan konden doorstoten.
In 1899 was de Franse verovering van het westelijke Soedan in feite voltooid, en in 1900 hadden zij de boucle du Niger volledig in handen, zodat alleen het oosten, Hausaland, Sokoto en delen van Borno, nog openlag voor de Britse speler.
Frederick Lugard en zijn Opdracht
Aan de Britse kant was de motor Frederick Lugard (1858 tot 1945), een Britse legerofficier die in India had gediend en eerder in dienst van de Royal Niger Company was geweest. Op 1 januari 1900 werd door de Britse kroon het Protectorate of Northern Nigeria uitgeroepen, met Lugard als eerste Hoge Commissaris, en zijn mandaat was om de lokale soevereiniteit formeel over te nemen, om zoveel mogelijk bestaand bestuur te behouden onder de Britse paraplu (de formule die hij later zou theoretiseren als indirect rule), en om het Sokoto-kalifaat, dat nog steeds de grootste Islamitische politieke eenheid van Sub-Sahara Afrika was, te beëindigen.
Sokoto was op dat moment, honderd jaar na de jihad van Usman dan Fodio ﵀ in 1804, een volwassen maar verzwakt Islamitisch staatsbestel dat dertig emiraten omvatte over een gebied twee keer zo groot als Engeland, met Kano als grootste handelsstad, een economisch centrum waarin textielproductie, leer-industrie en karavaan-handel op grote schaal plaatsvonden. Maar het kalifaat was intern verdeeld, want Caliph Abderrahman had van 1891 tot 1902 als een passieve vorst geregeerd, en zijn opvolger Muhammad Attahiru I besteeg in oktober 1902 de troon in een atmosfeer van oplopende angst, gevoed door berichten over Franse campagnes in het westen, Britse forten aan de Beninbaai, Duitse expansie in Kameroen, en een eigenaardige stroom van chiliastische Mahdi-preaching in delen van Hausaland die de bevolking verder onrustig maakte.
Lugard had de wapens, en wat hij nog zocht was een aanleiding, die kwam in september 1902 toen de Emir van Keffi, een vazalstaat van Zaria, een Britse resident (Captain Maloney) doodde. Lugard eiste satisfactie, maar de emir vluchtte naar Kano waar hij door Emir Aliyu werd opgenomen, en toen Aliyu weigerde hem uit te leveren, werd die weigering Lugards casus belli.
De Campagne Tegen Kano
In januari 1903 marcheerde een Britse kolonne van ongeveer 700 West-Afrikaanse soldaten (geworven uit de West African Frontier Force, voornamelijk Hausa- en Yoruba-rekruten), 25 Britse officieren, 4 Maxim-machinegeweren en 4 lichte kanonnen, onder kolonel Thomas Morland, noordwaarts vanuit Zaria richting Kano. De tocht duurde drie weken, door stoffige savanne in de droge harmattan-wind, met een dagelijkse mars van twintig kilometer, de voorraden op lastdieren en het drinkwater schaars.
De Emir van Kano, Muhammad Aliyu dan Sidi, was op dat moment in Sokoto voor overleg met de Kalief, zodat zijn plaatsvervangers de verdediging moesten opzetten, en Kano beschikte over een indrukwekkende stadswal van elf meter hoog en vijftien kilometer in omtrek met veertien poorten, en over een grote cavalerie-kracht, uitgerust met kettingpantser, zwaarden en speren en een beperkte hoeveelheid ouderwetse vuurwapens.
Op 3 februari 1903 bereikte Morland de stad en zette de Britse kolonne zich op ongeveer achthonderd meter van de Kofar Kabuga-poort op, waarop de Kano-cavalerie, onder bevel van de madaki Aliyu, een klassieke charge uitvoerde, duizenden ruiters in formatie met de lansen naar voren, onder het geluid van trommels en algaita-fluiten, tegen de Maxim-machinegeweren.
