InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De laatste jaren en bestuur

De laatste jaren en bestuur

In de twee jaren die hem nog werden gegeven, hield ʿAli ﵁ zijn ambt in Kufa, oefende rechtspraak in de Masjid al-Aʿzam, dicteerde aanwijzingen over de Arabische grammatica, en sprak woorden van wijsheid die door zijn metgezellen voor de generaties die zouden volgen werden bewaard.

De rechtspraak in de Masjid al-Aʿzam

Na het verlies van Egypte en het uitblijven van een hervatte campagne tegen Sham, hervatte ʿAli ﵁ in Kufa een leven dat hem in zijn eigen aanvoelen meer toekwam dan dat van de veldslag-aanvoerder. Hij hield weer zitting in de Masjid al-Aʿzam en ontving wie tot hem kwam in de zaken van rechtspraak, in de fiqh-kwesties die in de gemeenschap leefden, in de juridische puzzels die de qadi Shurayh ﵀ aan hem voorlegde wanneer een zaak op zijn werktafel terechtkwam die hij niet zonder verdere konsultatie wilde beslissen.

In deze jaren werden in Kufa een aantal van zijn meest beroemde uitspraken opgetekend. Een man kwam tot hem met de vraag naar het lot van degene die in zijn geslachtelijke afkomst hermafrodiet was, een vraag waarover Muʿawiya ﵁ hem in eigen consciëntie had geraadpleegd in een brief vanuit Damascus, want zelfs zijn politieke tegenstander erkende dat in de juridische scherpzinnigheid van ʿAli ﵁ geen andere man in de gemeenschap zijn gelijke was. ʿAli ﵁ antwoordde, naar wat Suyuti ﵀ via Said ibn Mansur ﵀ bewaart, dat een hermafrodiet zou erven naar de wijze waarop hij urineerde. Het was een oplossing in haar empirische eenvoud die in latere generaties als juridische precedent zou blijven bestaan.

Een andere zaak, die in Kufa lang bewaard bleef, was de zaak van een man die voor hem werd gebracht onder verdenking van diefstal. Twee getuigen hadden tegen hem geverklaard. ʿAli ﵁ nam, in plaats van de gebruikelijke afhandeling, een ongebruikelijke maatregel. Hij hief een ander attribuut in zijn hand en sprak een waarschuwing uit aan wie als valse getuige werd binnengebracht, met de waarschuwing dat hij zelf, indien een valse getuige zou worden gevonden, met dit attribuut bestraft zou worden. Hij zond toen mannen uit om de twee getuigen op te zoeken voor verdere ondervraging. De twee getuigen waren niet meer te vinden. Hij liet de verdachte vrij. Het was een toepassing van de bestraffing van valse getuigen die in latere generaties als een voorbeeld van het preventief recht van de qadi werd opgenomen.

Kaart laden...

De aanwijzing van Abu al-Aswad

Een van de bijzonderste vermeldingen die in latere bronnen over deze jaren in Kufa is bewaard, betreft de aanwijzing van ʿAli ﵁ aan Abu al-Aswad ad-Duʾali om een werk over de Arabische grammatica op te stellen. Abu al-Aswad ﵀ kwam tot hem in een gesprek dat door Suyuti ﵀ via een keten van overleveraars wordt bewaard. Hij trof ʿAli ﵁ aan met neergeslagen ogen, in diepe gedachten. Hij vroeg wat de Amir al-Muʾminin overpeinsde. ʿAli ﵁ antwoordde dat hij in deze stad fouten had gehoord in het gebruik van het Arabisch, en dat hij voornemens was om een werk over de principes van het Arabisch te laten opstellen. Hij gaf Abu al-Aswad ﵀ een pagina waarop een eerste indeling stond:

ʿAli ﵁: In de naam van Allah ﷻ, de Erbarmer, de Genadevolle. Het woord is naamwoord, werkwoord en deeltje. Het naamwoord vertelt over het benoemde. Het werkwoord vertelt over de beweging van het benoemde. Het deeltje vertelt van een betekenis die noch naamwoord noch werkwoord is.

