De Geboorte in Mekka
De Profeet Muhammad ﷺ werd geboren in Mekka op een maandagochtend op de 9e dag van Rabi al-Awwal, het Jaar van de Olifant, wat overeenkomt met circa 570 n.Chr. Zijn vader Abdullah was reeds voor zijn geboorte overleden, waardoor hij ﷺ als wees ter wereld kwam. Zijn moeder Aminah bint Wahb droeg hem en verhaalde later dat zij tijdens haar zwangerschap een licht zag dat zo ver reikte dat zij de paleizen van Busra in Syrië kon zien. Zij ontving de boodschap om hem Muhammad te noemen, de Geprezene.
Abdul-Muttalib, zijn grootvader, was buitengewoon verheugd over de geboorte van zijn kleinzoon. Hij nam hem mee naar de Ka’bah, dankte Allah ﷻ en gaf hem de naam Muhammad. Het was een naam die ongebruikelijk was onder de Arabieren in die tijd, maar die spoedig de meest gedragen naam ter wereld zou worden.
Bij de Zoogmoeder Halimah in de Woestijn
Het was gewoon voor de Arabieren die in de steden woonden om hun kinderen voor een tijd mee te sturen met Bedoeïne zoogmoeders zodat hun kinderen vrij en gezond konden opgroeien in de woestijn. Dit was gezond voor de ontwikkeling van een sterk lichaam en daarnaast zouden zij de pure Arabische taal ontwikkelen en opgevoed worden met de etiquette en gedragsregels van de Bedoeïnen, zaken waaraan veel waarde werd gehecht. Vooral omdat de Bedoeïnen bekend stonden om hun zuivere taal en als personen die niet beïnvloed waren door de negatieve invloeden van stedelijke gebieden.
Zodoende werd de Profeet ﷺ toevertrouwd aan Halimah bint Abi Dhuaib ﵂ van de Sa’d bin Bakr-stam. Halimah ﵂ was dat jaar met de andere zoogmoeders naar Mekka gekomen op zoek naar zuigelingen, maar het was een jaar van droogte en armoede. Geen van de vrouwen wilde de jonge Muhammad ﷺ meenemen omdat hij een wees was en er geen vader was om hen rijkelijk te belonen. Halimah ﵂ was de laatste die geen zuigeling had gevonden en nam hem uiteindelijk mee.
Vanaf het moment dat de Profeet ﷺ bij haar was, veranderde alles. Haar magere kamelin die nauwelijks melk gaf, begon overvloedig melk te produceren. Haar ezelin die achterbleef bij de karavaan, liep nu voorop. Het dorre land van de Sa’d bin Bakr-stam werd groen en vruchtbaar. De zegeningen waren zo zichtbaar dat de mensen om haar heen het opmerkten.
Toen de Profeet ﷺ ongeveer twee jaar oud was, nam Halimah ﵂ hem terug naar zijn moeder Aminah. Maar zij smeekte haar om hem langer te houden, want de zegeningen die zij ontving waren groot. Aminah stemde toe.
Het was in deze periode dat het splijten van de borst plaatsvond. Terwijl de jonge Muhammad ﷺ met de andere kinderen speelde, kwamen twee mannen in witte kleding (engelen) naar hem toe. Zij legden hem neer, openden zijn borst, haalden zijn hart eruit en reinigden het met Zamzam-water. Zij verwijderden een zwart stukje en zeiden: “Dit is het aandeel van de Shaytaan in jou.” Daarna plaatsten zij het hart terug en sloten de borst. De andere kinderen renden geschrokken naar Halimah ﵂ en riepen: “Muhammad is vermoord!” Toen zij bij hem kwamen, was hij bleek maar ongedeerd. Na deze gebeurtenis bracht Halimah ﵂ hem terug naar zijn moeder in Mekka.
Hij ﷺ verbleef bij Halimah ﵂ tot hij ongeveer vier tot vijf jaar oud was.
Vroege Verliezen
Hij ﷺ bleef bij zijn moeder Aminah tot zij overleed toen hij zes jaar oud was. Aminah stierf in Al-Abwa, een plaats tussen Mekka en Medina, op de terugweg van een bezoek aan de familie van haar overleden man in Yathrib. De jonge Muhammad ﷺ was bij haar toen zij stierf. De dienares Umm Ayman ﵂ begeleidde hem terug naar Mekka. Op zes jarige leeftijd had hij ﷺ zowel zijn vader als zijn moeder verloren.
Daarna zorgde zijn grootvader Abdul-Muttalib voor hem. Abdul-Muttalib behandelde hem als zijn oogappel. Hij had een speciaal kleed dat werd neergelegd bij de Ka’bah waarop niemand mocht zitten behalve hijzelf, maar de jonge Muhammad ﷺ liet hij naast zich zitten. Toen Abdul-Muttalib overleed, was de Profeet ﷺ acht jaar oud. Hij had nu drie van zijn dierbaren verloren: zijn vader, zijn moeder en zijn grootvader.
Daarna kwam hij ﷺ onder de hoede van zijn oom Abu Talib, die zijn neefje veertig jaar zou bijstaan en hem koste wat het koste beschermde en ondersteunde. Abu Talib was niet de rijkste van de broers van Abdullah, maar hij was de meest liefdevolle en toegewijde. Hij nam de jonge Muhammad ﷺ overal mee naartoe en liet hem nooit alleen.
De Ontmoeting met Bahira
Op zijn twaalfde ging hij ﷺ met zijn oom Abu Talib op handelsreis naar Syrië. Bahira was een christelijke monnik die leefde in een klooster in Busra, een stad in het zuiden van Syrië. Hij was een kenner van de oude Schriften en wachtte op de tekenen van de komende profeet die in zijn boeken werden beschreven.
Toen de karavaan van Abu Talib Busra naderde, zag Bahira iets wat hij nooit eerder had gezien: een wolk die de karavaan volgde en schaduw bood aan één specifiek persoon. Toen de karavaan stopte onder een boom, bogen de takken zich neer over diezelfde persoon. Bahira nodigde de gehele karavaan uit voor een maaltijd, iets wat hij nooit eerder had gedaan.
Hij herkende de Profeet ﷺ direct. Hij zei: “Dit is de meester van alle mensen. Allah ﷻ zal hem sturen met een boodschap en hij zal een genade voor alle schepselen zijn.” Abu Talib vroeg: “Hoe weet je dat?” Bahira antwoordde: “Toen jullie uit de richting van Aqaba kwamen zag ik dat alle stenen en bomen zich neerwierpen, iets wat zij niet doen behalve voor een profeet. Ik herken hem ook aan het zegel der profeten onder zijn schouder in de vorm van een appel. Dit staat in onze boeken.”
Hij vroeg Abu Talib om de Profeet ﷺ terug te sturen naar Mekka en hem niet mee naar Syrië te nemen, uit vrees dat anderen hem zouden herkennen en hem kwaad zouden doen. Abu Talib stuurde hem terug met zijn bedienden. Zelfs de bewakers van de vroegere Openbaringen herkenden dus de komende Profeet ﷺ, een bevestiging van wat de eerdere Schriften reeds hadden beloofd.