Morland zelf schreef er later kort over in zijn dispatches, die in de Colonial Office-archieven (Lugard collectie, CO 446) bewaard zijn. De cavalerie-charge van de vijand was moedig en goed gecoördineerd, schreef hij, maar de Maxims begonnen vuur op driehonderd yards, en de aanval kwam niet binnen tachtig yards van de Britse linies, terwijl de grond daartussen binnen tien minuten bezaaid was met gevallen ruiters en paarden, en de Britten verloren bij dit moment geen man. Driehonderd yards, tien minuten, duizenden ruiters tegen vier machinegeweren.
De Britten bestormden vervolgens de stadspoort, raakten enkele verdedigers kwijt aan musket- en pijl-vuur en drongen de stad binnen, en tegen de avond was Kano in Britse handen, zodat de stadsmuur die honderden jaren lang had gestaan op één dag strategisch irrelevant was geworden.
Dit was geen nederlaag door moedtekort maar een nederlaag door technologische kloof, en dat onderscheid is wezenlijk, want de Kano-cavalerie was volgens elke Afrikaanse standaard van de negentiende eeuw een hoogwaardige strijdmacht, en tegen machinegeweren had zij eenvoudigweg geen middel. Het is, op elke rationele meting, onmogelijk om 1903 te winnen als je de wapens van 1850 hebt, en wat het zegt over moed, over Islamitische identiteit, over het recht van het Sokoto-kalifaat op bestaan, dat is een ander gesprek, maar op het slagveld zelf was de uitkomst al voor het eerste schot bepaald.
Sokoto Moet Kiezen
Het nieuws van Kano’s val bereikte Sokoto binnen dagen, en de Kalief Muhammad Attahiru I, pas drie maanden op de troon, stond daarmee voor de zwaarste beslissing die een Islamitische vorst kan hebben.
Zijn raadgevers waren verdeeld. Sommige emirs stelden voor om te onderhandelen, om een Britse resident in Sokoto te aanvaarden, tribuut te betalen en in ruil voor zelfbestuur op ceremonieel niveau de formele soevereiniteit op te geven. Dit zou de dhimmi-logica in omgekeerde richting zijn, niet de moslim als heerser over de niet-moslim maar de niet-moslim als heerser over de moslim-bevolking, juridisch zwaar problematisch binnen de klassieke Maliki-fiqh, maar in de praktijk wat veel vazallen nu al stilzwijgend hadden gedaan.
Andere raadgevers stelden hijra voor, een massale migratie oostwaarts, in de richting van Mekka, weg van de dar al-kufr die zich aan het vestigen was. Deze optie had een diepe Islamitische rechtvaardiging, want zij verwees direct terug naar de eigen stichting van het Sokoto-kalifaat, aangezien Usman dan Fodio ﵀ in 1804 zelf een hijra had gevoerd, van Degel naar Gudu, voordat hij zijn jihad verklaarde. Het concept wujub al-hijra min dar al-kufr, de verplichting van de hijra vanuit het gebied van ongeloof, was een klassieke Maliki-doctrine, door dan Fodio ﵀ zelf in zijn Bayan wujub al-hijra 'ala al-ibad systematisch uiteengezet, zodat de Kalief door voor hijra te kiezen de beslissing van zijn eigen stichtvader een eeuw later zou herhalen.
En daartussen lag de derde optie, die enkele militair-adviseurs voorstelden, namelijk wachten, bestanden tekenen, manoeuvreren en gokken dat de Britten overkokt zouden raken, maar gezien de berichten uit Kano was deze optie niet geloofwaardig.
Muhammad Attahiru I koos hijra. Op 13 maart 1903, nadat Lugards leger Sokoto naderde, verliet hij de stad met enkele duizenden volgelingen, familieleden, emirs van kleinere staten die zich bij hem aansloten, leerlingen en soldaten van de ingezegende garde, en zij trokken oostwaarts langs een route die uiteindelijk naar Mekka moest leiden, een reis die vijfduizend kilometer lang zou zijn, door gebied dat steeds vijandiger zou worden, met karavanen die voedsel moesten laden voor een onbekend aantal maanden.