Hij gaf Abu al-Aswad ﵀ de opdracht om deze indeling uit te werken, om de driedeling van substantief, voornaamwoord en wat noch substantief noch voornaamwoord is, te bewerken, om de partikels van nasb te catalogiseren. Abu al-Aswad ﵀ ging aan het werk en bracht na enige tijd zijn eerste manuscript naar hem terug. ʿAli ﵁ ging het door, en wees op een omissie: het partikel lakinna ontbrak in de lijst van partikels van nasb. Hij liet het opnemen. Aldus werd in Kufa, onder de hand van Abu al-Aswad ﵀ en op uitdrukkelijke aansporing van de khalifah, de eerste sytematische indeling van de Arabische grammatica gelegd, die in de eeuwen erna in de werken van Sibawayh en de generaties grammatici van Basra en Kufa zou worden uitgewerkt.

De seal-ring en de bait al-mal

Een verdere herinnering die in latere bronnen breed is bewaard, betreft de seal-ring van ʿAli ﵁ en de wijze waarop hij de bait al-mal beheerde. De seal-ring was van zilver, en zijn gravering, naar wat Ibn ʿAsakir ﵀ overlevert, was: Mubarakun maa qadara Allah. In een andere overlevering die ʿAmr ibn ʿUthman ibn ʿAffan ﵀ bewaart, was de gravering: al-Mulk lillah, de soevereiniteit behoort aan Allah ﷻ. De variant wijst er waarschijnlijk op dat hij in de loop van zijn leven verschillende seal-ringen had gedragen.

Hij beheerde de bait al-mal van Kufa met een strengheid waarin hij de gewoonte van ʿUmar ﵁ overtrof. Hij placht, naar wat de overlevering Mujammiʿ ﵀ bewaart, de bait al-mal eigenhandig leeg te vegen na elke verdeling, en daarna een gebed te verrichten in de hoop dat het gebed voor hem zou getuigen dat hij geen rijkdom voor zichzelf had behouden buiten wat de gemeenschap toekwam. Hij accepteerde geen aanstelling voor zijn eigen verwanten uit Banu Hashim die hen in een fiscaal bevoordelende positie zou hebben geplaatst. Hij liet zijn eigen zoons Hasan ﵁ en Husayn ﵁, en zijn neef Ibn ʿAbbas ﵁, in eenvoudige huizen wonen en weigerde voor hen landgoederen te aanvaarden uit de provincie-inkomsten.

De vermaningen in de moskee

In zijn khutbahs in Kufa hield ʿAli ﵁ in de jaren 38 en 39 een aantal vermaningen die in latere bronnen tot in detail zijn bewaard. Hij sprak over de aard van het bestuur en over de plicht van de aanvoerder om in eigen consciëntie het bewustzijn van de rekenschap voor Allah ﷻ niet te verliezen. Hij sprak over de waarschuwingen die hij van de Boodschapper ﷺ in zijn jeugd had ontvangen aangaande de fitnah die in de gemeenschap zou opkomen.

In een van deze khutbahs sprak hij een vermaning die in elke generatie erna is herhaald:

ʿAli ﵁: Wees onder de mensen zoals de bij onder de vogels. Geen vogel ziet de bij anders dan als gering. Indien de vogels wisten welke zegen er in haar binnenste is, zouden zij haar zo niet bejegenen. Vermeng je met de mensen met je tong en met je persoon, en wees afgezonderd van hen in je daden en in je hart, want een mens heeft wat hij verdient, en op de Dag van de Opstanding zal hij zijn met wie hij liefheeft.

In een andere khutbah sprak hij een woord dat in de geestelijke literatuur van de generaties erna een vast citaat zou worden:

ʿAli ﵁: At-tawfiq is de beste leider, goede karakter is de beste metgezel, het verstand is de beste gezel, hoffelijkheid is de beste erfenis, en er is geen eenzaamheid erger dan verwaandheid.

De gesprekken met al-Hasan ﵁

In zijn eigen huishouden bracht hij vele uren door met zijn oudste zoon Hasan ﵁, die in deze jaren in de twintig was, en met zijn jongere zoon Husayn ﵁. Hij sprak met hen over de zaken van het bestuur, over de fiqh, over de geschiedenis van de eerste khalifahs. Hij sprak met hen ook over zijn eigen voornemen om in een toekomstige conjunctuur het kalifaat in goede orde over te dragen. Hij gaf in deze gesprekken aanwijzingen waarvan latere overleveraars sommige hebben opgetekend en die in hun beknoptheid als zijn testament aan zijn zoons gelden. Een van die aanwijzingen, die Suyuti ﵀ via ʿUqbah ibn Abi as-Sahbaʾ ﵀ bewaart, droeg de vorm van een viertal en daarna een tweede viertal:

ʿAli ﵁: Mijn zoon, onthoud van mij vier en vier. Het intelligentie is de rijkste rijkdom, de grootste armoede is dwaasheid, de eenzaamste afzondering is verwaandheid, en de meest edele eigenschap is goed karakter.

Al-Hasan ﵁: En de andere vier?

ʿAli ﵁: Hoed je voor het gezelschap van een dwaas, want hij wil je voordeel doen en hij schaadt je. Hoed je voor de vriendschap met een leugenaar, want hij maakt het verre nabij in jouw oog en het nabije verre. Hoed je voor de vriendschap met een gierigaard, want hij zal werkeloos blijven zitten hoezeer je hem ook nodig hebt. En hoed je voor de vriendschap met een immoreel mens, want hij zal jou verkopen voor een geringe som.

De gemeenschap die niet wilde marcheren

In het politieke leven van Kufa bleef ʿAli ﵁ in deze twee jaren met een gemeenschap zitten die niet bereid was om opnieuw naar Sham te marcheren. Hij hield militaire reviews, hij sprak in de moskee, hij stuurde brieven aan de stamhoofden. Hij stuurde ʿAbdullah ibn ʿAbbas ﵁ als bestuurder naar Basra en gaf hem instructie om in die stad een mobilisatie te voorbereiden voor een mogelijke campagne. Hij ontving delegaties uit Yemen die hem hun trouw bevestigden en die hem voor hun fiscale en bestuurlijke vraagstukken raadpleegden.

Maar de campagne tegen Sham, in haar wijdte en in haar militair belang, kwam niet meer tot stand. Muʿawiya ﵁ in Damascus consolideerde zijn positie. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ in Fustat bestuurde Egypte met de fijngevoeligheid waarvoor hij bekend stond. Brieven uit Sham bereikten Kufa met steeds groter zelfvertrouwen in de toon, en aanvallen van Shamse cavalerie op de Iraqse grenzen van Iraq begonnen in een patroon dat aan een langgerekte oorlog tussen twee staten begon te lijken.

In zijn binnenste consciëntie wist ʿAli ﵁ dat de fitnah in zijn ambt niet meer zou worden geheeld. Hij hield zich aan zijn ambt zoals een man aan een dak in een storm. Hij wachtte op een verandering die hem in betere conjunctuur in staat zou stellen tot de hervatting van de campagne. De verandering kwam niet uit de richting waar hij haar verwachtte. Zij kwam uit het kamp van de Khawarij, in een aanslag die in een Egyptische stad werd beraamd en in de moskee van Kufa zou worden uitgevoerd.