In Sokoto zelf bleef een kleine groep emirs, onder leiding van Attahirus broer, die onderhandelingen met Lugard opende, en op 15 maart 1903 liepen Britse troepen Sokoto binnen zonder slag. Lugard hield een toespraak in de grote moskee van Sokoto, proclameerde de formele suprematie van de Britse kroon en kondigde aan dat hij een nieuwe kalief zou aanstellen, een gehoorzame kandidaat uit de dan Fodio-familie die bereid was Britse suzereiniteit te aanvaarden.
En dat is wat hij deed, want Muhammad Attahiru II, een neef van de vluchtende kalief, zonder directe relatie met het oude legitimiteit-concept, werd door Lugard tot Kalief benoemd, zodat de titel plotseling een Britse benoeming was en het kalifaat, dat in 1804 was gesticht als het opperste gezag van een onafhankelijke Islamitische staat, in 1903 een erfelijk-decoratieve positie binnen het Britse koloniale bestuur werd. Deze Muhammad Attahiru II zou leven tot 1915, en zijn opvolgers, gekozen door de Britse autoriteiten en later door de Nigeriaanse federale regering, zouden tot op vandaag in Sokoto “Sultan” heten en een ceremoniële rol vervullen. Het is een merkwaardige vorm van continuïteit, waarin de titel overleeft maar de staat niet, en de familie op de troon blijft maar de soevereiniteit niet; dit is indirect rule in zijn meest klinische vorm.
De Vluchtende Karavaan en de Slag bij Burmi
Intussen marcheerde Muhammad Attahiru I, de echte kalief in zijn eigen ogen en in de ogen van zijn volgelingen, oostwaarts, terwijl hij steun verzamelde van lokale emirs die zich in de hijra bij hem voegden, want Bauchi sloot zich aan, Misau sloot zich aan, en delen van Gombe volgden, zodat hun aantal groeide tot enkele tienduizenden, mannen, vrouwen, kinderen, vee en wagens. Dit was geen militair leger in klassieke zin, maar een muhajirin-gemeenschap, een migrerend volk met zijn vorst als religieus centrum.
Lugard zag het gevaar, want een geslaagde hijra zou Sokoto in de dar al-kufr-theologie fixeren en elke moslim met geleerdheid een argument geven om óók oostwaarts te gaan, en bovendien zou het Britse koloniale project er voor onbepaalde tijd een ongezuiverd narratief naast houden, namelijk dat er nog een Kalief was, en dat hij niet bij Lugard was, wat politiek onaanvaardbaar was.
Lugard stuurde daarom een kolonne achter Attahiru aan, onder majoor Marsh, later versterkt, en gedurende de zomer van 1903 had de karavaan verschillende schermutselingen met Britse en lokale troepen, terwijl vele volgelingen onderweg afraakten door uitputting, honger en overlopers die terugkeerden naar hun emiraten, zodat de groep tegen juli kleiner was maar nog steeds in beweging.
Veldslag laden...
Op 27 juli 1903 bereikten Attahirus resterende troepen, ongeveer tweeduizend gewapende volgelingen en duizenden niet-militaire muhajirin, de plaats Burmi in het huidige deelstaat Gombe, Nigeria, op de oever van de Gongola-rivier, waar de Britse kolonne onder majoor Marsh hen inhaalde en op dezelfde dag de slag werd geleverd. Attahirus troepen vochten dapper en vielen aan in golven, dichtbij, met zwaarden en karabijnen, maar de Britten hadden Maxims en Martini-Henry’s, zodat het binnen enkele uren voorbij was en Muhammad Attahiru I werd gedood, samen met negen andere emirs die met hem waren meegetrokken. De tellingen van gesneuvelden verschillen, want de Britse dispatches rapporteren ongeveer 90 Britse en West-Afrikaanse verliezen en naar schatting 700 tot 1500 aan de Sokoto-zijde, van wie velen niet-strijders waren. Hier komt een detail dat honderd jaar later nog ongemakkelijk voelt.
Het Lichaam en de Foto
Na de slag werd het lichaam van Muhammad Attahiru I door de Britten geïdentificeerd, en Lugards dispatches en de Britse pers van de tijd berichten dat zijn lichaam op een kar werd gelegd en door het kampement werd rondgereden, en dat zijn hoofd volgens sommige bronnen door Britse officieren werd bekeken, volgens andere bronnen korte tijd in het openbaar werd tentoongesteld voor de overgebleven muhajirin als bewijs van zijn dood. Dit was geen ongebruikelijke praktijk binnen de negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse koloniale oorlogsvoering, want zowel Samori Touré’s gevangenneming als Rabih az-Zubayrs onthoofding waren met vergelijkbare rituelen gepaard gegaan.
Voor de muhajirin was dit een definitieve geestelijke nederlaag, want hun Kalief, die de erfgenaam van Usman dan Fodio ﵀ zelf was, die de hijra-doctrine correct had toegepast en die op grond van de Islamitische juridische traditie zijn keuze had gemaakt, die man lag dood op een Britse kar. Enkele volgelingen vluchtten nog oostwaarts, en een kleine groep bereikte later inderdaad Mekka, waar zij als Takruri-kolonie tot in de twintigste eeuw zouden overleven (de Sudanese stad Maiurno, in Sennar-provincie, is in de jaren 1906 en 1907 door een van hen gesticht), maar als politieke beweging was de hijra beëindigd.
Bij dit beeld moet een moment worden stilgestaan, want er is een verleiding om Attahiru te framen als shahid, als martelaar, en die verleiding is hier niet nodig, niet omdat Attahiru geen waardigheid verdient, want hij verdient zeker waardigheid, maar omdat het framen van een nederlaag als overwinning, “hij is spiritueel gewonnen, ook al heeft hij militair verloren”, het reële karakter van wat gebeurde uitwist. Attahiru werd gedood en zijn mensen werden gedood, zijn lichaam werd zonder eer behandeld en de Islamitische staat die hij diende werd ingelijfd bij een heidens-Brits imperium, en dit was een verlies, geen moreel verlies, want aan Islamitische zijde was het juridische argument sterk, maar een feitelijk, materieel en wereld-veranderend verlies.
Dit verlies mag erkend worden zonder zich aan wanhoop over te geven, want de Islamitische traditie heeft andere grote verliezen erkend, de val van Bagdad in 1258, de val van Granada in 1492 en de val van het Ottomaanse kalifaat in 1924, zonder daarmee haar geloof te verliezen. De erkenning van het verlies is juist wat ons met die traditie verbindt, want wij komen uit een umma die verliezen heeft geleden en is doorgegaan, en wij hoeven het verlies niet om te spinnen in een overwinning om er mee verder te kunnen.
De Elegieën van Wakili Junaidu en de Sokoto-poëten
Wat overblijft, en dit is rijker dan men soms denkt, zijn de elegie-gedichten van Sokoto uit de jaren direct na 1903. In het Hausa en Fulfulde, geschreven door de ulama-klasse die na Attahirus dood in Sokoto en in de steden eromheen was gebleven, bestaat een genre van rouwpoëzie waarin de nederlaag met exacte benoeming werd beschreven, welke emir viel, welke ulama werden gevangengenomen, welke bibliotheken werden geplunderd en welke moskeeën tot kazerne werden omgebouwd.
Van deze elegie-traditie bleven tientallen werken bewaard in de bibliotheken van Sokoto, Kano en Dauche, en in latere verzamelingen zoals die van Hiskett, en zij zijn geen triumfalisme maar klassieke Islamitische rouw, in de traditie van de elegieën voor al-Husayn ﵁ bij Karbala, voor de gesneuvelden van Uhud, voor elke shahid in elke latere verslagen periode. De genre-conventie geeft ruimte voor precies wat hier gebeurt, het erkennen dat er een verlies was en het eren van wat er verloren is, zonder de verliezer groter te maken dan hij was of de overwinnaar kleiner.