De ontmoeting met de wijsman van de Arabieren

In de eerste maanden in Kufa kwam tot ʿAli ﵁ een man die in latere bronnen als een van de wijzen van de Arabieren wordt aangeduid. Hij was een ouder figuur, naar wat in latere bronnen via al-Madaʾini ﵀ is bewaard, en hij sprak met ʿAli ﵁ in een gesprek dat in zijn beknoptheid een hele filosofie van het kalifaat onder de Rashidun samenvatte.

De wijsman: Bij Allah ﷻ, Amir al-Muʾminin, jij hebt het kalifaat versierd, en het heeft jou niet versierd. Jij hebt het opgeheven, en het heeft jou niet opgeheven. Het was meer in nood van jou dan jij van het.

Het woord werd in Kufa lang bewaard. Wie het hoorde, herkende erin de erkenning van wat in de gemeenschap reeds in stilte werd waargenomen: dat ʿAli ﵁ in zijn ambt geen voordeel zocht en geen privilege opbouwde, en dat het ambt aan zijn drager in deze fase van de geschiedenis meer last dan eer toebracht. De wijsman, naar wat in latere bronnen is bewaard, vertrok na zijn uitspraak zonder een verdere petitie aan de khalifah voor te leggen; hij was alleen gekomen om dit woord uit te spreken.

De rust in de nachten

In deze jaren ontwikkelde ʿAli ﵁ een gewoonte van nachtelijk gebed die in latere bronnen breed is bewaard. Hij bracht de tweede helft van de nacht in lange salah door. Hij reciteerde uit het hoofd lange passages uit de Quran, in een stem die in de moskee van Kufa, wanneer hij in de zomernachten met de deuren open stond, tot ver in de straat hoorbaar was. Wie de gewoonte van zijn nachtelijk gebed kende, en wie in Kufa in de huizen rondom de moskee woonde, hoorde zijn stem als een vast bestanddeel van de nachtelijke rust van de stad.

Na het fajr-gebed plac ht hij in de moskee te blijven zitten tot de zon was opgekomen, en daarna in dhikr door te gaan tot ongeveer de tijd van de duha-gebed. Dit patroon, dat hij in de jaren van Medina onder de Boodschapper ﷺ had geleerd, hield hij in zijn ambt in Kufa onverkort aan. Wie hem in deze ochtendlijke uren ontmoette, sprak van een rust en een evenwicht die in geen contrast stonden met de politieke onrust die in zijn ambt heerste.

Het verschijnen van Khariji aanslagen in Kufa

In de laatste maanden van zijn kalifaat begonnen in Kufa zelf kleine aanslagen van geïsoleerde Kharijis op koeriers en op kleine garnizoenen te verschijnen. De wraak van de overgebleven Khawarij voor de slag van Nahrawan werd in deze aanslagen voorgevoerd, en zij gaven aan ʿAli ﵁ aanleiding tot verhoogde veiligheidsmaatregelen rondom zijn eigen huis en de moskee. Hij verbod, in een ongebruikelijke maatregel, dat hij in de moskee zonder geleide zou bidden gedurende een aantal weken. Maar zijn natuurlijke afkeer van paleisleven en zijn voorkeur voor eenvoudige omgang met de gemeenschap maakten dat hij deze maatregel na enkele weken weer opgaf. Hij keerde terug naar de gewoonte om alleen, zonder geleide, naar de moskee te lopen voor het fajr-gebed. Het was deze gewoonte die in Ramadan van het jaar 40 in de moskee van Kufa de aanslag van Ibn Muljam mogelijk zou maken.