De Britten installeerden hun indirect rule in Noord-Nigeria met relatieve efficiëntie, want de emirs werden in hun positie gelaten, mits zij de Britse belastingmachtiging accepteerden en Britse residents in hun hoven opnamen, terwijl het Islamitisch onderwijs werd getolereerd maar gemarginaliseerd ten gunste van nieuwe koloniale scholen, en de shari’a-rechtbanken gedeeltelijk bleven functioneren onder Brits native courts-toezicht. De moskeeën bleven staan, maar de centrale politieke autoriteit van de Kalief, die honderd jaar lang de umma van West-Soedan symbolisch had geleid, was beëindigd.
Wat Koloniale Verovering Niet Bereikt Heeft
Voor het sluiten van deze scène moet iets worden gezegd wat niet in Lugards dispatches staat. De verovering van Sokoto was politiek, zij was niet religieus, want de Britten vervingen de kalief maar zij vervingen de Islam niet, en in de jaren na 1903 bleven de moslims in Hausaland en de brede Fulani-gebieden Qur’an lezen, vasten, naar Mekka reizen en hun kinderen Arabisch leren, terwijl de tariqas, de Qadiriyya en de Tijaniyya, bleven functioneren, soms zelfs versterkt door het wegvallen van het staats-Islam dat ulama soms had gecoöpteerd. In de jaren 1920 en 1930 zouden nieuwe shaykhs zoals Ibrahim Niass ﵀ in Kaolack (Senegal) en later Sheikh dan Fodio’s erfgenamen opnieuw sterke religieuze bewegingen opbouwen, nu binnen maar niet van de koloniale structuur.
Islam in West-Afrika groeide in feite sneller onder koloniale heerschappij dan daarvoor, en de statistieken zijn beschikbaar, want in 1900 was ongeveer 30 procent van de inwoners van wat nu Senegal is moslim, terwijl dat tegen 1960, het jaar van de onafhankelijkheid, rond 85 tot 90 procent was, en het beeld was vergelijkbaar in noord-Nigeria, waar de massa-islamisering van Hausa-boeren die eerder nominaal of gedeeltelijk geïslamiseerd waren grotendeels in de twintigste eeuw plaatsvond. Het is een paradox die niet weggemoffeld moet worden, want de politieke nederlaag van de Islam in 1903 ging samen met een demografische doorbraak van de Islam in de decennia daarna.
Dit is geen argument dat de verovering een zegen was, maar een constatering dat religieuze identiteit en politiek gezag niet dezelfde laag zijn, want de Britten konden Sokoto als staat beëindigen, maar zij konden de Islam als geloofstraditie niet uit de mensen trekken, en die traditie leerde zich onder koloniale omstandigheden opnieuw te organiseren, in zaouia’s, in Qur’an-scholen, in koopmansgilden, in migratiegemeenschappen en in de Hajj-karavanen die nu met stoomboten vanuit Lagos en Dakar vertrokken.
Wij en Zij, Nu
Wij die dit lezen bevinden ons in Nederland, het grootste deel van ons met Surinaams-Antilliaanse wortels, Afro-Caribische moslims met een erfenis die via de Atlantische slavenhandel uit precies de regio’s komt die hier zijn besproken, Sokoto, Hausaland, de Senegambia-Mandinka, de Bambara van Ségou, de Fulani van Massina en de Imazighen van de Sahara. Ergens tussen die plaatsen en ons lopen bloedlijnen en geestelijke lijnen, en soms is de kaart verloren gegaan, terwijl zij soms gewoon nog aanwezig is, in namen en in gewoonten en in een intuïtief gevoel dat men met West-Afrika te maken heeft.
Wij hebben de lange boog doorgelopen, van de Zaghawa en Wagadu in de vroege Middeleeuwen naar Mali en Timbuktu en Mansa Musa, naar Songhay en Tondibi, naar de eeuw van fragmentatie, naar de jihads van Seku Amadu ﵀ en Umar Tall ﵀, en eindelijk, hier, naar Burmi 1903 en de val van de laatste grote Islamitische staat van West-Afrika. Het verhaal eindigt niet in 1903, maar buigt daar door een vernauwing, een tunnel waarin de politieke macht van de umma even wordt uitgeschakeld, en komt aan de andere kant weer tevoorschijn, veranderd maar niet uitgedoofd. Senegal werd onafhankelijk in 1960 en is voor negentig procent moslim, Nigeria werd onafhankelijk in 1960 en heeft in zijn noorden een moslim-meerderheid die het kalifaat-erfgoed nog altijd als identiteitskern voert, en Mali, Burkina Faso, Niger, Guinee en Mauritanië zijn allemaal meerderheid-moslim, allemaal met eigen Soefi-tradities die via lijnen lopen die hier zijn aangeraakt, want de Suwari-traditie van de Jakhanke bestaat nog, de Tijaniyya van Umar Tall ﵀ bloeit wereldwijd, inclusief onder moslims in Nederland, de Qadiriyya via de Kunta-lijnen leeft voort in Mauritanië en Niger, en Sokoto heeft nog steeds een Sultan.
Voor ons is de les misschien deze, dat wij deel zijn van een wereld die klappen heeft gehad, grote klappen, en die er is. Onze geschiedenis is niet alleen een verhaal van nederlagen, maar een verhaal van mensen die boeken schreven terwijl andermans legers voor hun deur stonden, van vorsten die keuzes maakten die pijn deden maar die integer waren, van geleerden die met elkaar ruzieden over de juiste weg en die weg uiteindelijk allebei, in eigen variant, zijn gegaan, en van kooplieden en herders en clerici en soldaten die, de eeuwen door, hebben geprobeerd iets te bouwen dat hun namen kon dragen.
Een deel daarvan is verdwenen, een ander deel staat nog, en weer een ander deel, een niet-klein deel, loopt via de wegen die de Atlantische slavenhandel heeft uitgezet in ons zelf rond, want wanneer wij bidden, wanneer wij vasten en wanneer wij onze kinderen Qur’an laten reciteren in Amsterdam of Rotterdam of Paramaribo of Willemstad, dan doen wij iets waarin het Sokoto-kalifaat, het Mali-rijk, de Timbuktu-bibliotheken, de Jakhanke-dorpen en de Hamdullahi-majlis allemaal, op hun eigen manier, nog steeds mee-ademen, niet als doden maar als voorouders. Dat is een geschiedenis waar niet voor gelogen hoeft te worden om haar waardig te vinden.
Bronnen
- Usman dan Fodio ﵀, Bayan wujub al-hijra ʿala al-ʿibad, geschreven in Ramadan 1221/november 1806, zoals gedateerd in Last, p. 46; Masaʾil muhimma, waarvan de vierde vraag over de omgang met ongelovigen in maart 1903 de grondslag werd voor de onderwerping van Sokoto, zoals besproken in Adeleye, p. 284.
- Frederick Lugard en T. N. Morland, de rapporten over de Kano-Sokoto-expeditie en de val van Burmi in de Colonial Office-reeks C.O. 446 en Morlands rapport aan Lugard (Cd. 1433), zoals gebruikt in Adeleye, pp. 269, 272, 309.
- R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), pp. 3, 95, 131, 169–170, 193–194, 221, 237, 264–265, 267, 269, 272–273, 277, 279–285, 288, 307–311.
- pp. 3, 95, 221: het kalifaat over ongeveer 250.000 vierkante mijl; de regering van ʿAbd al-Rahman ibn Atiq van maart 1891 tot zijn dood in 1902; Lugards proclamatie van 1 januari 1900, in Arabische vertaling aan de kalief en de emirs gezonden.
- pp. 131, 170, 193, 237: de Berlijnse West-Afrika-conferentie; Rabih, voorheen in dienst van Zubayr Pasha in de oostelijke Soedan, die omstreeks december 1893 de verovering van Bornu begon en op 22 april 1900 bij Kusseri door de Fransen werd verslagen en gedood.