De ontvangst van delegaties uit verre provincies

In deze jaren in Kufa ontving ʿAli ﵁ delegaties uit provincies die in de jaren onder de drie eerste khalifahs waren veroverd en die in zijn ambt onder zijn aanstelling waren gebleven. Uit Bahrain kwam een delegatie van de Banu ʿAbd al-Qays met fiscale vragen. Uit Yemen kwam een delegatie van de Hamdan-stam met geschillen over erfrecht onder hun stamgenoten. Uit Khurasan, dat in de jaren onder ʿUthman ﵁ tot de uithoeken van het kalifaat was uitgegroeid en dat onder ʿAli ﵁ door ʿAbdullah ibn ʿAamir ﵁ als gouverneur was bevestigd, kwam een delegatie met administratieve verzoeken over de wijze van inning van de kharaj. Aan elke delegatie gaf hij persoonlijk gehoor. Hij sprak in elke audiëntie met de senior van de delegatie eerst over de stand van het gebed en van de moskee in hun provincie, en pas daarna over de fiscale of juridische zaak waarvoor zij waren gekomen. Het was een ontvangstprotocol dat hij in de jaren onder ʿUmar ﵁ in Medina had geleerd, en hij hield het in Kufa onverkort aan.

De omgang met Marwan in de overlevering

In de overlevering van Suyuti ﵀ over de jaren in Kufa wordt op een aantal plaatsen melding gemaakt van Marwan ibn al-Hakam, die in deze jaren niet in Kufa was maar in Medina en in Sham bewoog. Marwan was de man die in de Slag bij de Kameel de pijl op Talha ﵁ had afgevuurd, en hij was in de jaren erna een figuur die in de overgangsperiode tussen de eerste fitnah en de Umayyadische tijd een eigen plaats zou innemen. De omgang van ʿAli ﵁ met Marwan in deze jaren was die van een man die in eigen consciëntie geen bondgenoot zag maar die in zijn ambt geen rechtsgrond had voor een directe handeling tegen wie zich aan zijn fysieke bereik had onttrokken. Hij zond geen koeriers tot Marwan en hij vroeg geen uitlevering. Marwan bewoog in Medina en in Sham zonder dat het ambt van ʿAli ﵁ hem aanstuurde, en in de jaren onder Muʿawiya ﵁ zou hij in zijn eigen politieke carrière als gouverneur van Medina en in zijn latere positie als kalifaat-kandidaat een rol spelen die in latere bronnen breed werd beschreven, en die in deze samenvatting niet verder wordt uitgewerkt omdat zij behoort tot een ander tijdperk.

De omgang met de gewone gelovige

In deze jaren in Kufa onderhield ʿAli ﵁ een omgang met de gewone gelovige die in latere bronnen breed werd bewaard. Hij placht na het fajr-gebed in de moskee te blijven zitten op de mat waar hij had gebeden, en hij ontving daar wie tot hem kwam met een vraag. De vragen waren divers: van fiqh-kwesties over erfrecht en huwelijksrecht tot fiscale vragen over de zakat en de jizyah, van persoonlijke geschillen tussen buren tot algemene vragen over de uitleg van een Quran-vers. Hij antwoordde op elke vraag in een toon die in zijn fijngevoeligheid en in zijn juridische helderheid in geen ambtenaar van het kalifaat zijn evenknie had. Wie van zijn antwoorden later in eigen consciëntie wenste te beoordelen, kon ze in de werken van wie de overleveringen verzamelden, terugvinden. De fragmenten van zijn antwoorden in de moskee van Kufa zouden in de eeuwen erna in de fiqh-werken van alle vier de madhhabs worden opgenomen, en zij zouden bijdragen aan de juridische erfenis waarover de gemeenschap in latere generaties zou kunnen beschikken.

Bronnen

  • Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), p. 194 (juridische uitspraken inzake de hermafrodiet en de bestraffing van valse getuigen), pp. 198–199 (kwestie van de hermafrodiet en de zaak van valse getuigen), pp. 199–200 (aanwijzing van Abu al-Aswad ad-Duʾali en de eerste indeling van de Arabische grammatica), p. 199 (seal-ringen en het sweep van de bait al-mal), p. 200 (de vermaning over de bij), p. 201 (at-tawfiq als beste leider), p. 207 (de viertal-en-viertal-aanwijzing aan Hasan ﵁).