- pp. 169–170, 194: de Franse omverwerping van het Tukulor-rijk van Ségou en de vlucht van Ahmad ibn Shaykh Umar ﵀ oostwaarts naar Sokoto-gebied, waar hij op 16 december 1897 overleed.
- pp. 264–265, 267: de moord op kapitein Moloney te Keffi op 3 oktober 1902 door de mannen van de Magaji Dan Yamusa, de vertegenwoordiger van de emir van Zaria; de heldenontvangst van de Magaji in Kano door emir Aliyu, voor Lugard de casus belli.
- pp. 269, 272–273: Morland die op 29 januari 1903 uit Zaria vertrok met vierentwintig officieren, twaalf onderofficieren, 722 manschappen, vier 75 mm-kanonnen en vier Maxims; de aanval van 3 februari: muren van dertig tot vijftig voet hoog, de mislukte beschieting van de Zaria-poort, de bestorming van de Kabuga-poort met ladders, ongeveer driehonderd gesneuvelde verdedigers en aan Britse zijde geen doden en veertien gewonden.
- pp. 277, 279: de charges van de Kano-ruiterij op het carré van luitenant Wright bij Kotorkwoshi en Rawiya op 25 en 26 februari; de onderwerping van de Wombai Abbas op 6 maart, met slechts 120 ingezamelde geweren.
- pp. 280–285, 288: de verdeelde meningen in Sokoto tussen vrede, strijd en hijra; het kamp van de kalief buiten de muren op vrijdag 13 maart; de slag van 15 maart, waarin de hoofdmacht van tweeduizend ruiters en vierduizend man voetvolk in minder dan twintig minuten werd verslagen, met ongeveer honderd doden, waarna Attahiru I oostwaarts vluchtte en de Britten om elf uur de verlaten stad binnentrokken; de wazir Muhammad al-Bukhari ﵀ die op 19 maart terugkeerde; Lugard in Sokoto op 19 maart, de nominatie van Muhammad al-Tahir ibn ʿAli ibn Bello (Attahiru II), de verliezer van de verkiezing van 1902, op 20 maart en zijn installatie op 21 maart in het centrum van de stad, met de garantie van vrije godsdienstuitoefening.
- pp. 307–311: majoor Marsh die op 23 juli Nafada bereikte met een macht van vijfhonderd man, vijfentwintig officieren, vier Maxims en twee kanonnen; de aanval op Burmi op 27 juli om elf uur, de dood van Marsh door een vergiftigde pijl, meer dan zeshonderd gesneuvelde verdedigers en Attahiru I die met ongeveer negentig man bij de poort viel; aan Britse zijde Marsh, vier manschappen en zes dragers gedood en ongeveer negentig gewonden; de verwoesting van Burmi op 28 juli; de vlucht van zijn zoon Mai Wurno naar de Nijl, waar de emigranten bij Shaykh Talhat neerstreken en zo’n dertig jaar later het dorp Mai Wurno stichtten.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. 46, 140–141.
- pp. 140–141: de verkiezing van Muhammad Attahiru ibn Ahmad op 13 oktober 1902, drie dagen na de dood van ʿAbd al-Rahman, en de slag bij Sokoto op 15 maart 1903; gebed en amuletten tegen kogels als voornaamste verdediging; de emir van Kano, ʿAli ibn ʿAbdullah, die zijn leger verliet; de Amir al-muʾminin die na de verloren slag langzaam oostwaarts trok, terwijl de meeste ambtsdragers onder Lugards belofte de islam niet te hinderen achterbleven.
- Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 14, 124, 153.
- pp. 14, 124, 153: Lugard die in 1903 de emir van Kano en de kalief versloeg en een Brits protectoraat vestigde, waarbij het Fulani-bestuurskader onder Britse Residents intact bleef; de Kano-dichter die omstreeks 1903 de Britse expeditie als de legers van Gog en Magog bezong; het kader van het Fulani-rijk dat onder Indirect Rule tot in het onafhankelijke Noord-Nigeria voortleefde.
- Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, p. 53: het Sokoto-kalifaat dat honderd jaar standhield tot de Britse verovering.
